|
DeVloekvan’tGoud
Na vijf weken te zijn toevertrouwd aan het „R.-K. HuisvestingComité”
is dit kind, waarvan het Comité niet anders kon
vernemen dan dat het zich Johnneke noemde, dank zij het
portret in „Panorama”, door de gelukkige moeder teruggevonden.
Het kind heet Jeanneke Drion en komt uit een boerenplaatsje
bij Antwerpen, ’t Raakte reeds bij ’t bombardement in Antwerpen
zijn moeder kwijt en werd te Roosendaal, waar een andere vrouw
’t had meegenomen, achtergelaten, waar ’t in handen kwam
van het R.-K Huisvesting-Comité.
,, t ls gedaan, Greig’ zei de beer en zonk aooa terziiae
neer.
Greig sprong op en rende het bosch uit, rende vol ontzetting
en zonder om te zien naar huis.
„Kom mee,” riep hij opgewonden, toen hij de hut naderde.
„Kom naar buiten ! Ik heb hem, gauw, neem je
geweren mee 1”
„Wat heb je,” vroegen de anderen haastig.
„De beer of — de booze. Ik weet ’t niet. Kom mee!”
De drie mannen volgden hun kameraad zonder verder
een woord te spreken. In het bosch aangekomen op de
plek waar Greig was aangevallen, zagen ze tot hun verwondering
dat de -beer verdwenen was. Een stroom bloed
wees hun echter den weg, die leidde naar de hut van Chalmers.
Ze stootten de deur open en daar vlak bij den ingang
vonden ze een reusachtigen bruinen beer, stuiptrekkend in
zijn doodsstrijd.
Davis joeg hem een kogel door den kop en knielde toen
bij het licht eener lantaren naast hem neer.
„Hemel!” riep hij eensklaps opgewonden uit, terwijl
hij opsprong, „’t Is Chalmers 1”
Ten einde het geheim van de Sacramento-vallei te bewaren,
had hij in de huid van een beer gestoken, Gordon
en Thompson vermoord en zich voorgenomen ook de andere
vier mannen om het leven te brengen. Het was een weloverdacht
plan, want mocht een der mannen aan zijn greep
zijn ontsnapt, dan zou hij nimmer aan Chalmers gedacht
hebben, maar in de meening hebben verkeerd door een der
vele beren, die in deze streek huisden, te zijn aangevallen.
EEN TREURSPEL
9G IN DE LUCHT
VERKORTE INHOUD VAN HET GEDEELTE UIT HET VORIGE
NUMMER.
Joe Chalmers, die na een noodlottig toeval, gevlucht was naar Californië,
was geruimen tijd de eenige. die wist dat aanzienlijke schatten, in den
vorm van goud, verborgen lagen in den bodem van dit land. Hij wenschte
echter in zijn rust van de eenzaamheid der bergen, waar hij leefde van zijn
geweer, niet gestoord te worden door schatgravers en daarom zwoer hij
zichzelf plechtig, dat zijn lippen nimmer het geheim van den bodem zouden
verraden. Na verloop van eenige jaren echter was hij op een morgen on
aangenaam verrast te bemerken, dat een groep mijnwerkers bezig was
den grond te onderzoeken. Hij ging naar hen toe en wist ze te bewegen
naar een andere streek te gaan. Hij liet ze echter beloven, dat zij nimmer
zijn geheim zouden verraden. Terwijl nu de mannen groeven, ging Chalmers
op jacht en leefde zijn eenzaam bestaan verder voort. De achterdocht
tusschen de gouddelvers evenwel werd zoo groot, dat geen van hen zessen
naar de naburige stad wilde gaan om den mondvoorraad aan te vullen.
Gewillig nam Chalmers nu op hun verzoek de taak op zich om in de stad
levensmiddelen voor hen te gaan halen. Onderweg bemerkte hij dat een
der gouddelvers, die was uitgegaan om Chalmers te zoeken, door een beer
verscheurd was. Deze tijding deed de mannen ontzetten. Aan dit gevaar
hadden zij nog nooit gedacht.
Chalmers ging zitten, greep naar de kaarten
en begon met de andere mannen te spelen.
Ze hadden reeds een uur gespeeld en nog
was Thompson niet terug. Dat was zonderling,
want hij was een hartstochtelijk speler.
,,Ik ga eens naar hem kijken.*' zei Davis
en de anderen besloten mee te gaan.
Ze zochten een uur lang, geholpen door het heldere
maanlicht. Ze riepen hem bij zijn naam, schoten hun geweren
af, doch alleen de echo gaf hun antwoord. Eindelijk
keerden ze naar de hut terug, vermoeid en teleurgesteld,
met een onbestemde vrees in hun hart, hopende tegen
alle hoop in, dat Thompson intusschen thuis gekomen zou
zijn; doch de hut was leeg. Eerst den volgenden morgen
vonden ze hun vriend, geen honderd meter van hun woning
dood en vreeselijk verminkt. Zijn hals was letterlijk opengereten
en de grond rondom hem was gedrenkt door bloed.
/lak naast hem lag zijn zakmes, waarmee hij nog gepoogd
had zich te verdedigen. De overgeblevenen begroeven
hun kameraad bij den anderen.
Een maand ging daarna voorbij, zonder dat er iets gebeurde.
Het gevaarlijke dier, dat reeds twee van hun makkers
gedood had was onvindbaar, hoezeer de mannen ook hun best
deden in gezelschap het beest op te sporen. Hun goudvoorraad
vermeerderde echter bij den dag en was eindelijk zoo groot, dat
zij op een avond besloten, hun werkzaamheden te staken en naar
de bewoonde wereld terug te keeren.
Chalmers was juist tegenwoordig.
