|
dagelijksche levensgewoonten blijven volgen, en het had
hen behoed voor veel zorgelijk peinzen en afgetrokkenheid.
Het voorschrift van den jongen man bleek werkelijk
uitmuntend. Wel dachten allen veel aan Max, die daar
ver in het vijandelijk land aan duizenden gevaren ten
prooi was, maar door de hand te
houden aan alle dagelijksche dingen,
werd blijvende aandacht voor
het gewone leven gewekt, en het
toegeven aan vrees en verdriet
voorkomen. Het was zelfs een
soort van wedstrijd geworden tusschen
de oude lieden en Else, wie
het best Max’s raad volgen zou,
en, waar zóó de een den ander
aanmoedigde, was het resultaat
een zeer gelukkig. Allen hielden
zich fiksch onder de beproeving.
Er kwamen nu en dan brieven
van Max. Hij verhaalde daarin op
zijn bekenden gezelligen trant van
het leven aan het front, van een
stoutmoedige daad, die hij met de
zijnen had volvoerd, en zoo’n
daad werd steeds als een grap,
als een jongensstreek beschreven,
luchthartig en opwekkend. „Zie
jelui wel”, zoo heette het dan, „als
ie het maar beheerscht, als je er
maar niet onder zit, dan heb je
het welslagen van zulke dingen,
ja, van je carrière, ja, van je
heele leven zelf in de hand. Dus
tot Kerstmis. Ik heb het gezegd,
en dat gebeurt ook. Tot ’s avonds
vóór Kerstmis. Ik kan het zoo
precies zeggen, omdat vaders oude
schoolkameraad Bareel mijn kolonel
is, en hij me persoonlijk beloofd
heeft, dat er mocht gebeuren
wat wilde, ik althans
tegen dien dag naar huis reizen zou. ,,A1 was het alleen
maar om aan papa zijn groeten te gaan geven,” voegde
hij er lachend bij, toen hij me de belofte gedaan had. „Dus,
je weet het: er gebeurt niets bijzonders. Alles is gewoon,
ook de oorlog, wanneer hij er eenmaal is. Drinken jelui
wel eiken dag op tijd koffie ? En maakt ma dagelijks haar
ochtendwandeling? Denk om je gezondheid, lieve, ouwe
ma, lieve, jonge ma, wil ik zeggen. En let vader wel op
Kobus' zijn nieuwe manier om seringen te broeien? Laat
er met Kerstmis snijden hoor, en zet ze op de tafel. Nou,
en Else haar pianospelen. Hoe is het daarmee ? Komt ze
wel op haar vaste avonden spelen voor jullie ? Vooral
Bach. Laat haar die fuga (ze weet wel) goed instudeeren.
Dan zal ik met Kerstmis zeggen of ze zonder mij ook Bach
begrijpen kan. Wat een groote, edele rust, die Bach, hè?
Dat moesten alle menschen hebben. Als ze maar wilden,
als ze maar wilden. Ja, ik zeg niet allemaal, maar het
aantal zou meevallen. Enfin. Ik eindig. Mijn brief wordt
al wat litterair. En dat moet niet. Wat wèl moet, dat
weten jelui. Nu, goeierds, tot Kerstmis, hoor. Flink zijn
en gewoon zijn, en blij ook, alvast blij tegen dien avond.
En denk om den boom. Kussen en handdrukken. Dag.
Dag, allemaal 1”
Zoo was het slot van zijn laatsten brief geweest, en het
had hen allen in het geloof in zijn geluk, in de hoop op
het weerzien versterkt.
En het werd Kerstavond. In het huis van de familie
Tiele waren alle kamers schitterend verlicht. Op alle tafels,
trumeaux en kastjes stonden vazen met seringen, zooals
Max dat gevraagd had. In den salon stond de Kerstboom
genoeglijk opgetuigd, met zijn groote glinsterende ballen,
gouden en zilveren engelenhaar, verblindend-witte sneeuwvlokken,
een verzameling kleine geschenken en een leger
van smetteloos witte kaarsjes, met gouden vlammetjes
in top.
