|
EEN DAPPER
MEISJE
aar vader, luister nu
toch. Wilt u het
geluk van mijn leven
vernietigen ? Ik heb
geen lust om nu al te
trouwen — en nog
wel met een meisje dat ik nimmer
gezien heb.”
„Houd je oproerige tong, jouw
brutale kwajongen. Te moeten beleven
dat mijn eigen zoon mij zou
weerstreven 1”
„U weet niet,” ging de jonge
man woedend voort, „wat u van
mij verlangt. De koning wenscht
dat ik voor hem zal vechten en
u wilt dat 'ik mij verbind aan de
dochter van een vijand, een Roundhead,
en thuis blijf aan haar
zijde.”
„Ja, dat wil ik 1” bulderde de oude Cavalier, terwijl
hij met de vuist op de zware eikenhouten tafel sloeg, dat
het glaswerk rinkelde. „Te jong om te trouwen, maar te
oud om te gehoorzamen. Te jong, welzeker, om mijn wil
te doen en aan zijn vader en hemzelven land en fortuin
te verzekeren, maar oud genoeg om zijn tijd door te brengen
in de taveerne bij wijn en verkeerbord. Dat moet uit wezen,
jongen. Denk je dat ik wil worden tegengewerkt door
mijn eigen zoon ? Beloof mij morgen met mij naar het
meisje te rijden en aan haar vader haar hand te vragen,
of ik ransel je al je bloed uit je corpus.”
„Dat kan me niet schelen,” riep de jongeling uit buiten
zich zelf, terwijl hij de armen over de borst kruiste, „Geesel
me zoo lang je wilt, maar je zult mij niet in een huwelijk
ranselen met een vrouw wier naam ik niet eens ken.”
Dat was te veel voor den ouden fieren Cavalier; onder het
bulderen van scheldwoorden en toespelingen op Absalom
en andere - weerstrevers van den vaderlijken wil, greep hij
zijn zoon bij den kraag.
Een uur later vond Kit Carew zichzelf opgesloten in
een zolderkamertje zittende op een oude kist, waarin zich
verschillende familiekostbaarheden bevonden. Het was
hier dat de oude heer zijn meest waardevolle bezittingen
bewaarde en het was volkomen in de lijn dat hij hierin
zijn zoon opsloot, die voor hem thans zeer bijzondere waarde
had, omdat hij hem wilde bezigen als de schakel die zijn
huis zou verbinden aan wat hij voorzag dat weldra de
winnende partij in den lande wezen zou.
De jonge man wierp zich met zijn volle zwaarte tegen
de deur, een, twee, driemaal en den derden keer gaf het
oude slot, dat steviger leek dan het was, mee, en Kit viel
languit op het portaal.
Vrij !
Hij stond op, begaf zich naar zijn kamer, veranderde
daar van kleeren en het weinige geld dat hij bezat bijeengarende,
sloop hij het huis uit en begaf zich te voet opweg
naar Oxford.
* *
*
Twee maanden later was Kit Carew rijdende van Londen
naar Oxford. Het was hem voor den wind gegaan sedert hij
het ouderlijke huis ontvlucht was. Hij had een plaats gekregen
in een dragonder-regiment en zich bij verschillende
gevechten door dapperheid bijzonder onderscheiden.
En thans was hem de vereerende opdracht gegeven bij
de Royalisten te Londen gelden te verzamelen, ten einde
de uitgeputte schatkist van den koning weer te vullen.
Carew was bijzonder trotsch op zijn waardigheid als
konings vertegenwoordiger en ongelukkigerwijs overstelpt
door het gewicht van zijn verantwoordelijkheid. Hij had
ruim tweehonderdduizend gulden in goud bij zich.
Den nacht voor hij Londen verliet, had hij overnacht in
het groote ledikant van de logeerkamer eener taveerne, met
de zakken vol goud rond zijn lichaam
gebonden, gelijk een oude gierigaard.
De heirweg van Londen naar Oxford
was zoo bewaakt door de Parlementstroepen,
dat Carew het
verstandig oordeelde een anderen
weg te kiezen over Croydon en
Dr. L. S. ORNSTEIN,
benoemd tot Hoogleeraar in de Wisen
Natuurkunde aan de Universiteit
te Utrecht. (foto Blote)
De 26 deelnemers
De foto steltvoor:
Baby-Show in ’t paviljoen „De Vrouw” op de Koloniale Tentoonstelling te Semarang. —
waren in 2 groepen verdeeld: Baby’s tot 8 maanden en kindertjes van 8 tot 18 maanden
de bekroonde baby’s op moeders arm.
