|
dat er een belooning op zijn hoofd was gesteld van 10.000
gulden voor dengene die hem dood of levend overleverde.
„Daarom leef ik hier, omdat ik hier veilig ben,” ging
hij voort, „want als iemand hierheen komt om mij te zoeken,
krijgt hij de goudkoorts en vergeet zijn oorspronkelijk
voornemen. Doch,” ging hij voort, „jullie verspilt hier je
krachten, want je werkt hier hard om je fortuin te maken
en als je rijk terug gaat, verspeel je je geld zoo gauw mogelijk,
is ’t niet?”
De mannen stemden dat geredelijk toe.
„Dan zal ik jullie de rijkste plek van de geheele Sacramento-vallei
toonen,” ging hij voort. „Maar, om *s hemelswil,
als je teruggaat, drink je niet dronken en verklap mijn
geheim, want dan zou het hier voor een eenzaam man
als ik onmogelijk worden om hier nog langer te wonen.”
Chalmers nam drie van de mannen mee. Onderweg hield
hij even stil om zijn pelsjas en muts te halen. Hij vertelde
hun dat hij die dingen had afgelegd, omdat hij bang was,
dat ze hem anders op een afstand voor een beer zouden
hebben gehouden en hem hebben doodgeschoten.
De plaats die hij den mannen aanwees, deed hen het
water van begeerte uit den mond loopen; het goud groeide
daar als ’t ware den grond uit; het erts was zacht, brak
JAC. VAN DER SOMME,
deurwaarder te Eindhoven, herdacht onlangs zijn 40-jarig ambtsjubileum
Van verschillende zijden mocht de jubilaris een bewijs
van achting ontvangen.
zullen huwen. Hij vluchtte en bereikte zonder ongevallen Californië
en daar in de eenzaamheid der bergen zocht hij rusten
vrede, levende van zijn geweer, slechts enkele malen de
dichtstnabijgelegen nederzetting bezoekende om de huiden
der geschoten beren te ruilen voor kruit en lood en andere
hoognoodige behoeften en daar niet langer verblijvende
dan voor zijn inkoopen noodzakelijk was.
Waar goud was, wist hij, zouden spoedig menschen komen,
en hij wist ook dat de strijd hierom tot misdaden
zou leiden. Daarom zwoer hij plechtig dat zijn lippen nimmer
het geheim van den bodem zouden openbaren, en hij
hoopte dat dit nog langen tijd bewaard zou blijven. Hij
ging zelfs zoover met verdwaalde reizigers, die hij op de
jacht ontmoette dood te schieten en te begraven, in de
vaste overtuiging dat hij hiermee aan de wereld in het
algemeen en aan den gedooden reiziger in het bijzonder
een weldaad bewees.
Hij had alzoo jarenlang geweten, dat er goud was in den
grond en op den bodem der rivieren, maar anderen hadden
het gegist ep op een morgen werd Chalmers zeer onaangenaam
verrast op het zien van een groep mijnwerkers
die ijverig aan het delven waren. Hij bespiedde ze in stilte
van achter een dikken boom aan den rand van een boschje
op de helling van een der heuvelen. De mannen, een zestal,
waren in het dal aan den oever eener rivier ijverig aan
het graven en hakken.
Hoe lang zij daar reeds waren, wist Chalmers niet te
zeggen, in allen geval lang genoeg om een groote plompe
hut te bouwen. Hij kon ze hooren praten, terwijl ze aan
het goudwasschen waren, en zag ze staren naar de modderige
stof met begeerige oogen. Wat ze met elkander
bespraken, kon hij niet verstaan, daarvoor was hij te ver af.
Naderbij sluipende luisterde hij en een grimlach kwam
op zijn gelaat. Hij vernam dat ze even angstig waren als
hij om hun geheim zoo lang mogelijk voor de buitenwereld
te bewaren, nochtans waren hun beweegredenen verschillend,
want van hen was het slechts begeerigheid om den
geheeien buit, al het goud van Californië voor zich alleen
te hebben.
Chalmers zat een oogenblik nadenkend voor zich uit
te staren; toen had hij zijn besluit genomen : hij zou hen
helpen het geheim te bewaren. Na zich vergewist te hebben,
dat zijn geweer en revolver gereed waren hun diensten, zoo
noodig, te verrichten, deed hij zijn zware kleeding van
berenvel uit, wierp zijn berenmuts neer en daalde toen,
het geweer in de hand den heuvel af het mijnwerkerskamp
tegemoet. Hij bleef op tien meter afstandsstaan als een belangstellend
toeschouwer. Geen van de gouddelvers had hem
nog opgemerkt. ,,Goeden morgen,” riep hij hun toe, terwijl
hij naderbij trad.
. Ze keken allen verschrikt op.
„Verheugd mij te zien,” vroeg hij met een
lach vol leedvermaak. „Ik verwachtte hier geen
bezoekers. Hoe is het goud ?”
„Zijn er nog meer in den omtrek ?” vroeg een
der delvers.
Chalmers stelde hem gerust en verzekerde
hem dat hij het eenige menschelijke wezen was
tien mijlen in den omtrek. Toen vertelde hij
den mannen op hun vragen wat hij deed en hoe
hij hier kwam, een verhaal dat vijf van de zes
mannen voor waarheid aannamen; doch de
zesde, die zich herinnerde hem kort geleden
in een der naburige nederzettingen gezien te
hebben, vroeg hem :
„Je hebt er zeker nooit aan gedacht om hier
naar goud te zoeken ?”
