Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1221 tot 1225 van 11897
Nummer
1914, nr.24, 11 dec. 1914
Blad
12
Tekst
NAAR EN IN ’T BEZETTE BELGENLAND NIEUWE DUITSCHE TROEPEN, die vergezeld van vrienden en verwanten door de straten van Berlijn trekken, om naar het Westelijke front te worden getransporteerd. Vol opgewektheid gaan deze jonge menschen weg, enkelen met bloemen op de helmen. JAN DE VOS, de burgemeester van Antwerpen. EEN BELGISCH SOLDAAT door twee Duitschers gepakt en opgebracht. FREIHERR VON BODEh|HAUSEN, de Commandant van Antwerpen verlaat in een auto zijn bureau. HOE DE TELEGRAAF WEER HERSTELD WORDT. Duitsche militaire monteurs herstellen de telegraaflijnen, welke Antwerpen met de gevechtslinie verbinden. DUITSCHE MAGEN EN BELGISCHE KOST. De te Gent vertoevende marine-soldaten schijnen met grooten smaak van de Belgische oliebollen te snoepen.
PDF
Nummer
1914, nr.24, 11 dec. 1914
Blad
13
Tekst
VANUIT DEN MEEST BEDREIGDEN HOEK IN DE DUINEN BIJ NIEUWPOORT. Belgische Cavalerie, die een verkenningstocht in de duinen bij Nieuwpoort maken. Ondanks alle berichten, welke van totale uitputting der Belgische troepen spreken, blijkt uit het fotomateriaal, dat ons vanuit West-Vlaanderen bereikt, telkens weer. hoe het kleine doch dappere overblijfsel van de Belgische weerkracht den moed, noch de geschiktheid voor den strijd verliest. EEN SIGARET UIT VRIENDENHAND. Niets wordt als versnapering te velde meer gewaardeerd, dan een sigaar of sigaret. Verpleegsters, die hun liefderijk werk in de vechtlinies verrichten, weten zulks en zorgen dat in hun wijde zakken de doos met sigaretten niet ontbreekt. Hoe vreeselijk blijkt uit deze foto tevens de . teistering van de geheele gevechtsstreek. Een geruïneerd land. DE KAST ZONDER INHOUD. Een Belgisch soldaat bekijkt met begrijpelijke interesse een brandkast, welke vernield langs den weg ligt. Is het bericht, dat wij hierbij ontvingen juist dan zou deze safe eens aan het Station te Pervyse behoord hebben en door Duitsche troepen bij hun bezetting onderhanden genomen zijn. HET WERK VOOR DEN VIJAND MOEILIJK GEMAAKT. Belgische soldaten breken het station te Pervyse af, om er voor te zorgen, dat bij een mogelijke herneming door de Duitschers, dit gebouw niet weer als dekking kan worden gebruikt. DE BELGISCHE ARTILLERIE IN NIEUWPOORT. Dapper blijft het overschot van het Belgische leger, nu weer versterkt met de nieuwe lichting, het laatste stukje van België verdedigen.
