Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1231 tot 1235 van 11897
Nummer
1914, nr.25, 16 dec. 1914
Blad
06
Tekst
EEN DAPPER MEISJE aar vader, luister nu toch. Wilt u het geluk van mijn leven vernietigen ? Ik heb geen lust om nu al te trouwen — en nog wel met een meisje dat ik nimmer gezien heb.” „Houd je oproerige tong, jouw brutale kwajongen. Te moeten beleven dat mijn eigen zoon mij zou weerstreven 1” „U weet niet,” ging de jonge man woedend voort, „wat u van mij verlangt. De koning wenscht dat ik voor hem zal vechten en u wilt dat 'ik mij verbind aan de dochter van een vijand, een Roundhead, en thuis blijf aan haar zijde.” „Ja, dat wil ik 1” bulderde de oude Cavalier, terwijl hij met de vuist op de zware eikenhouten tafel sloeg, dat het glaswerk rinkelde. „Te jong om te trouwen, maar te oud om te gehoorzamen. Te jong, welzeker, om mijn wil te doen en aan zijn vader en hemzelven land en fortuin te verzekeren, maar oud genoeg om zijn tijd door te brengen in de taveerne bij wijn en verkeerbord. Dat moet uit wezen, jongen. Denk je dat ik wil worden tegengewerkt door mijn eigen zoon ? Beloof mij morgen met mij naar het meisje te rijden en aan haar vader haar hand te vragen, of ik ransel je al je bloed uit je corpus.” „Dat kan me niet schelen,” riep de jongeling uit buiten zich zelf, terwijl hij de armen over de borst kruiste, „Geesel me zoo lang je wilt, maar je zult mij niet in een huwelijk ranselen met een vrouw wier naam ik niet eens ken.” Dat was te veel voor den ouden fieren Cavalier; onder het bulderen van scheldwoorden en toespelingen op Absalom en andere - weerstrevers van den vaderlijken wil, greep hij zijn zoon bij den kraag. Een uur later vond Kit Carew zichzelf opgesloten in een zolderkamertje zittende op een oude kist, waarin zich verschillende familiekostbaarheden bevonden. Het was hier dat de oude heer zijn meest waardevolle bezittingen bewaarde en het was volkomen in de lijn dat hij hierin zijn zoon opsloot, die voor hem thans zeer bijzondere waarde had, omdat hij hem wilde bezigen als de schakel die zijn huis zou verbinden aan wat hij voorzag dat weldra de winnende partij in den lande wezen zou. De jonge man wierp zich met zijn volle zwaarte tegen de deur, een, twee, driemaal en den derden keer gaf het oude slot, dat steviger leek dan het was, mee, en Kit viel languit op het portaal. Vrij ! Hij stond op, begaf zich naar zijn kamer, veranderde daar van kleeren en het weinige geld dat hij bezat bijeengarende, sloop hij het huis uit en begaf zich te voet opweg naar Oxford. * * * Twee maanden later was Kit Carew rijdende van Londen naar Oxford. Het was hem voor den wind gegaan sedert hij het ouderlijke huis ontvlucht was. Hij had een plaats gekregen in een dragonder-regiment en zich bij verschillende gevechten door dapperheid bijzonder onderscheiden. En thans was hem de vereerende opdracht gegeven bij de Royalisten te Londen gelden te verzamelen, ten einde de uitgeputte schatkist van den koning weer te vullen. Carew was bijzonder trotsch op zijn waardigheid als konings vertegenwoordiger en ongelukkigerwijs overstelpt door het gewicht van zijn verantwoordelijkheid. Hij had ruim tweehonderdduizend gulden in goud bij zich. Den nacht voor hij Londen verliet, had hij overnacht in het groote ledikant van de logeerkamer eener taveerne, met de zakken vol goud rond zijn lichaam gebonden, gelijk een oude gierigaard. De heirweg van Londen naar Oxford was zoo bewaakt door de Parlementstroepen, dat Carew het verstandig oordeelde een anderen weg te kiezen over Croydon en Dr. L. S. ORNSTEIN, benoemd tot Hoogleeraar in