|
DE CONVERSATIEZAAL.
(foto's Bern. F. Eilers).
DE GROOTE CLUB.
Z
oo heeft dan Zaterdagavond de genoegelijke plechtigheid van de
opening der nieuwe Groote Club plaats gehad. En gelukkig. Hoe_________________
lang reeds had het nieuwe gebouw den leden getenteerd, hen, die
bij de afbraak der oude Groote Club eensgezind besloten, tijdelijk in DE HALL.
het betrekkelijk kleine gebouw „Eensgezindheid” aan het Spui hun
intrek te nemen. En daar bij wijze van spreken geduldig zaten af te wachten, ja, niet onafgebroken, men stond ook wel
eens op om zich te vertreden, maar, dan bijwijze van spreken, toch geduldig afwachterid tot het nieuwe in al zijn heerlijkheid
verrijzen zou. Welnu het is verrezen, en, naar de soliditeit van den bouw te oordeelen zal het vooreerst wel niet
tegen den grond gaan. Het is een bewonderenswaardig monumentaal stuk werk, deze Groote Club, een gebouw zoo kranig
dat het daèr, naast het Paleis-Raadhuis (of Raadhuis-Paleis, al naar men het noemen wil) het zoogenaamde achtste
wereldwonder, wel bijna den indruk van een negende wereldwonder maakt. Alreeds dadelijk bij het binnentreden treft ons
de prachtige vestibule, met haar vloertegels en pilaren van vlekkeloos wit marmer, met haar rood marmeren wandbekleding
en kozijnen, haar fraaie geelmarmeren trapleuning, en haar Engelsch uitziende frontdeur van mahoniehout met de
behaagzieke, geslepen ruitjes. Trouwens in Engelschen stijl is dit gansche interieur gehouden, schoon vrijwel de geheele aankleeding
en meubileering door Hollandsche firma’s geleverd werd. Behalve de meubels der groote feestzaal dan. Die zijn opgedragen
aan een Engelsch huis, n.1. aan de firma Waring en Gillow, te Londen. Het is daarmede, het spijt me, dat we het zeggen
moeten, dan ook misgeloopen, in zooverre dat, in tegenstelling tot de Nederlandsche meubels, die alle afgeleverd zijn, aan deze
Engelsche meubels tot opheden nog renonce is. Wat, daar alles verder reeds zoo voortreffelijk in orde is, een onpleizierige hiaat
geeft. Rechts van de hal vindt men de ruime biljartkamer, links de groote en allergenoeglijkste conversatie zaal. De meubels in
deze vertrekken zijn van een keurigen smaak en treffen door hun degelijkheid en tevens gezellige vormen en rangschikking. Op de
eerste verdieping vindt men een allerprettigst ingerichte speelzaal, stijlvol keurig gemeubeld en toch zonder strakheid; integendeel
het is allergenoeglijkst dit interieur. De leeszaal is daarnaast, met haar mahoniehouten boekenkasten en intiem gerangschikte
meubels. De feestzaal (die waar de Engelsche meubels, inmiddels nog niet ter plaatse, thuishooren,) is keurig met roomkleurig
stuc bekleed, en een groot balcon is er voor het orkest aangebracht. Dit vertrek is ook zeer suggestief en wekt in zijn berustende
verlatenheid, zoo te zeggen, reeds de suggestie van vele gelukzalige avondpartijen in voorbereiding . . . Voorts vindt men in het
gebouw vele keurige logeerkamers, uitsluitend voor leden en buitenleden der club bestemd, benevens een aangenaam ingerichte
ontbijtkamer. Verder zijn daar alle mogelijke handige, practische dierbaarheden aanwezig, die van een huis doen zeggen dat het
„van alle gemakken is voorzien.” Deze Groote Club, gelijk een glanzende Phoenix uit haar assche, althans uit haar puin verrezen,
wenschen wij een lang en glorierijk bestaan toe.
verzoening. Het scheen veel meer, of hij bij Wiesje troost
gezocht en ... . gevonden had. En het was eigenlijk geen
wonder, zij had het verdiend.
