|
HET VLUCHTELINGENKAMP TE NUNSPEET
OVERZICHT VAN HET KAMP MET DE GROOTE REEKS BARAKKEN.
ederland heeft in de eerste opwelling van
welbegrepen en wel te begrijpen medegevoel
zijn grenzen opengesteld voor de duizenden
en nog eens duizenden, die vanuit ’t Zuiden
vluchtend, bij ons wilden binnenkomen.
Wij behoeven niet in herhaling te vallen
en' geven dus geen relaas van al datgene, wat in groote
en in kleine steden, door autoriteiten en door particulieren
gedaan werd om helpend tegemoet te treden. Het was te
begrijpen, dat; nu deze eerste opwelling voorbij is, het
vraagstuk zelf ook in een andere phase getreden is.
Uit den aard zijn vele der uitgewekenen weer naar hun
land teruggegaan, doch het schijnt niet mogelijk ze allen
daar heen te vervoeren.
En nu hebben de particulieren en de autoriteiten uit
te zien naar een middel, dat als oplossing gelden kan,
en dat van meer blijvenden aard is.
Wij hebben als poging daartoe het vluchtelingenkamp
te Nunspeet te noemen.
Er is over dat kamp heel wat te doen geweest. En nog.
Een scherpe eritiek heeft haar oordeel gezegd en ook
van de daar ondergebrachten zijn klachten gehoord.
Voor welk een taak men bij de inrichting van een dergelijke
reusachtige menschenverzamelplaats en -onderdak
kwam te staan, kan een eenvoudig courantenberichtje,
willekeurig uit een der ochtendbladen geknipt, een denkbeeld
geven.
Het heeft als opschrift ,,Belgische Vluchtelingen” en
vertelt:
„Naar Londen zijn gisteren van hier vijf vluchtelingen
vertrokken. Heden gaan er per extra-trein 35 naar Antwerpen.
In de afgeloopen week zijn vertrokken ; naar Antwerpen
654; naar het binnenland, om bij familie hun intrek te
nemen 27; naar Londen op diverse data 485; totaal
1166 personen.
Naar het kamp te Nunspeet zijn de afgeloopen week
vertrokken 2058 vluchtelingen; behalve dezen vertrokken
er de afgeloopen week uit de loodsen nog 533, waarbij
in aanmerking genomen moet worden, dat op 2, 3 en 4
dezer geen extra-trein naar Antwerpen geloopen heeft.”
2058 Vluchtelingen . ..
Realiseert men zich even dit aantal en het zal klaar
en duidelijk worden, dat het geen kleinigheid is om deze
allen goed te verzorgen.
Doch ondanks deze groote moeielijkheid, mag er geen
verslapping intreden. Nederland is het aan zichzelf en
aan de menschelijkheid verplicht, zijn uiterste best te
doen om den onschuldigen slachtoffers van den oorlog
2oo goed mogelijk hulp te verleenen.
in dezen vreeselijken worstelstrijd blijft geen enkel
van ons zonder nadeel. En het bewustzijn, dat het toch
maar weinig had behoeven te schelen of ons was
een zelfde lot beschoren geweest, moet ons des
te krachtiger doen steunen.
Niet half, maar goed.
Dat zij ook hierbij het devies.
HUISRAAD EN BEDDEGOED VOOR HET KAMP BESTEMD.
Maar. . . men overdrijve vooral ook niet naar de
andere zijde.
Men stelle het niet voor, zooals van sommige zijden
gedaan is in een eritiek, welke uit den aard alléén ontstond
uit het drijven van het goede hart, alsof Holland
niet genoeg doet
Wij zelf hebben door de oorlogscrisis zware zorgen.
Aan de draagkracht van onze natie worden groote eischen
gesteld. Wij moeten niet voor één zaak alléén ^helpen,
zooveel andere kwesties vragen onze aandacht.
En dit. wij herhalen het, mag niet vergeten worden.
De hulp, welke men den Belgen geven moet, zij onbeNAAR
HET KAMP.
Verplaatsing van huisraad en beddegoed in karren.
krompen. Wij hebben er alle interesse bij om een gezonde
en krachtig opbloeiende bevolking naast onze grenzen als
goede buren te houden.