de Wisen Natuurkunde aan de Universiteit te Utrecht. (foto Blote) De 26 deelnemers De foto steltvoor: Baby-Show in ’t paviljoen „De Vrouw” op de Koloniale Tentoonstelling te Semarang. — waren in 2 groepen verdeeld: Baby’s tot 8 maanden en kindertjes van 8 tot 18 maanden de bekroonde baby’s op moeders arm. Donnington Castle en dan ten noorden van Oxford door een district dat nog in ’s konings macht was. Hij maakte den eersten dag een langen rit en was tegen het vallen van den avond in de nabijheid van Basingstoke. De Augustus-avond was heet en drukkend en nu rommelde de donder in de verte, terwijl het landschap af en toe verlicht werd door een bliksemstraal. Carew staarde droomend in de verte en vergat een wijle den schat dien hij bij zich droeg, toen hij bij een kromming van den weg een troep ruiters in draf zag naderen. Zijn hart klopte hem in de keel, de oranjekleurige sjerpen waren in het halfduister goed merkbaar : het waren Parlementstroepen. De schrik overmeesterde den armen Kit, hij beantwoordde het geroep van den aanvoerder der troep met een pistoolschot en zijn paard wendende, galoppeerde hij terug. De Roundheads reden hem in vliegende vaart achterna en hun onvermoeide paarden begonnen spoedig op het paard van Carew, dat een dagreis gemaakt had, te winnen. Plotseling klonk een schot: Kit’s paard viel ter aarde ! Hij maakte zich snel vrij uit het zadel en vluchtte in het struikgewas dat zich langs den weg uitstrekte. Met groote moeite baande hij zich een weg door de struiken tot hij eindelijk in een weide kwam. Hier bleef hij staan, hij hoorde zijn vervolgers achter hem roepen en takken afkraken, doch geen van hen scheen de plek te naderen waar Kit zich bevond. Recht voor hem verhief zich de donkere massa van een groot gebouw met een bosch er achter. Hij rende het veld dwars over en op het landhuis toe, terwijl de bliksemstralen somtijds den omtrek verlichtten. Achter hem klonk nu duidelijk paardenhoefslag en het geschreeuw van zijn vervolgers. Ademloos en geheel verhit, vermoeid door het gewicht van al het goud dat hij bij zich droeg, rende hij op het huis aan. Eindelijk had hij de achterzijde der woning bereikt. Hij zag nergens eenig teeken van leven, doch langs den muur waar hij tegen leunde groeide een groote wisteria en tusschen de takken van dezen schoonen bloemstruik bemerkte hij een halfverborgen venster. Hij klauterde als een kat tegen de klimplant op en werkte zich door het venster heen. Op dat oogenblik schitterde weer een bliksemstraal, die de geheele omgeving en ook de kamer verlichtte, waar Kit was binnengeklommen. Daarna was het weer duister. Kit bleef verschrikt staan. Hij had bij het weerlicht gezien dat hij zich bevond in een kleine slaapkamer met zware eikenhouten meubelen, benevens een ledikant met witte gordijnen, gedeeltelijk opengeschoven en in dat ledikant zag hij het gelaat van een jong schoon meisje, dat hem verbaasd aanstaarde. Wat het meisje zag, was een jonge man, knielende in het midden der kamer. Het gelaat van den jongen man, omlijst door lang donker krullend haar, was knap, maar zeer bleek en verschrikt. „Om Gods wil, verraad mij niet 1” fluisterde hij met Mej. J. Lugt houdt in (Paviljoen „De Vrouw op de Koloniale Tentoonstelling te Semarang cursussen en demonstraties op ’t gebied van fröbelen en handenarbeid (vouw- en knipcursus), kook- en huishoudonderwijs. een stem, waaruit intense angst haar tegenklonk. „Verberg mij. Laat me mijzelven hier verbergen. Ik word achtervolgd door soldaten. Ik heb dépêches en geld voor den koning bij mij en ik mag niet vallen in de handen van die mannen.” Kits