Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1256 tot 1260 van 11897
Nummer
1914, nr.26, 23 dec. 1914
Blad
15
Tekst
dagelijksche levensgewoonten blijven volgen, en het had hen behoed voor veel zorgelijk peinzen en afgetrokkenheid. Het voorschrift van den jongen man bleek werkelijk uitmuntend. Wel dachten allen veel aan Max, die daar ver in het vijandelijk land aan duizenden gevaren ten prooi was, maar door de hand te houden aan alle dagelijksche dingen, werd blijvende aandacht voor het gewone leven gewekt, en het toegeven aan vrees en verdriet voorkomen. Het was zelfs een soort van wedstrijd geworden tusschen de oude lieden en Else, wie het best Max’s raad volgen zou, en, waar zóó de een den ander aanmoedigde, was het resultaat een zeer gelukkig. Allen hielden zich fiksch onder de beproeving. Er kwamen nu en dan brieven van Max. Hij verhaalde daarin op zijn bekenden gezelligen trant van het leven aan het front, van een stoutmoedige daad, die hij met de zijnen had volvoerd, en zoo’n daad werd steeds als een grap, als een jongensstreek beschreven, luchthartig en opwekkend. „Zie jelui wel”, zoo heette het dan, „als ie het maar beheerscht, als je er maar niet onder zit, dan heb je het welslagen van zulke dingen, ja, van je carrière, ja, van je heele leven zelf in de hand. Dus tot Kerstmis. Ik heb het gezegd, en dat gebeurt ook. Tot ’s avonds vóór Kerstmis. Ik kan het zoo precies zeggen, omdat vaders oude schoolkameraad Bareel mijn kolonel is, en hij me persoonlijk beloofd heeft, dat er mocht gebeuren wat wilde, ik althans tegen dien dag naar huis reizen zou. ,,A1 was het alleen maar om aan papa zijn groeten te gaan geven,” voegde hij er lachend bij, toen hij me de belofte gedaan had. „Dus, je weet het: er gebeurt niets bijzonders. Alles is gewoon, ook de oorlog, wanneer hij er eenmaal is. Drinken jelui wel eiken dag op tijd koffie ? En maakt ma dagelijks haar ochtendwandeling? Denk om je gezondheid, lieve, ouwe ma, lieve, jonge ma, wil ik zeggen. En let vader wel op Kobus' zijn nieuwe manier om seringen te broeien? Laat er met Kerstmis snijden hoor, en zet ze op de tafel. Nou, en Else haar pianospelen. Hoe is het daarmee ? Komt ze wel op haar vaste avonden spelen voor jullie ? Vooral Bach. Laat haar die fuga (ze weet wel) goed instudeeren. Dan zal ik met Kerstmis zeggen of ze zonder mij ook Bach begrijpen kan. Wat een groote, edele rust, die Bach, hè? Dat moesten alle menschen hebben. Als ze maar wilden, als ze maar wilden. Ja, ik zeg niet allemaal, maar het aantal zou meevallen. Enfin. Ik eindig. Mijn brief wordt al wat litterair. En dat moet niet. Wat wèl moet, dat weten jelui. Nu, goeierds, tot Kerstmis, hoor. Flink zijn en gewoon zijn, en blij ook, alvast blij tegen dien avond. En denk om den boom. Kussen en handdrukken. Dag. Dag, allemaal 1” Zoo was het slot van zijn laatsten brief geweest, en het had hen allen in het geloof in zijn geluk, in de hoop op het weerzien versterkt. En het werd Kerstavond. In het huis van de familie Tiele waren alle kamers schitterend verlicht. Op alle tafels, trumeaux en kastjes stonden vazen met seringen, zooals Max dat gevraagd had. In den salon stond de Kerstboom genoeglijk opgetuigd, met zijn groote glinsterende ballen, gouden en zilveren engelenhaar, verblindend-witte sneeuwvlokken, een verzameling kleine geschenken en een leger van smetteloos witte