Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1166 tot 1170 van 11897
Nummer
1914, nr.21, 13 nov. 1914
Blad
09
Tekst
PANORAMA Met de Geallieerden aan de Gevechtslinie Nieuwpoort-Dixmuiden FFNJ INDR1 IKW/FKKFNDF Dl Ff HTIf^HFlD De lle en 12e Be,9ische regimenten, die bij de verdediging van Luik ook reeds genoemd zijn, hebben zich L-L-iN 11 Nl_yl\dl \ VV H\I\LU NL7L- rLLvl ll 1V11 1LIU. 00k weer onderscheiden bij de verdediging van de lijn Nieuwpoort—Dixmuiden. Hevig zijn de regimenten geteisterd en vele van de dapperen rusten nu op de kerkhoven van de dorpen in den omtrek van de Yser. Te Veurne, dat op het oogenblik feitelijk de hoofdplaats is van het nog onbezette gedeelte Belgenland, heeft een indrukwekkende plechtigheid plaats gehad. Ter gelegenheid van hun verheffing in de Leopolds-Orde, hebben deze regimenten voor Koning Albert gedefileerd OORLOGS-KRONIEK. 3 Nov. Akaba door een Engelsch smaldeel gebombardeerd; een Engelsch-Fransch eskader bombardeert de forten aan de Dardanellen. — In Noord-Frankrijk wordt verbitterd gevochten zonder noemenswaardig succes aan een der zijden, 4 Nov. Russische troepen dringen van de Kaukasische grens op Turksch grondgebied en verslaan de Turksche troepen bij Kara Kilissa. — Engeland annexeert Egypte en Cyprus. — De Japanners zetten het bombardement van Tsingtau voort; de Duitsche kruiser „Kaiserin Elisabeth” vliegt in de lucht. 5 Nov. Tusschen een Engelsch en Duitsch eskader heeft aan de Chileensche kust een zeeslag plaats; 2 Engelsche kruisers („Monmouth” en „Good Hope”) in den grond geboord; 2 Engelsche kruisers (de „Glasgow” en „Oranto”) beschadigd. Bij Yperen doen de Duitschers wanhopige pogingen om door te breken, echter zonder succes. 6 Nov. De Oostenrijkers trekken langs de San in Galicië voor de Russen terug; de Russen heroveren Jaroslof. 7 Nov. Kiaut-tsjau en Tsing-tau door de Japanners genomen; 2300 Duitschers krijgsgevangen. De Japansche verliezen bedragen 450 officieren DE JONGSTE GEBEURTENISSEN IN BEELD DF TSAAR AAN HET FRONT. De Russische Keizer in gesprek met Generaal Russki, den veroveraar van Lemberg. De middelste figuur is Luit.-Generaal Yanonkevitch.* en soldaten. — Bij de Save nemen de Oostenrijkers 15.000 Serviërs gevangen met eenige kanonnen. — in Noord-Frankrijk maakten de Franschen enkele geringe vorderingen ; om Yperen wordt nog verwoed gestreden. 8 Nov. In Oost-Pruisen rukken de Russen voort tot Stallupönen. — De Oostenrij ksch-Duitsche legers in Galicië door de Russen teruggeslagen; 125 Oostenriiksche officieren en 12.000 soldaten gevangen genomen. — Ten Zuiden van Przemysl nemen de Russen 1000 Oostenrijkers gevangen ; deze laatsten worden op de Karpathen teruggedrongen. — De Duitschers maken achter hun front tcebeieidselen, die op een terugtocht op Antwerpen wijzen. 9 Nov. Op het Westelijk oorlogsterrein maakten de bondgenooten eenige vorderingen om Dixmuiden; de zware mist is echter oorzaak dat de krijgsoperaties zeer bemoeilijkt worden. — Volgens bericht uit Londen is de Duitsche kruiser ,,Emden” door den Australischen kruiser „Sydney” in den grond geboord. 10 Nov. Een Duitsche aanval ten Zuiden van Yperen afgeslagen; tusschen Yperen en Armentières maakten de bondgenooten aanmerkelijke vorderingen. — De Russische legers zetten hun opmarsch in het Oosten voort. MET DE BELGEN AAN DE YSER. Tusschen de uren van verwoed vechten ontbreken de rustpoozen evenmin. Blijkbaar zijn de Belgische soldaten in goede conditie. DE ZEESLAG AAN DE CHILEENSCHE KUST. De Engelsche vloot leed een ernstige nederlaag tegen een overmachtig Duitsch eskader. De kruiser ,,Good Hope”, hierboven afgebeeld, ging hierbij ten onder.