angstige bede en deemoedige houding zouden zelfs invloed hebben gehad op een minder gevoelig en sympathiek hart dan dat van het Puriteinsche meisje. „Blijf hier een oogenblik,” zei ze, terwijl ze discreet de bedgordijnen dichtschoof. Er was een oogenblik stilte. Kit lag daar onbeweeglijk in knielende houding, luisterende naar het gedraaf der zoekende soldaten in den tuin, de beweging beneden in huis en het geritsel achter de bedgordijnen. Na een paar -minuten kwam het jonge meisje te voorschijn, gekleed in een lange grijze ochtendjapon. Ze schoof de gordijnen voor het raam en stak een candelaber aan. „Er is slechts een plaats waar ik u zou kunnen verbergen,” zei ze zacht, „hier, deze kast, waarin mijn kleederen hangen. Kijk, ze loopt diep in om dezen hoek. Ik denk niet dat ze u hier zullen zoeken, doch u moet zeer stil zijn, want ik vrees dat het de troep van mijn broeder is, die u zoekt. Ik hoor zijn stem beneden aan de trap. Sst! Er komt iemand I” Ze sloot de deur van de kast dicht en sloop op haar teenen weer naar bed terug. Kit had nauwelijks zijn tegenwoordigheid van geest teruggekregen, toen er voetstappen klonken op het portaal naast de kamer. „Ben je nog op, Charity ?” vroeg een mansstem. Toen werd de deur geopend en voorzoover Kit kon beoordeelen, traden twee mannen de kamer binnen. „Wat voer je uit, meisje?” klonk het weer en het leek Kit wel de stem van een oud man. „Waarom ben je gekleed en brandt je kandelaar? mij dunkt duisternis is het beste voor hoofdpijn.” „Ik kon niet slapen, vader,” antwoordde het meisje, „vanwege het onweer. Ik had juist de kaars aangestoken. Ik .... ik wilde .... ik was van plan wat te gaan lezen, om mijn vrees te verdrijven.” „Dochter Charity,” hernam de oude Puritein op strengen toon, „we zoeken naar een vijand, die zich hier ergens verborgen heeft. Heb je van dien man iets gezien of gehoord ?” „Ik hoorde de soldaten in den tuin, vader 1” „Zij moet geslapen hebben,” zei nu de ander man. „Of de man heeft zich in de kamer vergist. De oude Duncombe, die het huis net zoo goed kent als u, zweert dat hij den kerel hier de kamer van mijn zuster zag binnenklimmen.” „Ja, ja, ’t was een knappe jonge snuiter en nu heeft de juffrouw natuurlijk medelijden met hem gekregen. Zoo zal de geschiedenis wel wezen, denk ik”, zei de oude heer en hij lachte zoo grimmig, dat de luisterende Kit zijn vuisten balde van machtelooze woede. „Maar als hij hier is,” ging de vader voort, „dan zullen we hem spoedig vinden. Doorzoek de kamer, Godfrey 1” „Terwijl je hier je tijd vermorst, kan de man ontsnappen, broeder,” riep het jonge meisje in wanhoop uit. „Laat Godfrey heengaan en ik zal u alles vertellen 1” „Neen, hij blijft,” gebood de oude heer. „Spreek, meisje! Hij is je broeder en heeft het recht van deze zaak kennis te nemen.” „Welnu, ik was het, die men het venster zag binnenklimmen.” Een angstige stilte volgde op deze vreeselijke bekentenis. „En met wien had je een samenkomst, deern ?” bulderde de oude vader razend van woede en verdriet. Er kwam geen antwoord. „Laat ons heengaan, voordat ik mij aan haar vergeet I Gave God dat ze nooit geboren was !” Kit hoorde een smeekende, onvaste stem en toen voetstappen, die zich naar de deur begaven. Toen drong het tot zijn bewustzijn door, dat er nog iets vreeselijkers is dan de dood, namelijk te leven als een eerloozen lafaard, te leven met het bewustzijn den dood ontkomen te zijn, ten koste van de eer van een dapper meisje. Dezer dagen is in den ouderdom van 68 jaar overleden Jhr. Rudolph van Hoogenhouck Tulleken, oud-Kolonel der Artillerie v. h. Ned.-Ind. Leger.