Doch wij hebben er nog grooter interesse bij dat ons
eigen volk zoo sterk en zoo krachtig mogelijk gesteund
wordt.
In verschillende bladen kwamen klachten voor, waaruit
bleek, dat het steunen der Belgische vluchtelingen ten
koste van eigen menschen ging.
Uit medelijden stelde men Belgen aan het werk en
hield de deur voor eigen landslieden gesloten.
Men kocht van Belgen en zond eigen kooplieden van
de deur weg.
Daardoor bereikt men juist het tegenovergestelde van
wat men wil bereiken. Men houdt de menschen onnoodig
hier vast, terwijl het in hun eigen belang en in dat van
hun vaderland is, dat zij zich zoo spoedig mogelijk weer
in de oude omgeving een werkkring zoeken.
Ook geve men er vooral acht op, dat men door al te
groote toegevendheid ook niet een ongepaste lafheid in
de hand werkt. Zelfs als wij ons
nog zoo neutraal
voelen en gedragen,
mogen wij erkennen en er rekening mee houden, dat in
een klein deel van België nog een dapper leger strijdt,
dat versterking van flinke, gezonde menschen velen kan
en waarvoor het noodig is, dat geen krachten onnut
werkeloos blijven.
Wij spreken hier opzettelijk niet van de helaas wel
eens voorgekomen onaangenaamheden van de zijde dier
vluchtelingen, wier gehalte en karakter niet zoo buitengemeen
hoog bleek te staan.
Zulk een uitschot treft men overal aan en de massa
rnag, noch kan er aansprakelijk voor worden gesteld.
Doch ook een indirecte overlast, door ongezonde voortrekking,
moet men uit den weg gaan.
Bij ons artikel geven wij enkele foto’s uit het kamp
te Nunspeet.
Men weet dat dit plaatsje in een gezonde streek ligt,
tamelijk ver van hei gedruisch der groote steden, dus niet
hinderlijk en dichtbij genoeg om vervoer en verplaatsing
mogelijk te maken.
In lange rijen staan de tijdelijke woningen daar en doen
onwillekeurig aan een tentoonstellingsterrein in wording
denken. Hier wordt de ellende van den oorlog tentoongesteld,
zoo zou men kunnen zeggen, als men de vele
menschen ziet, die door het krijgsgeweld genoodzaakt
werden er een tijdelijk onderdak te zoeken.
Wanneer men op de foto’s het groot aantal mannen
ziet, die hier aanwezig zijn, en men wel overweegt dat het
hier geen interneeringskamp van militairen, doch een
verblijfplaats van vrije menschen op neutralen bodem
geldt, dan begrijpt men hoe bovenstaande ontboezeming
onwillekeurig aan onze pen ontglipte.
Dat de bewcners(sters) zich niet allen erg op hun gemak
voelen in het kamp te Nunspeet. blijkt uit onderstaand
fragment van een brief eener vluchtelinge in de Telegraaf
opgenomen:
„Met dezen laten wij u weten, dat we hier allen goed
aangekomen zijn. Doch het verblijf alhier is een hel
voor mij; reeds denzelfden dag werd ik onwel door den
erbarmelijken toestand, waarin wij hier verkeeren. Alle
menschen verwenschen dit kamp. Het is er om gek te
worden en niet om uit te houden. In de loodsen kon
het er nog al door. maar hier, neen! dat kan ik niet
uithouden. Ik wil naar Antwerpen terug, doch ik kan
hier geen papieren krijgen, we zijn hier opgesloten als in
een gevangenis en mogen niet buiten de pinnekensdraad.
die bewaakt wordt door soldaten. Medegedeeld werd, dat
als men papieren heeft, men kon vertrekken naar Antwerpen
en wij daarvoor naar den consul moeten schrijven,
om deze te verkrijgen.”
Wanneer dat alles waar zou zijn, dan was het wel
heel treurig.
Doch men vergete bij de beoordeeling niet, dat onze
zuidelijke naburen vlugbloederiger zijn dan wij, en hun
klachten zich daarnaar uiten.
|