|
zien. Toen haalde ik een microscoop te voorschijn en beschouwde
toets voor toets. Beginnende bij den baskant,
had ik reeds tal van toetsen zonder resultaat bestudeerd,
en teleurgesteld wilde ik mijn nutteloos onderzoek staken,
toen ik bij het één-gestreept-octaaf een weinig wit poeder
opmerkte. Mijn adem stokte in mijn keel. Dus toch ! Ja,
een nader onderzoek overtuigde mij dat dit poeder arsenicum
was. Doch waar kwam het vandaan ? Ik legde het
mechaniek geheel open, lichtte toen een der toetsen op
en zag daaronder een dubbelgevouwen bruin soepel papier,
gevuld met arsenicum-poeder. Het was zoo genieus
gemaakt, dat er telkens als er een toets naar beneden
gedrukt werd een weinig van het poeder over het klavier
stoof; toch werd de toon en het mechaniek er niet in het
minst door belemmerd.
De slechte gewoonte van juffrouw Delmage om haar
nagels af te bijten (een gewoonte die haar oom ongetwijfeld
bekend was) had deze aangewend om het meest duivelachtige
plan te ontwerpen, ten einde zich van een erfenis
te kunnen meester maken; een plan, waarin hij bijna was
geslaagd.
Ik legde de toetsen weer op hun plaats, voorzichtig om
het papier met arsenicum niet te beschadigen, want dit
zou moeten dienen om den heer Hunt — dat was mijn
vast voornemen — aan de justitie over te leveren.
Toen ik de piano verliet, merkte ik tot mijn verbazing
dat ik bespied werd. Het was slechts een oogenblik, doch
ik had duidelijk een gelaat aan het venster gezien; iemand
buiten had mij oplettend gadegeslagen. Het was het
gelaat van een man op gevorderden leeftijd, met grijzen
baard en verwilderde oogen. Ik vloog naar het raam, toen
eensklaps een schot klonk en een kogel langs mijn hoofd
vloog en een vaas op den schoorsteen verbrijzelde.
Ik aarzelde niet, maar sprong het raam uit en zag den
man vluchten naar eenig struikgewas achter de woning,
waar hij verdween.
Weer klonk er een schot.
Ik haastte mij naar het boschje, inmiddels gevolgd door
den heer Delmage en eenige dienstboden, die op het geluid
der revolverschoten naar buiten waren gekomen, en daar,
tusschen de struiken vonden we het lichaam van een ouden
heer, dien de heer Delmage als zijn zwager herkende.
Hij was overgekomen om te zien of zijn misdadig plan
al vorderingen gemaakt had. Toen hij de woning langs
kwam. had hij gezien hoe ik de piano onderzocht en begrepen
dat zijn geheim ontdekt was. In zijn woede trachtte
hij mij toen te dooden.
Het duurde nog geruimen tijd alvorens juffrouw Delmage
en haar ouders van den schok bekomen waren, maar tijd
is een goede heelmeester en thans zijn allen weer gezond
en gelukkig.
De piano met haar noodlottig klavier is nu opgeborgen
in een weinig gebruikte kamer van het landhuis en somtijds
is het aan bezoekers vergund haar te zien en haar geschiedenis
te hooren.
EEN NOODKREET
IN DEN NACHT
oordat ik in deze stad kwam wonen, ben ik
eenige jaren uitwonend assistent geweest in
het ziekenhuis te A., waar ik mij tevens
mocht verheugen in een drukke particuliere
praktijk. Het was in den laatsten tijd van
mijn verblijf aldaar dat er een voorval
plaats greep, dat ik u thans vertellen wil.
Het gebeurde op den tweeden Vrijdag in de maand
October, des avonds te halfelf;
de datum en het uur zijn onuitwischbaar
in mijn geheugen gegrift.
Ik had een drukken dag
gehad en was ten volle overtuigd
dat ik den gemakkelijken stoel verdiend
had, waarin ik mij neervlijde.