PDF
Nummer
1914, nr.25, 16 dec. 1914
Blad
07
Tekst
VOOR MILITAIRE DOELEINDEN EEN GEMOBILISEERDE MOLEN. — De korenmolen aan de Hoornbrug te Rijswijk, welke door de Gemeente ’s-Gravenhage in gebruik is genomen speciaal tot het malen van rijst en tarwe voor de bakkers van de stad ’s-Gravenhage. Juist wordt er een motorboot met rijst aangevoerd. Te ’s-Gravenhage had voor eenige dagen een inspectie van vrachtauto’s plaats. Onze fotograaf wist het moment vast te leggen, waarop door de militaire autoriteiten de nieuwe Haagsche Reinigingsauto’s geïnspecteerd werden. Het geluid van het openen eener deur deed vader en zoon stilstaan. Ze keerden zich beiden om en zagen aan de kastdeur Kit Carew met doodsbleek gelaat en schitterende oogen. Hij wierp zijn zwaard van zich, dat het kletterend voor de voeten zijner vijanden neerviel. „Neem dit!” riep hij hun fier toe. „Ik geef mij over. Zij klauterde niet door het raam ; ik was het, dien ze zagen. Ze zei het slechts om mij te redden !” Charity uitte een kreet van wanhoop en leunde snikkende tegen de venstergordijnen. „Zoo is dit je minnaar, juffrouw !” barstte de oude Puritein los. „Neen, dat ben ik niet!” protesteerde Kit, het gelaat nu donkerrood gekleurd. „Ik zag de juffrouw nooit te voren en nog nimmer ben ik in deze streek geweest. Ik moet mejuffrouw nederig en hartelijk om vergiffenis verzoeken.” Hij was zichtbaar in de war. De jongste der beide mannen, die Godfrey genoemd was, scheen meer vroolijk dan boos gestemd. „Kom, vader,” zei hij tot den ouden heer, „zus Charity heeft geen groote zonde begaan door aan dezen jongen borst een schuilplaats te .verleenen. Laat ons haar met vrede laten en onzen gevangene meenemen.” Zoo werd Kit naar beneden gevoerd in een groote zaal gevuld met Parlementssoldaten. Hier werd hij nauwkeurig gefouilleerd. Hij had echter al het goud en de brieven van den koning in de kleerenkast van juffrouw Charity achtergelaten; ze vonden dus niets anders op hem dan eenig geld en een briefje dat hij inderhaast vergeten en dus bij zich gehouden had. Dit briefje had geen waarde voor Koning of Parlement, doch was voldoende om den bezitter te doen hangen. Het bracht aan het licht dat Carew had vertoefd in het kamp van den vijand zonder pas en bestempelde hem dus als een spion. Had Kit zich geen bijzonder handig boodschapper getoond, hij was in allen geval nobel en getrouw. Geen enkele bekentenis kwam over zijn lippen en zijn vijanden hem zoo hardnekkig en verstokt vindende, toonden zich weinig gezind hem genade te schenken. „Zoo’n stijfkoppigen jongen schavuit heb ik'nog nimmer gezien,” verklaarde de oude Puritein. „Er is geen twijfel aan, hij voerde iets tegen ons in het schild; hij is klaarblijkelijk een spion en van een halsstarrig soort. Hij moet gehangen worden, Godfrey. Leidt hem weg, mannen, breng