PDF
Nummer
1914, nr.21, 13 nov. 1914
Blad
10
Tekst
PANORAMA HET DOODELIJKE KLAVIER — jk zie aan uw gelaat, dokter, dat u het een ernstig geval vindt, is ’t niet?” „Och, mevrouw,” antwoordde ik zoo geruststellend mogelijk, „er is geen onmiddellijk gevaar en dus geen reden u erg ongerust te maken. Uw dochter isjongetwijfeld ernstig ongesteld; haar zenuwgestel is erg in de war en ze heeft voor alles volkomen rust noodig en mag zich over niets bezorgd maken.” „Maar,” zei nu mijnheer Delmage, „wat kan haar eigenlijk bezorgd maken ? Ze was steeds, zooals u weet, gezond en vroolijk tot voor een paar maanden, toen is ze gaandeweg treurig en ziekelijk geworden.” Ik had een lang consult met den huisdokter en het eind hiervan was dat ik besloot gedurende eenigen tijd op het buiten van den heer Delmage te blijven logeeren, ten einde dit ziektegeval, dat mij interesseerde, eens nader te bestudeeren. Er was nog geen onmiddellijk gevaar, doch als mijn diagnose juist was en de huisarts, dr. Connel, was het volkomen met mij eens, dan was de toestand van het meisje toch hoogst ernstig en wat mij als dokter in dit ziektegeval niet bevredigde was, dat ik er de oorzaak niet van vinden kon. Juffrouw Delmage was een jong meisje van ongeveer achttien jaar. Ze was vroolijk van humeur, nog bijna een kind en de oogappel harer ouders. Plotseling eenige maanden geleden was haar opgewektheid en haar gezondheid verdwenen. Ze werd geplaagd door vreeselijke hoofdpijnen, pijn in de oogen, asthmatische aanvallen gedurende den nacht. De huisdokter had het toen raadzaam gevonden DE WAARHEID EN DE PERS- ----------------- FOTOGRAAF ----------------- EEN ZWAAR GEWONDE! . . . De heer Delmage stond versteld over wat ik hem vertelde. „Zeg mij eens,” vroeg ik hem, „is er iemand die belang zou kunnen hebben bij den dood van uw dochter?” „Nee-e, neen!” antwoordde hij verbaasd over mijn vraag. „Wacht eens,” ging hij voort, terwijl hij nadacht, „Ja-a, daar is mijnheer Hunt. Hij is beheerder van / 50.000. die aan mijn dochter zijn vermaakt door haar tante, onder restrictie evenwel dat mocht Agnes sterven voor ze meerderjarig is, dit geld komt aan de kinderen van mijn zwager Hunt. Ik kan evenwel onmogelijk mijn zwager hier in eenig opzicht verdenken. Hij heeft altijd veel van Agnes gehouden en heeft haar met haar laatste verjaardag nog een prachtige piano cadeau gedaan.” „Is hij gefortuneerd ?” vroeg ik. „Dat kan ik u niet zeggen,” antwoordde de heer Delmage. „Ik geloof niet zoo bijzonder. Hij is eigenaar van een chemische fabriek. Maar, dokter, als hij het plan koesterde mijn kind te dooden of leed te doen, — laat ons deze onmogelijkheid eens voor mogelijk aannemen, — dan zou hij daartoe toch niet in de gelegenheid zijn, want hij komt hoogst zelden hier, hoe menigmaal we hem al hebben uitgenoodigd. Hij leeft geheel voor zijn zaken.” Neen, het was duidelijk dat de heer Hunt onmogelijk de bewerker kon zijn van de ziekte zijner nicht, en toch — toch kon ik de gedachte niet van mij afzetten, dat hij er in een of ander opzicht bij betrokken was. „Welnu,” zei ik na even te hebben nagedacht, „ga met uw dochter eenigen tijd naar een badplaats, liefst waar het rustig is; zeelucht en rust zullen haar zeker goed doen.” Een paar weken later ging ik de familie eens opzoeken en was even verheugd als haar ouders, toen ik bemerkte dat de kuur een groote verandering ten goede had bewerkt. „Ik zal je wat zeggen, dokter,” zei de heer Delmage. „Agnes knapt hier zoo goed op, dat we besloten hebben hier een maand of vier te blijven. Het klimaat is zeer zacnc en we hebben na den angstigen tijd allen wel een weinig rust noodig. Ik heb hier een woning gehuurd en zal verschillende dingen van huis laten komen. We kunnen wel . .. DIE HIER DOOD IS ,.. ... EN HIER WEER SPRINGLEVEND! om het advies van een collega in te