|
HOE DE ENGELSCHE RECRUTEN GEOEFEND WORDEN.
Alvorens naar het strijdtooneei te gaan, leeren de vrijwilligers het kampleven mee maken. Zij moeten hun eigen potje kooken, en ter verharding wordt het kampeeren in het open veld ook in de oefeningen
opgenomen. Het schijnt den „jongens’’ geen kwaad te doen.
Wat hier volgt is een les van een vader aan zijn zoon:
’n jongen. We verkeeren in moeilijke tijden. De
heele wereld en alles wat er op leeft, werkt
' en denkt, is in rep en roer. Wat we
rotsvast dachten en onaantastbaar, blijkt
?^l^vra^XJlê nu los en zonder waarde. Dat is jammer.
• •' vreeselijk jammer, omdat het prettige gevoel
van rust en zekerheid, ontstaan door het vertrouwen in
de geleidelijke evolutie der maatschappelijke dingen en
’s werelds opgroei daardoor voor lang verloren is.
In ons bloed is onrust gekomen. ïn ons hoofd een
leegte. In ons hart iets dat schrijnt.
Wat moeten we doen?
Ja. wat?
Er zijn heel wat meeningen uitgesproken over alles,
wat in die vier maanden van oorlog gebeurd is en wat
na dien oorlog geschieden moet.
Ook in ons land en voor ons land. Geen groote, allesoverheerschende
gedachte geeft ons steun.
Er zijn er, die, overtuigd van het bestaansrecht onzer
natie, bereid zijn tot elk offer, om dat vrije bestaan te
verdedigen.
Anderen vinden zoo’n strijd een kampen tegen het
noodlot, iets doen wat toch tot geen resultaat brengt en
zij leggen nu reeds het hoofd in de schoot of prediken
de leer van berusting.
Er zijn ei ook, (en helaas is deze groep veel grooter
dan men wel gelooft of erkennen wil) die het behoud van
eigen lijf en het genot van eigen stoffelijk bezit hoog
boven de belangen der gemeenschap stellen.
Zij redeneeren qiet over de vraag, wat voor het land,
het vaderland, het beste zal zijn. Neen, hun belangstelling
concentreert zich alleen op het eigen wel en wee. Een strak
doorgevoerd individualisme verlaft hun denken.
Ik zeg maar, (zoo is hun slotsom), beter is het dat men
over mij oordeelen moet: kijk, daar loopt Jantje, dan
dat men constateeren kan: kijkt, daar ligt jantje.
Ik hoop, mijn zoon, dat jij nooit zoo denken, nooit
zoo spreken zult. Je vader is geen dweper,
die de volkseenheid tot een allesbeheerschende
tyranne opvoeren wil, die
graag zou zien, dat het individu zijn
eigen leven, zijn eigen willen, zijn eigen
denken aan banden lei om den Staat
als oppermachtig, als allesvertegenwoordigend
en -omvattend op den troon te
verheffen.
Je vader is ook niet de man, die zich
eng wil ingraven binnen de grenzen van
die streek, welke door toeval zijn vaderland
werd. Hij voelt mee voor de
heerlijke verbroederende gedachte van
cosmopolitische toenadering.
Maar, hij is gelukkig ook niet zoo
slap, dat hij weerbaar-zijn als een fout
beschouwt. Hij is dat gelukkig niet in
zijn persoonlijk leven, waar kleine oorlogen,
veldslagen van weinig bloederigen
aard hem tot die weei baarheid wel dwingen,
noch in zijn gemeenschapsgevoel.
Omdat hij weet, dat het opgeven van
de gedachte, zichzelf te zijn, zoowel
voor een persoon als voor een natie,
niet tot die verbetering brengen kan,
die ideale opleving, welke, het nastreven
waard is.
Mijn jongen, al wie voor Nederland
weerbaar is, zoo denk ik, die strijdt
voor een mooi bezit. Dat is geen chauvinisme
van ongezonden aard, om zulks
te beweren. Nederland is een mooi land,
dat zijn bewoners te eten geven kan
Nederland is een goed land, dat zijn inwoners
vrijheid en ontwikkeling geeft.
Nederland is een land, dat waard is als
een groot bezit beschouwd te worden. . .
