|
geheel vernietigd te worden.
Vader was voor zaken uit en moeder was inkoopen gaan
doen, want de oude Mulder had belet laten vragen en zou
’s middags blijven dineeren. Ik was dus alleen thuis, toen
Kee, onze keukenfee, kwam zeggen dat er in het salon een
oude heer was om mijnheer Meier te spreken. Er zat dus
niets anders op, dan dat ik naar voren ging.
De oude stond op toen ik binnentrad; hij scheen min
of meer zenuwachtig.
,,Vader is uit en daarom kom ik maar,” zei ik. ,,Als het
iets bijzonders is, dan kan ik zwijgen.”
„Zoo, ben jij een zoon van Timotheus ?”
„Ja, ik ben een zoon van mijn vader,” antwoordde ik.
„Da’s te zeggen, Jaap is de oudste, maar ik kom in de
zaken van papa. Komt u dus voor zaken, vertel dan op.
Vader had u zeker vandaag niet verwacht.”
„O, neen, neen, natuurlijk niet 1” zei hij met een grijns.
„Ik ben je oom Jasper I”
Ik weet niet zeker meer of ik flauw gevallen ben, maar
dat ik er dicht bij was, is zeker.
„Bent u oom Jasper, die twist met vader heeft gehad ?”
„Juist, mijn jongen, maar ik heb al lang spijt gehad
van de woorden, die ik je vader heb toegevoegd en nou
ben ik gekomen om de zaak weer bij te leggen. Ik word
een dagje ouder en het zal zoo lang niet meer duren of
ik zal van mijn geld en goed afstand moeten doen.”
„Dat kun je wel dadelijk doen,” zei ik, „want Jaap gaat
trouwen en zal wel wat geld kunnen gebruiken.”
„Neen, ik meen dat ik zou kunnen sterven.”
„O, is ’t anders niet 1 Maar wat ik zeggen wil, is het
wel erg verstandig om zoo plotseling uit de lucht te komen
vallen ? Moeder heeft geen sterke zenuwen en dat zou
haar bepaald in de war brengen.”
„Maar je vader noch je moeder zullen me herkennen,
want ik ben in de vijf en twintig jaar dat we elkaar niet
gezien hebben, erg veranderd.”
„Dat doet er niet toe,” zei ik. „Ik vind het een gevaarlijke
geschiedenis. Het zou veel beter wezen als je maar
weer wegging. Bepaal een anderen dag, bijvoorbeeld over 3
maanden en in dien tusschentijd zal ik hen voorzichtig
op de ontmoeting voorbereiden.”
„Nee,” antwoordde die ouwe stijfkop, „ik wil ze vandaag
zien !”
Ik kan je verklaren dat ik een gevoel had, alsof iemand
een portie roomijs tusschen mijn halsboordje had laten
glijden. Maar, ik herinnerde mij dat ik een Meier was en
dat gaf me mijn koelbloedigheid weer terug en tegelijk
een goed idee.
„Luister eens,” zei ik, „als je toch met alle geweld blijven
wilt, dan is ’t beste, dat je ’t incognito doet. Kijk, ik zal
dan in het gesprek je naam noemen en als ze je niet graag
zien, kun je ongemerkt uitknijpen als een uitgebrande
smeerkaars, zonder dat ze weten dat je ’t zelf geweest
ben. Maar als ze je werkelijk zien willen, wel, dan zal ik je
waren naam noemen en dan is de zaak gezond. Hoe
vind-je ’t?”
„Uitstekend !” riep hij uit.
„Nou dan, mijn leeraar in de natuurkunde zou vanmiddag
hier komen eten; vader is bijna dol op natuurkunde.
Nou heeft-ie, de leeraar namelijk, daar straks een
boodschap gestuurd, dat hij onmogelijk komen kan. Tusschen
ons gezegd en gezwegen, hij heeft een meisje aan de
hand, maar da’s zijn zaak, en ’t komt ons goed te pas.