Donnington Castle en dan ten noorden van Oxford door
een district dat nog in ’s konings macht was.
Hij maakte den eersten dag een langen rit en was tegen
het vallen van den avond in de nabijheid van Basingstoke.
De Augustus-avond was heet en drukkend en nu rommelde
de donder in de verte, terwijl het landschap af en toe verlicht
werd door een bliksemstraal. Carew staarde droomend
in de verte en vergat een wijle den schat dien hij bij zich
droeg, toen hij bij een kromming van den weg een troep
ruiters in draf zag naderen. Zijn hart klopte hem in de
keel, de oranjekleurige sjerpen waren in het halfduister goed
merkbaar : het waren Parlementstroepen.
De schrik overmeesterde den armen Kit, hij beantwoordde
het geroep van den aanvoerder der troep met een pistoolschot
en zijn paard wendende, galoppeerde hij terug.
De Roundheads reden hem in vliegende vaart achterna
en hun onvermoeide paarden begonnen spoedig op het
paard van Carew, dat een dagreis gemaakt had, te winnen.
Plotseling klonk een schot: Kit’s paard viel ter aarde !
Hij maakte zich snel vrij uit het zadel en vluchtte in het
struikgewas dat zich langs den weg uitstrekte. Met groote
moeite baande hij zich een weg door de struiken tot
hij eindelijk in een weide kwam. Hier bleef hij staan, hij
hoorde zijn vervolgers achter hem roepen en takken afkraken,
doch geen van hen scheen de plek te naderen waar
Kit zich bevond.
Recht voor hem verhief zich de donkere massa van een
groot gebouw met een bosch er achter. Hij rende het veld
dwars over en op het landhuis toe, terwijl de bliksemstralen
somtijds den omtrek verlichtten. Achter hem klonk nu duidelijk
paardenhoefslag en het geschreeuw van zijn vervolgers.
Ademloos en geheel verhit, vermoeid door het gewicht van
al het goud dat hij bij zich droeg, rende hij op het huis aan.
Eindelijk had hij de achterzijde der woning bereikt. Hij
zag nergens eenig teeken van leven, doch langs den muur
waar hij tegen leunde groeide een groote wisteria en tusschen
de takken van dezen schoonen bloemstruik bemerkte hij
een halfverborgen venster. Hij klauterde als een kat tegen
de klimplant op en werkte zich door het venster heen.
Op dat oogenblik schitterde weer een bliksemstraal,
die de geheele omgeving en ook de kamer verlichtte, waar
Kit was binnengeklommen. Daarna was het weer duister.
Kit bleef verschrikt staan. Hij had bij het weerlicht gezien
dat hij zich bevond in een kleine slaapkamer met zware
eikenhouten meubelen, benevens een ledikant met witte
gordijnen, gedeeltelijk opengeschoven en in dat ledikant
zag hij het gelaat van een jong schoon meisje, dat hem
verbaasd aanstaarde.
Wat het meisje zag, was een jonge man, knielende in het
midden der kamer. Het gelaat van den jongen man, omlijst
door lang donker krullend haar, was knap, maar zeer bleek
en verschrikt.
„Om Gods wil, verraad mij niet 1” fluisterde hij met
Mej. J. Lugt houdt in (Paviljoen „De Vrouw op de Koloniale Tentoonstelling te Semarang
cursussen en demonstraties op ’t gebied van fröbelen en handenarbeid (vouw- en knipcursus),
kook- en huishoudonderwijs.
een stem, waaruit intense angst
haar tegenklonk. „Verberg mij.
Laat me mijzelven hier verbergen.
Ik word achtervolgd door soldaten.
Ik heb dépêches en geld
voor den koning bij mij en ik mag
niet vallen in de handen van die
mannen.”
Kits angstige bede en deemoedige
houding zouden zelfs invloed hebben
gehad op een minder gevoelig
en sympathiek hart dan dat van
het Puriteinsche meisje.