PDF
Nummer
1914, nr.24, 11 dec. 1914
Blad
14
Tekst
ZE WIST WEL BETER! is het liefste meisje van de wereld,” verklaarde Albert van Heiningen enthousiast, „en als ze mijn huwelijksaanzoek aanneemt, dan doet ze ’t om mijzelven. Ze geeft evenveel om rang of stand, als... als jij om een vrouw. Vergeef me de vergelijking !” Zijn vriend Karei Verheull, tot wien deze woorden gericht waren, glimlachte sceptisch. „Je hebt ’t leelijk te pakken, amice, als je zóó aan het doorslaan bent,” begon hij. „Wel, er is nauwelijks één huwbare jongedochter in Utrecht, die zich terwille van je fortuin en je positie niet in jouw armen zou werpen als je haar ten huwelijk vroegt, al was je zoo leelijk als de zonde en zoo oud als Methusalem.” Nu dient gezegd, dat van Heiningen noch aan het een noch aan het andere beantwoordde, maar een flinke jongeman van vijf en twintig jaren was. Daarom bezat hij ook niet de bezadigdheid van een man als Methusalem en kon hij niet nalaten, dit onderwerp verder voort te zetten. „Dat is zeker niet het geval met Willy Kroon,” antwoordde hij op verontwaardigden toon, „zij zal zich zeker niet, zooals jij ’t vulgair geliefd uit te drukken, in de armen van eenig man werpen.” „Ze is, vergis ik mij niet, de dochter van den burgemeester van Loenen. Haar vader was vroeger heereboer,” merkte Verheull sarcastisch op. „Het zou een groote verzoeking wezen voor een meisje als zij, een aanzoek te ontvangen van baron van Heiningen.” „Jij bent een cynisch beest.” hernam de ander woedend, „en ik begrijp eigenlijk niet waarom ik zoo dwaas ben om jou zulke vertrouwelijke mededeelingen te doen.” Karei glimlachte. „Zeg is je dat nu werkelijk ernst?” vroeg hij. „Je hebt het meisje pas een paar maal gezien, zeg je zelf.” „Ja, tijdens de manoeuvres bij een officieele voorstelling. Haar vader was daar tegenwoordig als burgervader van Loenen.” „En hij weet niet wie je bent?” „Niet anders dan dat ik familie van hem ben van Adamswege. Hij lijkt me een verwaande kerel.” „Dat is hij ! Ik veronderstel dat zijn dochter je wel kent.” „Dat geloof ik niet,” zei Albert aarzelend. „Je weet hoe vluchtig dergelijke voorstellingen zijn.” Zijn vriend knikte en dacht eens over de zaak na. „Ik geloof dat dit de beste oplossing is,” zei hij eindelijk. „Dat maakt de zaak veel eenvoudiger .... Als je er ten minste bij blijft om de jonge dame door persoonlijke verdiensten te winnen.” „Natuurlijk, dat heb ik je toch al duidelijk genoeg gezegd.” „Juist,” beaamde de ander droogjes. „En het geduld, waarmee ik naar die kranKzinnige ontboezemingen heb zitten luisteren, zou je zelfs bij Job niet gevonden hebben. Welnu,” ging hij voort, „het eenvoudigste is dat je naar Loenen gaat als iemand anders dan de rijke luitenant Baron van Heiningen, bijv. als een eenvoudig mannetje, en ik wed een lapje van honderd tegen jou een tientje dat ze je niet hebben wil I” „Accoord I” riep de ander uit. „Als ze van mij houdt, wil ze me ook hebben al zag ik er uit als een landlooper 1” „Welnu, dat is gemakkelijk klaar te spelen,” suggereerde Verheull. „Je doet het oudste, meest afgedragen burgerpakje aan, dat je heb, pakt eenige allernoodigste dingen in een city-bag en hoogstens vijf en twintig gulden in je zak, vertrekt naar Loenen, en verblijft daar tot je haar antwoord hebt.” „In orde,” antwoordde van Heiningen, „ik neem de weddenschap op deze voorwaarden aan.” Hoewel hij in het vuur van het gesprek zich door zijn HET STRAATSBURG-MONUMENT TE PARIJS, is gedurende dezen oorlog van guirlandes en vlaggen voorzien. verontwaardiging had laten verleiden op het voorstel van zijn vriend in te gaan, had Albert van Heiningen