kaarsjes, met gouden vlammetjes in top. Van den donkeren landweg was het een wonderlijk schoon gezicht, deze feestelijk verlichte menschenwoning, waar men door de vensters de sneeuwwitte ruikers te allen kant zag -pronken, waar voor een groot erkerraam de schitterende kerstboom als een liefelijk wachtvuur blonk. Naar dezen boom zou Max zijn schreden richten. Hij stond voor het venster aan den kant, waar de stad, op eenigen afstand, lag. Als een lieve welkomstgroet zou hij den jongen van verre zijn; innig en tevens krachtig als hij zijn tooverachtig licht over den tuin en een deel van den weg verspreidde. t De oude heer Tiele loopt in den salon heen en weer, even. Met het horloge in de hand gaat hij dan de hall in om het aangewezen uur te vergelijken met dat op de gangklok, die zeer nauwkeurig liep. Zoodra hij terug is, noopt hij zich tot zitten, wat hem, hoe getraind tot rust en zelfbeheersching hij sedert Max’s vertrek ook is, nu, op dezen avond, toch nog moeite kost. Met een trek van ongeduld op het gelaat wendt hij zich tot zijn vrouw, die in zijne nabijheid in een lagen leunstoel zit. Evenals haar echtgenoot heeft ook zij een zorglijken trek op het gelaat, en toch ook glanst de blijdschap om het ophanden geluk op hun beider oude zachte gezichten. Buiten is het koud. De wind giert over het vlakke land rondom. Soms kletst een hagelslag - op de vensters. In den schoorsteen is een zacht geloei. Het open haardvuur knettert genoeglijk. Indien de ietwat zorgelijke trek er nu en dan niet was op de aardige oude gezichten, dan zou men dit interieur met de bloemen en lichten, en dien wèl-uitzienden ouden heer en dame in hun crapauds bij het haardvuur de mise-en-scêne voor een ophanden bekoorlijk blijspel kunnen noemen. HET GESCHENK VAN PRINSES MARV. In een onzer vorige nummers vermeldden wij dat er op initiatief van Prinses Mary een fonds gesticht was om den Engelschen zeelieden en soldaten met Kerstmis een geschenk te zenden. Hierboven beelden wij het deksel af van de doos, waarin ieders geschenken zijn gepakt. ’T GESCHENK v. o. DUITSCHEN KROONPRINS. Het kerstgeschenk van den Duitschen kroonprins aan zijn manschappen bestaat uit een tabakspijp. Op de voorzijde staat het portret van den kroonprins, op de achterzijde „Weihnachten 1914". KERSTMIS IN HET HOSPITAAL. De verwonden, die in het hospitaal hun Kerstfeest vieren, zullen zeker met weemoed denken aan hun kameraden, die mei Kerstmis in de loopgraven vertoeven. Else komt uit het belendend vertrek, en brengt twee kopjes thee. Ook op haar gelaat troont die wonderlijke extaze van blijdschap met het fond van zorglijkheid, of liever van den ernst, in dien laatsten tijd er over gespreid; de vreugde overglanst echter al het andere in haar gezicht, en in hare jonge, lieve gebaren. „Hoe laat is het nu ?” vraagt mijnheer haar. „En je hebt daareven op de klok gekeken, vader,” lacht ze. En ook de oude mevrouw lacht met een nerveus lachje om de verstrooidheid van haar echtgenoot. De oude heer is er wat verlegen mee. » Else komt, nu ze thee geschonken heeft, ook in een leunstoel bij den haard zitten. En een gesprek begint. „Ik denk wei, dat hij nu gauw komen zal,” zegt mevrouw, als luidop peinzend. „Het is nu juist zoo’n aardig uur ervoor, hè. Ik heb een gevoel, dat het nu niet meer lang duren zal.” „Ja, ja,” doet de oude heer, schijnbaar -beamend, en met toch