|
DE NIEUWE PRESIDENT VAN DEN
HOOGEN RAAD.
1
Jhr. Mr. W. DE SAVORNiN LOKMAN
benoemd tot President van den Hoogen Raad der
Nederlanden.
.Hij kreeg op straat plotseling een beroerte en is dood
thuisgebracht.”
„Dood 1” riep Allan uit, nog niet in staat te begrijpen
dat de vriendelijke joviale man, die van morgen aan het
ontbijt nog met hem gepraat en gelachen had, niet meer
in leven was.
Hij was versuft, doch weldra kwam bij hem het bewustzijn
dat hij nu de steun moest zijn voor zijn moeder
en zusters.
„Arme, arme moeder!” zei hij, terwijl hij zijn arm om
haar heen sloeg.
De volgende dagen waren voor hem als een nachtmerrie.
Hij moest alle regelingen voor de begrafenis treffen, zijn
moeder en zusters troosten.
Eindelijk was de begrafenisdag daar. De broeder van
mevrouw Severs, Enoch Ramsden, een rijke vrijgezel uit
Yorkshire. kwam over om zijn zwager de laatste eer te
bewijzen en tevens diens zaken te regelen. Hij was een
man niet een beslist maar onaangenaam en lomp karakter.
De eenige troostwoorden die hij den treurenden toesprak
waren: „Ach, voor iedereen komt de tijd!” Het grootste
deel van den dag bracht hij dooi op de kamer van den
overledene met het uitzoeken van diens zaken.
Eenige dagen na de begrafenis riep hij Allan bij zich.
„Alles is nu achter den rug en thans moeten we eens
zakelijK praten, jongmensch 1”
„Ja,” antwoordde Allan stroef.
„Ik heb je vader’s zaken uitgezocht. Hij was niet wat
je noemt een ordelijk en spaarzaam man.”
Allan fronste het voorhoofd.
„Het bevalt je niet dat ik dit zeg,” zei oom Enoch,
wiens scherpen blik niets ontging. „Maar ik houd rekening
met de feiten. Ik zeg je hij was geen spaarzaam man. Ik
heb de nalatenschap van je vader nauwkeurig nagegaan: als
de begrafeniskosten en de andere nog loopende rekeningen
betaald zijn, zal er nog maar een paar honderd gulden
overblijven. Bovendien is er nog een verzekeiingpolis van
een duizend gulden en de meubelen. Je vaders inkomen
bedroeg gedurende de laatste- tien jaar ruim zes duizend
gulden. En daarvan heeft hij slechts zooveel overgespaard.”
„U behoeft mijn vader niet te beoordeelen,” zei Allan.
„Ik noem slechts feiten. Nou blijft je moeder achter
met drie meisjes die nog school gaan. Die zijn nu allen
aan jouw zorg overgelaten ! Wat verdien ie op dit oogenbiik ?”
„Twee duizend gulden per jaa.. Het is niet veel.”
„Genoeg als je maar zuinig te werk gaat. Krijg ie spoedig
verhooging ?”
„Waarschijnlijk krijg ik jaarlijks 200 gulden meer.”
„Welnu, dan is alles in orde,” hernam oom Enoch opgewekt.
„Natuurlijk zal je je voorloopig wat moeten bekrimpen,
en een kleinere woning moeten nemen.”
„Ik was juist voornemens te gaan trouwen,” zei Allan.
„Zoo! Hoe oud ben jij?” — „Vijf en twintig!”
W AAR DE ZEPPELINS GEVULD
„En zij?” „Een en twintig!”
„Welnu, dan wacht je vijf jaar! In dien tijd zijn je
zusters van school en kunnen ze je moeder helpen. Jij zult
dan drieduizend gulden verdienen. Reken daarvan dan
duizend gulden af voor onderhoud van je moeder en dan
houd jij nog net zooveel over als je nu verdient. En wat
beteekent vijf jaar wachten ? Ga naar je aanstaande en
spreek er met haar over. Indien je het goedvindt, ga ik met
je mee en zal haar uitleggen, dat ’t zoo ’t verstandigst is.”