hem beneden in de cel en plaats een wacht voor de deur. Morgen bij het aanbreken van den dag moet hij zijn straf ondergaan.” Kit Carew werd nu door twee soldaten weggeleid en in een kleinen kelder opgesloten. Onderwijl deden zijn belagers een vreemde ontdekking. Nog eens nauwkeurig de portefeuillevan den gevangene doorzoekende, bemerkte de kapitein dat ef iets op het leder geschreven was. „Christopher Carew 1” las hij hardop en toonde het zijn vader. Toen keken beide mannen elkander aan en barstten in een luid gelach uit. „Je aanstaande schoonzoon, geloof ik ?” zei de jongste. „Ja, zoo is ’t! De knaap die niet geranseld wilde worden in een huwelijk met de arme Charity. Wat zullen we nu doen met hem? We kunnen hem toch niet hangen !” De kapitein dacht eenige minuten na alvorens te antwoorden. „Wenscht u dit huwelijk, vader?” „Ja, jongen, zeker doe ik dat 1 Als Charity met dezen jongen borst gehuwd is, kunnen we de toekomst onbevreesd te gemoet zien. We zijn veilig, onverschillig wie er wint, de Koning of het Parlement. Ongetwijfeld zal de jonge man zich, mocht het eerste plaats vinden, een dankbaar schoonzoon betoonen 1” „In dit geval zou het goed zijn, hem reden tot dankDOOR ZIJN KERKBOEK GERED. Een Duitsche Landweerman kreeg van zijn moeder een gebedenboek mede, dat hij in zijn linker borstzak bij zich droeg. Een kogel trof hem daar, doch het gebedenboek diende als een veilig pantser. baarheid te geven. We moeten echter geen dwang gebruiken.” Toen brouwden ze samen een complot dat het volgende resultaat had : Kit lag in zijn cel op den kouden vloer en peinigde zichZOO VERGAAT ALLE AARDSCHE GROOTHEID). Een groot, buiten dienst gesteld Engelsch Oorlogsschip, dat eens met trots de baren kliefde, werd voor Hollandsche rekening ter slooping gekocht. De groote boot kon slechts afgetakeld onder de Maasbrug door. zelf met de gedachte dat zijn koning, onkundig van het treurig lot dat hem getroffen had, hem misschien zou verdenken zich met het goud uit de voeten te hebben gemaakt. Deze treurige gedachte werd echter weldra verdrongen door het beeld van het mooie Puriteinsche meisje, dat zoo dapper gepoogd had hem te redden. Zoo viel hij in ♦slaap met de gedachte aan haar en toen hij eindelijk weer ontwaakte — zag hij het meisje voor hem staan met een kaars in de hand. „Word wakker, mijnheer,” zei ze met de liefste stem die Kit ooit meende gehoord te hebben. Ik kom om u te bevrijden. Zie, hier zijn uw brieven en geldtasch. Toen ik hoorde dat ze niets op u gevonden hadden, begreep ik dat u alles in de kast had achtergelaten. Mijn vader weet hier niets van, doch hier is een brief van mijn vader. Hij verzocht mij u te zeggen, dat hij u geen kwaad toewenscht. Hij zou u wel vriendelijker behandeld hebben, doch hij vreesde daardoor de achterdocht der regeeringstroepen