|
PANORAMA
EEN NOODKREET
IN DEN NACHT
VERKORTE INHOUD VAN HET GEDEELTE UIT HET VORIGE
NUMMER.
Dokter Korner had zich na een vermoeienden dag neergevlijd in zijn
gemakkelijken stoel en las in zijn lijforgaan, toen plotseling de telefoon
schel hem in zijn welverdiende rust stoorde. Op zijn herhaald „Hallo”-
geroep ontving hij eerst geen antwoord, plotseling echter hoort hij het
angstige geroep van: „Dokter, help’ Hii wil mij dooden' Hij komt terug’ Hij is aan mijn kamerdeur. O. Hemel, help!” Toen was alles stil. Dokter
Korner hoorde niets meer. Hij poogde van de telefoonjuffrouw te weten
te komen met wie hij was aangesloten, echter zonder resultaat. Waar zou
de misdaad, waar hij oorgetuige van was geweest, zich afspelen? Dokter
Korner vroeg het zich vergeefs af. Dien nacht bracht hij slapeloos door.
ekweld door de vreeselijkste vermoedens. In het morgenblad stond van
e misdaad niets vermeld. Om zijn gedachten wat af te leiden, ging
Dokter Korner een wandeling maken, waarbij het toeval hem voerde langs
een huis, waarvan de blinden nog gesloten waren. Had het toeval hem
naar het noodlottige huis gevoerd ?
sprak een melkboer aan, die in de nabijheid
stond.
„Of ik de menschen ken, die hier wonen ?”
herhaalde hij op mijn vraag. „Welzekermeneer!
Heel goed! ’t Zijn klanten van me ! Beste
menschen. Ze zijn de stad uit! Mijn dochter
gaat iederen dag het huis luchten !”
„Is ze er van morgen nog geweest?’’
„Natuurlijk is ze. Maar wat gaat jou dat aan, heerschap.
Je bent toch geen dwarskijker van de familie. Wel ? Dan ...”
Hij smeet woedend een leege melkkan op zijn wagen
en ik maakte dat ik wegkwam. Om den hoek der straat
keek ik nog eens om en zag den melkboer zijn verontwaardiging
luchten tegen een slagersknecht.
Na het diner besloot ik naar den schouwburg te gaan.
Ik kwam er zelden, mijn bezigheden gaven mij daartoe
geen gelegenheid. Nu echter had ik afleiding noodig; het
nachtelijk drama ondermijnde mijn zenuwgestel.
Ik wist niet wat er gespeeld werd, ik lette er zelden op
en het kon me ook thans niet schelen als ’t maar iets opwekkends
was. Stel je dus mijn teleurstelling voor, toen ik
aan den schouwburg gekomen op de biljetten zag, dat
er een melodrama zou worden gegeven.
Enfin, alles was beter dan dien avond thuis te blijven.
Ik nam dus een kaartje en zocht mijn plaats op. De schouwburg
was reeds voor driekwart gevuld. Op de bovenste
galerij zaten de toeschouwers dicht opeengepakt als sardines
en ieder gelaat schoon en vuil was vol gespannen
verwachting.
Het stuk was een ouderwetsche draak van liefde en
haat, van onschuld en ondeugd. De schurk in het stuk
rookte als gewoonlijk een hoeveelheid sigaretten en zat
steeds op den rand van de tafel in plaats van op een stoel.
De heldin, die hij gruwelijk belaagde, richtte, zooals gebruikelijk,
haar oogen pathetisch en vol tranen naar den
engelenbak. Dan was er nog een groep figuranten, boeren
en boerinnen voorstellende, die er de vroolijkheid wat in
moesten brengen en dansten en zongen, zooals boeren in
een operette dat doen.
Aan het eind van de voorlaatste acte keek ik op mijn
horloge en maakte aanstalten om heen te gaan. Ik vond
het al mooi genoeg. Toch — ik beken ’t eerlijk — deed
een zekere nieuwsgierigheid mij blijven. Ik wilde den held
van het stuk nog eens zien optreden, een jong ijverig dokter
voor wien ik uit den aard der betrekking eenige sympathie
koesterde. Ik hoopte dat het hem gelukken zou den schurk
te overwinnen.