tegelijk iets in den spreektoon als wilde hij haar weerhouden van te groote blijdschap, waardoor eene teleurstelling te feller haar verdrieten zou. „Verbeeld je, dat hij eerst morgen eens kwam,” oppert Else, „verbeeld je . . . .” „Er valt niets te verbeelden, zou Max zeggen”, zoo antwoordt haar mijnheer, „er valt te wachten, die zieke verbeelding is juist de bron van zooveel weifelzucht en slapheid. Vertrouw. Hij heeft het beloofd, van avond vóór 12 uur te komen. En dat zal gebeuren ook. Hij heeft steeds gedaan wat hij heeft beloofd.” „En toch .... in dezen tijd van het jaar . . . .” aarzelt de oude mevrouw, „in dezen tijd, de slechte wegen....... Maar neen, neen, ik twijfel niet, hoor .... Neen, ik reken er vast op, zoo vast, zoo ’vèst. Hij heeft het toch beloofd”. „Ja, hij heeft het toch beloofd,” zegt Else, die bij den even uitgesproken twijfel van de oude mevrouw een oogwenk van onrustigheid had gehad, maar thans door de overtuiging, die uit de laatste woorden van haar schoonmoeder sprak, haar kalmte heeft hervonden. „Ja, hij heeft het beloofd.” deed de vader. Het gesprek hokte. Een van drieën opperde dan weer iets, wat door een ander werd beaamd of weersproken, en dan zwegen allen weer, zoo gebeurde telkenmale. En in die stilten klonk buiten het gehuil van den wind, het geplas van den regen. En het werd later. Een enkele maal werd in de verte de stap van een paard gehoord, en allen keken gespannen elkander aan. Doch het geluid stierf weer weg, en de regen- en windvlagen lieten zich ononderbroken wederom hooren. En het werd later en later. En ook de gesprekken stokten niet meer, want niemand waagde meer een woord; ieder vreesde, dat hij met zijn stemklank zijn groeiende onrust verraden zou. De regen was opgehouden. De wind huilde joelend in den schoorsteen. Soms geleek het op het huiveringwekkend schreeuwen van een uil. De drie menschen zwegen en luisterden maar voortdurend, en dat wachten in stilte werd zoo alles, zoo volkomen het éénige wat deze drie menschen leven deed, dat het wel scheen alsof zij nooit of te nimmer nog op een andere wijze hun bestaan openbaren zouden dan met zulk een werkeloos wachten-in-spanning. Het is elf uur geworden. De oude heer is naar het venster geloopen en heeft naar buiten gekeken met een langen, schuwen blik. Het sneeuwde nu. Snel was een dunne vacht reeds om alles henen gespreid. Het tuinpad, helwit, blonk in ’t schijnsel van den kerstboom. In de verte werden witte vormen gezien; waar daareven alles nog zwart was, blonk vage helderheid. „Ja. als hij eens was opgehouden,” zoo dacht hij luidop, en ging weer zitten. Even hadden de dames opgekeken. Daarna herkregen allen weer het zwijgende, eenigszins verstarde aanzien. Zoo zaten allen nog geruime poos. En .het leek wel of zoo in werkeloosheid en onrust deze levens allengs werden uitgedoofd. En stil dat het was, stil. In het vertrek. In de geheele wereld buiten .... Daar klonk ineens een geluid. En dichtbij reeds, want de sneeuw is als een sourdine. Gerol leek het. Een rijtuig. Alle drie schrikten ze wild op, ze rechtten zich, en keken elkander aan. En dan, plotseling, sprongen ze overeind, bijna gelijktijdig. Ze liepen op ,het venster toe. De oude mevrouw was doodsbleek, Else eveneens. De vader beheerschte zich. „Hij heeft wèèr woord gehouden,” zei hij met een diepontroerde stem. „O, o, o,” deed de oude dame, en het leek een zacht kreunen van geluk. Else liepen tranen van vreugde over de wangen. Het rijtuig rolde reeds het tuinhek binnen, en in de groote voordeur stonden de moeder en Else. De vader was al naar buiten gesneld, en zoo zeker was hij Max in het rijtuig te zien opf'; '■fo' tO)