nu het op handelen aankwam toch wel wat het land. Hij kreeg bepaaH medelijden met zichzelf, toen hij in een schunnig pakje gestoken met zijn city-bag aan de hand zich naar den trein begaf, die hem naar het schoone dorpje aan de Vecht moest voeren. Zijn oppasser had gemeesmuild over het versleten ongemerkte linnengoed, dat zijn meester hem gelast had in het handkoffertje te pakken. In den trein opnieuw een onaangename gewaarwording. Om geheel in zijn rol te blijven had hij het lste-klasse-compartiment voor een 3de klasse verwisseld. En nu trof hij het bijzonder dat hij zich in een vuile coupé moest werken, die reeds opgepakt met menschen zat, en waar hij terecht kwam tusschen een veeboer en een vischvrouw, die beiden in de nauwe ruimte een geur verspreidden, slechts gedeeltelijk geëlimineerd door een dikken walm van onvervalschte Amersfoortsche tabak. Eindelijk kwam hij aan de plaats van bestemming en stond een oogenblik in beraad. Gewoon alles te voren gereed te vinden, wist hij niet naar welk hotel hij zich begeven zou. Daar zag hij een omnibus waarop met vergulde letters geschilderd stond : „Hotel 1’Espérance.” Het schoot hem te binnen, dat hij daar al eens gegeten had, en er niet aan denkende, dat zijn beurs noch de rol die hij speelde, hem veroorloofde logies in een le rangs-hotel te nemen, stapte hij in den omnibus. De koetsier keek hem eenigszins wantrouwend aan. „Moet u naar het hotel, meneer?” vroeg hij een beetje ongeloovig. „Ja-a !” antwoordde van Heiningen, zichzelf betrappende op zijn aarzelende onzekere houding. „Ik ... . ik blijf maar eenige dagen.” De man sloeg een verachtelijken blik op het kleine handkoffertje, dat blijkbaar niet bijzonder zwaar was, knipoogde tegen een gezetten burgerman, die in de nabijheid stond, beklom toen langzaam den wagen en voort ging het op een sukkeldrafje naar het hotel. Aan het pompeuze hotel gekomen, verwenschte van Heiningen zichzelve over zijn Don Quichoterie en verlangde in stilte dat die dwaze onderneming al ten einde was. Zijn stemming werd er niet beter op, toen de chasseur zijn „koffer” zeer ostentatief aan zijn pink voorbij de portiersloge droeg en de goudgegalonneerde, deftige portier hem met een kennersblik van het hoofd tot de voeten opnam. „Een kamer? Hm ! Eens kijken 1 Er is nog maar weinig plaats. Kamer 77, vier hoog zou u nog kunnen krijgen, da’a te zeggen, hm, het is de gewoonte hier in ’t hotel, dat onbekende reizigers met weinig bagage een deposito storten !” Van Heiningen beefde van machtelooze woede. Hij wilde opstuiven, doch bedacht nog te rechter tijd, dat zijn heele rijkdom uit een bankbiljet van vijfentwintig gulden bestond. Nederig haalde hij dit voor den dag en vroeg : „Is dit voldoende?” „Ja,” bromde de portier. „Mag ik uw naam weten ?” Daar had van Heiningen niet aan gedacht en hij aarzelde. „Smit 1” zei hij eindelijk na een lange rustpoos, waarin de portier hem achterdochtig gadesloeg, „Jan Smit!” De portier schreef den naam in, gaf hem een quitantie van zijn deposito en tevens den sleutel van kamer 77 en van Heiningen werd door den lift-boy naar zijn kamer gevoerd. Eenmaal daar kwam het hem opeens in de gedachte, dat hij geen cent meer op zak had. Hij was nu evenwel te ver gegaan om terug te treden, bovendien kreeg hij langzamerhand schik in het geval. Hij begaf zich dus met een luchtig hart naar de restauratiezaal om te dineeren, maar besloot toch onderwijl de zaak met Willy Kroon zoo spoedig mogelijk tot een einde, liefst tot een goed einde te brengen. Onmiddellijk na den maaltijd ging hij dan ook op weg naar de woning van zijn aangebedene. Hij wist wel niet waar