|
PANORAMA No. 40 5 OCTOBER
handelt in cacaoC
onsui J. B. Bridger, consul van de Vereenigde Staten op Ratona, genoot zijn
vacantie in de stad. Hij beweerde herhaaldelijk en geestdriftig, dat het een heerlijkheid was, om zich na elf maanden in
de afgelegenheid van Ratona weer mensch
te voelen, maar het kwam me toch voor,
dat hij geen echte stedeling was. Als
een nieuwsgierige provinciaal stond hij
telkens stil om voorbijgangers op te nemen,
vooral als zij zeer modieus waren gekleed
en honden bij zich hadden. Zoo keek hij,
tamelijk opvallend, naar een heer, dien wij
op een hoek van een straat ontmoetten; de
man hield een prachtigen Duitschen herder
aan een ketting en snauwde de dame, die
naast hem stond, waarschijnlijk zijn vrouw,
af met korte, driftige zinnen; het vrouwtje
snikte af en toe zenuwachtig.
„Doe niet zoo opvallend nieuwsgierig,’’
zei ik ten slotte. „Je schijnt in iedereen iets
bijzonders te zien."
„’t Zijn de honden," antwoorde hij.
„De honden?"
„De honden. Sinds een zeker avontuur
op Ratona voel ik speciale belangstelling
voor honden. Zoo gauw je mij naar een
gezellig resturant brengt zal ik het je uitleggen,"
De geschiedenis welke ik toen van hem
hoorde was deze. Op een middag schreeuwde
een der loopende nieuwsbladen van Ratona,
de mannelijke jeugd tusschen acht en zestien,
het bericht door de stad, dat de Pajaro
de haven was binnengeloopen. Ratona is
een eilandje, een der gezellige republiekjes
waar revolutie ’n soort volksvermaak is. Er
wonen Spaansche en Indiaansche mestiezen,
negers en blanken, en er komen geen andere
schepen dan de vrachtvaarders, die de
bananen van het eiland halen en er kranten,
kinine, meloenen, radiotoestellen, ijs en
agenten van de bananenfirma's brengen. De
aankomst van een schip is voor Ratona
wel geen geweldige gebeurtenis, maar toch
een gebeurtenis. De Pajaro ankerde midden
in de haven; twee sloepen stevenden naar
den wal. In de eene zaten Spaansche
ambtenaren en inspecteurs van exportmaatschappijen, in de andere enkele kooplieden
en een kolosale Amerikaan, Tayler Plunkett,
sheriff van Chattam in Kentucky.
De laatste passagier liep na drie of vier
keer den weg te hebben gevraagd, naar
het kantoor van consul Bridger. Hij vond
hem in een schuur achter het huis, bezig
met het schoonmaken en invetten van zijn
geweer. Consul Bridger was een goed jager,
die bij voorkeur krokodillen, welke in de
kreeken van het eiland voorkwamen, buit
maakte. Alle jachtbenoodigdheden behandelde hij met evenveel zorg als zijn
consulaire aangelegenheden. Hij ging dan
ook voort de grendel van zijn geweer
zorgvuldig te reinigen, inspecteerde den
loop en keek toen zijn bezoeker aan; het
was buiten kantoortijd, zoodat Bridge zich
dit gedrag kon veroorloven.
„Ga zitten" inviteerde hij den reus met
de groote handen en goedige oogen „daar
op die kist: die is stevig genoeg voor u.
Kan ik u helpen?"
„Ik ben sheriff Plunkett van Chattam
County, Kentecky. U kunt mij inderdaad
helpen. — Wat voor boomen zijn het die
ik hier aan den weg zag ?"
„Dat zijn cacaoboomen."
„O, dank u. Ik zou het onplezierig vinden
als ik na mijn terugkeer in Kentucky verteld
zou hebben, dat het olijfboomen waren —
Erwoontopditeiland zekereWadeWilliams.
Ik heb alle noodige papieren om hem te
arresteeren als verdacht van mishandeling
en moord op zijn vrouw. Waar kan ik hem
vinden ?"
„Op heel Ratona woont geen Amerikaan,
die Williams heet," antwoordde consul
Bridger, onaangenaam verrast, „’n Moordenaar ? Ik wist niet, dat zulke misdadigers
hier woonden."
„Ik begrijp, dat hij hier niet Wiliams
heet," lachte de sheriff. „We zullen hem
toch wel vinden. De man, dien ik zoek,
boonen."
Bridger staakte het poetsen en kwam
naast zijn bezoeker zitten.
„Cacao? Alleen Morgan en Reeves
hebben cacaoplantages; maar, dat zijn geen
moordenaars, ’t Zijn mijn beste vrienden."
„Twee maandengeleden," verteldePlunkett
ten antwoord „schreef Williams een vertrouwelijkenbriefaan een evenschurkachtigen
vriend in Kentucky. Het epistel met de
onvoorzichtige mededeelingen bereikte door
een samenloop van omstandigheden niet
den geadresseerde, maar kwam in onze
handen, en ik werd naar Ratona gestuurd
om den moordenaar te arresteeren. Het
moet een van de cacaoplanters zijn."
„U hebt een portret van den schuldige,
denk ik?" vroeg Bridger. „Alles is mogelijk,
maar het is niet plezierig om te denken,
dat Reeves of Morgan zooiets op zijn geweten heeft, 't Zijn geschikte kerels, zooals
je er niet veel in Kentucky zult vinden."
„Ik heb geen portret," antwoordde de
sheriff, „maar een duidelijk signalement: vijf
voet lang, donkere oogen en haren, Grieksche
neus, zware schouders,opgewekt,spraakzaam,
drinkt veel maar nooit té veel. Op wien van
de twee past die beschrijving, mr. Bridger ?"
De consul dacht even na.
„Ik zal u zelf laten oordeelen, sheriff. Ik
zal u aan Reeves en Morgan voorstellen;
dan kunt u zien, wie de gezochte is. Maar
ik denk, dat u zich vergist."
De consul bracht zijn gast buiten de
stad, naar een kleine houten cottage tusschen
de cacaotuinen. Een Caraïbische vrouw zat
er op het erf, bezig met borden wasschen.
Vóór zij binnentraden, keken de twee door
het geopende raam in de kamer, waar de
tafel gedekt was voor het diner; tegenover
elkaar zaten twee mannen met omhoog
geslagen overhemdsmouwen. Zij geleken op
elkaar, maar de beschrijving was in ’t algemeen op beiden passend. Het waren typen
van joviale energieke Yankees, geen misdadigers.
„Hallo Bridger!" riep Morgan, toen de
consul kuchte. „Spring door het raam, ’n
Gast meegebracht? Er is nog voor twee
plaats aan tafel."
Plechtiger dan gewoonlijk stelde Bridger
de drie mannen aan elkaar voor; Morgan
trad op als gastheer, haalde stoelen en riep
zijn bevelen naar de Caraïbische op het erf.
Intusschen nam de sheriff de vrienden scherp
op; Bridger was nerveus en speelde ongedurig met een punt van het tafellaken.
18
|