Een dokter is echter nooit meester
van zijn tijd. Ik had nog geen
bladzijde gelezen van mijn lijforgaan
of de bel der telefoon klonk. Ik
stond teleurgesteld op en liep naar
het instrument dat aan den wand
hing, nog met de zwakke hoop dat
het misschien een abuis van het
telefoonbureau mocht wezen. Dat
was me al meer gebeurd, een der
telefoonjuffrouwen scheen er blijkbaar
een eigenaardig genoegen in
te vinden om ’s avonds op ongelegen
uren verkeerde aansluitingen
te fabrieken.
Ik greep den horen en riep op
een niet al te vriendelijken toon,
vrees ik:
,,Hallo 1 Dokter Korner I”
In ’t eerst hoorde ik niets dan
het gewone gesuis en geknetter,
alsof een aantal eenden of ganzen
aan het andere einde van den draad
een dispuutvergadering hielden.
,,Hallo I Met wien spreek ik1”
Nog geen verstaanbaar antwoord.
„Hallo! Halloo-oü Wie is daar?”
Ik hoorde een geraas en daartusschen
door klonk een vrouweCor
v. d. Lugt-Melsert en Annie van Ees.
ZIJN EVENBEELD
TOONEELSPEL IN DRIE BEDRIJVEN
D
e fijne bonbonnière, het schouwburgje van Eduard Verkade,
waarin hij zijne met zorg gekozen stukken ten tooneele brengt,
geeft weer den prettigen aanblik, dien een doos fijne pralines
in de verzorgde étalage van ’n werkelijk met smaak arbeidenden
confiseur kan te genieten geven. En even makkelijk als de pralines,
smelten de zieltjes der met aandacht en vereering luisterende toeschouwers
en toeschouwsters.
En dit stuk is wel geschikt om je te doen smelten. Mevrouw
Simons-Mees is aan ’t woord, en Mevrouw Simons-Mees kent de
harp des Hollandschen gemoeds en deszelfs wat donker getinte en
zwaarmoedige tonen, als ieder andere Hollandsche vrouw haar
porceleinkast. Zij is verliefd op stemmingen en sentiment, wijl
deze zijn als de teere tinten van onzen schoonen Hollandschen herfst
en nergens is de herfst zoo schoon als in Holland, omdat de stemmingen
zoo wonderwel passen bij ons land en het karakter van
het land.
Zoo zit ook alweer in dit stuk de melancholie van den herfst.
Wel ’n beetje om des herfsts wille! Wat maken wij Hollandsche
menschen het ons toch moeilijk. We hebben ons verdriet als ieder
ander, maar dat we dat verdriet tot ’n soort rouwkapel om ons
leven zetten, terwijl we eigenlijk maar ’n beetje dieper en ’n beetje
beter de dingen om ons heen moesten begrijpen kunnen, dat is
’n smart-adoratie, die waarachtig toch ’n beetje vèr gaat. Want
n’en déplaise. Mevrouw van der Horst’s prachtige spel in de moederrol,
was hier het tragische van in haar kind „Zijn evenbeeld”, dat is
het evenbeeld van den vader, met al z’n dartelheid en wuftheid
en lichtzinnigheid, ja zelfs z’n gemeenheid, te zien, heusch
’n vergissing, want Paul, zooals mevrouw Simons-Mees ons hem
gaf, en zooals Annie van Ees hem charmant speelde, was heelemèèl
niet papa’s evenbeeld, en ’n jongen, waar ’n beetje wat-vanhet-leven-snappende
en niet zoo maar op moraal en haar eigen
ongeluk tamboereerende moeder, ’n besten kerel van zou gemaakt
hebben. Papa was ’n onprettig heer, ’n zwakkeling met manieren
en geld, die z’n wat week gemoed voor sentiment houdt, maar
’n onbedorven schooier is, dank zei z’n verregaande onachtzaamheid
in de keus van de wijze waarop hij aan z’n onbeheeschte
genietingen gelooft te mogen toegeven.