roepen en omdat ik nog een oude vriend van den heer Delmage was, had deze mij gevraagd over te komen. Tien dagen waren intusschen sedert mijn aankomst voorbijgegaan, gedurende welken tijd ik nauwkeurig de vorderingen der ziekte (want vorderingen maakte ze, helaas!) had gadegeslagen, en na dit tijdsverloop was ik nog even ver omtrent de oorzaak der ziekte; hoewel haar aard bij mij niet aan den minsten twijfel onderhevig was. „Kun je niets doen voor mijn arm kind?” vroeg mijn vriend Delmage mij op een dag. „Zal ze voor onze oogen wegsterven ?” Ik besloot nu hem mijn meening omtrent deze ziekte te zeggen. Er was toch niets te winnen met dat langer te verzwijgen. „Ik heb het verloop en de symptomen der ziekte nauwlettend nagegaan,” zei ik hem, „en er bestaat bij mij niet de minste twijfel, dat uw dochter lijdt aan arsenicumvergiftiging.” De heer Delmage keek mij verschrikt aan. „Vergiftiging 1” riep hij uit. „Ja,” ging ik voort, „alle symptomen zijn die van arsenicum-vergiftiging. Het onbegrijpelijke is echter hoe dat geschiedt. Ze eet hetzelfde voedsel wat u eet; daarin kan ’t dus niet wezen. Ik heb het behang van haar slaapkamer, zelfs haar zeep, haar tandpoeder, kortom alles wat ik maar denk dat de oorzaak zou kunnen wezen, aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. Doch niet het minste heb ik gevonden wat mij verdacht voorkomt. Ik beken eerlijk, dat ik het niet doorgronden kan. In allen geval moet ik u aanraden uw dochter een verandering van lucht te doen ondergaan, onverschillig waar. Als dan eenige beterschap mocht intreden, mag u ze beslist niet laten terugkeeren, alvorens ik de oorzaak der vergiftiging gevonden heb. ’t Zonderlinge is dat niemand anders in uw huisgezin er door getroffen wordt.” H et is een rare tijd voor de persfotografen. De lezers en daarmee dus van zelf ook de redacteuren van de geïllustreerde bladen verlangen dat zij op de hoogte gehouden worden en dus in beeld gebracht zien alles wat op het oorlogsterrein geschiedt en ... laat ik het maar erkennen, geachte lezers, een beetje ijselijkheid moet er ook bij zijn. En juist dat is een heel erg moeilijk punt. Brandende dorpen, zoo echt brandend, dat de rook er nog uitslaat, gefusileerde boeren, gesneuvelde soldaten, jongens, dat alles is niet zoo heel makkelijk voor de lens van de Camera te brengen. Want in den regel houden de legerautoriteiten er heelemaal niet van om zulke dingen te laten vereeuwigen. De oorlogsnoodzakeliikh«id doet een heelen boel dingen over hetj hoofd zien ... maar het gevoel van beschaafd te willen zijn, weerhoudt toch altijd heel sterk den lust, om alles gepubliceerd te zien. Wat de werkelijkheid u niet geeft, dat geeft het handig technische aanpassingsvermogen en de fantasie. Een foto met een verbrand huis, wat grijze verf, klaar is Kees, het brandt en de rook slaat er nog uit. Een paar gewillige boerenkerels, een boerderijtje in den omtrek, twee kwartjes per man en de gefusileerde boertjes zijn er. Een handig gebruik van wat kleeren en een masker, geschikt uitgeknipte figuurtjes goed opgeplakt en dan over gefotografeerd en.... het resultaat is verrassend. Wij kennen die kunstjes alle, niet omdat wij ze zelf toepassen, doch juist omdat wij, wetend hoe groote inspanningen wii noodig hebben en welke belangrijke offers het ons kost om alleen fotofs naar de werkelijkheid of teekeningen naar absoluut vertrouwbare gegevens te verschaffen, niet graag zien dat anderen met dergelijke kunstjes succes hebben, letten wij erop. Als een uitstekende illustratie hebben wij hier een geval „te pakken”. Oogenschijnlijk vormen de drie hierboven afgebeelde, een mooie serie „oorlogsfoto's”. Hoe sympathiek die groep van den gewonde geholpen door zijn kameraad, hoe vreeselijk die twee „dooie Doodkopshuzaren.” Maar nu moet ge ereis goed opletten hoe verrassend veel die gewonde van foto 1, lijkt op een van de dooden van foto II (de liggende figuur het meest verwijderd) en als ge een beetje scheip toeziet, ontdekt ge een verrassende overeenkomst in figuur en baardvorm van het meest vooraanliggende „lijk” en den onderofficier op foto III, die het ziekenrapport afneemt, ’t Lijkt wonderlijk veel op een heel handig in elkaar gezette Óomedie. 