|
PANORAMA No. 39 28 SEPTEMBER
G
eheel buiten het gewone!** Gifford dacht er over na, wat
zij wel zouden gezegd hebben als zij de eigenlijke waarheid
hadden gehoord......... dat hij zijn nieuw en mooi huis
voor den eersten keer zag, dat geen steen en geen stuk
hout hem in het minst bekend voorkwam, dat hij zijn kinderen, die
misschien in den tuin aan het spelen waren onder de hoede van
een dienstbode, niet kende, niet eens hun namen wist. Dokter Mc
Intyre. die toch elk detail had uitgedacht, had dit vergeten. En
wat het wonderlijkste was, hij kende niet eens zijn vrouw, die hij
had voorgegeven zoo verlangend te zijn om hem te begroeten,
toen hij zich verontschuldigde tegenover die sympathieke reporters.
Wat zouden zij wel daarvan gedacht hebben?
Nu, terwijl hij langzaam voortging naar het mooie huis, begon
zijn moed hem opnieuw te begeven. Ook deed zich de vermoeidheid gevoelen, ondanks zijn krachtig gestel. Hij wilde zich Drusil
voor oogen stellen. . . een vreemde naam, volgens den vluchtigen
blik, dien hij op haar had kunnen werpen. Hij herinnerde zich haar
bekoorlijk profiel; het rechte voorhoofd en de vastberaden kin, den
smallen neus, die iets had van de klassieke Grieksche lijn, den fijn
besneden mond met goed ontwikkelde volle lippen. . . er was een
bekoorlijke beweeglijkheid in haar geweest, terwijl zij sprak. Hij
zag weer de bevallige houding van het hoofd, den mooien hals.
Haar slank lichaam was in goede proportie met zulk een hoofd
en buste ... lenig, buigzaam als het lichaam van een marter en even
rond en sierlijk, met ongetwijfeld groote kracht, een bekoorlijke
combinatie van schoonheid en bevalligheid. Zij scheen een beetje
boven de gewone maat te zijn, maar toch goed geproportionneerd:
het physiek van een teedere en zachte moeder, nog versierd door
haar jeugd. Zijn herinnering van heur haar was onvolkomen, omdat hij haar tegen het licht had gezien, maar het leek glanzend en
overvloedig, niet donker en ook niet blond, en de kleine krulletjes
hadden een soort van stralenkrans om haar hoofd gevormd.
Maar afgezien van zooveel schoonheid, eer geraden dan duidelijk gezien, wat was het dat hem, den onmeedoogenden zoeker van
genot, die hij geweest was, zoo had bewogen, dat bij zijn ontwaken uit zijn bewusteloosheid hij nog steeds meende die zoeker
te zijn? Voorheen hadden mooie vrouwen, goede vrouwen, slechte
vrouwen en zij, die tegelijk goed en slecht waren, alleen maar in
zijn leven de rol gespeeld van plezier en genot; het waren vroolijke dagen geweest, die hij met ze had doorgebracht en daarvoor
voelde hij een soort van heidensche onverschilligheid. Nooit had
hij een liefde ernstig opgenomen. Zulke ontmoetingen hadden iets
van den zorgeloozen omgang van nymf en faun en als zij dreigden
dieper te worden, had hij zijn vrijheid hernomen en
was weggegaan. Maar onmiddellijk bij het gezicht
van Drusil had hij verlangd naar ketenen, niet
haar maar voor hem zelf, ketenen of bomden,
die om zijn hart en het hare zouden gewonden
worden om onverbrekelijk te zijn.
Was het mogelijk, dat de veronderstelling
van dokter Mc Intyre waar was, dat een of
andere diepe bron van herinnering er naar
streefde tot uitdrukking te komen? Als dat
zoo was, dan was het een andere, dan alleen
zinnelijke liefde. Gifford had er hoegenaamd
geen besef van, dat hij die vrouw vroeger
gekend of zelfs gezien had. Zij kon, meende
hij, slechts de incarnatie zijn van zijn droomen
en idealen, van het beste, wat in zijn ziel leefde.
Toen hij den hoofdingang naderde, terwijl
zijn hart weer fel klopte, werd de groote deur
open geworpen en een huisknecht kwam naar
buiten met een haast, die hij trachtte te matigen.
Gifford herkende onmiddellijk den huisknecht
van zijn vader, John Kenny. Er was een kleine
verandering in hem gekomen, zijn haar was wit
geworden en hij was dikker. Maar dat misstond hem niet.
om den
van de
ontmoet
dat niet
Kenny kwam stralend van blijdschap hem tegemoet en riep
uit: „Mijnheer Gifford! En u wandelt daar naar huis, alsof u van
een uitstapje terug kwam!”
„Och ja, Kenny, dat is veiliger dan de manier, waarop ik het
laatst trachtte te komen/* Gifford schudde den huisknecht de hand,
en de man scheen zich te moeten weerhouden om hem
hals te vallen. „Waar is mevrouw?”