ze woonde, doch dat was geen bezwaar. Den eersten den besten loopjongen vroeg hij waar de burgemeester woonde. „Villa Agnes,” antwoordde de jongen en toen op een ratelenden toon: „Je loopt hier rechtuit, dan de tweede straat rechts tot je aan een brug komt, die laat je links liggen. Dan de Dorpsstraat af tot aan het park en daar de derde laan. De naam staat op het hek.” Van Heiningen volgde de nogal gecompliceerde aanwijzing en stond na eenig zoeken en nog eens vragen eindelijk voor het hek van „Villa Agnes.” In een sierlijk aangelegden tuin op eenigen afstand van den weg lag een fraaie villa. Van Heiningen aarzelde een oogenblik, toen trad hij den tuin binnen juist op het oogenblik dat er een jonge dame uit een der zijpaden kwam aanwandelen. Hij trad op haar toe, nam den hoed af en vroeg : „Kunt u mij ook zeggen of . . . .” „Mijnheer....?” viel de jonge dame hem verrast in de reden. Toen hield ze eensklaps op. „Van Heiningen,” antwoordde hij. „Mijnheer van Heiningen !” hernam ze. hem nieuwsgierig en eenigszins verwonderd aanstarende. „Het zal u misschien verwonderen,” begon van Heiningen weer, „dat u mij hier zoo onverwachts verschijnen ziet, maar ik ben hier gekomen .... om .... hoe zal ik het zeggen .... Ik verlangde u te zien 1” Hij had haar hand gevat, doch zij trok die snel terug. „Het gaat bij u wel gauw,” zei ze lachende. „We hebben elkander pas tweemaal gezien. Ik ken nauwelijks uw naam en weet niets omtrent u.” Al was de ontvangst heel anders, dan de vurige minnaar zich had voorgesteld, hij liet zich door den eersten tegenstand niet afschrikken. „Wat hindert dat,” ging hij voort. „Ik kreeg je reeds lief, Willy, op het eerste oogenblik dat ik je zag. Zeg, dat je mij ook liefhebt, meer is er niet noodig, dan dat je belooft mijn vrouw te worden.” In tegenstelling met menig ander meisje bleef de jonge dame bij dit onverwachte huwelijksaanzoek bijzonder kalm. „Er zijn toch nog eenige conventioneele gebruiken, waarmede men rekening houden moet, mijnheer van Heiningen,” antwoordde ze droog, „ik zou er daarom de voorkeur aan geven tot morgen te wachten. Veronderstel, dat u dan komt!” „Dus mag ik hopen ?” vroeg hij gretig. „Ga je gang !” riep ze lachende, hem een ondeugenden blik toewerpende, doch toen hij haar in zijn armen nemen wilde, ontsnapte ze aan zijn greep en was eensklaps verdwenen, even geheimzinnig als ze verschenen was. Van Heiningen*s aanzoek had wel meer succes gehad, dan hij bij het begin der ontmoeting had durven hopen, doch dat rechtvaardigde toch niet. dat hij des avonds DE LÉIDSCHE VRIJWILLIGE BRANDWEER. Bovenstaande foto werd genomen naar aanleiding van het feit, dat aan den Heer Jac. Zitman. Opperbrandmeester aan de Stoomspuiten N. 1 en 11. eervol ontslag werd verleend wegens het bereiken van den 5O-jarigen leeftijd. Van links naar rechts: J. Zitman, aftredend Opperbrandmeester: J. J. de Graaff, benoemd Opperbrandmeester, tevens voorzitter van het College der Leidsche Vr. Brandweer. G. Snel. Brandm : J. Verhoog, Brandm.; J. P. A. Kleef. Adj.-Brandm. Achter op de Groote Stoomspuit de Machinist J. Jongedïjk. Op de kleine D. v. d. Blom. \HOE ONZE GRENSWACHT ER IN DE WINTERKLEEDINC UITZIET
PDF
Nummer
1914, nr.24, 11 dec. 1914
Blad
15
Tekst