't Vermakelijke van het geval is, dat foto I en de foto’s II en III ons van twee verschillende kanten bereikten. De foto-bureaux (tusschen haakjes zij gezegd dat al die mededeelingen van eigen foto-redacteuren aan alle fronten, ook „onder voorbehoud” dienen geaccepteerd te worden, niet omdat het altijd onwaar is, maar wel omdat het niet steeds mogelijk is), die ons van deze kieken voorzagen, hebben dus blijkbaar zelf geen schuld, zij zijn er ingevlogen. Wij hebben dit geval uitvoerig behandeld, omdat wij vonden dat het noodzakelijk is, dat onze lezers ereis achter de schermen konden zien, noodzakelijk in hun eigen belang, maar ook in dat van de tijdschriftredacties, die alles doen, om hun lezers slechts authentieke foto’s en teekeningen voor te leggen en die zich er voor hoeden willen, dat anderen minder scrupuleuze „Opstellers” met gemakkelijke „succesjes” hun lezers bij den neus nemen. niet veel plaatsen, maar Agnes had graag haar piano hier, die ze, nu ze zooveel beter is, erg mist.” „Heel goed,” zei ik, „mij lijkt ook het best dat je hier blijft tot je dochter geheel hersteld is.” Een week later ontving ik een dringend telegram van den heer Delmage om dadelijk over te komen. De villa die de familie bewoonde was niet groot, maar lief en heel mooi gelegen. Toen ik aanschelde, kwam de heer des huizes mij haastig te gemoet. Hij was zeer bedrukt. „Mijn arm kind,” riep hij mij toe, „ze is erger dan ooit te voren.” Het jonge meisje lag op een sofa in een donkere kamer. Ze leed vreeselijk aan hoofdpijn, pijn in de oogen, braken, slapeloosheid, brandende dorst en vale, vervallen gelaatstrekken. Ik gaf de zieke iets om haar de pijn wat te verminderen en te kunnen slapen. Terwijl ik bij haar zat, merkte ik op (wat mij reeds vroeger, was opgevallen, maar waaraan ik geen verdere aandacht had geschonken) dat haar nagels waren afgebeten. Ze had mij toen verteld dat ze zich dat had aangewend, omdat lange nagels haar hinderden bij het pianospelen. Nu herinnerde ik mij alles weer en kreeg dit voor mij een bijzondere beteekenis. Juffrouw Agnes was de eenige die piano speelde; de piano was haar geschonken door den heer Hunt, een chemicus; de hernieuwde aanval was begonnen, nadat de piano naar deze woning was overgebracht. De piano moest dus ongetwijfeld met de ziekte in verband staan, maar hoe ? Ik besloot den heer Delmage van mijn vermoedens voorloopig onkundig te laten en de piano eens nauwlettend te onderzoeken. Hiertoe had ik na het diner gelegenheid, toen mevrouw naar . de ziekekamer toog, om haar dochter gezelschap te houden en de heer Delmage een kleine wandeling ging doen. Ik sloeg het klavier open, stak de kaarsen aan en bezag met critischen blik het klavier. Niets bijzonders was evenwel te
PDF
Nummer
1914, nr.21, 13 nov. 1914
Blad
11
Tekst
zien. Toen haalde ik een microscoop te voorschijn en beschouwde toets voor toets. Beginnende bij den baskant, had ik reeds tal van toetsen zonder resultaat bestudeerd, en teleurgesteld wilde ik mijn nutteloos onderzoek staken, toen ik bij het één-gestreept-octaaf een weinig wit poeder opmerkte. Mijn adem stokte in mijn keel. Dus toch ! Ja, een nader onderzoek overtuigde mij dat dit poeder arsenicum was. Doch waar kwam het vandaan ? Ik legde het mechaniek geheel open, lichtte toen een der toetsen op en zag daaronder een dubbelgevouwen bruin soepel papier, gevuld met arsenicum-poeder. Het was zoo genieus gemaakt, dat er telkens als er een