Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11706 tot 11710 van 11897
Nummer
1929, nr. 40, 5 okt. 1929
Blad
17
Tekst
PANORAMA I n Praag, de hoofdstad van Tsecho Slowakije, zijn onder algemeene deelneming van het volk en met groote plechtigheid de feesten gevierd van St. Wenceslaus, nu het duizend jaar geleden is, dat hij werd vermoord. Het is een nationaal feest geworden voor het geheele volk, waaraan dr. T. Masarijk, de president der republiek, geestelijke en wereldlijke No. 40 5 OCTOBER HET ST. WENCESLAUSMONUMENT op hef Wenceslausplein. autoriteiten van Tsecho Slowakije en het buitenland, ook Nederlanders, deelnamen. De winkels waren gesloten, de dagbladen verschenen niet; de Nederlandsche industrie — Philips-luidsprekers — hielp om redevoeringen en gezangen voor menigten van 50.000 menschen verstaanbaar te maken. PRAAG met den St. Vitusdom. Tijdens de feesten waren verschillende kerken en openbare gebouwen van Praag verlicht. HET TSECHO-SLOWAAKSCHE volk houdt een nationale huldebetooging voor het standbeeld van St. Wenceslaus. 15
PDF
Nummer
1929, nr. 40, 5 okt. 1929
Blad
18
Tekst
PANORAMA No. 4 0 5 O C T O B E R e Romende 'Wintermode door w Levmcus F rancis de Miomandre noemde onlangs in een zijner roemruchte causerieën voor de Parijsche Society de auto een der onmisbare bijkomstigheden van het modieuze toilet. Aan deze uiting werd ik dezer dagen herinnerd door het feit, dat de firma Gerzon op haar najaars-show eenige modellen completeerde door.... een hond. Natuurlijk stimuleerde deze geste de stemming : kleine knuffelkreetjes klinken op, wanneer het geestige snuitje van een scotch terrier opduikt tegen den fond van een sportieve grijs-zwart-en-roode trois-pièces; bewonderend begroet wordt de hautaine barsoi, die te zamen met een reiscostuum van goud-beige tweed een illusie geeft van mondaine verfijning; een precieuze Perzische hazewind, geassorteerd aan een prachtige Molineux-creatie — of veeleer omgekeerd — brengt allen in extase. Zoo werd ons ditmaal de mode geserveerd: levendig en levend in velerlei opzicht. En wij ervaren, hoe de verschillende mode-dictatoren ons met revolutionnair gezag voor het voldongen feit van een alleszins nieuwe mode stellen. Na het wat capricieuze aspect van de overgangsmode 1929, zien we nu de meer statige en stijlvolle silhouet van 1930. De nu definitief op normale hoogte gemarkeerde taillelijn, de gemouleerde heupen en de lange rok geven de figuur zoo totaal nieuwe proporties, dat het schijnt, of daardoor een geheel nieuw vrouwentype is ontstaan. Deze weloverwogen élégance lijkt op heel andere levensomstandigheden gebaseerd dan de sportieve mode van de laatste seizoens, maar de vindingrijke Parijsche couturiers bewijzen zeer overtuigend, dat ook de langen tijd wat gevreesde lange rok met enkele concessies en modulaties volkomen kan harmonieeren met het rythmus van onzen modernen tijd. Voor ’s morgens wordt overigens nog de vrij korte rok getolereerd, maar de stoffen: tweeds en andere wol-mélanges, zijn veel luxueuzer dan tevoren; nagenoeg alle mantels hebben groote kragen en manchetten, —* welke laatste veelal tot over den elleboog, soms tot aan den schouder reiken — van langharig bont, als vos, skunks of blauwvos-opossum, een nieuwe variatie, welke dit jaar zeer veel wordt toegepast. Ook ’s morgens is dus, zooals Jean Patou dit uitdrukte, de goedgekleede vrouw geen touwtje-springster meer, maar een „grande dame’. De namiddagkleeding is veel somptueuzer. Er wordt veel zwart gedragen en de altijd gedistingeerde zwart-wit combinaties zijn weer zeer en vogue. Verder eenige nieuwe kleurnuances van Patou: een prachtig diep groen, dat deze mode-souverein heel autoritair „le vert Patou” noemde, en twee violette tinten: „dahlia clair” en „dahlia foncé”. Deze beide laatste kleuren worden voornamelijk bij bontmantels gedragen ; opmerkelijk is, hoevele bontsoorten dit seizoen bruin worden geverfd, vanaf petit-gris doré en goudgetint hermelijn of baby-broadtail tot cacaokleurige seal of donkerbruine veulenvellen. De mantels hebben zonder uitzondering een rijke bont16