PDF
Nummer
1914, nr.26, 23 dec. 1914
Blad
16
Tekst
8en stem van staal $eb de bronzen mc>nd< ©een kerstgalm zal ten zoolang ’t kanon r O klokken die sindSjlar wanneer zal weer Uw klank den vred<« O' en ’t einde van d< De "Kerk van Visé De St,~pieterskerl De kathedraal van TAechelen van Dinant De kerk van St. Giles De kerk van £
PDF
Nummer
1914, nr.26, 23 dec. 1914
Blad
17
Tekst
niET MEEr BEIEREN n staal gebood hun ’t zwijgen; nzen monden zijn verstomd, alm zal en hemel stijgen 5 ’t kanon nog dreigend gromt. lie sinds lang niet luidden, r zal weer in ’t Vlaandrenland en vreda op aard beduiden nde van den wereldbrand? 1)e St.-Pieterskerk van Eeuven De Kathedraal van Nieuwpoort e Kathedraal van Yperen De Kerk van Dixmuiden De Kerk van Ramscapelle De Kerk van Lier
PDF
Nummer
1914, nr.26, 23 dec. 1914
Blad
18
Tekst
zitten, dat hij bij den aanblik van een vreemden heer, die eruit stapte, langs dezen heenwandelde, en in de koets de handen naar zijn jongen uitstak. Maar .... maar . . . . maar .... de koets was lèdig. De oude vader kon het niet gelooven, zoodat hij zijn vrouw en Else niet eens weerhield, die beiden over zijn schouder ook het rijtuig kwamen ingluren. Het was de vreemdeling, die hen weerhouden moest, maar bij den aanblik der drie menschen, die als waanzinnige kinderen in de leege koets stonden te turen, versmachtten de woorden in zijn keel. .... De schok was tè schrikkelijk .... Zacht leidde de vreemdeling hen naar binnen, en met omzichtigheid ving hij aan, het vreeselijke gebeurde te verhalen : Max was gesneuveld. Hij, een kameraad, die in de buurt woonde, had op zich genomen den ouders de ontzettende tijding mede te deelen. Hij sprak teeder en behoedzaam, doch het drong blijkbaar tot geen van drieën door. Allen schudden zacht en voortdurend het hoofd, als wilden zij zeggen, dat hij toch een leugenaar was. Want het kon, het kon geen ingang bij hen vinden, dat Max, die toch niet sterven wilde, nochtans dood was. Hij zou toch terugkomen, had hij beloofd. En als die jongen iets beloofde, dan dééd hij het ook. Die jongen, die sterke, geestkrachtige jongen .... Tot het eindelijk in al zijn gruwelijkheid tot hen doordringen ging, dat die vreemdeling de waarheid sprak, en Max zijn woord niet had gehouden, voor de eerste en de laatste maal in zijn, schoone, leven. S. KLAARTJES KERSTWENSCH EN ZIJN GEVOLGEN DRAMATISCHE SCHETS DOOR PRISCIAAN et was op den morgen van den eersten Kerst’ O (ra een heldere wintermorgen. Vroolijk O rSw bescheen het winterzonnetje de oostzijde van l’W'f Ry de vesting Bitsch, gluurde door de kamer van de commandantswoning en deed de kleine Klara, het eenig dochtertje van den commandant, ontwaken. Kleine Klaartje was zes jaar oud en een halve wees, want haar moeder was twee jaar geleden gestorven. Ze sprong opgewekt uit haar bedje en keek uit het raam in den tuin, die de woning haars vaders scheidde van de sombere vestinggebouwen. Een enkel man wandelde daar langzaam rond: het was iemand van ongeveer vijf en dertig jaar, met een bleek en droevig gelaat en gekleed in een afgedragen