|
EEN OPWINDEND GEVECHT.
De oude Behrman was een
schilder, die beneden de twee
vriendinnen woonde. Hij was boven
de zestig, oud en verschrompeld,
met een grooten baard als van
Michel Angelo’s Mozes. Hij was
een mislukking in de Kunst. Veertig
jaar lang hanteerde hij reeds het
penseel, zonder ooit iets bijzonders
gewrocht te hebben. Veertig jaar
lang sprak hij ook reeds over het
meesterwerk, dat hij eens zou
schilderen, maar hij was er nog
niet aan begonnen. Hij schilderde
de laatste jarenwat reclame-prenten
en verdiende overigens een beetje
met als model te poseeren voor de
jonge schilders, die in de buurt
woonden. Hij dronk, en dan vooral
sprak hij over zijn meesterwerk.
Voor de rest was hij een koppige,
kleine, oude man, die op allen en
alles schold, niet kon verdragen,
dat iemand gevoelig was, beweerde
hij, en zich inmiddels beschouwde
als een soort beschermer van zijn
buurdames.
Sue vond Behrman thuis. Vlak
bij hem stond op een ezel een
blanco gespannen doek; meer dan
vijfentwintig jaar reeds wachtte
dit op de eerste streken van het
meesterwerk. Zij vertelde hem van
Johnsy’s idee, en hoe zij inderdaad
vreesde, dat haar leven de wereld zou vluchten, gelijk een dier verdordewingerdblaadjes.
De oude Behrman mopperde luid zijn verachting uit voor zulke idiotewaanvoorstellingen.
„Wat is dat voor een idiote dwaasheid I”
riep hij, „te willen sterven, wanneer het
laatste blad van zoo n verwenschten wingerd
valt. Nooit zoo iets gehoord! Neen, ik wil
niet poseeren voor je mijnwerker. Waarom
heb je er niet voor gezorgd, dat ze zulke
krankzinnige ideëen niet in haar hoofd kon
halen? Ach die arme Johnsy !”
„Zij is erg ziek en zwak,'’ zei Sue, „en
de koorts maakt dat zij zulke gedachten
krijgt. Heel goed, mijnheer Behrman, als
u niet voor mij wilt poseeren, zal ik er
niet verder op aandringen. Maar ik vind
u een afschuwelijken ouden naarling.”
„Je bent weer een echte vrouw,”
schreeuwde Behrman. „Wie zei, dat ik niet
wil poseeren ? Klets niet; ik ga met je mee.
Een half uur lang tracht ik je nu al aan je
verstand te brengen, dat ik klaar ben om
te poseeren. Die arme Johnsy. Eens zal ik
mijn meesterwerk schilderen, en dan gaan
we allemaal hier weg. Let op.”
Toen zij boven kwamen, sliep de zieke;
Sue liet het gordijn zakken en wenkte
Behrman in de andere kamer. Vreesachtig
keken beiden door het raam en zagen toen
elkander een oogenblik zwijgend aan. Er
viel een stage, koude regen, vermengd
met sneeuw. Behrman, in een oud blauw
costume, nam zijn plaats als mijnwerker in
op een omgekeerden ketel, die een rotsblok
moest voorstellen.
Toen Sue den volgenden morgen na een
onrustigen nacht opstond, vond zij Johnsy
met doffe, wijd-geopende oogen, starend
naar het neergelaten gordijn.
„Trek het op; ik wil zien,” beval zij
fluisterend.
PANORAMA No. 41 12 OCTOBER
Vermoeid gehoorzaamde Sue. Na de
regenvlagen en windstooten van dien nacht,
hing daar afstekend tegen den muur, nog
één blad aan den wingerd. Eén blad nog.
Groen bij het steeltje, geel verkleurd naar het
midden en de kanten, en met hier en daar
een roode tint, hing daar dat ééne blaadje
nog aan den tak. Het was als een wonder.
„’t Is het laatste,” zei Johnsy, „ik dacht,
dat het vannacht zou gevallen zijn. Ik
hoorde den wind. Maar vandaag zal het
vallen, en dan sterf ik.”
„Johnsy, lieve Johnsy,” huilde Sue, haar
afgetobd gezicht boven de zieke. „Denk
dan aan mij, als je niet aan je zelf wilt
denken. Wat moet ik beginnen?”
Maar Johnsy antwoordde niet. Zij had
de banden, die haar met het leven en de
vriendschap verbonden, alle verbroken, en
zij wachtte op den dood.
De dag kroop traag voorbij, en zelfs in
het schemerige licht van den Novemberdag
konden zij aan de overzijde dat enkele
eenzame wingerdblaadje aan zijn tak onderscheiden. En toen, met het vallen van den
nacht, stak de wind weer op, en sloeg de
regen weer tegen de ruiten.
En ’s morgens, als het nog nauwelijks licht
was, eischte Johnsy, de meedoogenlooze,
dat het gordijn opgetrokken zou worden.
Het wingerdblad hing er nog....
Johnsy bleef er lang, onbeweeglijk, naar
kijken. En toen riep zij Sue, die bouillon
klaarmaakte boven het gasstel.
„Ik ben slecht geweest, Sudie.” zei
Johnsy. „Iets heeft gemaakt, dat het laatste
blaadje daar bleef, om mij te toonen, hoe
slecht ik was. Het is een zonde te willen
sterven. Geef me nu maar wat bouillon, als
je wilt; en kam m’n haar wat op. Stop me
ook een paar kussens in m'n rug, dat ik
rechtop kan zitten en naar je kijken.”
Een uur later zei ze: „Sudie, ik hoop,
dat ik toch nog eens de Golf van Napels
zal schilderen.”
Dien middag kwam de dokter en Sue
ging hem na, toen hij de kamer weer verliet.
„Gelijke kansen,” zij de geneesheer, Sue’s
smalle hand in de zijne nemend. „Met
goede verpleging zullen we het winnen.
En nu moet ik nog even naar een geval
hier beneden. Behrman is zijn naam, geloof
ik —* een soort artist — heeft ook longontsteking. Hij is een oud, zwak man, en
de aanval is acuut. Er is geen hoop meer
voor hem, maar ik zal hem vandaag naar
het ziekenhuis laten overbrengen, daar ligt
hij tenminste iets aangenamer.”
Den volgenden dag zei de dokter tot
Sue: „Zij is nu buiten gevaar. We hebben
het gewonnen. Voedsel en verpleging nu
— dat is alles.”
En den middag van dienzelfden dag
kwam Sue bij het bed, waar Johnsy stil,
maar tevreden lag, en sloeg een arm om
haar schouder.
„Ik moet je eens iets vertellen, lieve,”
zei ze. „Behrman is vandaag in het ziekenhuis aan longontsteking overleden. Hij is
maar twee dagen ziek geweest. De conciërge vond hem op den morgen van den
eersten dag in zijn kamer hulpeloos van
pijn. Zijn schoenen en kleeren waren kletsnat en ijskoud. Niemand begreep, waar hij
geweest was in zoo'n afschuwelijken nacht.
En toen vonden ze een lantaarn, die nog
brandde, en een ladder, die van zijn plaats
was gesleept, en eenige kwasten en een
palet, waarop groene, gele en roode kleuren
waren gemengd, en — kijk uit het raam,
lieve, naar dat laatste wingerdblad tegen
dien muur daar. Heeft ’t je niet verwonderd,
dat het zoo onbeweeglijk bleef hangen,
terwijl de wind blies ? Johnsy, hij schilderde
het daar in den nacht dat het laatste blad
viel— het is Behrman’s meesterwerk.”
7
|