|
EEN ROODE-kRUISOEFENING DOOR HET NEDERLANDSCHE LEGER ONDER DE GEMEENTE VOORBURG GEHOUDEN.
Een Veld-Hospitaalkeuken. Het vervoer per automobiel naar de Hoofdverbandplaats. Narcotiseeren in de operatiezaal.
ST.-NICOLAAS
ALS VREDESTICHTER
DOOR MARY M.
lompje!” — ’t Mooie kopje onder den chiquen
; velourshoed boog zich dieper. Het door de
, donkergroene kap getemperde licht viel vol
: op het rijke, glanzende haar, en het mooie
; profiel, dat er op het oogenblik al heel ernstig
1 uitzag.
„Oom, je moet het weer in orde maken 1”
’t Klonk bijna als een noodkreet. En de oude heer glimlachte
fijntjes. Arme Thera, ze moest wel heel erge spijt
hebben, dat ze er nu eindelijk toe besloot, haar trotsch
kopje te buigen. Maar een beetje verdiend had ze ’t toch wel.
„Wat kan ik er aan doen kindje ? Als jelui samen kibbelen,
hoe kan ik het dan weer in orde maken ?”
„Och, oompje, dat kunt u wel, heusch, u bent net zoo
iemand, iemand .... die ... . och, u weet wel wat ik bedoel.
En u moet ’t weer in orde maken.”
„Ik wil m’n best doen, kindje. Maar je moet zelf óók
’n beetje meewerken.”
„Nee, oom, dat gaat niet.” ’t Klonk heel beslist en
trots, en de oude heer Kennear wist, dat als Thera op
dien toon sprak, ze meende wat ze zei.
„Maar, Thera, ’n beetje schuld heb je toch wel. Was
het nu niet ’n beetje al te dwaas om zoo’n onbeduidende
reden Willem dadelijk z’n ring en z’n cadeautjes terug
te zenden ?”
„’t Was een heel ernstige reden, oom .Hebt u ooit gehoord
dat iemand, die verloofd is, nog presentjes geeft aan andere
meisjes ?”
„Maar, Thera, dat hij Wiesje nu op haar verjaardag ’n
broche cadeau deed ! Wiesje is ’n oude kameraad van hem,
meer niet.”
„Hij heeft gezegd, dat hij Wiesje ’n aardig meisje vond.”
„Wiesje is ’n aardig meisje !” «
„Dan moet hij maar met Wiesje trouwen.”
„Maar Thera.”
„Ja, oom. Maar u moet ’t weer in orde brengen. U moet.
Als u ’t niet doet, ben ik voor altijd boos op u, en kom
nooit meer bij u !”
De oude heer Kennear dacht lang na, toen Thera vertrokken
was. Een moeilijk werkje was het, ’n paar verloofden,
die geducht gekibbeld hadden, weer te verzoenen,
terwijl er van geen van beiden op medewerking te rekenen
viel. Enfin, hij zou het eens probeeren.
rijke
Wil men cijfers? In 1913 werden 140 barometers en 206 sectanten gecontróleerd; werden 2817 seinlantarens aan de lichtproef onderworpen en 350 tijdmeters met den juisten tijdloop vergeleken ; van 226 schepen werden de kompassen
geregeld, enz. Wil men naast die cijfers een statistische conclusie, dan is het deze: dat de arbeid van het Filiaal er voor een groot deel toe bijdroeg dat het verliespercentage van de handelsschepen buitengewoon verbeterde van zeer ongunstig
tot het gunstigste aller vloten. En tenslotte is het ook weerkundig Filiaal. Alle weerkundige waarnemingen van regen, wind, temperatuur enz. worden er gedaan. Daartoe is het dak voorzien van een serie belangwekkende instrumenten,
die de richting en de kracht van den wind opteekenen, den regenval registreeren, de temperatuur en den luchtdruk noteeren. En alles natuurlijk overzichtelijk. Want in 1913 alleen kwam het niet minder dan 34 maal voor.
dat, in verband o.a. met geschillen in den handel een verklaring gevraagd werd hoe het weer op dien dag en dat uur wel was. Feestgevierd is er niet; zelfs officieele speeches werden niet afgestoken. Slechts de pers memoreert,
zooals hier, de verdienste van een inrichting, wier werkwijze te weinig bekend is. O.
DE WEERKUNDIGE WAARNEMINGSINSTRU
MENTEN.
De schijven met gaten vormen het tijdsein, in de Rotterdamsche haven
welbekend. Tegen het middaguur staan ze verticaal om precies 12 uur
te „vallen” in horizontalen stand.
De Directeur der Rotterdamsche
filiaal-inrichting v. h. Meteorologisch
Instituut, dat een dezer
dagen 25 jaar bestond.
Het 25-jarig bestaan van de Filiaal-Inricbting van bet
Meteorologisch Instituut te Rotterdam.