PDF
Nummer
1929, nr. 40, 5 okt. 1929
Blad
19
Tekst
PANORAMA No. 40 5 OCTOBER garneering, de japonnen zijn over het algemeen van een zeer sobere distinctie. Er is op deze show een ensemble van een fijn gepointilleerde ripsstof — zeer toepasselijk „caviar” geheeten — met Alaska-vos (fig. 1); vooral de vos, die aan de achterzijde den mantel omzoomt, accentueert de prachtige lijn. Germaine Lecomte had een zeer origineelen inval, toen zij een namiddag-complet ontwierp, met een afknoopbaar tablier, dat, desgewenscht ook, om de schouders geknoopt, als korte cape dient. Bernard brengt prachtige namiddagjaponnen in purper en dieprood, de modellen van Jenny hebben, door witte of teer-rose garnituren een noot van zeer vrouwelijke verfijning. Van Patou is er de klassieke robe-princesse in tallooze variaties, Jeanne Lanvin verwerkt met veel succes gefronste crêpe Georgette in combinatie met zwaarder vallende stoffen, De hoeden zijn dit jaar van een zeer bestudeerden snit. Madame Agnes drapeert Rembrandtieke modellen van fluweel of van taupe, haar avondhoeden hebben veelal lange paradis-garnituren; andere modistes, zooals Lemonnier en Rosé Valois, specialiseeren zich in kleinere baret- of toquemodellen, de laatste doorgaans met een kort, flatteus voiletje. De hoeden van MarieAlphonsine lijken geïnspireerd op een ZuidWester, zij noemt ze „chapeau pirate.” Het meest karakteristiek zijn ook hier de creaties van Patou: van voren randloos, op zij en van achteren zeer lang, met wijde waaierplooien in den rand. Voor den avond bedacht hij een brokaten hoofdtooi, in den vorm van den oogbeschermer a la Helen Wills, een vondst, welke waarschijnlijk wel tè bizar zal zijn om geaccepteerd te worden. Zoo nadert dan langzamerhand de clou van de show: de groote parade der avondtoiletten. Als altijd zijn ook ditmaal de principes, door welke de nieuwe mode geïnspireerd is, in de avondkleeding het verst doorgevoerd: de lange rok wordt vaak tot sleep, het korte bovenlijf is veelal glad gehouden en zonder eenige garneering, zoodat zich alle aandacht op de interessante roklijn concentreert. Voor vrij eenvoudige avondjaponnen wordt veel bedrukt moiré in bloemige dessins verwerkt; dit materiaal is bij uitstek geschikt voor panier-modellen, een alleraardigste dracht voorjonge meisjes, maar taboe voor anderen dan ingénue-typen. De meer éclatante avondtoiletten zijn lang en strak van lijn, de ruimte begint eerst ongeveer ter hoogte van den knie; sommige dezer japonnen herinneren aan de lijn van oud-Grieksche gewaden. Lamé, brokaat, velours frappé en crêpe Georgette zijn de favoriete stoffen, de kleuren vooral wit, zilver, zwart, groen, dahlia en enkele ondefinieerbare blauwige tinten. Bijna alle avondjaponnen hebben een bijpassend jasje, % lang; prachtig is b.v. een avond-ensemble van Patou in geelgroen-goud brokaat, dat de wondere glanzen heeft van Beryl (fig. II.) De avondmantel, zooals wij dien totnutoe kennen, wordt dezen winter niet meer gedragen; wanneer een avondjapon geen bijbehoorend jasje heeft, draagt men een bontmantel. Een superieure créatie van Madeleine Vionnet in blauw-zilveren maanlicht-tinten (fig. III) besloot deze alleszins belangwekkende show, die een zoo goed overzicht gaf, van al hetgeen Madame Mode voor de komende maanden décréteert. HET BEGIN van den werkdag — de menigte, die iederen morgen aan den gillenden roep van de fabriekssirene gehoorzaamt. 17
PDF
Nummer
1929, nr. 40, 5 okt. 1929
Blad
20
Tekst