Alles wat je nu maar te doen hebt is, dat je je laat voorstellen
ais de heer Jansen, leeraar in de natuurkunde aan
de H. B. S. en klaar is Kees I”
Ik geloof dat hij dat idee van mij bepaald geniaal vond,
ten minste hij stemde dadelijk toe en dat was maar goed
„EENZAAM”. Van links naar rechts: C. Dommelshuizen, Cor v. d. Lugt-Melsert, Cor Ruys.
PFM7A AM” FïOfTR HIK P-ï A C' T4PQPPT PRQ” Van uit Indië was de faam over9ewaaid naar Den Haa9 over de superieure vertooning, die, „in het land van smaragd” dezen zomer Verkade van Fabricius' AïAïAlVl , i7vyv/I\ L/lIl invniLOI . „Eenzaam” gegeven had, en al wat in den Haag Indisch is of Indisch voelt, was naar Verkade^s zaaltje opgegaan, om weer iets terag te voelen en te
proeven van Indische atmosfeer en Indischen toon, en in heimwee terug te denken aan den Indischen tijd, die — nu hij eenmaal onherroepelijk voorbij is — louter herinnering van geluk biedt. Een genot om de couleur locale vloeide
over op het spel van èlle spelers, en men genoot van Anton Verheyen als planter, type van levenslust en gezonden geest, van Tilly Lus, louter liefelijkheid, teederheid en innigheid, van Dommelshuizen als dokter de Wilde —
van Cor Ruys, en eindelijk en allereerst van Cor van der Lugt Melsert, die met zooveel illusie naar Indië kwam en door de eenzaamheid van het leven op een buitenpost tot krankzinnigheid vervalt en zich ten slotte ophangt..
uua, wam rv up nwani n
hem voor als den heer Jansen, onzen nieuwen leeraar en nam
hem toen mee de stad in, waar we zoolang bleven wandelen
tot het tijd voor het diner was.
Ik moet zeggen, ’t was een leuke ouwe baas; ik bemerkte
echter met schrik, dat hij net zooveel van natuurkunde
afwist als onze kat of eigenlijk nog minder, want die
vliegt het huis door als er storm op til is. Ik kocht
daarom onze meid om met de helft van mijn zakgeld,
opdat ze mijn bord naast het zijne zette, zoodat ik hem
kon bijspringen als vader hem soms met zijn vragen het
vuur wat al te na aan zijn schenen mocht leggen.
Graag had ik den ouden sukkelaar nog een lesje ingegeven,
maar de gong luidde en we gingen naar beneden.
i. m ovcsivai.
Vader en de heer Mulder waren zoo druk met elkander
in gesprek dat ik bijna de geheele nachtmerrie over oom
Jasper vergeten was, toen we aan het dessert genaderd
waren. Ik was juist bezig den ouden baas naast me te
vertellen van mijn voetbalclub, toen de idioot met vader
GEZONKEN.
Vermoedelijk door het laten openstaan der buitenboordskraan,
is een der booten van de bekende firma Bus, in het Spaarne te
Haarlem gezonken. De lading bestond hoofdzakelijk uit drukwerk
(prentenboeken) van de firma Emrik & Binger, met
bestemming voor Engeland.
over het weer begon te praten. Nou, dat is net een stokpaardje
van vader en hij is er goed in thuis, werkelijk !
„Ik geloof bepaald,” zei vader, „dat de groote hoeveelheid
regen van den laatsten tijd een gevolg is van de verschillende
phasen van de maan.”
„Verschillende faces van de maan! Ik weet niet beter
of ze heeft er maar één,” antwoordde de oude gek, niet
wetende dat hij de grootste stommiteit uitkraamde. „Och,
’t is al zoo lang geleden dat ik natuurkunde studeerde,
dat ik alles verg. ...”
Het gelukte mij den voet van den ouden zondaar onder
tafel te vinden en wat ’n bof, juist den voet waar hij een
paar eksteroogen ophad. Nou, dat heeft-ie geweten hoor!
Hij sprong van pijn de hoogte in, doch ik duwde hem
weer in zijn stoel.
„Wees toch stil,” fluisterde ik, „of er gebeuren ongelukken.”