„Mevrouw reed met de kinderen naar den steiger
boot in Eastport. Het verwondert mij, dat u ze niet
hebt. En hoe maakt u het, mijnheer? Eigenlijk behoef ik
te vragen.’'
„Het schijnt, dat ik er leelijk aan toe was, Kenny. Maar na
de eerste uren van verbijstering kwam ik tot mezelf. Wel zijn er
eenige dingen, die ik mij niet kan herinneren, maar dokter Mc
Intyre verzekert mij, dat dat wel voorbij zal gaan. De dokter heeft
mij tot aan de poort gebracht ; hij meende, dat het beter was
alleen naar huis te gaan om aan te toonen, dat ik heelemaal in
orde ben/*
„Het lijkt een wonder, mijnheer. Maar ja, u is er een, die
niet gauw u ten onder laat brengen. Maar toch u moet gaan
liggen en rusten, na zoo den heelen dag op reis te zijn geweest.
Dokter Mc Intyre telefoneerde, dat u met de boot van Digby
zou komen en toen is mevrouw aan het rekenen gegaan, hoe lang
de afstand was en hoe zij u het best kon tegemoet gaan.”
Zij gingen het huis in . . . het zag er prachtig uit. Kenny geleidde hem de breede trap op naar een ruime suite van kamers.
Gifford ontdekte met weer een van die opstijgingen van het bloed,
die andere menschen fataal zouden zijn geworden, dat dit zijn kamers
en die van Drusil waren. Toen zijn oogen rondwaarden, beving
hem weer die vreeselijke sensatie van schandelijk bedrog.
Hij nam een bad en dan, in plaats van toe te geven aan het
aandringen van Kenny om te gaan liggen, kleedde hij zich met
de kleeren, die de knecht voor hem gereed had gelegd. Drusil
zou wel in Eastport vernemen dat Gifford op een speciale boot
over de baai was gegaan, dacht hij en zij zou, zoo spoedig zij
kon, terug komen.
Hij dacht er over na, of het huren van die boot niet een
tactiek van dokter Mc Intyre was geweest om hem een beetje
meer tijd te geven om zich te oriënteeren.
Kenny bracht hem thee en sandwiches, die, vreemd genoeg,
hem buitengewoon goed smaakten; toen Gifford beloofde wat te
rusten, ging hij de kamer uit. Het raam stond open, het weer was
warm en een fijne bloemengeur steeg uit den tuin op. Het zomerseizoen is laat in Maine, zoodat de lucht meer op
die
voor zes
KORTE INHOUD VAN HET
VOORGAANDE. De held van het
verhaal, Gifford Derring, ontwaakt uit
een bezwijming in een kamer, die hij
herkent als die van een ziekenhuis.
Er komt een zeer aantrekkelijke vrouw
bij hem, en die ondervraagt de verpleegster naar zijn toestand. Gifford
herinnert zich niet, haar ooit gezien
te hebben. Na zijn vertrek uit het
ziekenhuis vindt hij in zijn zak het
horloge van zijn vader, het portret
van de mooie vrouw die hij in het
ziekenhuis zag en meer stukken, waarvan hij niets begrijpt. Van dr. Mc Intyre
verneemt hij, dat zijn vader dood is,
en dat hijzelf een vrouw (de bezoekster
uit het ziekenhuis) en twee kinderen
heeft. Dit alles weet hij niet meer,
wijl door een vliegongeluk zijn geheugen voor een deel verloren is
gegaan. Hij overlegt met den dokter,
hoe hij zich tegenover zijn vrouw
gedragen moet, om haar geen pijn te
doen door klaarblijkelijke onbekendheid met haar liefste herinneringen.
Dan komt hij thuis.
van de lente leek. Gifford dacht er over na, dat
jaar geleden op dezen dag hij juist een week met
Drusil getrouwd was geweest.
Hij sprong op en begon rusteloos door
de kamer te loopen om de verschillende meubelen en andere voorwerpen te bekijken en
zoo een idee te krijgen van den persoon, die
hij was geweest vóór dat ongeluk met de
vliegmachine hem zeven jaar achteruit bracht.
Er was een tamelijk ruime kamer, aan de
andere zijde van de badkamer, die blijkbaar
Drusil diende als boudoir; er stond geen bed.
Een ander vertrek was klaarblijkelijk een soort
van toiletkamer voor zijn eigen persoon; er
waren diepe kasten, waarin kleeren hingen
voor elke gelegenheid, meer dan een man
recht heeft te bezitten.
Het behangsel van die kamer was nauwelijks zichtbaar, zooveel foto’s, voornamelijk
souvenirs van sportgebeurtenissen, waren opgehangen. Een reusachtige toilettafel met
spiegels aan weerszijden, die het beeld naar
alle kanten weerkaatsten, was bedekt met
allerlei benoodigdheden, dieGifford met walging
21
|