PANORAMA No. 40 5 OCTOBER handelt in cacaoC onsui J. B. Bridger, consul van de Vereenigde Staten op Ratona, genoot zijn vacantie in de stad. Hij beweerde herhaaldelijk en geestdriftig, dat het een heerlijkheid was, om zich na elf maanden in de afgelegenheid van Ratona weer mensch te voelen, maar het kwam me toch voor, dat hij geen echte stedeling was. Als een nieuwsgierige provinciaal stond hij telkens stil om voorbijgangers op te nemen, vooral als zij zeer modieus waren gekleed en honden bij zich hadden. Zoo keek hij, tamelijk opvallend, naar een heer, dien wij op een hoek van een straat ontmoetten; de man hield een prachtigen Duitschen herder aan een ketting en snauwde de dame, die naast hem stond, waarschijnlijk zijn vrouw, af met korte, driftige zinnen; het vrouwtje snikte af en toe zenuwachtig. „Doe niet zoo opvallend nieuwsgierig,’’ zei ik ten slotte. „Je schijnt in iedereen iets bijzonders te zien." „’t Zijn de honden," antwoorde hij. „De honden?" „De honden. Sinds een zeker avontuur op Ratona voel ik speciale belangstelling voor honden. Zoo gauw je mij naar een gezellig resturant brengt zal ik het je uitleggen," De geschiedenis welke ik toen van hem hoorde was deze. Op een middag schreeuwde een der loopende nieuwsbladen van Ratona, de mannelijke jeugd tusschen acht en zestien, het bericht door de stad, dat de Pajaro de haven was binnengeloopen. Ratona is een eilandje, een der gezellige republiekjes waar revolutie ’n soort volksvermaak is. Er wonen Spaansche en Indiaansche mestiezen, negers en blanken, en er komen geen andere schepen dan de vrachtvaarders, die de bananen van het eiland halen en er kranten, kinine, meloenen, radiotoestellen, ijs en agenten van de bananenfirma's brengen. De aankomst van een schip is voor Ratona wel geen geweldige gebeurtenis, maar toch een gebeurtenis. De Pajaro ankerde midden in de haven; twee sloepen stevenden naar den wal. In de eene zaten Spaansche ambtenaren en inspecteurs van exportmaatschappijen, in de andere enkele kooplieden en een kolosale Amerikaan, Tayler Plunkett, sheriff van Chattam in Kentucky. De laatste passagier liep na drie of vier keer den weg te hebben gevraagd, naar het kantoor van consul Bridger. Hij vond hem in een schuur achter het huis, bezig met het schoonmaken en invetten van zijn geweer. Consul Bridger was een goed jager, die bij voorkeur krokodillen, welke in de kreeken van het eiland voorkwamen, buit maakte. Alle jachtbenoodigdheden behandelde hij met evenveel zorg als zijn consulaire aangelegenheden. Hij ging dan ook voort de grendel van zijn geweer zorgvuldig te reinigen, inspecteerde den loop en keek toen zijn bezoeker aan; het was buiten kantoortijd, zoodat Bridge zich dit gedrag kon veroorloven. „Ga zitten" inviteerde hij den reus met de groote handen en goedige oogen „daar op die kist: die is stevig genoeg voor u. Kan ik u helpen?" „Ik ben sheriff Plunkett van Chattam County, Kentecky. U kunt mij inderdaad helpen. — Wat voor boomen zijn het die ik hier aan den weg zag ?" „Dat zijn cacaoboomen." „O, dank u. Ik zou het onplezierig vinden als ik na mijn terugkeer in Kentucky verteld zou hebben, dat het olijfboomen waren — Erwoontopditeiland zekereWadeWilliams. Ik heb alle noodige papieren om hem te arresteeren als verdacht van mishandeling en moord op zijn vrouw. Waar kan ik hem vinden ?" „Op heel Ratona woont geen Amerikaan, die Williams heet," antwoordde consul Bridger, onaangenaam verrast, „’n Moordenaar ? Ik wist niet, dat zulke misdadigers hier woonden." „Ik begrijp, dat hij hier niet Wiliams heet," lachte de sheriff. „We zullen hem toch wel vinden. De man, dien ik zoek, boonen." Bridger staakte het poetsen en kwam naast zijn bezoeker zitten. „Cacao? Alleen Morgan en Reeves hebben cacaoplantages; maar, dat zijn geen moordenaars, ’t Zijn mijn beste vrienden." „Twee maandengeleden," verteldePlunkett ten antwoord „schreef Williams een vertrouwelijkenbriefaan een evenschurkachtigen vriend