Het scherm ging omhoog en wij concentreerden onze
aandacht op het pakkend slot. Volmaakte stilte in den
engelenbak, een vage belangstelling in het parterre en een
minachtend aanschouwen in de stalles.
De heldin is alleen, overgelaten aan de genade van den
schurk, die met een dolk in de hand buiten de kamer komt
aansluipen. Je kunt hem zien door het venster, dat in
tooneelkamers vaak op de onmogelijkste plaatsen is aangebracht.
De schurk zet zijn dolk tusschen het slot van
de deur. De deur knarst. Plotseling klinkt ons het geluid
van een aansnellenden auto in de ooren, een zeer up-to-
„GLORIE”, 3e Bedrijf.
Nico de Jong en Mevr. van Eysden.
„GLORIE”
van WILLEM Directie ROTTERDAMSCH
ADRIAANSE. TOONEELGEZELSCHAP.
G
lorie, van Willem Adriaanse is een stuk dat speelt
in de koopmanswereld. — Frits Koltman, eigenaar
van een groote zaak, die door zijn grootvader tot hoogen
bloei is gebracht, gevoelt zichzelf onmachtig langer
aan het hoofd der onderneming te staan. Hem ontbreekt
de ondernemingsgeest, die noodig is een dergelijke zaak
op peil te houden. Hij is echter eerlijk genoeg om dit in
.te zien en trekt zich terug, zijn eenigen zoon Frank, een nog
grooteren zwakkeling, het bedrijf toevertrouwend. De oude
heer vergenoegt zich nu met zich te laten voorstaan
op zijn regentschap van een oude stichting, waar hij
het zeggingschap heeft. Zoo teert de heer Koltman op
zijn ouden roem. Als tweede figuur in dit tooneelstuk
wordt de heer Mr. Bart van Meerlen, als schoonzoon
van Koltman, ten tooneele gevoerd. Bart is een zoon
van een onderwijzer, die zichzelf echter heeft opgewerkt
lot economist, lid van de kamer en die zich bovendien
aanstaand minister weet. En dit is wel de clou van
het stuk : de schrille tegenstelling tusschen schoonvader
en schoonzoon. De eerste ziet ontzaggelijk op tegen den
laatste: hij voelt zich onzeggelijk klein in de nabijheid
van zoo’n zelfbewust mensch. Jo Koltman en Bart zijn
eveneens twee contrasten, de laatste past niet in de omgeving
van de Koltmans, waar de sfeer zweeft van een
moeilijk te handhaven aanzien. En heftige tooneeltjes
tusschen Bart en zijn vrouw zijn het vanzelfsprekend gevolg.
Het slot is, dat vader Koltman geld leent uit de
fondsen van het gesticht. Dit is de genade-slag. De
firma wordt opgeheven; de vader gaat naar Nunspeet
en de zoon Frank gaat in een ondergeschikte positie
naar Indië: het tragische einde van een krachtige koopmansfamilie,
die door de zwakheid van zijn jongste
leden moest ten onder gaan. Door de directie van het
Rotterdamsch Tooneelgezelschap is dit stuk op zeer
verdienstelijke wijze ten tooneele gebracht. Met de
spelers komt ook de regie een woord van hulde toe.
date drama dus. Sneller dan de lucht komt de held ter
hulpe aangesneld. Ze hoort het snorren van den motor:
ruikt den benzine-geur, verdraait dan haar oogen, zoo. dat
men alleen het wit ziet, tót een smeekenden blik naar den
tooneelhemel. Zal hij nog bijtijds komen ?
Nu spreekt de heldin; haar stem rijst en ik krijg een
vaag gevoel dat die stem mij bekend is. Dien doordringenden
toon ! . . . ja, dien heb ik meer gehoord. Ik grijp
de leuning van mijn stoel. Plotseling klinkt van af het
tooneel het auditorium te gemoet:
„Dokter, help 1 Hij wil mij dooden 1 Hij komt terug 1
Hij is aan mijn kamerdeur. O, hemel, help !”