officiersuniform. ,,De arme generaal 1” lispelde Klara. ,.Goeden morgen, mijnheer de generaal !” Het was alsof de gevangene het gefluister gehoord had, want juist op dat oogenblik keek hij omhoog en zag de kleine meid met haar door blonde krullen omlijst zonnig gezichtje tegen het vensterglas gedrukt. Zijn eigen gelaat vroolijkte op en hij wierp Klaartje een kushand toe, die onmiddellijk en met interest teruggezonden werd. Dit tafereeltje had zich reeds vele ochtenden afgespeeld, drie weken lang, den tijd dat de gevangene hier vertoefde, en zou nog menigen morgen worden herhaald, want het kon nog lang, heel lang duren eer aan den vreeselijken oorlog een einde zou komen. De gevangene was een fransch officier, in een der woedende gevechten aan de Aisne gevangen genomen. Hij had geweigerd zijn eerewoord te geven en was daarom naar deze vesting gezonden om daar den tijd, dien de oorlog nog duren zou, gevangen te blijven. De korte morgengroet van de kleine Klara was het eenige lichtpunt in zijn sombere, eentonige gevangenschap. Het leidde zijn gedachten terug naar zijn eigen lieve Lisette, die ongeduldig vaders terugkomst afwachtte in het zuiden van Frankrijk. Kleine Klara was thans bijzonder blij gestemd, en geen wonder, het was vandaag eerste Kerstdag! Kerstmis 1 Vrede op aarde! Gelukkige, onbewuste, onbezorgde jeugd! Wat wist de kleine van het droevige contrast tusschen dezen Christelijken feestdag en de Christelijke maatschappij! Wat wist zij van het schrijnende wee, dat in alle landen der Christenheid op dezen dag opnieuw en bijzonder zou worden gevoeld. Voor het kleine meisje was het een feestdag vol schitterlicht en lekkernij. Kleine Klara was opgetogen, en vol blijde verwachting begaf ze zich in haar gekreukelde nachtpon naar de kamer van haar vader, met meer haast dan anders, om hem den gebruikelijken morgenkus te brengen. Het spreekt van zelf dat ze op een dag als dezen een hartewensch mocht uitspreken, dien papa zich dan gedrongen gevoelde te voldoen. De gouverneur was evenwel ten zeerste verwonderd, toen de kleine hem haar verlangen kenbaar maakte. ,,Pappa, ik zou zoo graag met den armen generaal willen platen 1” Ze zei dit op beslisten toon, alsof een weigering van haar verzoek volkomen uitgesloten was; en papa begreep dan ook dat in dit geval de waterlanders niet zouden uitblijven. De gouverneur was met zichzelven in tweestrijd. Hij wist wel dat zijn Klaartje met den gevangen vreemden officier dweepte; hij had haar evenwel nog nimmer veroorloofd, het terrein waar de gevangenen zich ophielden te betreden. Wat hemzelf betrof .had hij niet de minste antipathie tegen dezen onfortuinlijken vijandelijken collega en had zelfs alles gedaan wat mogelijk was om hem zijn gevangenschap zooveel mogelijk te verlichten. Maar — nimmer zou -deze oude ijzervreter gedogen dat zijn sympathie in strijd kwam met zijn plicht. „Oho !” zei hij, terwijl hij zijn dochtertje onderzoekend aanzag. „Zou jij zoo graag met dien franschen officier willen spreken ! Maar ben je wel zeker dat hij je verstaan kan ? En wat wou je eigenlijk met hem praten ?” „O, ik wou hem vertellen dat het vandaag Kerstfeest is en dat het me spijt dat hij niet naar huis kan gaan,’* antwoordde Klara. „Zoo kindje ! Het spijt mij echter dat ik dat niet toe kan staan ! Ik mag je niet naar hem toe laten gaan, want hij is een slechte man !” „Neen, hij