in Kentucky. Het epistel met de onvoorzichtige mededeelingen bereikte door een samenloop van omstandigheden niet den geadresseerde, maar kwam in onze handen, en ik werd naar Ratona gestuurd om den moordenaar te arresteeren. Het moet een van de cacaoplanters zijn." „U hebt een portret van den schuldige, denk ik?" vroeg Bridger. „Alles is mogelijk, maar het is niet plezierig om te denken, dat Reeves of Morgan zooiets op zijn geweten heeft, 't Zijn geschikte kerels, zooals je er niet veel in Kentucky zult vinden." „Ik heb geen portret," antwoordde de sheriff, „maar een duidelijk signalement: vijf voet lang, donkere oogen en haren, Grieksche neus, zware schouders,opgewekt,spraakzaam, drinkt veel maar nooit té veel. Op wien van de twee past die beschrijving, mr. Bridger ?" De consul dacht even na. „Ik zal u zelf laten oordeelen, sheriff. Ik zal u aan Reeves en Morgan voorstellen; dan kunt u zien, wie de gezochte is. Maar ik denk, dat u zich vergist." De consul bracht zijn gast buiten de stad, naar een kleine houten cottage tusschen de cacaotuinen. Een Caraïbische vrouw zat er op het erf, bezig met borden wasschen. Vóór zij binnentraden, keken de twee door het geopende raam in de kamer, waar de tafel gedekt was voor het diner; tegenover elkaar zaten twee mannen met omhoog geslagen overhemdsmouwen. Zij geleken op elkaar, maar de beschrijving was in ’t algemeen op beiden passend. Het waren typen van joviale energieke Yankees, geen misdadigers. „Hallo Bridger!" riep Morgan, toen de consul kuchte. „Spring door het raam, ’n Gast meegebracht? Er is nog voor twee plaats aan tafel." Plechtiger dan gewoonlijk stelde Bridger de drie mannen aan elkaar voor; Morgan trad op als gastheer, haalde stoelen en riep zijn bevelen naar de Caraïbische op het erf. Intusschen nam de sheriff de vrienden scherp op; Bridger was nerveus en speelde ongedurig met een punt van het tafellaken. 18
PDF
Nummer
1929, nr. 40, 5 okt. 1929
Blad
21
Tekst
P A N O R A M A No. 40 5 OCTOBER Nadat eindelijk door de oude vrouw twee couverts waren gebracht, nam het gezelschap plaats. Reeves en Morgan zaten nu naast elkaar, de sheriff tegenover hen. Terwijl hij zijn servet uitvouwde en de converstatie een oogenblik stokte, zei hij plotseling tot de twee vrienden, zonder een van hen in ’t bijzonder aankijkend: „Wade Williams, je staat onder beschuldiging van moord.” Verbaasd keken de vrienden elkaar en vervolgens hun gasten aan; geen van beiden scheen geschrokken of verward. „Ik begrijp u niet,” zei Morgan, „Zei u Williams?” „Wat beteekent dit, Bridger?” vroeg Reevers aan den consul. Voordat deze hem kon antwoorden, ging Plunkett voort: „Ik zal het u uitleggen — voor één van tweeën, want één weet alles. Een van u tweeën is Wade Williams, die zijn vrouw heeft mishandeld en daarna vermoord. Ik beken, dat ik nog niet weet wie het is, maar morgen, als de Pajaro hier weer aanlegt op de terugreis, zal hij met mij aan boord gaan. Ik heb de noodige machtigingen in mijn zak.” Reeves luisterde ongeduldig toe en Morgan lachte smakelijk. „Het diner wordt koud, mr. Plunkett. Laten we gauw beginnen. Ondertusschen kunt u bedenken wie van ons u morgen zult meenemen.” „Ik wilde uw gastvrijheid niet aannemen, voor u wist waarom ik hier ben,” antwoordde de sheriff en begon zijn soep te lepelen. Reeves en Morgan, hongerig na den arbeidsdag in de plantage, vergaten, dat zij beide verdacht werden, nog wel door hun gast; de consul bleef de onplezierige atmosfeer voelen. „Williams!” riep Plunkett onverwachts, hopend, dat de schuldige zich zou verraden. Reevers en Morgan keken op; Reevers bloosde sterk, toen hij zag, dat hun gast hem voortdurend aankeek. „Mr. Plunkett,” zei hij, boos wordend, „ik geloof, dat u te ver gaat. Mijn echte eenige naam is Reeves; ik meen dat....” Maar het bespottelijke van den toestand drong toen tot