toets naar beneden gedrukt werd een weinig van het poeder over het klavier stoof; toch werd de toon en het mechaniek er niet in het minst door belemmerd. De slechte gewoonte van juffrouw Delmage om haar nagels af te bijten (een gewoonte die haar oom ongetwijfeld bekend was) had deze aangewend om het meest duivelachtige plan te ontwerpen, ten einde zich van een erfenis te kunnen meester maken; een plan, waarin hij bijna was geslaagd. Ik legde de toetsen weer op hun plaats, voorzichtig om het papier met arsenicum niet te beschadigen, want dit zou moeten dienen om den heer Hunt — dat was mijn vast voornemen — aan de justitie over te leveren. Toen ik de piano verliet, merkte ik tot mijn verbazing dat ik bespied werd. Het was slechts een oogenblik, doch ik had duidelijk een gelaat aan het venster gezien; iemand buiten had mij oplettend gadegeslagen. Het was het gelaat van een man op gevorderden leeftijd, met grijzen baard en verwilderde oogen. Ik vloog naar het raam, toen eensklaps een schot klonk en een kogel langs mijn hoofd vloog en een vaas op den schoorsteen verbrijzelde. Ik aarzelde niet, maar sprong het raam uit en zag den man vluchten naar eenig struikgewas achter de woning, waar hij verdween. Weer klonk er een schot. Ik haastte mij naar het boschje, inmiddels gevolgd door den heer Delmage en eenige dienstboden, die op het geluid der revolverschoten naar buiten waren gekomen, en daar, tusschen de struiken vonden we het lichaam van een ouden heer, dien de heer Delmage als zijn zwager herkende. Hij was overgekomen om te zien of zijn misdadig plan al vorderingen gemaakt had. Toen hij de woning langs kwam. had hij gezien hoe ik de piano onderzocht en begrepen dat zijn geheim ontdekt was. In zijn woede trachtte hij mij toen te dooden. Het duurde nog geruimen tijd alvorens juffrouw Delmage en haar ouders van den schok bekomen waren, maar tijd is een goede heelmeester en thans zijn allen weer gezond en gelukkig. De piano met haar noodlottig klavier is nu opgeborgen in een weinig gebruikte kamer van het landhuis en somtijds is het aan bezoekers vergund haar te zien en haar geschiedenis te hooren. EEN NOODKREET IN DEN NACHT oordat ik in deze stad kwam wonen, ben ik eenige jaren uitwonend assistent geweest in het ziekenhuis te A., waar ik mij tevens mocht verheugen in een drukke particuliere praktijk. Het was in den laatsten tijd van mijn verblijf aldaar dat er een voorval plaats greep, dat ik u thans vertellen wil. Het gebeurde op den tweeden Vrijdag in de maand October, des avonds te halfelf; de datum en het uur zijn onuitwischbaar in mijn geheugen gegrift. Ik had een drukken dag gehad en was ten volle overtuigd dat ik den gemakkelijken stoel verdiend had, waarin ik mij neervlijde. Een dokter is echter nooit meester van zijn tijd. Ik had nog geen bladzijde gelezen van mijn lijforgaan of de bel der telefoon klonk. Ik stond teleurgesteld op en liep naar het instrument dat aan den wand hing, nog met de zwakke hoop dat het misschien een abuis van het telefoonbureau mocht wezen. Dat was me al meer gebeurd, een der telefoonjuffrouwen scheen er blijkbaar een eigenaardig genoegen in te vinden om ’s avonds op ongelegen uren verkeerde aansluitingen te fabrieken. Ik greep den horen en riep op een niet al te vriendelijken toon, vrees ik: ,,Hallo 1 Dokter Korner I” In ’t eerst hoorde ik niets dan het gewone gesuis en geknetter, alsof een aantal eenden of ganzen aan het andere einde van den draad een dispuutvergadering hielden. ,,Hallo I Met wien spreek ik1” Nog geen verstaanbaar antwoord. „Hallo! Halloo-oü Wie is daar?” Ik hoorde een geraas en daartusschen door klonk een vrouweCor v. d. Lugt-Melsert en Annie van Ees. ZIJN EVENBEELD TOONEELSPEL IN DRIE BEDRIJVEN D e fijne bonbonnière, het schouwburgje van Eduard Verkade, waarin hij zijne met zorg gekozen stukken