op te wekken.” Kit’s gelaatsuitdrukking, trouwens zijn geheele houding toonde een onverholen bewondering. Diep blozende stamelde hij op onhandige jongensmanier zijn dank aan het mooie meisje, dat hoewel een jaar jonger in leeftijd, minstens tien jaar ouder was in kalmte en overleg. „Kom, mijnheer,” zei ze, glimlachende om zijn verwardheid, „ik zal u wijzen, hoe u hiervandaan komen kunt, doch, pas op, de soldaten niet wakker te maken.” Een paar minuten later bevond Kit zich buiten in den tuin; zijn dankbetuigingen werden voorkomen door het sluiten van de kleine deur, waardoor hij het huis verlaten had. Het onweder had opgehouden; het was echter nog vrij duister want de lucht was zwaar bewolkt en het regende hard. Na eenig zoeken vond hij evenwel den heirweg weer terug, en snelde nu zoo hard zijn beenen loopen konden heen, ten einde den afstand tusschen hem en zijn vijanden zoo groot mogelijk te maken. * * * Eenige dagen later zat de oude Christopher Carew triestig aan tafel. Hij was allang tot de overtuiging gekomen, dat de zoon, met wien hij voorheen zoo’n hoogloopenden twist had gehad, zijn grootsten rijkdom uitmaakte. „Ik was te haastig,” mompelde de oude man. „De jongen heeft een goed hart. Had ik maar geduld gehad om met hem te praten ! Eigenlijk had ik hem het meisje eerst moeten laten zien, voordat ik hem over trouwen praatte.” Deze milde overwegingen werden verstoord door Kit zelf, die beschaamd en opgewonden voor zijn vader neerknielde en zijn handen greep. „Vader vergeef mij! Ik heb ze gezien, Juffrouw Charity Warren, ze is mooier dan .... dan ik zeggen kan En ze is dapper en zeer lief. Ik wil met u naar Basingstoke rijden morgen, of .... nu, dadelijk, als u wilt, vader. Als je mij vergeeft, heb ik geen anderen wensch dan haar dienaar te zijn.”
PDF
Nummer
1914, nr.25, 16 dec. 1914
Blad
08
Tekst
PANORAMA DE RUSSEN AAN ’T OOSTELIJKE FRONT DE RUSSEN BEZETTEN RIELA. Veel sterker dan in het Westen, wisselen de oorlogskansen aan het Oostelijke front. Waar het gevechtsterrein zoo reusachtig groot is, is het niet te verwonderen dat er door beide partijen gedeeltelijke vorderingen worden gemaakt DE KOZAKKEN IN DE SNEEUW. Evenals in vorige oorlogen, die Rusland heeft gevoerd, onderscheiden zich ook nu wederom de kozakken door moed en uithoudingsvermogen. HET VERVOER IN POLEN. De slechte wegen zijn een van de groote moeilijkheden voor het troepenvervoer HET MIDDAGMAAL. Russische soldaten houden een korte rust in een dorp in Galicië, teneinde het middagmaal te gebruiken. DE DRAADVERSPÊRRINGÉN. Enorme draadversperringen worden aan weerszijden aangelegd ter bescherming van de loopgraven en de versterkingen. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ. LEIDEN in Polen._Vooral nu de dooi weer ingevallen is, zijn de wegen bijna onbegaanbaar.
