|
PANORAMA No. 41 12 O C T O B E R
Waar °/)r(
d°°r AXEL BRAEM^ fer Trouw e * e
Personen: hij — zij.
Achtermiddag in een huis van deftigen burgerstand. Hij zit achter een
krant gedoken, zij zit óók achter een
krant gedoken. Er heerscht een huiselijk stilzwijgen, maar nu en dan gaan
er blikken over de kranten heen. Eindelijk waagt hij het woord:
Hij: Eh ... hm ... Emilie, ik wou je eens
wat vragen.
Zij: Of ik een nieuw hoedje wou hebben?
Hij: Nee, dat hoef ik niet eens te vragen.
Emilie, ’t is iets ernstigs, — eh.... iets
delicaats:... Ben je me ontrouw ?
Zij (licht verbaasd): Ontrouw? Hoe
kom je op zoo’n vraag?
Hij\ Ja, zie je, Emilie, ik vond een pas
begonnen brief in je schrijfmap.., hm...
ik vond ’m toevallig, heelemaal toevallig ...
hij stak er een eind uit... en die bracht
me een beetje in twijfel over je opvattingen
van trouw en echtelijke saamhoorigheid...
van wat past en niet past voor een vrouw
uit de betere kringen, die met eere echtgenoote en moeder wil zijn...
Zij: Je durft nogal wat te zeggen!
Hij: Dat moet wel in sommige omstandigheden. Die brief, waar toevallig mijn
oog op viel, was, zooals ik zei, pas begonnen. Maar dat begin zei me al genoeg.
Er stond namelijk zooiets als: Mijn eigen
lieve, zoete, beminde Theodoor! Aangezien
ik niet de groote, misschien twijfelachtige
eer heb, die... eh... Theodoor te kennen,
mag ik wel eenige opheldering vragen.
Zij: O Tobias! Hoe kun je toch zóó
over me denken! Dat was een brief, dien
ik bezig was te schrijven aan mijn... petekind, mijn kleine neefje in Malmö. Ik hou
erg veel van ’m, ’t is een vreeselijk aardig
kereltje en hij is dol op mij ook. Maar je
kunt toch niet jaloersch zijn op een kleinen
jongen. Hij is notabene acht jaar! Maar jij
denkt natuurlijk dadelijk leelijke dingen
van me!
Hij (zichtbaar verlegen): Ja... eh, hm,
Milie ... Ik meende het natuurlijk zoo kwaad
niet, maar je kunt je
zelf wel voorstellen, wat
ik denken moest toen ik
zoon brief zag.
Zoo, dus je hebt
in Malmö eenneefje
van acht jaar! Daar
heb je me nooit
iets van verteld!
Zij: Ja... dat is
eigenlijk ook wel
toevallig.
Hij (nadenkend):
Hoogst toevallig.
(Pijnlijk stilzwijgen).
Zij (als in gedachten): Maar
dat is waar ook...
ik heb ook nog
een appeltje met
jou te schillen. Mag
ik je eens vragen,
wie is Helene?
Hij (overrompeld): Helene!
Dat — dat — hm...
dat is... mijn ...
waarom vraag je
dat?
Zij: Ik vond
laatst een kaart van
een van je vrienden ... heelemaal
toevallig, in je portefeuille, — en die
deed de groeten
aan Helene, en hij
vroeg of ze nog
zong.
H// (opgewekt):
O ja! Zie je,
Helene, dat is... eh ... een kanarievogel,
die heb ik op ’t kantoor. Zingen dat ’t
beest kan! ’t Is een echte Saksische. En
een mooi diertje! We noemden ’m altijd
,,de schoone Helene.’
Zij: Daar heb je me nooit iets van
verteld!
Hij: Ja.... dat is eigenlijk ook wel toevallig.
Zij (nadenkend): Hoogst toevallig.
Hij (terzijde): Nou mag ik er morgen
wel over denken, dat ik zoo’n piepvogel
koop, (luide): Ja, zoo ongeveer als bij jou
die... eh ... Zweedsche neef van acht jaar.
Hahaha! Maar zullen we nu de geheimen
maar laten rusten ? De voornaamste zijn nu
wel opgehelderd. Ik wou nog even naar
Excelsior.
Zij: Prachtig Tobby! Ik ga me direct
verkleeden, dan ga ik mee. Heusch, in tien
minuten klaar.
Hij (terzijde): Dus dat wordt vanavond,
als zij nu meegaat. (Op dit oogenblik
hoort men tegelijk de huisbel en de
telefoon), (luide): Een mensch heeft ook
geen oogenblik rust met dat duivelstuig.
Nu zaten we net even zoo gezellig. Als
Edison hooren kon, wenschte hij vast dat
ie doof was, — of hij wenschte zijn eigen
spektakelmachines naar de Mookerhei. Maar
zelf heeft ie wel gezorgd dat ie stokdoof
was. Neem jij even de telefoon, dan kan
ik de kat uit de boom kijken. Maar pas
op, — als ’t iemand is die verkoopen wil,
dan hang je de haak op, — en als ’t iemand
is die wil koopen, pas dan op dat hij den
haak niet ophangt.
(Er wordt weer gebeld).
Ja ja, we komen al.
(Zij verlaten het vertrek door verschillende deuren. Enkele oogenblikken later komen ze tegelijk weer
binnen. Hij heeft een groote doos en
een bouquet rozen in de hand).
Zij: Wat was er aan de deur ?
Hij (sarcastisch): Dat was een jongen
met deze doos bonbons en hier die rozen,
— voor jou — eh... van je neefje, — in
Malmö — oud acht jaar!
Zij (nog meer sarcastisch): O ja. En
dat was je kanarievogel, die belde op om
te vragen, of je al naar Excelsior was!
DOEK
DE KAMPIOENEN-MANIE. Bij het leger van kampioenen in borden
wasschen, eieren eten, hardloopen voor kellners, toffee s kauwen e,d. behoort
ook de Engelschman Davis, die kampioen-ploeger is van Middlesex. Hij draagt
dezen eervollen titel reeds tien jaar.
10
|