om tien uur nog om de woning zijner Dulcinea rondsloop, om zijn verliefd hart te verzadigen door een steelschen blik te werpen door een der ramen van een vertrek, waar Willy vertoefde, wachtende op de thuiskomst van haar vader. „Ah, jou bandiet,” klonk hem op eens in de ooren en zich omkeerende, zag hij zich tegenover zijn aanstaanden schoonvader, die hem woedend toesnauwde : „Jou vagebond, nou heb ik je !” Dat was waar, want hij vloog‘op den verbaasden minnaar aan en greep hem bij zijn schouders met zulk een kracht, dat deze hierop niet verdacht achterover viel zijn aanvaller met zich meesleurende. Deze, zijn slachtoffer stevig vasthoudende, begon nu luid om hulp te roepen. „Wacht, mijnheer, ’k zal u wel van hem verlossen,” zei een dikke burgerman, dezelfde tegen wien de postiljon van den omnibus aan het station geknipoogd had, terwijl hij van achter een boschje te voorschijn kwam. „Ik heb reden te gelooven, edelachtbare, dat we hier te doen hebben met een gevaarlijken inbreker, een zoogenaamden Jansen, alias Boedels, alias Smit. Ik heb hem nagegaan van af het oogenblik dat hij om halfzes uit den trein stapte en met den omnibus van het hotel 1’Espérance wegreed. Ik heb eenige mannetjes meegebracht om hem in bewaring te nemen. U behoeft de huisgenooten niet te verontrusten.” „Lieve hemel !” riep de verbaasde burgervader uit, toen in een oogwenk onze gevangene een paar handboeien om de polsen had en uit de duisternis eenige stevige politiemannen te voorschijn traden. „Lieve Hemel 1 Dat was A. J. VAN DIEREN BIJVOET. Te Utrecht is, op 50-iarigen leeftijd, na een kortstondige ongesteldheid, overleden de heer A. J. van Dieren Bijvoet, wethouder. De overledene was sedert 1895 lid van den Raad en sedert 1907 wethouder. VLIEGEN. Zooals de'bladen berichtten hebben twee ondernemende leden van de Haagsche Proefvliegtuigen-Club — profiteerende van de omstandigheden zich in België een oude vliegmachine aangeschaft waarmede zij thans, zonder leermeester, op een weiland achter den Bezuidenhout te ’s-Gravenhage de vliegkunst trachten meester te worden. Wij geven hierboven de foto van hét tweetal met hun eendekker. Links naast de schroef de heer J. Carley, rechts de heer C. van Dijk. (foto Koneynenberg). die in het salon in een vroolijk gesprek was met den heer Kroon en diens dochter. „Een ongunstig uitziende kerel,” zei Verheull toen van Heiningen binnentrad en keek hem door zijn monocle onderzoekend en vernederend aan. „Overigens een vermakelijke geschiedenis die u mij daar verteld heeft, heer burgemeester. Hoe durft zoo’n kerel de brutaliteit zoo ver te drijven 1 Jammer,” ging de schijnheilige vriend voort, „dat van Heiningen niet hier is. Ik zou u aanraden, laten we dien landlooper hier zoolang opsluiten tot mijn vriend terugkomt!” Te verbaasd om iets te zeggen werd de baron door de beide agenten in een hut naast het salon opgesloten en hoorde hij daar met verbeten woede, hoe Verheull zich tegenover de gasten aangenaam maakte. Weldra trok echter een ander geluid zijn aandacht. Hij hoorde den motor aanzetten, en dadelijk daarop een zachte deining, waaruit hij begreep dat de boot in beweging was. Tegelijkertijd vernam hij de stem van den heer Kroon, die in luide woordenwisseling scheen. Dadelijk daarop werd de deur der hut opengedaan en trad Verheull binnen. „Wel, ouwe jongen,” riep hij lachend uit, „je bent een uitstekende aanwinst voor de crimineele wereld. Je bezit er alle eigenschappen voor, en speelt je rol prachtig 1” „En wat speel jij voor een verachtelijke rol ?” viel nu de baron woedend uit. „Dat kan wachten,” zei de ander, den eisch om uitlegging van zijn slachtoffer afwerend. „Luister, ik ben met Prof. Dr. FRITZ RAUSENBERGER, de samensteller van de Duitsche 42 Centimeter kanonnen. net bijtijds. Ik betuig u mijn tevredenheid, mijnheer de inspecteur! U wilt hem zeker morgen wel voor laten komen om hem een verhoor af te nemen ?” „Tot uw dienst, edelachtbare 1” antwoordde de inspecteur en Albert van Heiningen zag zich tusschen twee stoere