„Och, neen,” zei Chalmers, „ik hoefde er
niet naar te zoeken, want het is overal te
vinden, mijlen in ’t rond. Men vindt er heele
lagen en de rivierbeddingen zijn ware goudplaten.
Het is een feit, als een beer een tand
verliest, stopt hij het gat met goud.”
Zij geloofden zijn scherts en vroegen hem
nieuwsgierig, als hij wist dat er goud was,
waarom hij er dan niet naar was gaan graven.
Hij legde hun uit waarom hij het goud verfoeide
en eindigde zijn uiteenzetting met de leugen
F. J. KLEYN. +
Een dezer dagen is te den Haag overleden de Heer F. J. Kleyn,
in leven directeur van de Ned. Staatscourant.
S. E. SIDNEY SONNINO.
de nieuwbenoemde minister van Buitenlandsche Zaken in Italië.
Cs
DRIE JONGE BELGEN.
Door het Gemeentebestuur van Arnhem was ten behoeve van de Belgische vluchtelingen
een hulpziekenhuis ingericht. Daar zagen drie jonge Belgen het eerste
levenslicht (foto Schotel).
Mr. Dr. R. KRANENBURG,
rechter a. d. arrondissements-rechtbank te Utrecht, is benoemd
tot hoogleeraar in het staatsrecht, administratief recht en rechtphilosofie
aan de Universiteit te Amsterdam.
gemakkelijk en behoefde slechts naar de rivier gebracht
te worden om te worden gewasschen. Ze zouden gemakkelijk
duizend pond per dag kunnen delven. Ze braken dus
hun kamp op en begonnen op deze plaats opnieuw hun
werkzaamheden.
Terwijl de gouddelvers druk bezig waren hun fortuin
te verzamelen, zat Chalmers er naar te kijken en rookte
zijn pijp. Na eenige dagen deelde hij mee dat hij op de
berenjacht ging, hij verdween alzoo en de mannen werkten
intusschen hard voort en dachten weinig aan hem, totdat
ze tot de ontdekking kwamen dat hun provisie opraakte
en dus noodig in een der naaste steden moest worden aan
gevuid.
„Een van ons zal naar Cherokee moeten,” zei Thompson
„Nou, wie gaat er heen ?”
Niemand was bereid; alle zes mannen hadden dezelfde
gedachten en geen al te gunstige meening van elkander
Cherokee lag drie dagreizen verwijderd en beteekende dus
een week afwezigheid.
„Als we Chalmers maar konden laten gaan,” opperde
Davis; een denkbeeld dat algemeen instemming vond
„Maar de drommel mag weten waar hij zit.”
„Misschien houdt hij zichzelf wel gezelschap in zijn hut.’ merkte Gordon op. „Ik zal hem eens gaan opzoeken
Gordon vertrok, terwijl de overigen den avond door
brachten met poker-spelen. Den volgenden morgen bemerkten
de mannen met verwondering dat hun metgezel nog
niet teruggekeerd was.
„Gek, dat Gordon nog niet terug is,” zei een.
„’t Is vreemd,” stemden de anderen toe. „Maar wellicht
heeft hij Chalmers gezelschap gehouden 1”
Ze maakten hun eenvoudig morgenmaal gereed, en begonnen
juist te eten, toen Chalmers bij hen binnentrad
„Ik heb wat huiden meegebracht,” zei hij, terwijl hij
een bundel op den grond neerwierp.
„Waar is Gordon ?” vroeg Davis.
„Gordon ?”
„Ja, hij is gisteren naar je woning vertrokken.”
„O ! Ik ben in geen week thuis geweest,” zei Chalmers,
„misschien wacht hij wel op mij. Waarvoor had hij me
noodig ?”
„Wel onze levensmiddelen raken op en nu moet er iemand
naar Cherokee,” legde Thompson uit. „We dachten dat jij
misschien wel voor ons inkoopen zoudt willen doen. Zie je
als een van ons gaat, zou dat allicht achterdocht kunnen
wekken. En jij bent er bekend.”
„Maar ik doe daar nooit anders als ruilhandel, want ik
leef van mijn geweer. Enfin, ik zal gaan ! Ik loop echter
eerst op huis aan en zal Gordon terugzenden.” En Chalmers
vertrok.
„Leuke, gewillige kerel,” zei Davis.
„’n Zonderlinge vent 1” bromde Thompson.
Chalmers keerde echter spoedig terug en met
slecht nieuws.
„Gordon is verscheurd door een beer,” riep hij
den mannen toe.
De goudgravers staakten allen verschrikt hun
werk. Aan dit gevaar hadden ze nog nimmer
gedacht. Ze kwamen allen haastig aanloopen en
gingen met Chalmers mee naar de plaats waar
deze den dooden Gordon gevonden had en begroeven
daar hetgeen van hun makker was overgebleven.
„Jullie mag wel wat minder zorgeloos zijn.”
vermaande Chalmers voor hij naar Cherokee
vertrok. „Gaat vooral niet ongewapend op weg.”
„Dat zal ons weinig baten,” bromde Thompson,
„als we geen beter kans hebben dan
Gordon.”
Na zes dagen keerde Chalmers met de noodige
provisie terug en vertrok daarna onmiddellijk
weer naar zijn eigen woning. Drie weken lang
bleef hij weg, toen trad hij op een dag de hut
der mijnwerkers binnen, juist vijf minuten nadat
Thompson deze verlaten had.
„Ik kwam daareven Thompson tegen,” begon
hij. „Hij zei hij wilde nog even rondloopen voor
hij binnenkwam.” (Wordt vervolgd)
|