Maar zij kon hem toch niet laten blijken hoe groot haar
berouw was .... neen, nu niet meer.
Thera zag niet, hoe Willem met onvergelijkelijke handigheid
het zóó wist aan te leggen, dat hij schijnbaar met
de meeste opgewektheid praatte en lachte met Wiesje,
maar tegelijkertijd geen oog afwendde van het mooie
aschblonde kopje naast de goedige, in blauw satijn prijkende
mevrouw Smit. Hoe slecht zag zij er uit, hoe bleek ....
en hoe bedroefd. Zou zij misschien .... zou ze spijt hebben ?
Maar hij kon het haar nu toch niet meer vragen, nadat
ze hem zoo dikwijls ijskoud had afgewezen. En hij praatte
door, met een hart vol ellende.
„Ja, juist zooals ik u zeide,” babbelde de goedhartige,
niets kwaads vermoedende mevrouw Smit. „Juist, maar
u begrijpt wel.... o, lieve hemel, daar komt hij al aan I”
Zachte pianotonen ruischten door de zaal, vermengd
met kindergezang, dat eerst bijna onhoorbaar zacht was,
maar langzaam aanzwol tot een helder, juichend koor.
Meneer Smit, de gastheer, die een poos verdwenen was
geweest, verscheen thans op den drempel, en hief plechtig
tot stilte vermanend, zijn vinger omhoog, ofschoon zijn
goedig gezicht vuurrood was; het scheen wel van het lachen.
En daar, achter hem, verscheen de goede oude bisschop.
Een echte Sinterklaas, strompelend van ouderdom, en
zwaar steunend op den gouden staf, dien hij in de hand
hield. En achter hem volgde de trouwe Piet, met z’n oolijke
negergezicht, torsend een zwaren zak, bij den aanblik waarvan
het gezang der kinderen overging in een vreugdegejuich.
Thera moest lachen, of zij wilde of niet. Zij zag, hoe
meneer Smit schudde van het lachen, terwijl hij den bisschop
bij zijn vrouw bracht, wier gelaat bedenkelijk betrok,
toen zij den prachtigen blauw fluweelen rok van den
bisschop zag.
„En hoe vaart u, mevrouw? Alles goed met de kinderen
en het overige ?”
„Alles is in orde, dank u wel Sinterklaas,” antwoordde
de dame snel, „behalve dat.... dat. . ..”
„Zegt u het maar, mevrouw. Ik ben een oud man, maar
het is mijn grootste genoegen een dame te helpen,” klonk
het zalvend.
,,.••• Behalve dat er een oude heer is, die soms mijn
besten rok aantrekt!”
„Dat vind ik heel ernstig, mevrouw,” zei de oude heilige.
„Ik zal dien ouden heer eens streng het verkeerde van
zijn handelwijs onder het oog brengen !”
Meneer Smit scheen zich nu niet meer te kunnen inhouden,
zijn daverende hahaha’s! en hohoho’s 1 klonken
boven alles uit. En mevrouw Smit lachte ook, ofschoon
een beetje zuurzoet, en de oude heilige eveneens, zijn
bisschopsmuts schudde tenminste bedenkelijk.
Thera Kennear had het tooneeltje gezien, maar zij sloeg
er geen acht op. Zij wist, dat Willem achter haar stond,
zij behoefde zich maar om te keeren, om hem te zien. Wat
zou hij nu doen ? Zou hij misschien iets zeggen, of doen ....
om een poging tot verzoening te wagen ? Zij wachtte,
huiverend van spanning, maar er gebeurde niets.
„En mejuffrouw Kennear .. . .”
Zij schrikte. De uitdeeling der cadeaux was begonnen,
het was haar beurt reeds. Vóór haar stond de bisschop
plechtstatig te buigen, en grijnsde het vroolijke gezicht
van Piet.
Nu lachen, een vroolijk gezicht zetten, ieder keek immers
op het oogenblik naar haar!
„Mejuffrouw Kennear, op een geheimzinnige wijze beODETTE
MYRTIL
op de 5 O’clock-Tea in Hotel Central te s-Gravenhage.
