|
PANORAMA No. 41 12 OCTOBER
WIJNOOGST
AANDENMAIN.
Ellis ^Parker ^Butler
T
oen Pa Briggs te oud werd om nog
een farm te besturen, verkocht hij zijn
plaats aan Jed Slocum, zette het geld tegen
vier procent op de Kilosche Bank, en ging
in een klein huis te Kilo wonen, om de
rest zijner dagen in vrede te slijten. Zijn
eenige huisgenoot was zijn dochter Sally,
die de huishouding deed, en smachtte naar
een echte zijden japon. Maar Pa zei, dat
alpaca „royaal goed" was, en dus verslikte
Sally haar verlangen, en stelde zich met
alpaca tevreden.
Pa Briggs zelf had niet veel behoeften.
Een ei bij zijn ontbijt, en genoeg tabak
om er den heelen dag den brand in te
houden, dat waren zijn voornaamste aardsche begeerten. Alleen om Sally tevreden
te stellen had hij een stel nieuwe tanden
gekocht, en hij droeg ze om harentwil en
zijn eigen verdriet, want ze pasten totaal
niet, en gaven hem een gevoel, zei hij,
alsof hij zijn mond vol drie-duimsdraadnagels had. Als Sally niet in zicht was,
ontweek hij dit gevoel, door ze in zijn
hand te dragen, verscholen in zijn rooden
zakdoek met witte stippels. Aan anderen
placht hij ze te laten zien met grooten
trots, en hij blufte er steeds op, dat ze zoo
mooi en zoo duur waren, 's Zondags droeg
hij ze den heelen dag, en voelde zich zoo
deftig als een Pelgrimvader.
Toen ze naar Kilo verhuisden zei miss
Sally, dat er één ding was, dat haar vader
niet moest doen, nadat hij z’n heele leven
op een boerderij had gewoond, en dat
was: winkeleieren bij z'n
ontbijt eten.
„Kippen zijn wel lastig,"
zei miss Sally, „en smerig,
ais je ze niet in hun hok
houdt, maar ze kakelen gezellig, en ik denk, dat ik tijd
genoeg zal hebben om op
ze te letten; dus Pa, als ik
er wat aan doen kan, zult u
geen kalkeieren bij uw ontbijt eten. Er is niks, dat ik
zoo akelig vind om aan te
denken, als eieren eten die
je gekocht hebt. Je weet
nooit hoe oud of ze zijn of wie
ze in z’n handen gehad heeft en
zoover zal ’t nooit met u komen, zoowaar
ik Briggs heet!"
Zij nam dus een half dozijn kippen en
een galanten kraaier mee naar stad, en
oefende toezicht uit op de constructie van
een gezellige hoenderwoning, en Pa had
het troostend bewustzijn, dat zijn eieren
versch waren. Maar eigenlijk kon de graad
van verschheid hem niet zoo heel veel
schelen; als hij er maar iederen morgen
een had dat dragelijk eetbaar was.
„Die tanden van mij," zei hij tegen Rogers, den kruidenier, „hebben me twaalf
dollar gekost, bij den besten tandarts van
Franklin; maar 't is misère! Je kunt er
niets mee eten, dat een beetje hard is, of
je zit ieder oogenblik in angst, dat ze
breken. Ze zijn van klinkklaar porselein,
en je weet dat porselein ’t breekbaarste
goedje is, dat je maar uit kunt denken.
Daarom zeg ik altijd: geef mij maar eieren
voor m’n ontbijt, Sally, en eieren blijft ’t."
De zes kippen deden edelaardig hun
plicht gedurende den zomer en een deel
van den winter, en Pa kreeg z'n eitje
zonder haperen; maar in December begon
de lange koudegolf en de hoenders staakten.
Het was de langste koudegolf, die ooit
was voorgekomen in Kilo, en die duurde
en duurde maar, tot de heele kippenbevolking van Iowa er wrevelig van werd en
van de eierproductie afzag. De eieren gingen
met zoo'n vaart omhoog, dat zelfs de kalkeieren van den vorigen zomer twintig cent
kostten, en de omelet een luchtkasteel werd.
Toen Pa Briggs den tweeden
morgen een eierloos ontbijt
nuttigde, opperde hij tegenover
Sally de mogelijkheid van
eierenaankoopbij denkruidenier.
„Maar Pa/' riep zij op verwijtenden toon uit, „waar denkt
u aan! Ik... kalkeieren koken?
Nee, we zullen nog even
wachten, misschien gaan de
kippen over een paar dagen
wel weer aan den leg/’ Maar dat gingen ze niet, en
het duurde een week, ja twee
weken, en nog loonde géén ei
haar dagelijkschen onderzoekingsijver. Pa kreeg het niet
in zijn hoofd, zijn idee over
eieren-koopen nogmaals uit te
spreken, want als Sally iets zei,
dan meende ze ’t ook, en als
je er dan op terugkwam, werd
ze nijdig.
„Onze kippen vertikken ’t om te
leggen," beklaagde hij zich bij Rogers,
„en Sally vertikt ’t om eieren te koopen,
en ik kan niks anders eten dan eieren voor
m’n ontbijt, dus zal ik het dezer dagen
wel afleggen van honger, denk ik."
„Waarom probeer je ’t niet 'ns met ons
kippenvoer," zei Rogers; hij nam een pakje
op en las voor van het étiket: „Gegarandeerd leggen der kippen bij eiken weerstoestand, zoowel koud als heet"; dat is
precies wat je hebben moet, Pa."
„Nou," zei Briggs, „ik heb bij de veertig
jaar kippen gehouden, en ik heb nooit
ondervonden, dat zulk goedje hielp. Maar
ik moet eieren hebben of sterven, Rogers,
dus ik wil ’t probeeren; geef me maar een
pond. Maar ik heb er een hard hoofd in."
Zijn pessimisme bleek gerechtvaardigd:
de koudegolf bleek zelfs het beste kippenvoer de loef af te steken. Er kwamen geen
eieren.
Op een avond zat hij weer bij Rogers,
zijn pijp te rooken en te peinzen. Hij had
al een heelen tijd gepeinsd, en eindelijk
gloeide er een vonk in zijn oog, hij klopte
zijn pijp uit en stond op.
„Rogers," zei hij, „maak voor mij een
mengseltje van een ons tarwemeel, een
ons gruttenmeel, en...’’ Hij aarzelde even
en grinnikte toen, — „en vijf centen kogeltjesblauw."
„Als je me nou," informeerde Rogers,
„je bent toch niet gek geworden?"
„Nog niet," zei Pa. „Ik ben ze geen van
de vijf kwijt, en de puntjes zijn er ook
nog niet af. Dat is een zelf-uitgevonden
soort van kippenvoer."
„Kippenvoer!’’ riep Rogers uit. „Je denkt
toch zeker niet, dat de kippen daarvan aan
den leg zullen gaan?"
„Ik geef niemand den raad om het te
gebruiken, als hij er zelf geen heil in ziet,"
zei Pa, „maar ik zal er mijn kippen mee
voeren," en hij grinnikte weer.
„Je hebt er zeker wat mee in den zin,"
zei Rogers lachend. „Wat is ’t, Pa?"
„Kijk maar goed uit tot je ’t weet," antwoordde Pa Briggs, en hij nam het pakje
en ging naar huis.
„Sally," zei hij toen hij thuiskwam, „nou
heb ik toch een soort kippenvoer, waar
de beesten vast en zeker van gaan leggen."
Zij nam het pakje en maakte ’t open.
18
|