Allan keek naar het strenge, onbewogen gelaat van zijn
oom. Hij wist dat deze zeer rijk was, en zonder het minste
bezwaar zijn zuster en nichtjes zou kunnen onderhouden.
Een oogenbiik dacht Allan er over zijn oom om hulp te
vragen, maar hij kwam er dadelijk van terug: hij wilde zich
niet wagen aan de vernedering van een weigerend antwoord.
,,Ik zal vanavond met Olive er over spreken.”
„Dat wil zeggen, ik behoef niet mee te gaan,” grinnikte
oom Enoch. „In orde! och, wat hindert ’t vijf jaar te
wachten. Trouwen doe je altijd nog jong genoeg. Je bent
dan dertig. Nou, ik geloof dat ik alles zoo goed geregeld
heb. Ik dacht er niet aan mij ooit zoo in te spannen voor
mijn familie.” Allan ging dien avond naar zijn meisje,
overeenkomstig zijn belofte aan oom Enoch.
Olive kuste hem hartelijk en zei: „Arme jongen, wat
een verlies voor jou 1”
„Erger dan je denkt, Olive,” antwoordde hij. „Vader
heeft slechts weinig nagelaten. Ik ben dus verplicht moeder
en zusters te onderhouden. We kunnen daarom de eerste
vijf jaar niet trouwen. Ziedaar, nu weet je het ergste.”
Hij zag hoe zijn meisje verbleekte.
„Ik mag niet van je eischen. zoolang op mij te wachten,
dat zou niet nobel wezen. Het is beter afscheid van elkaar
te nemen, misschien vind je'een gelukkiger man.”
De kleur kwam even plotseling weer op haar gezicht terug.
„Allan ! Allan !” riep ze uit. „Ik zal op je wachten,
vijf jaar, tien jaar als je wilt! maar praat niet van afscheid
nemen. Ik wil niet met je breken, nimmer ! Tenzij jij mij
mocht zeggen, dat je . . . een ander liever hebt dan mij.
Moed, liefste I Misschien duurt het niet eens vijf jaar !”
Hij keerde laat in den avond een beetje meer bemoedigd
naar huis terug. Hij vond zijn oom alleen op hem wachtende.
„Ik heb op je zitten wachten,” zei oom. „Morgenochtend
ben je al vroeg weg en in den namiddag is er geen gelegenheid
om over zaken te spreken als de vrouwen er bij zijn.
WIE HELPT ONS ZOEKEN?
EDOUARD CORNU,
Nieuwstraat 9, Wygmael
bij Leuven, zoekt naar
zijn vrouw, geb. Jeanette
Willems, oud 25 jaar en
zijn dochtertje Madeleine
Cornu, oud 2’/2 JaarNadere
bijzonderheden
geeft de Redactie van
„Panorama”,
Doezastraat 1, Leiden.
Bovendien moet ik morgen weg anders is mijn spoorkaartje
verloopen. Wel, wat heeft je meisje gezegd?”
„Ze wil vijf jaar op me wachten,” antwoordde Allan stroef.
„Nou, zei ik ’t niet? Is het niet een genoegdoening te
weten dat alle familiezaken goed geregeld zijn?”
Den volgenden morgen was Olive Maine bezig met stof
afnemen, toen ze een vreemdeling zag aanbellen. De dienstbode
was even uit, dus deed ze zelve open.
Een oude heer met streng uiterlijk en sluwe oogen stond
voor haar. — „Is u juffrouw Olive Maine?” vroeg hij.
„Ja !” antwoordde ze. — „Ik ben de oom van Allan !
Heb je hem niet over oom Enoch*hooren spreken?”
„Ja, mijnheer Ramsden! Wilt u niet binnenkomen?”
„Nee, ik wil dat je met mij uitgaat. Mijn zuster sprak
van een huis in Tulse Hill, dat je had willen huren. Dat
zou net iets voor mijn zuster wezen. Ze heeft het echter
zelf niet gezien en Allan is natuurlijk naar zijn werk. Wil
je. dus met mij meegaan en het mij eens laten zien ?”
Het meisje aarzelde een seconde. Het was al heel verdrietig
voor haar het huisje waarin ze gehoopt had gelukkig
te zijn te moeten afstaan aan anderen, al waren die
WORDEN.