is niet slecht, hij is goed ! Ik weet ’t zeker!” pleitte zij. „Hij heeft een heeleboei menschen doodgemaakt met zijn zwaard !” zei nu haar vader weer, reeds half overB. J. BLOMMERSt Op den leeftijd van 70 jaar is te ’s-Gravenhage overleden de kunstschilder B. J. Blommers, president der Hollandsche Teekenmaatschappij. Op verzoek van vereerders van Carnegie schilderde hij indertijd diens portret ter plaatsing in het Vredespaleis. Wij geven hie bij Blommers* portret alsmede een foto van een van zijn werken. (Met toestemming van de firma Goupil&Cie.) wonnen nog een uitvlucht, en geen verstandige, zoekende. „Hij zal mij niet doodmaken,” betuigde de kleine ernstig. „Hij houdt van mij ! En juf zegt dat u ook een heeleboei menschen hebt doodgemaakt! O zoo’n heeleboei! En dat het niets slechts is om menschen met een zwaard dood te maken, want dat u dapper bent!” De gouverneur zweeg een oogenblik bewogen. De oude snorbaard wist blijkbaar tegen de kinderlijke logica niets aan te voeren. „Och, kindje, je kunt die. dingen nog niet begrijpen ! Ik mag je niet veroorloven naar het gebouw te gaan, waar die man woont, maar, wat zou je er van zeggen als we hem vroegen hier te komen om naar je kerstboom te kijken ?” Klara keek haar vader met schitterende oogen aan. „Kan dat? Zou hij willen komen?” vroeg ze. „Zal ik het hem vragen ?” vroeg de gouverneur lachende. Het kind klapte van blijdschap in de handen. „Ja, ja ! Vraag het hem ! Doe ’t, dan bent u een schattige lieve pappie !” Tegen den middag begaf de gouverneur zich naar het gebouw waar de gevangene verblijf hield. De Franschman salueerde, de gouverneur insgelijks. „Mijnbeer,” begon de laatste, terwijl hij het schamel gemeubelde vertrek eens rondzag, dat den Franschman voor woning diende. „Het is hier een armzalig verblijf voor een dapperen edelen vijand. Jammer genoeg is dit nog het beste vertrek dat ik u kon aanbieden.” De Franschman boog. „Ik dank u voor uw sympathieke woorden, mijnheer de gouverneur,” zei hij. „Het doet me daarom een groot genoegen,” vervolgde de gouverneur, „op verzoek van mijn kleine meid u te vragen ons de eer aan te doen hedenmiddag bij mij te komen dineeren en het Kerstfeest met ons mee te vieren.” Hij overhandigde hierbij den gevangene een klein briefje in een onbeholpen kinderhand geschreven. Voor een oogenblik stond de Franschman sprakeloos van verwondering. Toen hij evenwel het briefje van zijn kleine vriendin las en den vroolijken blik zag in de oogen van zijn cipier, begon hij hartelijk te lachen. „Maar . . . .” begon hij en wierp een veelzeggenden blik op zijn schunnige uniform. „Dat is in orde!” zei de gouverneur. „De jonge dame zou zeer teleurgesteld zijn, als haar ridder in een ander gewaad zou verschijnen.” „De jonge dame is een engel, en mijnheer de gouverneur is zeer vriendelijk,” antwoordde kapitein Gagnemain. „Wilt u uw dochtertje meedeelen, dat ik met groot genoegen van deze gulle uitnoodiging zal gebruik maken?” Klaartje was vol ongeduld, zoodra het uur van het diner naderde. Toen ze den stap van haar vader en dien van den gast hoorde, vloog ze naar de deur om hen te verwelkomen. „Een zeer gelukkig kerstfeest, lieve kind,” zei de Franschman, terwijl hij zijn kleine gastvrouw een kus gaf. Een minuut later zat ze op zijn knie en deed hem allerlei en de meest uiteenloopende vragen. „Gaan ze je doodschieten ?” vroeg