PDF
Nummer
1914, nr.25, 18 dec. 1914
Blad
09
Tekst
V Abonnement v per kwartaal f 1.30 DIT nummer kost afzonderlijk 7‘/z Ct Voor BELGIS 20 Centiemen 18 Dec. 1914,2eJrg. Verschijnt 2 maal p.week 3 G E I LaLa U ST R E ERD UITGAVE VAN A.W. SIJTHOEF's UITGEVERS MAATSCHAPPIJ LEIDEN © Redactie en'■Administratie DOEZASTRAAT 1 Telefoonnummer I © EEN HISTORISCH MOMENT. De Koning van Engeland houdt met koning Albert revue over de Belgische troepen te Veurne. staat de Prins van Wales met den Indischen Prins Pertab Singh. Achter Koning George
PDF
Nummer
1914, nr.25, 18 dec. 1914
Blad
10
Tekst
EEN GEVAL VAN „BETONITIS" |nze collega „Het Handelsblad” geeft in zijn nummer van 8 December een geestig artikel, waarvoor ons blad hem blijkbaar de stof heeft verschaft. Voor diegenen onder onze lezers, die het bedoelde blad niet hebben gelezen, volgt thans in korte trekken de nadere uiteenzetting van de kwestie, waarom het hier gaat. Zij zullen zich herinneren, dat in ons nummer van 2 December een afbeelding voorkwam van ’n eenigszins zonderling gebouwde villa, welke in den Aerdenhout bij Haarlem staat, waarbij wij het volgende, door „Het Handelsblad” nu als „boosaardig” gekwalificeerde onderschrift plaatsten: „Zonderlinge villa-constructie. De bijzondere aandacht „der bevoegde autoriteiten werd een dezer dagen gevestigd op een villa in den Aerdenhout bij Haarlem, die „hierbij is afgebeeld. In den toren moet een installatie „voor draadlooze telegrafie gevonden zijn. Een in verband „met het onderzoek plaats gehad hebbende arrestatie „werd niet gehandhaafd.” Een onbevooroordeeld lezer zal moeten toegeven, dat dit onderschrift allerminst boosaardig, integendeel, allervoorzichtigst gesteld is. Wij ontvingen de foto, waarom het hier gaat, van een onzer Nederlandsche foto-agenten, een bron, welke ons steeds als uiterst betrouwbaar was gebleken en wij namen haar niet op, alvorens wij ten overvloede bij den agent in kwestie ons naar de betrouwbaarheid van zijn inzending hadden geïnformeerd en ten overvloede stelden wij, zooals gezegd, ons onderschrift zoo voorzichtig, als dit o. i. mogelijk was. Tot onze groote vreugde bleek ons, dat er werkelijk geen sprake van een „spionnage”-kwestie is, dat de eigenaar van deze villa, waarvan de zonderlinge bouw blijkbaar deaandacht der omgeving trok en den fotograaf van het Fotoagentschap, door ons bedoeld, in actie bracht, een gezien burger van Amsterdam is, van wien men op geenerlei wijze iets, dat met de belangen van ons land of van onze neutraliteit in strijd is, kan verwachten. Dat wij, zonder het te willen, den eigenaar onaangenaam waren, betreuren wij ten zeerste. Wij constateeren daarom hier dat de Commandant der Stelling Amsterdam, Generaal-Majoor A. R. Ophorst, in een uitvoerig schrijven, na een ingesteld onderzoek, zij het onzerzijds dan ook volkomen ter goeder trouw, zou zijn gekwetst of gehinderd en geven onzen lezers in bovenstaand de verklaring, waaruit het vrij-uitgaan van den bezitter der villa, welke woning door den Hollandschen architect Foeke Kuipers werd gebouwd, ten volle blijkt. Hiermede zou dit „geval” beëindigd kunnen zijn. Doch wij hebben nog een woordje met collega C. J. S. in „Het Handelsblad” te spreken. Wij vergeven hem gaarne zijn beschuldigingen en hatelijkheden aan ons adres. Zoo kort nadat wij zelf ondervonden hebben hoe men met de beste bedoelingen, door INTERESSANTE ROODE KRUIS-OEFENINGEN VAN HET NEDERLANDSCHE LEGER OP HET ACHTERVELD TE BARNEVELD. Een gerequireerde boerenkar, in allerijl tot vervoermiddel ten dienste van het Roode-Kruis getransformeerd. „voorstelling gaat soms zoover, dat men die vloeren veronderstelt waar beton-niet-is. Vandaar, volgens niet- „Latinisten, de naam. De ziekte schijnt besmettelijk te „zijn en zelfs menschen, die