Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11721 tot 11725 van 11897
Nummer
1929, nr. 41, 12 okt. 1929
Blad
06
Tekst
PANORAMA - No. 41 - 12 OCTOBER DE BEGR«®® RIJKSBerlijn- &q % HET SCHIP „SCOTIA OF LONDON", dat voor de kust te Yarmouth (Engeland) geankerd lag, raakte tengevolge van de aanhoudende hooge zeeën los en zonk, De bemanning kon met veel moeite gered worden. 4
PDF
Nummer
1929, nr. 41, 12 okt. 1929
Blad
07
Tekst
PANORAMA No. 41 12 OCTOBER HET HARINGSEIZOEN te Yarmoath.is weer aangevangen. {p R lOi „usach** r^“' 5
PDF
Nummer
1929, nr. 41, 12 okt. 1929
Blad
08
Tekst
O p de bovenverdieping van een huis in een gedeelte der stad, dat om een of andere reden bijzondere aantrekkingskracht op schilders oefende, hadden ook Sue en Johnsy haar atelier. Voor de naam Sue heb ik geen verklaring; Johnsy was eigenlijk een verbastering van Johanna. Zij kwamen van verschillende streken, hadden met elkander kennis gemaakt in het artisten-restaurant van Delmonico, kwamen toen tot de ontdekking, dat zij vrijwel gelijke denkbeelden bezaten over kunst, salade en de lichtzijden van het artistenbestaan, en het resultaat was de gemeenschappelijke atelier-woning. Dat was in Mei: Gedurende den zomer groeide een hechte vriendschap. In November begon een hevige influenza-met-longontsteking-epidemie in de stad te woeden, die haar slachtoffers speciaal in dat gedeelte koos. De oer-sterke, gezonde Sue bleef gespaard, maar Johnsy werd aangetast, en zij lag, nauwelijks zich bewegend, in haar ijzeren ledikant, starend door de ramen, naar den blinden muur van het huis aan de overzijde van de binnenplaats. Zekeren morgen wenkte de dokter, met gefronste wenkbrouwen, Sue in de hal. „Zij heeft één kans op de tien, het er door te halen,” zei hij, terwijl hij het kwik in den thermometer naar beneden sloeg. „En die eene kans wordt bepaald door haar wil tot leven. De wijze, waarop die kleine vriendin van u de zaak beschouwt, is fnuikend voor de medische wetenschap. Zij heeft voor zich zelf uitgemaakt, dat ze niet beter wordt. Kan zij iets hebben dat haar drukt?” „Zij — zij heeft altijd zoo graag de Golf van Napels willen schilderen,” zei Sue. „De Golf van Napels schilderen? Gekheid! Ik bedoel iets ernstigs, — een man bij voorbeeld.” „Een man?” riep Sue, met een klank in haar stem, die den dokter onwillekeurig deed glimlachen. „Is een man waard — maar, neen dokter — niets van dien aard. Dat weet ik zeker.” „Nu, dan is ’t zwakte,” zei de dokter. „Ik zal alles in ’t werk stellen waartoe de wetenschap in staat is. Maar wanneer mijn patiënt begint te spreken over het aantal volgrijtuigen bij haar begrafenis, wordt de genezende kracht van medicijnen met vijftig procent verminderd. Als zij één belangstellende opmerking geeft over de nieuwe wintermode, geef ik u één op vijf kansen, inplaats van één op tien.” Toen de deur achter den dokter was dichtgevallen, ging Sue in het atelier en huilde een zakdoek tot een doorweekt lapje. Daarna liep zij met haar teekengereedschap de kamer van Johnsy binnen, een ragtime fluitend. Johnsy lag onbeweeglijk onder de deken, haar gezicht naar het raam gekeerd, Sue hield op met fluiten, meenend dat zij sliep. Zij begon haar werk, een penteekening voor een geïllustreerd tijdschrift. Jonge artisten moeten hun weg naar de kunst