.,Ik zal jullie missen, kameraden, als je vertrokken bent,” zei hij,
„Ik ben door jelui weer aan gezelschap gewend geraakt.” '
..Deel met ons en ga mee,” bood Davis aan. „Daar ligt Thompson’s
deel en dat is van Cordon. Ze hebben geen familie die er aanspraak
op kan maken. Neem jij het, anders verdeelen wij ’t onder
elkaar, doch wij hebben van ons zeiven ruimschoots genoeg en
danken trouwens aan jou ons geluk.”
Chalmers was niet te overreden.
.Jullie komen weer terug, spoedig,” profeteerde hij lachend.
Voordat Chalmers dien avond de mannen verliet, om naar
zijn eigen woning terug te keeren, voelde Davis zich ongesteld
worden. Hij huiverde en voelde zich koortsig.
„Ik heb thuis nog wat kinine,” zei Chalmers. „Als een van jelui
met mij mee wil gaan, kun je ’t krijgen.”
Greig bood zich aan en lachte, toen de
anderen hem waarschuwden voor de beren.
De beide mannen vertrokken, bereikten de
hut van Chalmers en na de kinine van dezen
ontvangen te hebben, begaf Greig zich weer
op weg naar zijn eigen woning.
Een tien minuten op weg, in het dichtst
van het bosch, hoorde Greig een gekraak van
takken achter zich. Hij nam zijn jachtmes
in de eene hand en zijn revolver in de andere
en keerde zich snel om juist op het oogenblik
dat een groote bruine beer zich met al
de zwaarte van zijn reusachtig lichaam op
hem wierp.
Terwijl de knal van zijn revolver door het
bosch klonk, stootte hij met de andere hand
zijn jachtmes in den schouder van het dier
en toen vielen mensch en dier ter aarde
elkander omvattende in een doodelijke worsteling.
De beer greep met zijn klauw naar
Greigs keel maar miste; tegelijkertijd stak
deze het monster voor de tweede maal zijn
mes in het lichaam, nu in de zijde.
Toen gebeurde er iets verschrikkelijks, iets
G. VAN ITERSON,
bewaarder van de Hypotheken, het Kadaster en de
Scheepsbewijzen, die 13 December a.s. zijn 50-jarig
ambtsfeest hoopt te vieren.
HET NEDERLANDSCHE STOOMSCHIP ,,ACH I LLES”,
der Kon. Ned. Stoomboot-Mij., welk te Smyrna in beslag werd genomen.
was geen sprake van slaap. Drie dagen en
nachten had ik mijn oogen niet gesloten. Ik
was in een koortsachtige stemming als iemand
die op het punt is een groote uitvinding
te doen. Op het punt, zei ik I Neen, het was
meer ! Ik wist dat ik geslaagd was in het oplossen
van een probleem dat de menschheid in verbazing zou zetten.
Binnen een week zou mijn naam algemeen bekend zijn en mijn roem
over de geheele beschaafde wereld weerklinken. Ik zou worden
gevierd en gevleid en fortuin zou mij ten deel vallen, zooveel ik maar
wenschte.
Ik had op ’t gebied der luchtscheepvaart een verrassende uitvinding
gedaan. Ik had namelijk een apparaat uitgewonden, waar
door een vliegmachine, die tijdens haar vlucht een defect kreeg, geen
noodlanding behoefde te doen, maar kon blijven zweven, tot het
defect hersteld was. Vooral wegens de diensten die in dezen tijd
van de vliegmachines geëischt worden, was mijn uitvinding van
het hoogste belang, omdat de vliegenier nu niet meer genoodzaakt
zou worden op vijandelijk gebied te landen. Ik stelde mij van mijn
uitvinding dan ook veel voor.
Mijn goede patroon Jozef Riel was, evenals zijn dochter Miriam,
getuige geweest van mijn eerste succes en beiden, maar vooral
Miriam, hadden mij enthusiast gelukgewenscht. Ik herinner mij nog
hoe de heer Riel bewondering en uitbundige vroolijkheid te kennen
gaf en hoe zijn dochter mijn hand in de hare nam en ze hartstochtelijk
kuste.
Wat mijzelf betrof, ik bleef betrekkelijk kalm. Ik was blij dat
het kapitaal, hetgeen mijn patroon mij verstrekt
had, niet verloren was en het speet mij
alleen dat hij geen aandeel zou hebben in den
roem, die mij ten deel zou vallen.
„Het zal mij een eer zijn je mijn zoon te
noemen,” zei hij, mij de hand schuddende,
terwijl Miriam er met neergeslagen oogen bij
stond.
Deze woorden waren voor mij een onaangename
verrassing. Voor het eerst begreep ik,
dat hij verwachtte dat ik zijn dochter zou
trouwen; dat ze mij beminde en meende dat ik
haar eveneens liefhad, hoewel ik voor deze
meening nooit de minste aanleiding gegeven
had. Vier jaar lang had ik gewerkt als een
slaaf aan mijn uitvinding, zonder aan eenig
ander menschelijk wezen te denken dan aan
Lize, mijn verloofde, wie ik beloofd had te
zullen trouwen, als mijn uitvinding voltooid
was. Lize, die mij wachtte in het lieve dorpje,
waar wij beiden geboren waren.
Ik nam mijn patroon ter zijde en legde hem
den toestand bloot. Hij zelf nam het nog al
kalm op, maar hij was bezorgd over Miriam,
DE EERSTE REVUE DER NEDERL. PADVINDERS-ORGANISATIE OP 15 NOV. IN HET STADION TE AMSTERDAM.
De Padvinders defileeren met muziek en vaandels. De heer Everts, hun leider, spreekt hen toe. Rechts in uniform de heer Coucke, Secr. v.h. Stadion.
|