agenten weggevoerd naar het politiebureau, alwaar hij een allerellendigsten nacht doorbracht. Zijn zaak werd er niet beter op, toen hij den volgenden morgen voor den burgemeester gevoerd werd, niet om zijn aanzoek te herhalen, maar om als een misdadiger verhoord te worden. „Het is zooals ik dacht, edelachtbare,” rapporteerde de inspecteur. „Hij heeft in het hotel den naam Smit opgegeven; voorts een bankje van vijf en twintig als deposito gestort Er is echter geen geld verder op hem gevonden en in zijn handkoffertje was niets, dan wat afgedragen goed zonder merkteeken. Hij beantwoordt verder volkomen aan de beschrijving van den inbreker Smit. alias Jansen, in het Politieblad gesignaleerd.” Hij las nu het artikel uit genoemde krant voor, d^t van den inbreker een beschrijving gaf weinig vleiend voor onzen baronet. Deze was echter van meening dat het spelletje nu lang genoeg geduurd had; dat hij zijn woord had gehouden en desnoods nog bever de weddenschap verloor, dan zich langer zulk een behandeling te moeten laten welgevallen. „Onzin !” barstte hij eindelijk woedend los. „Mijn naam is Baron van Heiningen uit Utrecht, kapitein bij de artilTerie. Ik had dus niet het geringste plan om waar ook in te breken.” De beide constabels streken met de breede hand over den mond, om hun dienstgezicht in de plooi te kunnen houden; de inspecteur verborg echter zijn vroolijkheid niet en des burgemeesters gelaat werd rood van woede. „Dat is verregaand onbeschaamd !” riep hij toornig uit. „De „Meta,” de motorboot van den baron, kwam juist van morgen hier in de Vecht aan. Ik zal mij er dadelijk heen begeven.” Het was nu de beurt voor van Heiningen om verbaasd te wezen. Hij had aan zijn vriend Verheull de beschikking gelaten van zijn boot, maar er niet aan gedacht, dat deze ermee naar Loenen zou komen varen. Eigenlijk was het wel zoo goed; Verheull zou het zaakje wel recht zetten. „Je zoudt verstandiger doen als je mij mee liet gaan,” raadde van Heiningen, een onbeschaamdheid waarover de burgemeester opnieuw in woede ontstak. De inspecteur vond het denkbeeld echter niet zoo kwaad en het eind van de bespreking was, dat zijn edelachtbare er in toestemde, de gevangene naar de salonboot van den baron te doen vervoeren. Het was geen aangename wandeling voor den heer van Heiningen, doch de nacht in het cachot had hem lijdzaam gemaakt. Hij had bovendien geen andere Keus en troostte zich ermee, dat niemand in den schunnig gekleeden kerel Baron van Heiningen zou herkennen. Dit scheen ook het geval te zijn met zijn vriend Verheull, DANSAVOND JACOBA VAN DER PAS. Het kleine zaaltje van „Diligentia” had deze week weer eens het voorrecht het speciale publiek te herbergen, dat den dansavonden van Jacoba van der Pas steeds de eer van hare tegenwoordigheid aandoet. ’n Publiek van jeugd en van „le monde artistique,” in toiletten, die van het feest van kleuren en lijnen op het podium in zekeren zin ’n afspiegeling zijn. Maar ook niet meer dan ’n afspiegeling. De fijne harmonie, de weelde de corps et d’&me, het dansen van Jacoba van der Pas en van hare gunsten, zij ’t in andere mate, eigen, dat is de zou zelve. Daar ik binnenkort in ‘n uitvoerig artikel hierop hoop terug te komen, wil ik thans niet meer vermelden, dan dat het concertbureau de Haan & Co. deze dansavonden organiseert, die ’n begin zijn van ’n tournée door ons land, waarop wij deze jonge artiste ai het succes toewenschen, dat haar ten volle toekom . T S. EEN VELUWSCHEVOLKSZANGER. De bekende vertolker van het „levenslied”, Pisuisse, heeft een dezer dagen in Diligentia bij het Haagsche publiek den Veluwschen volkszanger Jan