Van den donkeren landweg was het een wonderlijk schoon
gezicht, deze feestelijk verlichte menschenwoning, waar
men door de vensters de sneeuwwitte ruikers te allen kant
zag -pronken, waar voor een groot erkerraam de
schitterende kerstboom als een liefelijk wachtvuur
blonk. Naar dezen boom zou Max zijn
schreden richten. Hij stond voor het venster
aan den kant, waar de stad, op eenigen afstand,
lag. Als een lieve welkomstgroet zou hij den
jongen van verre zijn; innig en tevens krachtig
als hij zijn tooverachtig licht over den tuin en
een deel van den weg verspreidde.
t De oude heer Tiele loopt in den salon heen
en weer, even. Met het horloge in de hand gaat
hij dan de hall in om het aangewezen uur te vergelijken
met dat op de gangklok, die zeer nauwkeurig
liep. Zoodra hij terug is, noopt hij zich
tot zitten, wat hem, hoe getraind tot rust en
zelfbeheersching hij sedert Max’s vertrek ook is,
nu, op dezen avond, toch nog moeite kost. Met
een trek van ongeduld op het gelaat wendt hij
zich tot zijn vrouw, die in zijne nabijheid in een
lagen leunstoel zit. Evenals haar echtgenoot heeft
ook zij een zorglijken trek op het gelaat, en toch
ook glanst de blijdschap om het ophanden geluk
op hun beider oude zachte gezichten.
Buiten is het koud. De wind giert over het
vlakke land rondom. Soms kletst een hagelslag
- op de vensters. In den schoorsteen is een zacht
geloei.
Het open haardvuur knettert genoeglijk. Indien
de ietwat zorgelijke trek er nu en dan niet was op de aardige
oude gezichten, dan zou men dit interieur met de bloemen
en lichten, en dien wèl-uitzienden ouden heer en dame in
hun crapauds bij het haardvuur de mise-en-scêne voor een
ophanden bekoorlijk blijspel kunnen noemen.
HET GESCHENK VAN PRINSES MARV.
In een onzer vorige nummers vermeldden wij dat er op initiatief van Prinses Mary een fonds gesticht was om den
Engelschen zeelieden en soldaten met Kerstmis een geschenk te zenden. Hierboven beelden wij het deksel af van
de doos, waarin ieders geschenken zijn gepakt.
’T GESCHENK v. o. DUITSCHEN KROONPRINS.
Het kerstgeschenk van den Duitschen kroonprins aan zijn manschappen
bestaat uit een tabakspijp. Op de voorzijde staat het
portret van den kroonprins, op de achterzijde „Weihnachten 1914".
KERSTMIS IN HET HOSPITAAL.
De verwonden, die in het hospitaal hun Kerstfeest vieren, zullen zeker met weemoed
denken aan hun kameraden, die mei Kerstmis in de loopgraven vertoeven.
Else komt uit het belendend vertrek, en brengt twee
kopjes thee. Ook op haar gelaat troont die wonderlijke
extaze van blijdschap met het fond van zorglijkheid, of
liever van den ernst, in dien laatsten tijd er over gespreid;
de vreugde overglanst echter al het andere in haar gezicht,
en in hare jonge, lieve gebaren.
„Hoe laat is het nu ?” vraagt
mijnheer haar.
„En je hebt daareven op de
klok gekeken, vader,” lacht ze.
En ook de oude mevrouw lacht
met een nerveus lachje om de verstrooidheid
van haar echtgenoot.
De oude heer is er wat verlegen
mee. »
Else komt, nu ze thee geschonken
heeft, ook in een leunstoel
bij den haard zitten. En een gesprek
begint.
„Ik denk wei, dat hij nu gauw
komen zal,” zegt mevrouw, als
luidop peinzend. „Het is nu juist
zoo’n aardig uur ervoor, hè. Ik
heb een gevoel, dat het nu niet
meer lang duren zal.”
„Ja, ja,” doet de oude heer,
schijnbaar -beamend, en met toch
tegelijk iets in den spreektoon als
wilde hij haar weerhouden van te
groote blijdschap, waardoor eene
teleurstelling te feller haar verdrieten
zou.