beginnen met het maken van teekeningen voor tijdschriftverhalen, diejeugdige auteursschrijven om zich hun weg naar de literatuur te banen. Sue was juist bezig aan den hoed van den held — een cowboy <— toen zij een zacht geluid hoorde, verscheidene keeren herhaald. Zij ging vlug naar het bed. Johnsy’s oogen waren wijd open. Zij staarde door het raam en telde.... telde terug. „Twaalf,” zei ze, en even later „elf,” en toen „tien,” en „negen,” en toen, dadelijk achter elkaar „acht,” en „zeven.” Sue keek bezorgd door het raam. Wat viel daar te tellen? Er was niets te zien dan een verlaten, droefgeestig binnenplaatsje, en de blinde muur van een huis aan de overzijde. Een oude, oude wingerd, was in den loop der jaren tegen dien muur geklommen. De herfstwinden hadden hem van zijn bladeren beroofd, tot nog de skeletachtige takken, bijna volkomen kaal, zich aan de muren vastklemden. „Watis erJohnsy?” vroeg Sue. „Zes,” zei Johnsy, bijna fluisterend. „Ze vallen nu vlugger. Drie dagen geleden waren er nog bijna honderd. Ik kreeg er hoofdpijn van, ze te tellen. Maar nu is ’t makkelijk. Daar gaat er weer een. Nu zijn er nog maar vijf overgebleven.” „Vijf wat, lieve?” „Bladeren. Van den wingerd. Wanneer de laatste valt, moet ik ook gaan. Dat weet ik al drie dagen. Heeft de dokter het je niet verteld ?” „Neen, zulken nonsens hebiknóg nooitgehoord, viel Sue uit, met prachtige verontwaardiging. „Wat hebben de bladeren van een ouden wingerd te maken met jouw kansen op herstel? Heb je zoo veel van dien wingerd gehouden, jij leelijkerd? Wees niet zoo'n gansje. De dokter heeft me vanmorgen nog verteld, dat je kansen op beterschap werkelijk waren — laat ’ns kijken, wat hij precies zei — hij zei, de kansen waren tien tegen één! Wel, dat is ongeveer TIN EN KOPER. (foto Al. Beckers. Haarlem). dezelfde kans, die je hebt er het leven af te brengen, wanneer je hier door een drukke straat of voorbij een in aanbouw zijnd huis loopt. Probeer dus nu wat bouillon te gebruiken en laat Sudie naar haar teekening terugkeeren, zoodat ze die kan verkoopen en de opbrengst kan omzetten in soep voor Johnsy en karbonade voor zich zelf.” „Je behoeft geen soep meer te koken voor mij,” zei Johnsy, steeds uit het raam kijkend. „Daar valt er weer een. Neen, ik moet geen bouillon meer. Nu nog maar vier. Ik wil de laatste zien vallen vóór het donker wordt. Dan is ’t met mij ook gedaan.” „Johnsy, lieve,” zei Sue, zich over haar buigend, „wil je me beloven je oogen te sluiten en niet meer uit het raam te kijken tot ik klaar ben met werken? Ik heb het licht noodig en morgen moet ik die teekening inleveren.” „Kan je niet in de andere kamer teekenen?” vroeg Johnsy, koel. „Ik blijf hier bij je. Bovendien, ik ben er heelemaal niet op gesteld, dat je naar die idiote wingerdblaadjes ligt te kijken.” „Zeg me wanneer je klaar bent,” zei Johnsy, haar oogen sluitend, zoodat zij nu lag, wit en rustig, als een gevallen standbeeld, „want ik wil het laatste blaadje zoo graag zien vallen. Ik ben moe van het denken. En het sterven is misschien even makkelijk voor mij als voor die blaadjes, die zoo rustig vallen.” „Probeer nu te slapen,” overreedde Sue. „Ik moet even naar beneden om Behrman te vragen voor mij te poseeren als de oude mijnwerker. Ik ben dadelijk terug, en rustig blijven liggen, hoor!”