ze eindelijk bedremmeld. „Juf zegt het.” „Neen, Klara ! God wil het niet en Hij is genadig. Wat zouden kleine Lizette en haar moeder dan moeten doen?” „Neen, neen, kindje,” lachte de gouverneur,, ,we willen je ridder niet doodschieten. Als de oorlog gedaan is, mag hij weer naar huis gaan.” Eindelijk waren alle vragen beantwoord, meer of minder naar haar voldoening, en ging men aan tafel. Het was een gezellige avond; de gouverneur en zijn gast werden weer jongens in hun pogingen om de kleine Klara het Kerstfeest zoo gezellig mogelijk te maken. Maar al te gauw brak de tijd aan dat het kind naar bed moest. Klara sloeg haar poezele armpjes om den hals van haar vriend, kuste hem en zei: „Goeden nacht, arme generaal: Ik zal vader vragen om u spoedig naar huis te laten gaan, naar uw kleine Lizette.” „Mogen de kerstengeltjes je bewaren, lieve kind,” antwoordde de Franschman bewogen. Toen nam hij uit zijn zak een gouden medaillon aan een fijnen gouden ketting en na het aan zijn lippen gedrukt te hebben, hing hij het om den hals van het meisje. „Ziehier, neem dit als mijn kerstgeschenk!” „O, hoe mooi!” riep Klara uit met schitterende oogen. „Zit er een portretje in?” De Franschman knikte en toen het kind hem vroeg het te mogen zien, deed hij met bevende vingers het medaillon open en toonde aan Klara twee miniatuurportretjes. „Dat is Lizette!” zei Klaartje dadelijk. „En dat is de moeder van kleine Lize,” vervolgde de Franschman. „Kom, mijnheer,” noodigde de gouverheur, toen Klara de kamer verlaten had, „laten we nog een poosje gezellig blijven praten.” Hij liet voor zijn gast champagne brengen, presenteerde hem sigaren en ging tegenover hem zitten. Het spreekt haast vanzelf dat de beide mannen weldra het gesprek brachten op den vreeselijken worstelstrijd, die nu al vijf maanden lang bijna geheel Europa in vlam zet en die hen als krijgslieden en onmiddellijk belanghebbenden bijzonder interesseerde. Doch deze brandende kwestie, uit zichzelve reeds opwindend, is gevaarlijk tusschen tegenstanders, verhit door champagne. Het eerste uur bespraken ze de geleverde gevechten, prezen den moed en de volharding door elkanders tegenstanders aan den dag gelegd. Doch weldra werden ze meer kritisch, vergeleken den duitschen officier met den franschen, de verschillende overwinningen en tegenslagen door de elkander bestrijdende naties behaald of geleden. De champagne bruiste den mannen door het bloed. De Franschman, nog zwak door de geleden ontberingen, gaf zich geen zuivere rekenschap meer waar hij zich bevond. Hij was niet langer de vader der kleine Lizette, hij was kapitein Gagnemain. En de Duitscher werd strammer, snoof met den geur van sigaar en champagne den kruitdamp van het slagveld op. Ze klonken niet meer met hun glazen, doch sloegen met hun vuisten op de tafel. En weldra, kort na middernacht, toen de huishouding van den gouverneur zich reeds ter ruste begeven had, was het gesprek tusschen beide nobele, dappere mannen ontaard in een heftigen woordenstrijd en van een woordenstrijd in een doodelijke beleediging. Toen de Franschman vol gloed den roem verkondde van Joffre, zijn afgod, werd dit door den Duitscher met een vernederend hoongelach beantwoord. Kapitein Gagnemain schold nu den „Kaiser” uit voor een overweldiger den kroonprins voor een operetteheld. wat de ander beantwoordde. (Zie vervolg op pagir.j 12/.