Jn November 1889 werd te Rotterdam, niet dan na herhaald aandringen
1 bij den Gemeenteraad, een inrichting voor de zeevaart opengesteld,
die zich spoedig bleek te ontwikkelen tot een zeer belangrijke instelling
voor de zich aldoor uitbreidende
havenstad. In die inrichting, filiaal
van het Meteorologisch Instituut te
de Bildt, werd gelegenheid gegeven
aan de scheepvaart om de zeevaartkundige
instrumenten te doen contróleeren
en verifieeren. Geen dwang
werd den gezagvoerders opgelegd;
de inzending der instrumenten was
geheel vrijwillig. En die inzending
toonde binnen korten tijd, hoe buitengewoon
nuttig de contróle op de
instrumenten was en werkte! Toonde
aan, hoe gebrekkig feitelijk de navigatie-middelen,
de factoren waarvan
toch dikwijls het bestaan op zee
afhangt, geregeld waren. De ervaring
daarbij opgedaan was dan ook de
directe aanleiding tot het geleidelijk
invoeren van verplichte contróle,
welke vooral door toedoen van den
toenmaligen directeur, den heer
Arkenbout Schokker, neergelegd
werd in de Schepenwet van 1909. Het is in de uitvoering van die wet,
wat betreft de instrumenten voor de zeevaart, dat de Filiaal-inrichting
haren voornaamsten arbeid vindt zoowel in de laboratoria zelf als
daarbuiten. Om met het eerste te beginnen: in de inrichting zelve
worden de tijdmeters der schepen nauwkeurig nagegaan en hun afwijkingen
aangegeven. Sextanten worden beproefd; barometers en
thermometers aan scherpe controle onderworpen. Voorts worden op
aanwijzing der onderweg opgedane waarnemingen de zeekaarten bijgewerkt.
Ook de scheepsseinlantarens worden vergeleken op de voorgeschreven
lichtsterkte. Buiten de inrichting zelve gebeurt het belangrijke
werk van het regelen der kompassen
’n Half uurtje later belde de oude beer Kennear zijn
ouden Jiandelsvriend Smit op.
„Hallo, Smit! Ja . . . . met Kennear. Alles goed thuis ? .. .
Mooi, bij mij ook. Ja, en wat ik zeggen wilde, jelui geven
immers ’n St.-Nicoïaasavond ? . . . . Wat zeg je, op den
5den ? . . . . Mooi, dan kan je ons wél eens uitnoodigen,
m’n nichtje en mij .... Hadt je daar juist plan op ? . . . .
Goed zoo, dat treft.... Om negen uur ? We zullen zorgen
op tijd te zijn ....
Ja, en wat ik zeggen wilde, heb je al ’n geschikten hoofdpersoon
? .... ’n Gehuurden ? Nee, dat zou ik je niet
aanraden .... Ja, ik heb het ook eens gehad, om elf uur
kwam hij aanzetten, zoo dronken als ’n tempelier.
En de cadeautjes voor de helft verloren natuurlijk ....
Ja, ’t is een lastige geschiedenis ....
„Maar vraag ’n kennis.... Wie? Wel, mij bijvoorbeeld
.... ’n Beetje kaal, zeg je? Hindert niet, ik zet ’n
pruik op ... . Ja, ik doe ’t werkelijk wel graag .... en
’t gaat me wel handig af ook .... je zult zien hoe netjes
ik het klaarspeel.
Ja, en wat ik nog zeggen wilde, kun je den jongen Ramakers
ook niet vragen ? . . . . De jonge Ramakers, Willem
.... die met Thera verloofd is, juist.... je hebt gehoord
dat ’t af is ? .... nu ja maar .... ja, ’t komt wel
weer in orde, zorg jij nu maar dat de jongen komt....
dan stuur ik je ’n kistje extra fijne 1”
Met een bedroefd gezichtje, en een ernstiger blik dan
anders in de groote, mooie oogen, luisterde Thera Kennear
naar het vertrouwelijk gebabbel van Mevrouw Smit, de
gastvrouw, die naast haar zat
Het groote, rijke huis der Smits was vol gasten. Veel
kinderen in de eerste plaats, jongens in fluweelen pakjes,
en meisjes in lichte jurkjes met witte strikken in het haar,
maar ook veel ouderen. Er zou nog een beetje gedanst
worden, als straks het bezoek van den Sint achter den
rug was en de kinderen naar huis waren. Een attractie
te meer dus.
Thera’s oogen dwaalden door de zaal, en plotseling sloeg
zij ze neer. Daar, bij den schoorsteen, blijkbaar zonder
de minste acht op haar te slaan, stond Willem, haar Willem,
zooals zij met een plotseling gevoel van droefheid bedacht.
Hij praatte met een aardig, donkeroogig meisje, en hij
scheen zich uitstekend te amuseeren. Het was Wiesje.
Thera zag hem lachen en praten, en haar oogen vulden
zich met groote, heete tranen.
Waarom was zij ook zoo dwaas geweest ? Willem had
genoeg gedaan, om het weer goed te maken, en haar te
bewijzen dat zij zich in hem vergist had, maar zij, verwend
kind als zij was, had hem zelfs niet willen aanhooren.
En nu was het uit. Willem had óók zijn trotsch, en zij
wist, dat hij geen enkele poging meer aanwenden zou tot
Generale inspectie door den Minister van Oorlogt Automobiel-station voor draadlooze telegrafie. In het gelid, gereed ter inspectie.
Zaterdagmiddag had op de Maliebaan te ’s-Gravenhage de ceremonieele installatie plaats van het Eerste Vrijwilligerscorps Draadlooze Veld-Telegrafie-Afdeeling, gevormd uit de Delftsche
Studenten, die, omdat zij in geval van oorlog anders als franc-tireurs zouden worden beschouwd, bij het Veldleger zijn ingedeeld. Zij zijn geïnspecteerd door den Minister van Oorlog en zijn
Maandag naar de plaats van hun bestemming gezonden.
|