PDF
Nummer
1929, nr. 41, 12 okt. 1929
Blad
09
Tekst
EEN OPWINDEND GEVECHT. De oude Behrman was een schilder, die beneden de twee vriendinnen woonde. Hij was boven de zestig, oud en verschrompeld, met een grooten baard als van Michel Angelo’s Mozes. Hij was een mislukking in de Kunst. Veertig jaar lang hanteerde hij reeds het penseel, zonder ooit iets bijzonders gewrocht te hebben. Veertig jaar lang sprak hij ook reeds over het meesterwerk, dat hij eens zou schilderen, maar hij was er nog niet aan begonnen. Hij schilderde de laatste jarenwat reclame-prenten en verdiende overigens een beetje met als model te poseeren voor de jonge schilders, die in de buurt woonden. Hij dronk, en dan vooral sprak hij over zijn meesterwerk. Voor de rest was hij een koppige, kleine, oude man, die op allen en alles schold, niet kon verdragen, dat iemand gevoelig was, beweerde hij, en zich inmiddels beschouwde als een soort beschermer van zijn buurdames. Sue vond Behrman thuis. Vlak bij hem stond op een ezel een blanco gespannen doek; meer dan vijfentwintig jaar reeds wachtte dit op de eerste streken van het meesterwerk. Zij vertelde hem van Johnsy’s idee, en hoe zij inderdaad vreesde, dat haar leven de wereld zou vluchten, gelijk een dier verdordewingerdblaadjes. De oude Behrman mopperde luid zijn verachting uit voor zulke idiotewaanvoorstellingen. „Wat is dat voor een idiote dwaasheid I” riep hij, „te willen sterven, wanneer het laatste blad van zoo n verwenschten wingerd valt. Nooit zoo iets gehoord! Neen, ik wil niet poseeren voor je mijnwerker. Waarom heb je er niet voor gezorgd, dat ze zulke krankzinnige ideëen niet in haar hoofd kon halen? Ach die arme Johnsy !” „Zij is erg ziek en zwak,'’ zei Sue, „en de koorts maakt dat zij zulke gedachten krijgt. Heel goed, mijnheer Behrman, als u niet voor mij wilt poseeren, zal ik er niet verder op aandringen. Maar ik vind u een afschuwelijken ouden naarling.” „Je bent weer een echte vrouw,” schreeuwde Behrman. „Wie zei, dat ik niet wil poseeren ? Klets niet; ik ga met je mee. Een half uur lang tracht ik je nu al aan je verstand te brengen, dat ik klaar ben om te poseeren. Die arme Johnsy. Eens zal ik mijn meesterwerk schilderen, en dan gaan we allemaal hier weg. Let op.” Toen zij boven kwamen, sliep de zieke; Sue liet het gordijn zakken en wenkte Behrman in de andere kamer. Vreesachtig keken beiden door het raam en zagen toen elkander een oogenblik zwijgend aan. Er viel een stage, koude regen, vermengd met sneeuw. Behrman, in een oud blauw costume, nam zijn plaats als mijnwerker in op een omgekeerden ketel, die een rotsblok moest voorstellen. Toen Sue den volgenden morgen na een onrustigen nacht opstond, vond zij Johnsy met doffe, wijd-geopende oogen, starend naar het neergelaten gordijn. „Trek het op; ik wil zien,” beval zij fluisterend. PANORAMA No. 41 12 OCTOBER Vermoeid gehoorzaamde Sue. Na de regenvlagen en windstooten van dien nacht, hing daar afstekend tegen den muur, nog één blad aan den wingerd. Eén blad nog. Groen bij het steeltje, geel verkleurd naar het midden en de kanten, en met hier en daar een roode tint, hing daar dat ééne blaadje nog aan den tak. Het was als een wonder. „’t Is het laatste,” zei Johnsy, „ik dacht, dat het vannacht zou gevallen zijn. Ik hoorde den wind. Maar vandaag zal het vallen, en dan sterf ik.” „Johnsy, lieve Johnsy,” huilde Sue, haar afgetobd gezicht boven de zieke. „Denk dan aan mij, als je niet aan je zelf wilt