MANOEUVRES,
die helaas meer naar de werkelijkheid gaan dan andere gebruikelijke krijgsoefeningen. Recruten
voor het Engelsche Continentale leger bestemd houden in Epping Forest een Convooi aan. Zij hebben
zich verborgen opgesteld, om zoo den „vijand” te overvallen. Het schijnt wel uit bovenstaande foto’s
dat de training der Britsche soldaten met zorg wordt doorgevoerd.
EEN ARTISTEN-CORPS.
Een groot aantal Engelsche artisten heeft zich tot een
vrijwilligerscorps vereenigd en dienst genomen. Zij worden
voor den velddienst geoefend en maken alle oefeningen mee.
Op onze foto ziet men een lange rij in dekens gewikkeld op
den vloer liggen. Zoo moeten zij leeren wat later in het
veld onvermijdelijk hun lot zal zijn.
in de allereerste plaats voor hen. die er ’t meeste recht
op hebben: de Nederlanders.
De landen, die Nederland het dichtst omgeven, zijn
ook goede landen, zijn ooR mooie landen, maar jongenlief,
wanneer je als je vader rondgekeken had, nu hier,
dan daar, dan zou je zeggen: Nou, voor den Nederlander
is er geen beter plaats om zich thuis te gevoelen dan
het eigen land.
En als je zoo denkt m’n jongen, en je zult zoo denken
gaan, dan begrijp je ook wat je plicht is. Ik hoop nooit
dat ze mij van jou zullen komen zeggen: Hij streed en
bleef liggen. Maar nog dieper zou ’t mij schrijnen wanneer
ze van je zeggen konden: Hij was laf en liep weg.
Ik spreek en denk nu niet alleen aan oorlog. Neen,
ik spreek en denk nog meer aan den strijd, dien jij, mijn
jongen, net zoo goed zult moeten vechten om je leven
te maken, als je vader dat doen moet en probeert te
doen.
Ik wou dat alle vaders in Nederland, ereis met hun zoons
zóó praten wilden. Jelui jongens hebben, naar wat ik
zoo hoor in huis en op straat, in intieme gesprekken en
in ruimer kringen, wel noodig, dat je een prikkel wordt
gegeven, die je de waarde van het weerbaar-zijn doet
gevoelen.
Gelukkig lang niet allen.
Want dan zag het er treurig met ons uit.
Maar velen toch.
. Die luidjes van ,,beter Jantje loopen, dan Jantje liggen”
wel in de eerste plaats.
Er zijn er véél, te véél van in ons goeje Vaderland,
’t Is treurig, maar ’t is waar. En voor die menschen,
waartoe jij jongen, ik zeg het je nog ereis, nooit moogt
behooren, heb ik een les:
„Elk ding wat waard is bezeten te worden, is waard
dat er om gevochten en dat het verdedigd wordt.”
Heusch, mijn jongen, dat mag je als een vaste regel
aannemen. Van mij, je vader.
En wie niet de durf heeft en de lust
om iets goeds te bezitten, iets goeds te
veroveren, iets goeds te verdedigen, die
is geen knip voor zijn neus waard, geen
tegen elkaar slaan van de vingers.
Dat is mijn overtuiging.
* *
♦
Zoo sprak de vader.
* *
*
En weet ge wat dc jongen zei?
* *
*
„Pappa, bom!”
De jongen was maar elf maanden en
twee weken.
Hij had dus ’t recht om „Pappa,
bom” te zeggen en zijn antwoord was
in zijn soort juister en logischer dan
zoo’n toespraak van een vader, tot
zoo’n jongen.
Maar de vader dacht niet aan het
logische, hij dacht aan de noodzakelijkheid
van zijn redeneering, opditoogenblik
voor die velen, waarvan hij sprak,
later wellicht voor zijn jongen ook.
En hij geloofde dat „Pappa, bom”
een toezegging was, die hem groote verwachting
geven kon.
* *
*
Welke vader ziet in zijn kind geen
vervuiler van zijn innigste wenschen?
Het spreekwoord van den uil. die een
valk zou zijn. is altijd nog onaantastbaar
waar en mogelijk om toegspast te
worden.
WEERBAAR
|