„O,” ging vader voort, „jullie vaklui hebben geen studieboeken
meer noodig 1 Jelui hebt den Helicon reeds lang
bestegen, hè ! Ik heb mij altijd verbaasd over het effect
dat de zonnewarmte op de aarde heeft. Ik ben overtuigd
kunnen.”
„Da’s waar,” antwoordde oom Jasper. „Bij voorbeeld
tijdens de heete dagen van dezen zomer was er bij mij
in den omtrek geen bier meer te krijgen, omdat door de
warmte het volk zoo’n dorst had, dat ze alle bierhuizen
leegdronk.”
De toestand werd gevaarlijk. Ik was ten einde raad en
zat te peinzen hoe de zaken nog te kunnen redden, toen,
voordat ik goed wist wat hij eigenlijk ging uitvoeren, oom
Jasper opstond met zijn glas in de hand.
„Ik wil een toost uitbrengen,” zei hij, „en tegelijkertijd
wensch ik u allen een geheim te openbaren. Ik ben . ...”
Van wanhoop stampte ik letterlijk op zijn voet, juist
bijtijds, want met een kreet van pijn zonk hij op zijn stoel
neer, zonder zijn naam genoemd te hebben.
„Blijf toch zitten, idioot,” fluisterde ik hem toe. „Moeder
krijgt een ongeluk van schrik. Ze denken allemaal dat je
dood bent, en als je nu ineens levend wordt, heb ik ’t
gedaan I”
„’t Kan me niet schelen,” zei de ouwe dwarskop. „Ik
ben niet dood en wil voor geen mensch zijn plezier dood
wezen als ik nog levend ben. Dames en heeren .... het
spijt me dat ik het zeggen moet, maar . .. .”
De kamerdeur ging open en in de opening verscheen
onze dienstbode met een langen heer achter zich, dien ik
tot mijn schrik herkende, voordat Kee de familie toeriep:
„Mijnheer Jansen 1”
Krampachtig hield ik den rand van de tafel beet en
wenschte in stilte, dat ik een slak was met een huisje op
mijn rug, waar ik in verdwijnen kon. Ik moest nu echter
door den zuren appel heenbijten.
„Mijnheer Jansen 1” riep vader in de hoogste verbazing
uit en toen woedend tegen oom Jasper: „Maar, voor den
drommel, wie is u dan, mijnheer?”
„Timotheus, heb je in de kwarteeuw dat we elkander
niet zagen vergeten dat je nog een broeder hebt?” vroeg
nu oom op bewogen toon.
„Ik ben Jasper Meier, je broer I”
Ik zag vader in zijn stoel neervallen en zenuwachtig
zijn servet verfrommelen, terwijl moeder de punt van haar
zakdoek tegen haar oogen hield. Van de algemeene ontroering
maakte ik intusschen gebruik en smeerde ’m, de
kamer uit, en den tuin in, waar ik een duren eed zwoer
om nimmer meer zoo lang ik leefde, een erfoom op te duikelen.
Voor niemand meer, al was ’t mijn eigen broeder.
Tien dagen later. — Het ligt toch bepaald aan mijn
wonderbaarlijk vernuft, dat ik steeds het rechte ding doe
op den rechten tijd. Het einde van de geschiedenis was
dat oom Jasper aan vader vertelde, dat hij ons was komen
bezoeken om te vragen of Jaap deelgenoot in zijn zaak
wilde worden. Oom gaf mij toen hij weer vertrok een rijksdaalder
en beloofde mij dat ik op zijn kosten naar de
Militaire Academie mag te Breda.
Hiep, hiep, hoera 1
Jaap zegt, dat ik toch een pientere jongen ben en Lize
gaf me een klein gouden hartje van haar armband. Zeg
’t niet verder, ik heb het hart aan Elze gestuurd in een
stuk papier, waarop ik geschreven had :
? ? ?
Dat was een herhaling van een vraag die ik haar een
paar weken vroeger gedaan had. Van morgen kreeg ik
haar antwoord. Hier is ’t. „Ja. — Elsje!”
„EENZAAM”. Cor v. d. Lugt-Melsert als Willem v. Bijlevoorde.
|