(Met teekeningen van Piet van der Hem).
D
e omgeving is bekend. Keurig gedekte tafels in de groote, hooge, goed ingerichte zaal; het nikkel
der serviezen op ieder tafeltje glinsterend in de glimpen der tallooze gloeilampjes, schijnend
over mondain publiek. Op de estrade, de kapel, met de roode jassen en de bruine donkere koppen,
waarbij hun instrumenten behooren, evengoed als de roode jasjes en het fèl gescandeerd rhythme
van de meer dan reëele rag-time’s. Rag-time’s, ze zijn van onzen tijd, van onze gevoelens. Hun
rhythme is het rhythme onzer emotie’s, even bruusk, even heftig, en
even brutaal, even sterk geprononceerd. Het is de muziek van de
steeds stijgende macht van het oogenbiikkelijke en het maakt ieder
dronken, die niet gewend is aan zooveel atmosfeer-spanning, aan
het mousseerende, aan de hoogere pressie, waarin we gewend ziin
geworden te leven, die onze atmosfeer geworden is: Triple expansie,
en onder hoogdruk’ — Zoo zijn zelfs ae moderne muziek en de
moderne dans tot ’n soort elixer geworden, waarvan we het bijzonder
prettig vinden, in ’n mondain millieu des middags bij de 5 o’clock
tea, aie langzamerhand om vier uur wordt geschonken, ’n druppel
onvermengd toegediend te krijgen. In plaats van zuur of likeur
krijgen we nu een druppel van dat levens-elixer, puur en onvervalscht.
In hotel Central is het Odette Myrtil, die deze levensdruppelen onvermengd,
aan het mondaine publiek, dat haar dagelijks bewondert
en toejuicht, serveert. In haar fluweelen pakje met den kanten kraag
en manchetten, haar viool onder de kin, draagt ze tegelijkertijd met
verve en kracht haar liedjes voor: Aux bords de la Riviera, Tu
revriendras quand-même, (bij wie past dit beter dan bij haar, zou
je zeggen), Sur les ponts de Paris en ten slotte ’n Berceuse. Het
zijn hare liederen, chanson d’amour et de melancolie, die haar figuur,
waarvan iedere stand expressie heeft — expressie, méést van ’n onomwerpbaar
zelfvertrouwen en levensdurf — mee doet leven. En
we zien om de beurten daarin de vrouw, méchante, caressante, gentille,
hoe ’tzij, afwisselen met de artiste, — wat eigentlijk bij haar
alleen ’n nieuwe vórm, ’n ónder verschijnen van haar vrouwelijkheid
is, waarmede zij opnieuw haar publiek voor haar in te nemen weet
Het meest is zij: „la gosse de Paris”, die terwijl ze op haar instrument de moderne chansons op uitstekende
wijze voordraagt, deze vertolkt méér dan door de woorden, door haar doen, haar staan, haar kijken, haar zien,
door heel hare persoonlijkheid zelve, welke de meest kemachtige illustatie is van het chanson, dat ze zingt.-Afgewisseld
wordt ze er door Maddy & Willy Encla, die keurig onze moderne gevoelens met de nieuwste dansen op
aesthetische wijze streelen.
Op het podium, te midden der goed verzorgde tea’s en het uiterst beschaafde publiek zien we, proevend van
onze Manhattan Cocktail, hunne schitterende praestatie’s aan.
Maar als Odette Myrtil — wier caricatuur en portret, geteekend door Piet van der Hem en eigendom van
de firma Goupil, te ’s-Gravenhage hierbij gaan — terugkeert op ’t podium dan is daarmede opeens de springlevende
verpersoonlijking opgetreden van wat we zóózeer als écht uit de Seine-stad, en als écht uit leven van
la ville Lumière, herkennen, dat in de beschouwing van haar wezen, van haar bewegen, haar durf, haar
„toupet” en „je m’en fichisme”, gewiegd door den zangklank van haar viool, we wegdroomen naar Montmartre,
naar de beroemde bakermat van de „esprit gaulois” en La Blaque, tot het slot van haar voordracht,
waaraan ze met ’n korten energieken hoofdknik, die d’r korte haren weerbarstig doet rondspringen, ’n einde maakt,
ons weer vandaar terug roept en we weggaan... Omdat ’t half zes is.