ten tooneele brengt, geeft weer den prettigen aanblik, dien een doos fijne pralines in de verzorgde étalage van ’n werkelijk met smaak arbeidenden confiseur kan te genieten geven. En even makkelijk als de pralines, smelten de zieltjes der met aandacht en vereering luisterende toeschouwers en toeschouwsters. En dit stuk is wel geschikt om je te doen smelten. Mevrouw Simons-Mees is aan ’t woord, en Mevrouw Simons-Mees kent de harp des Hollandschen gemoeds en deszelfs wat donker getinte en zwaarmoedige tonen, als ieder andere Hollandsche vrouw haar porceleinkast. Zij is verliefd op stemmingen en sentiment, wijl deze zijn als de teere tinten van onzen schoonen Hollandschen herfst en nergens is de herfst zoo schoon als in Holland, omdat de stemmingen zoo wonderwel passen bij ons land en het karakter van het land. Zoo zit ook alweer in dit stuk de melancholie van den herfst. Wel ’n beetje om des herfsts wille! Wat maken wij Hollandsche menschen het ons toch moeilijk. We hebben ons verdriet als ieder ander, maar dat we dat verdriet tot ’n soort rouwkapel om ons leven zetten, terwijl we eigenlijk maar ’n beetje dieper en ’n beetje beter de dingen om ons heen moesten begrijpen kunnen, dat is ’n smart-adoratie, die waarachtig toch ’n beetje vèr gaat. Want n’en déplaise. Mevrouw van der Horst’s prachtige spel in de moederrol, was hier het tragische van in haar kind „Zijn evenbeeld”, dat is het evenbeeld van den vader, met al z’n dartelheid en wuftheid en lichtzinnigheid, ja zelfs z’n gemeenheid, te zien, heusch ’n vergissing, want Paul, zooals mevrouw Simons-Mees ons hem gaf, en zooals Annie van Ees hem charmant speelde, was heelemèèl niet papa’s evenbeeld, en ’n jongen, waar ’n beetje wat-vanhet-leven-snappende en niet zoo maar op moraal en haar eigen ongeluk tamboereerende moeder, ’n besten kerel van zou gemaakt hebben. Papa was ’n onprettig heer, ’n zwakkeling met manieren en geld, die z’n wat week gemoed voor sentiment houdt, maar ’n onbedorven schooier is, dank zei z’n verregaande onachtzaamheid in de keus van de wijze waarop hij aan z’n onbeheeschte genietingen gelooft te mogen toegeven. In het eerste bedrijf wacht z’n gewezen maar nog niet gescheidene vrouw het bezoek van den vader bij den jongen. De jongen neigt wèl naar zijns vaders wuftheid, maar is niet verdorven. Een vriendin, die ze in jaren niet gezien heeft, komt haar opzoeken, omdat de moeder toch iemand noodig heeft om mee te praten, anders vernam het publiek niets van de ware verhouding. We maken in de eerste acte dus kennis met moeder, vader en zoon, en de vriendin; in de tweede neemt de vader den zoon mee naar Brussel, tegen den zin en buiten het weten van z’n moeder, en in de derde komt de vader met den zoon uit Brussel terug en eischt dat de moeder hem weer als haar man erkent en anders houdt hij den zoon achter, want... terwijl die met andere vrouwen in Brussel soupeerde, is-ie van de moeder van z’n jongen weer zoo g aan houden! En de moeder die hem verfoeit stemt toe, om het ind te behouden, terwijl wij in ongewisheid achterblijven of de man aan z’n dreigement gevolg geeft en dus werkelijk ’n schooier is, of alleen maar ’n onhebbelijke lafaard is. De rollen van de moeder, door Mevrouw van der Horst gespeeld — die hiermede haar door ons allen zeer geapprecieerde terugkomst in Holland uit Antwerpen vierde — è quelque chose, malheur est bon! — van de vriendin, door Mevr. Duymaer van Twist vertolkt, van den man, aan den heer Cor van der Lugt toevertrouwd en last not least die van Paul, waarvan alle eer aan Annie van Ees toekomt, werden alle uitstekend vertolkt en ze aaven het stuk van Mevrouw Simons—Mees werkelijk allen eer, waaraan zelfs de kransen niet ontbraken! TOM SCHILPEROORT. ZIJN EVENBEELD. Van links naar rechts: Wilh. Duymaer van Twist, Cor v. d. Lugt-Melsert, Mevr. v. d. Horst, Annie