hem door en hij lachte weer. „Ik ben bang, dat uw eetlust zal lijden onder uw voortdurend ambtswerk. Mag een sheriff niet rustig dineeren? Geef al uw aandacht nu aan het eten; anders blijft uw geest niet frisch en brengt u den verkeerde naar Kentucky.” „Dat zou minder prettig voor me zijn.” gaf de sheriff rustig toe. „Maar ik denk niet, dat ik den verkeerde zal nemen.” „Ik heb zelden vreemder omstandigheden gekend voor een diner,” lachte Morgan, „’t Lijkt of we met een geest aan tafel zitten, de geest van een moordenaar. —* ’n Voorstel, sheriff: neemt u mij mee naar Kentucky. Zoo gauw de vergissing aan het licht komt eisch ik een flinke schadevergoeding. Geen slecht idee, nu de oogst zoo mager is geweest.” „Ik zal Williams meenemen,” antwoordde Plunkett kalm. De consul bleef zwijgen. Hij voelde zich in hooge mate onaangenaam te moede; hij was verplicht den sheriff te helpen in de uitoefening van zijn ambt, maar Reeves en Morgan waren zijn vrienden en hij haatte TILDEN ALS TOONEELSPELER. Tilden, de Amerikaansche tenniskampioen, die dezen zomer ook in ons land heeft gespeeld, houdt in Londen repetities voor zijn optreden in het tooneelstuk „Wees Wijs", de gedachte, dat een van hen een midadiger moest zijn. Hij was ervan overtuigd, dat de twee planters, zoodra zij begrepen hadden, dat één van hen de gezochte Williams moest zijn, besloten hadden elkaar te beschermen voor het lot, dat den schuldige wachtte en de schuld op zich te nemen. Het waren flinke kerels en trouwe vrienden. Toen de oude Caraïbische de tafel had opgeruimd en de sigarenrook door de kamer kringelde, zei Morgan: „’t Is vreemd, maar ik ben werkelijk nieuwsgierig wie van ons Williams is. Want onze geachte gast schijnt zeker van zijn zaak te zijn. Of is het een grap, mr. Plunkett ?” „Luistert heeren,” antwoordde de sheriff ernstig, en oordeelt of het een grap kan zijn. Williams heeft jarenlang zijn vrouw mishandeld. Hij heeft haar beestachtig geslagen tot zij er van stierf; geen hond in heel Kentucky had een slechter leven. Hij is na den moord naar Ratona gegaan en ik ben hem nu nagereisd om hem te arresteeren — één van u. Is dat een grap? Williams zit in deze kamer; hij weet, dat het bloedige ernst is. Ik ken hem niet, maar ik heb zijn vrouw gekend. Wij waren goede vrienden, totdat zij hem ontmoette; mijn kansen verdwenen toen oogenblikkelijk. Ik geef toe, dat er dus persoonlijke gevoelens bij mijn plicht en officieele zending komen, maar des te meer kunt u er zeker van zijn, dat ik alles zal doen om hem te vinden. Hebt u een lucifer voor mij, mr. Reeves ?” „Die Williams moet een bruut van een kerel zijn,” zei Morgan, „om een vrouw uit Kentucky te mishandelen.” Door de openstaande deur wandelde een hond in de kamer, een gewone straathond met trouwhartige oogen, zeker, dat hij welkom in dit huis was. Plunkett keek het dier gedachteloos aan; toen stond hij plotseling op en gaf het dier een trap. Jankend vloog de hond met hangenden staart de kamer uit. Reeves en Bridger keken verwonderd densheriffaan,maar Morgan sprong woedend op hem toe. „Bruut!” schreeuwde hij. „Waarom doe je dat?” Onthust stamelde Plunkett een excuus; Morgan morde nog iets binnensmonds en ging naar zijn plaats terug. Doch nauwelijks zat hij, of nu sprong de sheriff op; met het volle gewicht van zijn kolossaal lichaam viel hij op Morgan. „Dierenvriend en vrouwenmoordenaar,” riep hij uit; „jij bent Williams.” De handboeien sloten zich om zijn polsen. „Was het Williams?” vroeg ik. „Ja, hij was het.” „Maar hoe wist Plunkett het.” „Hetzelfde vroeg ik hem den volgenden morgen. Consul Bridger, antwoordde hij toen, ik heb veel mannen gekend, maar ik heb nog nooit een man ontmoet die van paarden en honden hield, of hij was een wreedaard voor vrouwen.” 19
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11706 tot 11710 van 11897