|
PANORAMA No. 40 5 OGTOBER
A Het Duistere Rijk .
*
Vê«VaLsChingEn^N
Z
ooals bij zooveel belangrijke zaken,
speelt de overdrijving ook bij het
vraagstuk der vervalschingen een belangrijken rol. Een van de meest humoristische
staaltjes hiervan werd in de „Revue des
Deux Mondes’ geleverd in den volgenden
vorm, door Denys Cochin. Een bezoeker
van een Parijsch restaurant beklaagt zich
als volgt: „Na een bordje groentesoep met
aardappelmeel inplaats van sago, en koperzouten (voor de groentekleuring) genuttigd
te hebben, kreeg de patiënt (want aldus is
deze ongelukkige te betitelen) een stuk
vleesch (gelijkende op een anatomisch preparaat) eetbaar gemaakt met een saus welke
in hoofdzaak uit met lood-chromaat gekleurde margarine bestond. De nu volgende
doperwten waren sterk koperhoudend, terwijl bij het voor roastbeef opgediende
paardenvleesch champignons gevoegd waren, die den verbruiker tot de zeden der
vuurlanders of klei-eters doen afdalen.
(Soms worden de truffels door dunne lapjes
fijn zwart laken vervangen!) De salade die
nu volgt, werd toegedund met verdund
zwafel- of zoutzuur inplaats van azijn,
terwijl het dessert uit chocoladebonbons
en suikerwerk bestaat, — een en ander
vervalscht met meel, zaagsel, arsenicumhoudende kleurstoffen enz. Nadat het ongelukkige slachtoffer der vervalsching dezen
maaltijd verorberd heeft, wil hij zich restaureeren door een kop sterke koffie en ontvangt een ijzerhoudend cichorei- of moutaftreksel met als likeur een sterk foezelhoudend vocht. Het is duidelijk dat de
martelaar na eenige uren onduldbare ingewandspijnen krijgt, en dus medische hulp
inroept. Helaas! welk een hopelooze taak
voor den medicus die bij het voorschrijven
van laxeerende minerale wateren, slechts
met looddeelen bezwangerde waar kan
krijgen, terwijl de ter herstel benoodigde
peptonpreparaten uit gelatine, glucose,
glycerine en salicylzuur bestaan, en den
lijder, nog geholpen door met arsenicum
en kwik-vermengde bismuthpreparaten, naar
een vroegtijdig, doch welkom graf doen
verhuizen !”
Deze ten deele op „Wahrheit und Dichtung” berustende satyre bewijst wel hoe
sceptisch men vroeger tegenover levensmiddelen stond, toen de knoeiers vrij spel
hadden en goed ingerichte keuringsdiensten
nog ver te zoeken waren.
Een niet onaardige tirade dateert ook
uit dien tijd en is misschien in onze dagen
ook actueel.
Een kat en een konijn loopen door een
der achterbuurten van Parijs en zien voor
een restaurant een uithangbord staan: „Au
Lapin!” en dit ziende, loopt het konijn
hard weg... maar de kat liep nog veel
harder!
Wat de „ouderwetsche” knoeierijen betreft, moge het verhaal dienen van den
melkboer uit de 16e eeuw die een „mingelen melck” willende verkoopen, en in het
vat niets dan water vindende, uitriep: „O
door
Dr. P. F. VAN HAMEL ROOS
je! wa’s dat!... nou vergat ik glad er
melck bij te gieten!”
Ook onze Bredero heeft zich ten opzichte
der knoeierijen niet onbetuigd gelaten. Zoo
schreef hij in zijn Klucht van de Koe:
„Want wie kan hem voor sulcke schelmen wachten?
En sijn se dan ook veur geen Dhieven te
achten
Die een’ge drooghe Waren of lichte safferaen
In een bedompte kelder laten staen
Omdattet gewicht zou vermeeren in ’t verkoopen!”
Deze laatste truc wordt in onze dagen
nog wel eens uitgehaald door tabak en
andere vochtaantrekkende waren in „bedompte” óf vochtige kelders onderdak te
geven.
Wat de tallooze „trucs” betreft door de
knoeiers uitgedacht, — deze zijn o.a. voor
de melk legio te noemen. Ik heb vroeger
eens beweerd dat het wasschen in Holland
door de melkboeren meer op de melk, dan
op hun lichamen toegepast werd, en een
niet onaardige illustratie hiervan is het feit,
dat een melkknoeier voor de Rechtbank
hier als verontschuldiging gaf „dat hij de
typhus-bacillenhoudende melk extra met
water verdund had, om zijn klanten „minder vergiftige” waar te leveren”!