In het eerste bedrijf wacht z’n gewezen maar nog niet gescheidene
vrouw het bezoek van den vader bij den jongen. De jongen
neigt wèl naar zijns vaders wuftheid, maar is niet verdorven. Een
vriendin, die ze in jaren niet gezien heeft, komt haar opzoeken,
omdat de moeder toch iemand noodig heeft om mee te praten,
anders vernam het publiek niets van de ware verhouding. We
maken in de eerste acte dus kennis met moeder, vader en zoon,
en de vriendin; in de tweede neemt de vader den zoon mee naar
Brussel, tegen den zin en buiten het weten van z’n moeder, en in
de derde komt de vader met den zoon uit Brussel terug en eischt
dat de moeder hem weer als haar man erkent en anders houdt
hij den zoon achter, want... terwijl die met andere vrouwen in
Brussel soupeerde, is-ie van de moeder van z’n jongen weer zoo
g
aan houden! En de moeder die hem verfoeit stemt toe, om het
ind te behouden, terwijl wij in ongewisheid achterblijven of de
man aan z’n dreigement gevolg geeft en dus werkelijk ’n schooier
is, of alleen maar ’n onhebbelijke lafaard is.
De rollen van de moeder, door Mevrouw van der Horst gespeeld —
die hiermede haar door ons allen zeer geapprecieerde terugkomst in Holland uit Antwerpen vierde — è quelque chose, malheur est
bon! — van de vriendin, door Mevr. Duymaer van Twist vertolkt, van den man, aan den heer Cor van der Lugt toevertrouwd en last
not least die van Paul, waarvan alle eer aan Annie van Ees toekomt, werden alle uitstekend vertolkt en ze aaven het stuk van
Mevrouw Simons—Mees werkelijk allen eer, waaraan zelfs de kransen niet ontbraken! TOM SCHILPEROORT.
ZIJN EVENBEELD. Van links naar rechts: Wilh. Duymaer van Twist, Cor v. d. Lugt-Melsert, Mevr. v. d.
Horst, Annie van Ees. (foto's Couvée)
PANORAMA
stem, heel zwak. — „Wat blieft u? ïk ben dokter Korner!
Met wien spreek ik ?”
Ik luisterde met alle aandacht, maar geen verstaanbare
zin bereikte mijn oor. Er waren blijkbaar twee verschillende
gesprekken op mijn lijn, zoodat ik niets dan onsamenhangende
woorden hoorde. Toen klonk opeens een luid gestommel,
alsof in de kamer waarmee ik verbonden was
een of ander zwaar meubelstuk werd verschoven of omviel.
„Hallo ! Hallo !” riep ik meer en meer ongeduldig.
Toen hoorde ik eindelijk een stem plotseling, duidelijk
en verschrikkelijk, niet meer mijlen ver weg, maar doordringend,
vlak bij. Het was de stem van een vrouw, die
in den grootsten angst gilde :
„Dokter help ! Hij wil mij dooden ! Hij komt terug! Hij
is aan mijn kamerdeur. O, hemel, help I”
Ik kan niet in woorden weergeven den angst die uit deze
woorden mij toeklonk. Onwillekeurig bracht ik mijn hand
aan mijn voorhoofd, het was klam van zweet. Iedere modulatie
in de stem van die vrouw had ik gehoord zoo duidelijk,
alsof ze op een armslengte van mij af gestaan had.
Ik had nimmer te voren een stem gehoord, waaruit zoo’n
wereld van angst en schrik klonk.
Ik luisterde nog een minuut lang, doch niet het minste
geluid klonk meer tot mij door.
Ik hing den horen even op en nam hem dadelijk daarop
weer ter hand; ik wilde aansluiting met het telefoon-bureau.
„Hallo !” klonk het.
„Juffrouw met wien was ik zooeven aangesloten ?”
„U aangesloten ?”