„Verbeeld je, dat hij eerst morgen
eens kwam,” oppert Else,
„verbeeld je . . . .”
„Er valt niets te verbeelden,
zou Max zeggen”, zoo antwoordt
haar mijnheer, „er valt te wachten,
die zieke verbeelding is juist
de bron van zooveel weifelzucht
en slapheid. Vertrouw. Hij heeft
het beloofd, van avond vóór 12 uur te komen. En dat zal
gebeuren ook. Hij heeft steeds gedaan wat hij heeft beloofd.”
„En toch .... in dezen tijd van het jaar . . . .” aarzelt
de oude mevrouw, „in dezen tijd, de slechte wegen....... Maar
neen, neen, ik twijfel niet, hoor .... Neen, ik reken er vast
op, zoo vast, zoo ’vèst. Hij heeft het toch beloofd”.
„Ja, hij heeft het toch beloofd,” zegt Else, die bij den
even uitgesproken twijfel van de oude mevrouw een oogwenk
van onrustigheid had gehad, maar thans door de
overtuiging, die uit de laatste woorden van haar schoonmoeder
sprak, haar kalmte heeft hervonden.
„Ja, hij heeft het beloofd.” deed de vader.
Het gesprek hokte.
Een van drieën opperde dan weer iets, wat door een
ander werd beaamd of weersproken, en dan zwegen allen
weer, zoo gebeurde telkenmale. En in die stilten klonk
buiten het gehuil van den wind, het geplas van den regen.
En het werd later. Een enkele maal werd in de verte de stap
van een paard gehoord, en allen keken gespannen elkander
aan. Doch het geluid stierf weer weg, en de regen- en windvlagen
lieten zich ononderbroken wederom hooren.
En het werd later en later. En ook de gesprekken stokten
niet meer, want niemand waagde meer een woord; ieder vreesde,
dat hij met zijn stemklank zijn groeiende onrust verraden
zou. De regen was opgehouden. De wind huilde joelend in
den schoorsteen. Soms geleek het op het huiveringwekkend
schreeuwen van een uil. De drie menschen zwegen en luisterden
maar voortdurend, en dat wachten in stilte werd
zoo alles, zoo volkomen het éénige wat deze drie menschen
leven deed, dat het wel scheen alsof zij nooit of te nimmer
nog op een andere wijze hun bestaan openbaren zouden
dan met zulk een werkeloos wachten-in-spanning.
Het is elf uur geworden.
De oude heer is naar het venster geloopen en heeft naar
buiten gekeken met een langen, schuwen blik. Het sneeuwde
nu. Snel was een dunne vacht reeds om alles henen gespreid.
Het tuinpad, helwit, blonk in ’t schijnsel van den kerstboom.
In de verte werden witte vormen gezien; waar daareven
alles nog zwart was, blonk vage helderheid.
„Ja. als hij eens was opgehouden,” zoo dacht
hij luidop, en ging weer zitten.
Even hadden de dames opgekeken. Daarna
herkregen allen weer het zwijgende, eenigszins
verstarde aanzien.
Zoo zaten allen nog geruime poos. En .het leek
wel of zoo in werkeloosheid en onrust deze levens
allengs werden uitgedoofd. En stil dat het was, stil.
In het vertrek. In de geheele wereld buiten ....
Daar klonk ineens een geluid. En dichtbij reeds,
want de sneeuw is als een sourdine. Gerol leek
het. Een rijtuig. Alle drie schrikten ze wild op, ze
rechtten zich, en keken elkander aan. En dan,
plotseling, sprongen ze overeind, bijna gelijktijdig.
Ze liepen op ,het venster toe. De oude mevrouw
was doodsbleek, Else eveneens. De vader beheerschte
zich.
„Hij heeft wèèr woord gehouden,” zei hij met
een diepontroerde stem.
„O, o, o,” deed de oude dame, en het leek
een zacht kreunen van geluk.
Else liepen tranen van vreugde over de wangen.
Het rijtuig rolde reeds het tuinhek binnen, en
in de groote voordeur stonden de moeder en Else.
De vader was al naar buiten gesneld, en zoo
zeker was hij Max in het rijtuig te zien
opf'; '■fo' tO)
|