Een melkslijter-veehouder te Parijs had
voor zijn deur het volgende brutale uithangbord : „Melk 20 centimes per liter,
melk in tegenwoordigheid van den kooper
gemolken, 30 centimes p. L en melk door
den kooper zelven gemolken 50 centimes
p. I. ! Een Belgische melkknoeier had een
ingenieuze inrichting aan zijn lichaam bebevestigd, waardoor hij ongemerkt bij het
melken telkens een straaltje water bij de
melk kon laten loopen. Een scherp toeziende controleur maakte spoedig aan dit
misdadige spelletje een einde. Een humoristisch aangelegde knoeier uitte bij vervolging de klacht, dat de koeien de schuld
droegen „daar deze arme dieren bij de
zomerhitte een zoo ondraaglijken dorst
hadden, dat hij onwillekeurig slappe melk
leverde”! Onnoodig te zeggen dat strenge
straffen op al deze knoeierijen volgden, —
het betreft immers een ideaal voedsel, hetwelk bij vervalschingen, ziekte en dood kan
verspreiden; het behoort buitendien als
schandelijke diefstal gebrandmerkt te worden, te erger daar leeken het bedrog natuurlijk niet gemakkelijk kunnen constateeren.
Op het gebied van surrogaten voor allerlei voedingsmiddelen, zou een lange kroniek samengesteld kunnen worden, natuurlijk voornamelijk in zake de tallooze Ersatz’-preparaten tijdens den oorlog. Waar
speciaal melk- of meelpreparaten aanbevolen worden om de kostelijke moedermelk
te vervangen, heb ik vroeger reeds de aandacht op deze belangrijke zaak gevestigd
in den vorm van deze regelen:
SURROGATEN VOOR
MOEDERMELK.
„Kindjelief, — zoekt gij naar „eten”?
Moederlief — ge zult ’t wel weten —
Heeft genoeg voor u... maar ziet:
Onze Mode wil dat niet!
Want Papa’s crediet verbiedt,
Dat men ’s avonds hem niet ziet,
Met zijn ega aan zijn zij
In de stalles♦.. éérste rij!
Moedermelk?... Wat zou 't baten?
Onzin!... Men heeft surrogaten!
... ’t Kindje krijgt de spijslijst nu
Maar zegt niets dan... „bu... abu”!
Melk uit bussen, zacht en zoet!
Ja! die geeft eerst kracht en bloed.”
„Maar het wurmpje zucht: „boe! boe!”
En... de bus blijft daarop toe,
Maïsmeel dan... dat is eten!
Maizena liefst geheeten.
Dat klinkt beter — fijn zoo *t hoort
Bij een kind van deze soort;
Doch het schaapje wil niet groeien...
Ik geloof dat ze weer knoeien
Met dat duivelsch maïsgoed!
Zegt Papa, en grijpt zijn hoed,
Om zijn vrienden te gaan spreken,
Hóe zijn kindje op te kweeken.”
„ErvalentaT zegt een wijze
Wat! roept nu een wijz’re grijze,
Revalenta heet dat goed!
Toen ik nog een zuig’ling was,
Kwam ’t mij reeds goed van pas.”
(Deze slimme man vergat
Dat reeds Ezau linzen at,
En dat ’t wondermeel „du Barry”,
Linzenmeel is, plus wat herrie.
Op het etiket geplakt.)
„Vader koopt een aantal bussen,
En wil ’t huilend kindje sussen
Met een portie Revalenta...
Maar de baby zegt steeds bah!
Langzaam kwijnt het arme wichtje,
Bleeker wordt het klein gezichtje,
Moeder is ten einde raad,
Nergens, nergens schijnt meer baat!
Eindelijk... moet de dokter komen.
Nauw heeft hij ’t geval vernomen,
Of hij schrijft een kort recept:
Voor het bloempje, schier verlept;
’t Kind moet „op zijn „Hollandsch” leven!
Geef het kleintje toch zijn zin:
Wil ’t uw eigen boezem geven,
Doe gelijk uw Koningin!”
Voorzeker de beste raad dien een dokter
geven kan... mits de moeder natuurlijk
gezond is en haar levenswijs en voeding
overeenkomstig de eischen der hygiëne zijn.
10
|