van Ees. (foto's Couvée) PANORAMA stem, heel zwak. — „Wat blieft u? ïk ben dokter Korner! Met wien spreek ik ?” Ik luisterde met alle aandacht, maar geen verstaanbare zin bereikte mijn oor. Er waren blijkbaar twee verschillende gesprekken op mijn lijn, zoodat ik niets dan onsamenhangende woorden hoorde. Toen klonk opeens een luid gestommel, alsof in de kamer waarmee ik verbonden was een of ander zwaar meubelstuk werd verschoven of omviel. „Hallo ! Hallo !” riep ik meer en meer ongeduldig. Toen hoorde ik eindelijk een stem plotseling, duidelijk en verschrikkelijk, niet meer mijlen ver weg, maar doordringend, vlak bij. Het was de stem van een vrouw, die in den grootsten angst gilde : „Dokter help ! Hij wil mij dooden ! Hij komt terug! Hij is aan mijn kamerdeur. O, hemel, help I” Ik kan niet in woorden weergeven den angst die uit deze woorden mij toeklonk. Onwillekeurig bracht ik mijn hand aan mijn voorhoofd, het was klam van zweet. Iedere modulatie in de stem van die vrouw had ik gehoord zoo duidelijk, alsof ze op een armslengte van mij af gestaan had. Ik had nimmer te voren een stem gehoord, waaruit zoo’n wereld van angst en schrik klonk. Ik luisterde nog een minuut lang, doch niet het minste geluid klonk meer tot mij door. Ik hing den horen even op en nam hem dadelijk daarop weer ter hand; ik wilde aansluiting met het telefoon-bureau. „Hallo !” klonk het. „Juffrouw met wien was ik zooeven aangesloten ?” „U aangesloten ?” „Ja, juffrouw! In ’s hemelsnaam zeg ’t me, gauw!” „Ik weet ’t niet, mijnheer!” „Weet u ’t niet, weet u ’t niet? U moet ’t weten, juffrouw ! En u moet ’t me dadelijk zeggen, ’t is van ’t hoogste belang!” „Best mogelijk, meneer! Maar ik kan u niet helpen, hoor!” „Maar dat is ongehoord ! Juffrouw .... Juffrouw ...!” Ik hoorde niets meer, de telefoonjuffrouw had de verbinding verbroken; woedend en ten hoogste ontsteld hing ik dus den horen maar op. Ik liep naar het buffet, schonk mij een glas cognac in (mijn hand beefde) en dronk dit in één teug uit. Ik sloeg een blik in den spiegel en staarde in een doodsbleek gelaat. Waar had dit treurige voorval plaats ? Wie was de vrouw, die mij zoo dringend om hulp gesmeekt had? Welke afschuwelijke misdaad had er thans plaats en waar? Ik ging zitten en dacht na! Het denkbeeld dat het geheele drama een misplaatste grap was van een of ander mijner kennissen, wierp ik verre van mij. Neen, dat was onmogelijk ! Daarvoor was de angst in de stem der onbekende vrouw te echt geweest. Die bons, dat gegil en gekerm — het zou mij altijd bijblijven. Er was geen twijfel mogelijk : in het een of ander deel der stad had een misdaad, misschien meer plaats gehad. Ik stelde mij het drama als volgt voor: Waarschijnlijk had de schurk, alvorens zijn misdaad te volvoeren zijn slachtoffer opgesloten en was het huis gaan doorzoeken of de straat opgegaan ten einde zich te overtuigen dat hij in zijn misdadigen opzet niet zou worden gestoord. Zij, opgesloten, had nog één middel gevonden zich met de buitenwereld in verbinding te stellen: de telefoon. Ze had mij opgebeld, waarschijnlijk omdat ze tot mijn kring van patiënten behoorde. Daarom liet ik den wijden kring van kennissen en cliënten in mijn gedachten de revue passeeren, doch zonder resultaat! Den volgenden morgen zou de misdaad natuurlijk door de geheele stad bekend zijn en zou ik als een getuige, een oor-getuige, gehoord kunnen wórden. Wat een sensatie zou dat geven. Ik zal nooit den nacht vergeten die nu volgde. Uren lang lag ik wakker, me dan op de eene dan op de andere zijde keerende, en de klok had al drie uur geslagen, toen nog geen slaap mijn oogen geloken had. Den volgenden morgen, na mijn ontbijt — een triestig ontbijt — gebruikt te hebben, dacht ik er over wat mij te doen stond. Het eenvoudigste leek mij naar de politie te gaan en daar