„Blijf hier een oogenblik,” zei
ze, terwijl ze discreet de bedgordijnen
dichtschoof. Er was een
oogenblik stilte. Kit lag daar onbeweeglijk
in knielende houding,
luisterende naar het gedraaf der
zoekende soldaten in den tuin,
de beweging beneden in huis en
het geritsel achter de bedgordijnen.
Na een paar -minuten kwam het
jonge meisje te voorschijn, gekleed
in een lange grijze ochtendjapon.
Ze schoof de gordijnen voor het
raam en stak een candelaber aan.
„Er is slechts een plaats waar ik u zou kunnen verbergen,”
zei ze zacht, „hier, deze kast, waarin mijn kleederen hangen.
Kijk, ze loopt diep in om dezen hoek. Ik denk niet dat ze u
hier zullen zoeken, doch u moet zeer stil zijn, want ik vrees
dat het de troep van mijn broeder is, die u zoekt. Ik hoor
zijn stem beneden aan de trap. Sst! Er komt iemand I”
Ze sloot de deur van de kast dicht en sloop op haar
teenen weer naar bed terug.
Kit had nauwelijks zijn tegenwoordigheid van geest
teruggekregen, toen er voetstappen klonken op het portaal
naast de kamer.
„Ben je nog op, Charity ?” vroeg een mansstem.
Toen werd de deur geopend en voorzoover Kit kon beoordeelen,
traden twee mannen de kamer binnen.
„Wat voer je uit, meisje?” klonk het weer en het leek
Kit wel de stem van een oud man. „Waarom ben je gekleed
en brandt je kandelaar? mij dunkt duisternis is het beste
voor hoofdpijn.”
„Ik kon niet slapen, vader,” antwoordde het meisje,
„vanwege het onweer. Ik had juist de kaars aangestoken.
Ik .... ik wilde .... ik was van plan wat te gaan lezen,
om mijn vrees te verdrijven.”
„Dochter Charity,” hernam de oude Puritein op strengen
toon, „we zoeken naar een vijand, die zich hier ergens verborgen
heeft. Heb je van dien man iets gezien of gehoord ?”
„Ik hoorde de soldaten in den tuin, vader 1”
„Zij moet geslapen hebben,” zei nu de ander man. „Of
de man heeft zich in de kamer vergist. De oude Duncombe,
die het huis net zoo goed kent als u, zweert dat hij den kerel
hier de kamer van mijn zuster zag binnenklimmen.”
„Ja, ja, ’t was een knappe jonge snuiter en nu heeft de
juffrouw natuurlijk medelijden met hem gekregen. Zoo
zal de geschiedenis wel wezen, denk ik”, zei de oude heer
en hij lachte zoo grimmig, dat de luisterende Kit zijn vuisten
balde van machtelooze woede.
„Maar als hij hier is,” ging de vader voort, „dan zullen
we hem spoedig vinden. Doorzoek de kamer, Godfrey 1”
„Terwijl je hier je tijd vermorst, kan de man ontsnappen,
broeder,” riep het jonge meisje in wanhoop uit. „Laat Godfrey
heengaan en ik zal u alles vertellen 1”
„Neen, hij blijft,” gebood de oude heer. „Spreek, meisje!
Hij is je broeder en heeft het recht van deze zaak kennis
te nemen.”
„Welnu, ik was het, die men het venster zag binnenklimmen.”
Een angstige stilte volgde op deze vreeselijke bekentenis.
„En met wien had je een samenkomst, deern ?” bulderde
de oude vader razend van woede en verdriet.
Er kwam geen antwoord.
„Laat ons heengaan, voordat ik mij aan haar vergeet I
Gave God dat ze nooit geboren was !” Kit hoorde een smeekende,
onvaste stem en toen voetstappen, die zich naar de
deur begaven. Toen drong het tot
zijn bewustzijn door, dat er nog iets
vreeselijkers is dan de dood, namelijk
te leven als een eerloozen lafaard,
te leven met het bewustzijn den
dood ontkomen te zijn, ten koste van
de eer van een dapper meisje.
Dezer dagen is in den ouderdom van
68 jaar overleden Jhr. Rudolph van
Hoogenhouck Tulleken, oud-Kolonel
der Artillerie v. h. Ned.-Ind. Leger.
|