v. Riemsdijk geïntroduceerd, die met zijn eenvoudige boerenliedjes, in ’t dialect van zijn landstreek, groot succes oogstte. Onze foto geeft v. Riemsdijk (zittend) met Pisuisse, die in den Haag, eveneens in ’t bijbehoorend costuum, Bretonsche liedjes zong met Jan Henning. zijn „mobilisatieaccompagnateur”. (foto Sijcs) vader en dochter aan boord afgevaren, om jou de gelegenheid te geven aan de dochter het verliefde hart aan te bieden van een gevaarlijk inbreker; een rol die je graag speelt en je wel is toevertrouwd. Ik wed dubbel of quite dat ze den landlooper niet hebben wil.” „Neen,” antwoordde Van Heiningen verontwaardigd. „Het is nu genoeg, laat me passeeren.” Hij verliet de hut en ging naar het salon, waar hij het meisje en haar vader vond. Hij plaatste zich voor haar.. „Willy,” begon hij, met de deur in huis vallende, „Gisteren heb ik je een vraag gedaan, en je zei me vandaag om antwoord te komen. Welnu, hier ben ik 1 Wil je mijn vrouw worden ?” Het jonge meisje sloeg blozend de oogen neer en zacht kwam er van haar lippen ; „Als papa het goedvindt?” Nu keerde van Heiningen zich tot den ouden heer en zei ernstig : „Mijnheer u hoort hetgeen uw dochter zegt, wat antwoordt u daarop ?” „Ik stem in alles toe, mijnheer de inbreker,” antwoordde de oude heer lachende, „als je ons maar gauw naar huis terugbrengt.” „Dat zal gebeuren,” riep van Heiningen uit, terwijl hij het meisje in de armen sloot. En toen vroolijk tot zijn vriend : „Karei, jij bent intusschen je weddenschap kwijt.” „Welke weddenschap ?” vroeg Willy, terwijl ze over den schouder van haar verloofde naar Verheull keek. En nu vertelde Albert haar van het gesprek dat hij met zijn vriend gevoerd had. „Maar,” zei nu het meisje met een fijn lachje. „Mijnheer Verheull heeft niet verloren 1 Ik wist allang wie je was, Albert, dus ook toen je hier als een misdadiger aan boord kwam. Dacht je nu heusch, dat ik met een inbreker zou trouwen?” Nu schaterde Verheull het uit. „Je bent leelijk beetgenomen, ouwe jongen,” riep hij uit, terwijl hij zijn vriend op den schouder klopte. „Maar je mag best je weddenschap verliezen, want je hebt de dame gewonnen. En ik koop van het geld een cadeautje voor je bruid, als een herinnering aan den inbreker.” BERICHT. Wij berichten hiermede den koopers van onze losse nummers, dat wij vanaf heden geen „MaandPanorama’s” meer kunnen verkrijgbaar stellen. Ter vervanging daarvan hebben wij echter serie’s verkrijgbaar gesteld, bestaande uit 10 verschillende Oorlogsnummers van Panorama, die eveneens in één deel zijn saamgebracht. De prijs van zoo’n deel bedraagt slechts 50 Cents. Alle Boekhandelaren nemen bestellingen aan.
PDF
Nummer
1914, nr.24, 11 dec. 1914
Blad
16
Tekst
PANORAMA OP WACHT. HET VERVOER NAAR HET FRONT. Een Engelsche schildwacht, die liever op de kisten met patronen loopt dan in de modder. Naar de plaatsen die per spoor niet te bereiken zijn, geschiedt het vervoer van fourage enz, met locomobielen. TE CAIRO. IN HET HOSPITAAL. DE STELLING PARIJS. Het aflossen van de wacht voor het Paleis te Cairo. Een gewonde soldaat wordt in het hospitaal te Marseille verpleegd. Generaal Galliéni, commandant van d» stelling Parijs. (foto Manuel). ENGELSCHE HULPTROEPEN IN EGYPTE. KITCHENER EN DE INDISCHE HOOFDEN. Op de Engelsche Koloniale troepen rust de zware taak tegen de Turken en de Bedouïnen Deze zeer interessante foto geeft Lord Kitchener te midden van de Engelsch-Indische te moeten strijden. Het overwicht in Egypte is voor Engeland een levensbelang. opperhoofden, bij de begrafenis van Lord Roberts. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1221 tot 1225 van 11897