denken. Wat moet ik beginnen?” Maar Johnsy antwoordde niet. Zij had de banden, die haar met het leven en de vriendschap verbonden, alle verbroken, en zij wachtte op den dood. De dag kroop traag voorbij, en zelfs in het schemerige licht van den Novemberdag konden zij aan de overzijde dat enkele eenzame wingerdblaadje aan zijn tak onderscheiden. En toen, met het vallen van den nacht, stak de wind weer op, en sloeg de regen weer tegen de ruiten. En ’s morgens, als het nog nauwelijks licht was, eischte Johnsy, de meedoogenlooze, dat het gordijn opgetrokken zou worden. Het wingerdblad hing er nog.... Johnsy bleef er lang, onbeweeglijk, naar kijken. En toen riep zij Sue, die bouillon klaarmaakte boven het gasstel. „Ik ben slecht geweest, Sudie.” zei Johnsy. „Iets heeft gemaakt, dat het laatste blaadje daar bleef, om mij te toonen, hoe slecht ik was. Het is een zonde te willen sterven. Geef me nu maar wat bouillon, als je wilt; en kam m’n haar wat op. Stop me ook een paar kussens in m'n rug, dat ik rechtop kan zitten en naar je kijken.” Een uur later zei ze: „Sudie, ik hoop, dat ik toch nog eens de Golf van Napels zal schilderen.” Dien middag kwam de dokter en Sue ging hem na, toen hij de kamer weer verliet. „Gelijke kansen,” zij de geneesheer, Sue’s smalle hand in de zijne nemend. „Met goede verpleging zullen we het winnen. En nu moet ik nog even naar een geval hier beneden. Behrman is zijn naam, geloof ik —* een soort artist — heeft ook longontsteking. Hij is een oud, zwak man, en de aanval is acuut. Er is geen hoop meer voor hem, maar ik zal hem vandaag naar het ziekenhuis laten overbrengen, daar ligt hij tenminste iets aangenamer.” Den volgenden dag zei de dokter tot Sue: „Zij is nu buiten gevaar. We hebben het gewonnen. Voedsel en verpleging nu — dat is alles.” En den middag van dienzelfden dag kwam Sue bij het bed, waar Johnsy stil, maar tevreden lag, en sloeg een arm om haar schouder. „Ik moet je eens iets vertellen, lieve,” zei ze. „Behrman is vandaag in het ziekenhuis aan longontsteking overleden. Hij is maar twee dagen ziek geweest. De conciërge vond hem op den morgen van den eersten dag in zijn kamer hulpeloos van pijn. Zijn schoenen en kleeren waren kletsnat en ijskoud. Niemand begreep, waar hij geweest was in zoo'n afschuwelijken nacht. En toen vonden ze een lantaarn, die nog brandde, en een ladder, die van zijn plaats was gesleept, en eenige kwasten en een palet, waarop groene, gele en roode kleuren waren gemengd, en — kijk uit het raam, lieve, naar dat laatste wingerdblad tegen dien muur daar. Heeft ’t je niet verwonderd, dat het zoo onbeweeglijk bleef hangen, terwijl de wind blies ? Johnsy, hij schilderde het daar in den nacht dat het laatste blad viel— het is Behrman’s meesterwerk.” 7
PDF
Nummer
1929, nr. 41, 12 okt. 1929
Blad
10
Tekst
van I n een zeer historische omgeving, in het kasteel te Cognac n.1., waar in 1494 koning Frans I werd geboren, is een industrie gevestigd, welke over de geheele wereld bekend is. In 1795 werd in het kleine stadje Cognac door twee edellieden, Jean Dupuy d‘Angeac en Antoine Otard de la Grange, het bedrijf gesticht, waardoor de naam van het stadje even bekend is geworden als het Nederlandsche Schiedam. In de zalen en vele kelders van het oude kasteel liggen thans de groote vaten, waarin de gedistilleerde Charente-wijn veroudert, welke bekend is als 1’eau de vie de Cognac.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11721 tot 11725 van 11897