Buiten regent ’t...
TOM SCH1LPERQORT.
reikte mijeenverzegeld pakje dat voor u bestemd schijnt,
althans er was een verzoek bijgevoegd het aan u te overhandigen.
Gaarna heb ik aan ditverzoek voldaan, na mij overtuigd
te hebben, dat er geen dynamiet of andere ontplofbare
stof in verborgen is, hetgeen gelukkig gebleken is
niet het geval te zijn.”
En uit de handen van zijn knecht nam de bisschop een
klein, keurig pakje.
Thera beefde. Wat.... kon het zijn ? Snel ging zij een
weinig achteruit, en scheurde het papier los. Zij vond een
doosje, en daarin een kleine, beeldige broche, een klein
meesterwerk van paarlen en saffieren, in den vorm van
een medaillon. En daarbij lag een kaartje waarop niets
anders geschreven stond dan: „liefste, liefste Thera 1”
Dat moest van Willem zijn S Met niemand anders had
zij gesproken over het beeldige sieraad, behalve misschien
even met haar ouden oom, dat wist zij zeker! En het
schrift was ook dat van Willem, zij had wel weinig brieven
met hem gewisseld, maar zij wist toch zeker, dat alleen
hij zulke e’s maakte, en een streepje trok door de L. O.
hij was er zeker van.
Zij kon het niet langer uithouden in de volle zaal, waar
alles juichte en lachte. Haastig maakte zij gebruik van een
oogenblik, dat niemand op haar lette, en snelde de deur
uit. Aan het einde van den gang was een klein boudoirtje,
daar wilde zij een oogenblik uitrusten en nadenken. Haastig
sloeg zij de portière terzijde .... — „Thera I”
Verschrikt deinsde zij terug. Willem stond voor haar.
Hij hield een klein doosje in de hand, zijn oogen leken
vochtig in het zachte rosé lamplicht.
„Thera,” herhaalde hij nog eens, oneindig teeder, „liefste,
liefste Thera!”
Zij verzette zich niet. Sprakeloos, zonder verdere woorden
of uitleggingen vielen zij in eikaars armen.
„Maar hoe wist je zoo precies mijn smaak zeg1” vroeg
hij eindelijk, toen de eerste zalige oogenblikken voorbij
waren.
„Je smaak ? Ik begrijp eigenlijk niet wat je bedoelt,”
zei Thera verlegen.
„Niet i” En hij hield haar een doosje voor, waarop een
fijn paarlen dasspeldje, waarbij stond, „lieve Willem I”
„Dat is toch van jou niet?”
„Welneen 1” hijgde Thera. „Ik heb niets durven geven,
ik was zoo bang dat.... Maar dit is toch van jou, zeg?”
En zij hield hem de broche voor.
Hij keek er lang naar, en schudde toen met grappigen
ernst zijn hoofd. „Neen, liefste,” zeide hij verlegen. „Ik
durfde je niets geven dit keer. Ik dacht, dat dit speldje
van jou was, en ik ging een oogenblik hierheen, omdat
ik te gelukkig was.”
„Dat was ook mijn reden !” fluisterde zij.
„Maar wie anders kan mij voor den drommel „lieve
Willem I” noemen ?” hernam hij nogmaals.
„En mij „liefste Thera!”
„Het schrift is hetzelfde waarachtig I”
„Dan, Willem, is er maar één ding mogelijk, dat iemand
ons voor den gek heeft willen houden.”
„En wie dat ook zij, liefste, mensch of engel, hij kan
voor altijd op mijn dankbaarheid rekenen !”
En het raadsel bteef onopgelost. Maar den volgenden
dag, toen een van geluk stralend nichtje na een verward
verhaal en tal van onstuimige omhelzingen eindelijk was
weggegaan, zat een oude heer nog lang voor zijn schrijftafel,
en op zijn gelaat vertoonde zich een stille, gelukkige
glimlach.
|