DE DIRECTEUR VAN HET G. E. B.
TE ’S-GRAVENHAGE.
C. J. F. BAKKER,
die als opvolger van den Heer Singers tot directeur van bet
Gemeentelijke Electriciteitsbedrijf te *s-Gravenhage werd benoemd.
anderen Allan’s moeder en zusters. Maar, wat hinderde
het ook eigenlijk nu ze er zelf niet in kon wonen ?
„Als u even wachten wil, zal ik u er heenbrengen,” zei ze.
Oom Enoch zat even later in de tram met onverstoorbaar
gezicht. Hij zei niets tot de conducteur kwam.
„Ik zal wel betalen,” zei hij tot Olive, „want je gaat
mee op mijn verzoek. — Twee passies!”
Eindelijk bereikten ze Tulse Hill; oom Enoch bekeek
het huis en maakte honderden aanmerkingen.
„Geloof je dat het hun bevallen zal ?” vroeg hij eensklaps.
„Ik denk van wel,” antwoordde het meisje dapper.
„Jij wilt dus vijf jaar op mijn neef wachten?”
Ze keek hem recht in de oogen.
„Ik wil tien jaar wachten, als ’t noodig is.”
Oom Enoch klopte zijn pijp uit langzaam en in gedachten,
toen zei hij :
„Ook ik vroeg eens een meisje dat ik beminde vijf jaar
te wachten, omdat ik mijn moeder en zusters moest onderhouden.
Zij wilde niet! Ik ben ongetrouwd gebleven!”
„Dat doet me leed,” zei het meisje.
„Zij was niet als jij,” hernam oom Enoch, terwijl hij zijn
pijp opnieuw vulde. „Zij begreep niet dat de plicht van den
man het eerste komt. Maar jij hebt een nobel karakter!
Hij is ook een nobele kerel I Hij zal een flink man worden.
Hij heeft mij geen oogenbiik om geld gevraagd. En nu
zal ik je zeggen dat ik plan heb mijn zuster in haar
oude huis te laten blijven en haar vijfduizend gulden per
jaar te geven. En ik zal voorts dat aardige huisje koopen
en het aan jou geven als bruidsgeschenk. Denk er om, ik
geef het aan jou, niet aan Allan. Hij moet dus aan jou de
huur betalen en die breng jij op de spaarbank, dan krijg
je later een sommetje bijeen, als je soms weduwe mocht
worden.” — „O, mijnheer Ramsden !”
„Oom Enoch moet je me noemen. Ga nou met me mee
naar den huiseigenaar, dan zul je zien hoe ik aan een koopje
kom. De lui hier overvragen erg. Let een., on hoe ik met
hem praat. Ik zal je leeren hoe je zaken moet doen. Alles
wat ik van den gevraagden prijs kan afdingen, krijg jij om
meubelen voor te koopen.”
„Ik kan niet! Ik kan niet!”
„Wat niet?”
„Denk eens aan dien armen jongen die nu zoo mistroostig
is. Ik wil eerst naar hem toe gaan om het hem te vertellen.”
„Laat hem maar even wachten, ’t zal hem goed doen. Er
is niets dat een man zoo goed doet dan een beetje tegenspoed
als hij jong is. Bovendien het zou je meer dan een halven
gulden aan spoorgeld kosten. Weet je wat, stuur hem dan
een telegram, dat kost maar een kwartje. Je moet niet
onnoodig kosten maken, dat kwartje is toch al weggegooid
geld, maar met meisjes moet men een beetje toegevend zijn.
Het spijt me hieraan te moeten toevoegen, dat de huiseigenaar
van oom Enoch een heel slechten indruk heeft
ontvangen: hij vond hèm in geen geval „een nobel man.”
De waterstofgasfabriek te Emmerik, waar de Zeppelins hun gas krijgen. De fabriek is eigendom
der margarinefabriek „Germania,” een Zustervennootschap der bekende Jurgensfabrieken.
DE JAPANNERS NEMEN TSINGTAU IN BEZIT.
Op onze foto wordt de landing der Japanneezen in de baai van Lao-shan-wan weergegeven.
Men ziet in de baai de Japanneesche oorlogs- en landingsbooten.
|