PDF
Nummer
1914, nr.26, 23 dec. 1914
Blad
19
Tekst
PANORAMA OOK MET KERSTMIS GEEN VREDE IN HET KAMP DER GEALLIEERDEN DE FRANSCHEN BIJ YPÉREN. Wederom is de strijd met vernieuwde woede begonnen. Zal het nu eindelijk aldaar tot een oplossing komen ? EEN KORTE RUST. Uit de mededeelingen van de zijde der geallieerden blijkt, dat den mannen slechts weinig rust kan worden gegund. Dikwerf bestaat die rust alleen uit het niet behoeven te vechten gedurende enkele uren. OORLOGS-KRONIEk. LJelaas moet ook nog in dit Kerst- * * nummer de Kroniek van den strijd voorkomen. Wij hadden zoo gaarne ’ t jubelende,,Vrede op aa rde’ ’ hier neergezet inplaats van het verslag van moorden en vernielingen. 11 Dec. In Vlaanderen maakten de Duitschers enkele kleine vorderingen. De aanvallen der Franschen in Bois de Praitre ten Westen van Pont-a-Mousson werden afgeslagen.— Aan het Oostelijke front hadden volgens een communiqué uit Petrograd geen veranderingen van eenig belang plaats. 12 Dec. In destreek van Yperen is een zeer krachtige Duitsche aanval afgeslagen. Van het overige deel van het front is geen nieuws van belang. — Aan het Oostelijke front werd een Duitsche aanval in de richting van Mlava afgeslagen; de Pussen gingen zelf tot het offensief over. Ook in de streek van Lowitsj werden Duitsche aanvallen afgeslagen. In de streek ten Zuiden van Krakau maakten de Russen 2000 man gevangen en veroverden een groot aantal kanonnen en mitrailleurs. — De Turksche vloot bombardeerde Batoem. 13 Dec. Duitsche aanvallen op het noordoosten van Yperen en op het station Aspach werden afgeslagen. — Aan het Oostelijke front volbrachten de Pussen met EEN PARADE IN DE SNEEUW. De veldtocht in Polen brengt enorme ontberingen met zich. Vooral de sneeuw belemmert de bewegingen ten zeerste. EEN TENTENKAMP DER KOZAKKEN. Op een sneeuwveld zijn de tenten der kozakken opgeslagen. Heel veel hinder schijnen deze geharde soldaten van de koude niet te hebben, wat zeker voor een groot gedeelte te danken is aan hun doelmatige kleeding. succes hun aanval over het geheele front in de streek van Mlava. Zij namen een stelling der Duitschers in de streek van Prosnisj en Tsecharof. Aan het frc-nt Lowitsj Ilof houden de Duitschers hun offensief hardnekkig vol. 14 Dec. Van het Westelijke front komen berichten van enkele kleine vorderingen der Franschen. — Aan het Oostelijke front hadden geen noemenswaardige veranderingen plaats —• Belgrado is door de Serviërs na een heviger» strijd heroverd. De Serviërs maakten vele gevangenen en namen verschillende kanonnen en mitrailleurs. 15 Dec. De Fransch-Belgische troepen zijn uit Nieuwpoort opgetrokken en hebben de linie bezet ten Westen van Lombaertzijde, benevens de hoeve St. Georges. Ten Zuiden van Yperen wonnen de Franschen 500 meter terrein. In den Elzas blijven ze de hoogten bezetten die Steinbach bestrijken. — Aan het Oostelijke front duurt de strijd voort 16 Dec. De Duitsche vloot bombardeert Scarborough en Hartlepool. De Engelsche vloot bond den strijd aan met de Duitsche vloot. De actie duurt voort — Op het Westelijke front maakten de Franschen eenige kleine vorderingen. — Aan het Oosteiijke front duurt de strijd met groote hevigheid voort. Een groote slag schijnt aanstaande. DE HAVEN VAN DOVER. Eenige dagen geleden hebben geruchten de ronde gedaan, dat Duitsche onder?eeboote -en aanslag zouden hebben gepleegd op de haven van Dover, van welke haven wij hierboven een panorama geven. IN HET ENGELSCHE HOSPITAAL. De gewonde „Tommy Atkins'* luisteren met genoegen naar His Master’s Voice’-gramophones die bij de Engelsche Ambulance overal in gebruik zijn. om den herstellenden wat afleiding te bezorgen.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1256 tot 1260 van 11897