Ik stem toe, het was onvergeeflijk van me, maar als je
ondervonden had dat gevoel van verluchting dat thans
over mij kwam, je zoudt mijn handeling hebben kunnen
begrijpen. Ik liet mij achterover in mijn stoel vallen en
schaterde het uit, schaterde onbedaarlijk.
Mijn onbegrijpelijke vroolijkheid verwekte algemeen veron
twaardiging.
„Sst!” klonk het uit alle hoeken der zaal. „Stilte ! Ssst!”
„Smijt ’m eruit!” kwam er bemoedigend van boven.
De held vergat een oogenblik zijn heldin te hulp te snellen,
en de leider van het orkest liet de muziek triomfantelijk
invallen voor hef noodig was. Ik stopte mijn zakdoek in
mijn mond en wist zoo een nieuwe lachbui te voorkomen.
Eenige minuten later was alles gelukkig geëindigd en
het scherm viel.
Ik stapte langzaam tusschen de menigte naar den uitgang.
Bij de controle zag ik den secretaris der schouwburgdirectie,
een kennis van mij. We drukten elkaar de hand.
„Goeden avond, mijnheer van Hal,” zei ik. „Apropos
is het tooneel in dezen schouwburg telefonisch aangesloten ?”
„Ja, dokter! Hoe dat zoo?”
, ,Ik hoorde gisteravond thuis een gedeelte van dit stuK,
da’s al!”
„Ja, de communicatie is slecht. Ik was gisteren zwaar
verkouden, moest mijn kamer houden en wilde daarom
de generale repetitie telefonisch bijwonen. Maar ik werd
telkenmale afgebroken. Misschien werd u bevoordeeld!”
„Ja, dat werd ik zeker, ’n Vreeselijk stuk, vindt u niet?”
„Niet uw smaak, dokter. U was ’t immers die zoo lachte?”
Ik knikte.
„Als u mij het genoegen doet, mijnheer van Hal. aanstaanden
Zondag mij eens op te zoeken, zal ik u de oorzaak
van dat lachen vertellen, ’t Is zeer interessant!”
En dat was ’t.
JlillillllhHiHifÉlllfiiiifiHiiflOllllltoitfiiiHillblta^ ; :hiiiisnwiiilillilfe
< DeVloekvan’tGoud
.....................................
B
fschoon de groote ontdekking van den goudrijkdom
in den bodem van Californië, hetwelk
dit land maakte tot het aantrekkingspunt
voor tal van gelukzoekers, eerst een jaar later
plaats had, was reeds lang aan één man bekend
dat onbekende rijkdommen in den vorm
van geel metaal verborgen lagen aan de oostelijke heuvels
van Nevada. Als de wereld echter had moeten wachten
tot Joe Chalmers zijn geheim had meegedeeld, dan had
ze het nimmer te weten gekomen.
Niet dat Chalmers leed aan goudkoorts, integendeel,
hij haatte het glinsterende metaal, en den dag dat hij ontdekte
dat er goud in de streek te vinden was, zwoer hij
zichzelf niets ervan aan te raken en zijn ontdekking geheim
te houden. En daar had Joe een reden voor.
Het geld. het goud was eens de vloek van zijn leven
geweest; een geschiedenis te lang om te vertellen, nu, waar
we het laatste hoofdstuk van zijn leven willen meedeelen.
Genoeg te zeggen, dat Chalmers naar Californië toog na
een hoogloopenden twist met zijn aanstaanden schoonvader
over schulden, waarbij Joe eindelijk in razernij zijn revolver
trok en doodschoot niet den man, waar hij het op gemunt
had, maar — diens dochter, die hij eenmaal gehoopt had te
„GLORIE”
Mevrouw Tartaud en Chrispijn
„GLORIE”, 2e Bedrijf.
Van links naar rechts: Tartaud, Mevr. Poolman, Mevr. Tartaud.
|