beter moesten weten, zooals „uitgevers van geïllustreerde bladen, aan te pakken. Ver- „moedelijk ongeneeslijk evenals spionltls (zie aldaar). „In enkele gevallen helpt flink uitlachen.” Is collega C. J.S. nu werkelijk zoo zeker dat eenieder die, uit verlangen om zijn Vaderland te dienen, verdachte gevallen signaleert en ter kennis van Overheid en publiek brengt zoo vreeselijk verkeerd doet dat flink uitlachen zijn vonnis moet zijn? Een kleine trein van dergelijke wagens, waarin de zwaargewonden naar het station worden getransporteerd. verklaarde, dat hem gebleken was, hoe de villa in kwestie, geenerlei instrumenten of speciale bouwbijzonderheden bevatte, welke voor onze defensie of neutraliteit gevaarlijk konden zijn. Dit schrijven eindigde volgens „Het Handelsblad” met de verklaring: „Ik behoef niet te zeggen, dat uwe mededeeling, dat zich in den toren geen installatie voor draadlooze telegrafie bevindt, volkomen juist bleek.” Het onderzoek, waarover wij hier spreken, had plaats bij aanwezigheid van eenige journalisten. Waren wij hierbij eveneens uitgenoodigd geworden, wij hadden volgaarne onze nu volgende excuses met illustratieve „bewijzen” gestaafd. Onze verontschuldiging zij zoo breed mogelijk. Wij betreuren het dat iemand door een opname in ons blad, volkomen vertrouwbaar schijnende berichtgevers van den juisten weg afgebracht kan worden, past ons een groote dosis vergevensgezindheid, welke in het „tout savoir c'est tout pardonner”, haar versterking vindt. Maar in één belangrijk punt zijn wij het met onzen collega niet eens, en wel in de principieele kwestie. De Heer C. J. S. steekt den draak met. de ziekte Betonitis, welke hij op onderstaande, zeker grappige wijze omschrijft. „Betonitis. Een ziekte, in Engeland ontstaan tijdens „den oorlog van 1914 en vandaar naar het vasteland „overgebracht. Openbaart zich hierin, dat de patiënt het „waandenkbeeld krijgt, dat Duitschers op verschillende „plaatsen betonvloeren hebben laten maken om er kanonnen van zwaar kaliber op te kunnen stellen. De lijder „aan deze ziekte denkt bijv. dat gewone vloeren in villa’s „en tennisbanen met dit doel zijn aangelegd. De waanWij zijn dit niet. Collega C. J. S. kunnen wij de verzekering geven, dat wij allerminst lijden aan nerveuse overprikkeling, dat wij van gemoed en karakter eerder opgewekt en optimistisch, als kwaaddenkend of pessimistisch zijn. Doch de ervaring, waarvan wij in andere landen hoorden niet alleen, doch waarvan wij de zekere bewijzen kregen (bewijzen, waarvan „Het Handelsblad” in zijn kolommen zeker ook wel melding maakte) hebben ons de overtuiging bijgebracht. dat voorzichtigheid, zelfs zeer groote voorzichtigheid en nauwlettendheid de plicht niet alleen van de Overheid, maar ook van elk burger van onzen Staat is. Laten wij toch vooral niet in een mooi lijkende naïveteit elkaar trachten wijs te maken dat in ons land niet gespionneerd wordt. Laten wij toch niet gelooven dat er van alle kanten in ons land nu juist niet hetzelfde spelletje wordt gespeeld, dat elders voor de bewoners van zulk een land zoo noodlottig bleek. En laten wij dus op onze hoede zijn en blijven. Dat kan voor onschuldig verdachten onaangenaam worden. Wij moeten daartegen zooveel mogelijk trachten te waken. Maar er zit toch ook een groote waarheid in het antwoord, dat een Duitsch officier aan een onzer landgenooten gaf, die volkomen onschuldig in een Duitschen kerker (in Wessel) opgesloten werd, om een misverstand, een naamverwarring, niets anders: „Ziet u, er wordt gespionneerd, en wij moeten dit in ’s Staats belang tegengaan. Nu is het beter dat er honderd onschuldige slachtoffers zijn, dan dat er één schuldige den dans ontspringt!
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1231 tot 1235 van 11897