„Ja, juffrouw! In ’s hemelsnaam zeg ’t me, gauw!”
„Ik weet ’t niet, mijnheer!”
„Weet u ’t niet, weet u ’t niet? U moet ’t weten, juffrouw
! En u moet ’t me dadelijk zeggen, ’t is van ’t hoogste
belang!”
„Best mogelijk, meneer! Maar ik kan u niet helpen,
hoor!”
„Maar dat is ongehoord ! Juffrouw .... Juffrouw ...!”
Ik hoorde niets meer, de telefoonjuffrouw had de verbinding
verbroken; woedend en ten hoogste ontsteld hing
ik dus den horen maar op.
Ik liep naar het buffet, schonk mij een glas cognac in
(mijn hand beefde) en dronk dit in één teug uit. Ik sloeg
een blik in den spiegel en staarde in een doodsbleek gelaat.
Waar had dit treurige voorval plaats ? Wie was de vrouw,
die mij zoo dringend om hulp gesmeekt had? Welke afschuwelijke
misdaad had er thans plaats en waar?
Ik ging zitten en dacht na! Het denkbeeld dat het geheele
drama een misplaatste grap was van een of ander
mijner kennissen, wierp ik verre van mij. Neen, dat was
onmogelijk ! Daarvoor was de angst in de stem der onbekende
vrouw te echt geweest. Die bons, dat gegil en gekerm
— het zou mij altijd bijblijven. Er was geen twijfel
mogelijk : in het een of ander deel der stad had een misdaad,
misschien meer plaats gehad.
Ik stelde mij het drama als volgt voor: Waarschijnlijk
had de schurk, alvorens zijn misdaad te volvoeren zijn
slachtoffer opgesloten en was het huis gaan doorzoeken
of de straat opgegaan ten einde zich te overtuigen dat
hij in zijn misdadigen opzet niet zou worden gestoord. Zij,
opgesloten, had nog één middel gevonden zich met de
buitenwereld in verbinding te stellen: de telefoon. Ze
had mij opgebeld, waarschijnlijk omdat ze tot mijn kring
van patiënten behoorde. Daarom liet ik den wijden kring
van kennissen en cliënten in mijn gedachten de revue
passeeren, doch zonder resultaat!
Den volgenden morgen zou de misdaad natuurlijk door
de geheele stad bekend zijn en zou ik als een getuige, een
oor-getuige, gehoord kunnen wórden. Wat een sensatie
zou dat geven.
Ik zal nooit den nacht vergeten die nu volgde. Uren
lang lag ik wakker, me dan op de eene dan op de andere
zijde keerende, en de klok had al
drie uur geslagen, toen nog geen
slaap mijn oogen geloken had.
Den volgenden morgen, na mijn
ontbijt — een triestig ontbijt —
gebruikt te hebben, dacht ik er
over wat mij te doen stond. Het
eenvoudigste leek mij naar de politie
te gaan en daar mijn wedervaren
te vertellen. Doch wat zou dit
uitwerken ? Ik zag reeds den ongeloovigen
glimlach op het gelaat
van een cynisch politie-inspecteur.
Eindelijk besloot ik te wachten,
nog vier en twintig uur. De dame
moest toch gemist worden, na dien
tijd zou de misdaad toch zeker
algemeen bekend zijn.
Ik liet dien middag dadelijk bij
het verschijnen een krant halen
en keek nieuwsgierig de nieuwskolommen
af. Geen woord over
den moord! Ik legde de krant
neer en ging een wandeling doen,
overleggende en tevergeefs trachtende
een verklaring te vinden.
Ieder huis dat ik passeerde kon
het tooneel van den misdaad geweest
zijn. Daar kwam ik voorbij
een woning, waarvan de blinden
gesloten waren. Een rilling ging
door mijn aderen.
Had het toeval mij naar het
noodlottige huis gevoerd ?
(Wordt vervolgd).
ZIJN EVENBEELD
|