mijn wedervaren te vertellen. Doch wat zou dit uitwerken ? Ik zag reeds den ongeloovigen glimlach op het gelaat van een cynisch politie-inspecteur. Eindelijk besloot ik te wachten, nog vier en twintig uur. De dame moest toch gemist worden, na dien tijd zou de misdaad toch zeker algemeen bekend zijn. Ik liet dien middag dadelijk bij het verschijnen een krant halen en keek nieuwsgierig de nieuwskolommen af. Geen woord over den moord! Ik legde de krant neer en ging een wandeling doen, overleggende en tevergeefs trachtende een verklaring te vinden. Ieder huis dat ik passeerde kon het tooneel van den misdaad geweest zijn. Daar kwam ik voorbij een woning, waarvan de blinden gesloten waren. Een rilling ging door mijn aderen. Had het toeval mij naar het noodlottige huis gevoerd ? (Wordt vervolgd). ZIJN EVENBEELD
PDF
Nummer
1914, nr.21, 13 nov. 1914
Blad
12
Tekst
r /—< i n i\ y-A i ” i r~\ „CHARTREUSE-TARRAGONE" Qr venle partouLAgent génèral JAVERBUNTTilbuigj A. W. SIJTHOFF’S UITG.-Mij. te Leiden heeft uitgegeven en bij alle Boekhandelaren verkrijgbaar gesteld: - IK KAN HANDWERKEN - Practische Handleiding voor het vervaardigen van alle voorkomende Vrouwelijke Handwerken, bewerkt door HENRIETTE J. VAN WESSEM. Leeraresa.d. Industrieschoolte ’s-Gravenhage. 450 Bladzijden. - 1200 Afbeeldingen. — Prijs f2.—, Gebonden f2.40. THE CROWNFOUNTAIN PEN. DE BESTE -VULPEN. 5 Hoe het komt dat een CROWN VULPEN niet alleen BETER doch ook GOEDKOOPER is dan elk ander soort Vulpen??? Wel, omdat een CROWN er op berekend is LEVENSLANG te duren zonder kostbare reparatiën of vernieuwingen die een vulpen duur maken. GEHALTE en SAMENSTELLING van een CROWN VULPEN zijn een resultaat van ERVARING en WETENSCHAP. Geïll. Catalogus bij den Boekhandel (gratis) of van de CROWN FOUNTAIN PEN Co. Ltd., 180 Singel, Amsterdam. Verweegen © "Kok Clmsterdam “Kalverstraat 88-90. Oen Tiaag ■Hoogstraat 25 'Reisartikelen Sederwaren Prins Hendrikkade 68. AMSTERDAM. frissclie Kracht en Gezondheid voor de Ouden van dagen. WIMCARNIS UITSTEKEND TONICUM. Bestaande uit prima portwijn, vleeschextract en moutextract. Bekroond met gouden medaille Wereld-tentoonstelling Brussel 1910. WIMCARNIS is een zeer aangenaam smakende, toniseerende wijn, aangewezen bij verschillende zwakte-toestanden, uitputting, bloedarmoede en reconvalescentie. Prijs per groote flesch ƒ 3 — per kleine flesch ƒ 2 — Verkrijgbaar bij alle Apothekers en Drogisten; en bij den GeneraalAgent voor Nederland: P. DESSERS, Leidschekade 67, Amsterdam. Onder voortdurende controle van Dr. P J. SCHIEVEEN BORGMAN, Mosseltrap 2, Rotterdam. Aanbevolen door meer dan 10.000 Doktoren. GEBSëVincent JïlJITENHAVENTVVEG 132 S Schieham -Tkleidon M14 FXwyrKvAN Gesm:*Jzei 4827 en 10421. Telegram-Adres: VELDRUM. DE „SWAN” VULPEN A. Hoosendijk Jz. - Vlaardinsen. Geschikt voor ELKE hand; is wereldberoemd als --------------------= DE BESTE = Wacht U voor namaak I Geïllustreerde Prijscourant gratis. Verkrijgbaar bij alle solide handelaren in schrijfbehoeften en aanverwante artikelen. Hoofdasenten: GEBRs. POLAK, afd. SWANvulpen, VLISSINGEN. Importeur oiÉiB Douro-Portwijnen. KANTOORVLAG. CHAMPAGNE „QUEEN" Bodega s „Oporto”, Rdam, ’s-Hage, A dam. COODRICH-Banden. Gebr. DE WILDE, Rubber, AMSTERDAM. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN
PDF
Nummer
1914, nr.21, 18 nov. 1914
Blad
13
Tekst
No. 21b 18 Nov. 1914,2e Jrg. Verschijnt 2 maal p.week Abonnement per kwartaal f 1.30 DIT nummer kost afzonderlijk 7'/2 Ct Voor BELGIË 20 Centiemen UITGAVE VAN A.W. SIJTHOEF'S UITGEVERS MAATSCHAPPIJ LEIDEN ® Redactie e e -Ad m i n 15 tnati e DOEZASTRAAT l Telefoonnummer I s EEN OORLOGS-IDYLLE. EEN FRANSCHE VERPLEEGSTER BIEDT EEN ALGERIJNSCHEN STRIJDER, DIE AAN BEIDE HANDEN GEWOND IS, EEN CIGARET AAN.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1166 tot 1170 van 11897