Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11681 tot 11685 van 11897
Nummer
1929, nr. 39, 28 sept. 1929
Blad
18
Tekst
PANORAMA - No. 39 - 28 SEPTEMBER te AMSTERDAM de door I»a .,SHoW Woel E r zijn drie dingen, welke bij de modeshows van dit seizoen sterk naar voren komen en wel deze: de taillelijn op normale hoogte is een feit geworden; de rokken worden langer — niet zoo aanmerkelijk voor de sport- en wandeltoiletten, ofschoon de slechts tot aan de knieën reikende rokjes schijnen te hebben afgedaan, maar vooral wat betreft de avondtoiletten — en de sluike pretentielooze gladde jurkjes, die zoo gemakkelijk in elkaar te flansen waren, behooren voorloopig tot het verleden. In den beginne werkt zoo’n mode-show eenigszins verbijsterend. Ware de make tip er niet van de jonge gezichtjes, dan zou men zich misschien afvragen of het wel werkelijk mannequins C. PA M waren, die zich heupwiegend door de zaal bewogen. Leken het soms niet ouderwetsche burgerjuffrouwen, die trouw gebleven aan een mode van jaren her, met een te veel aan pretentie, de eenvoudige gladde donkere japonnetjes vertoonden, ‘n leeren ceintuurtje strak om ’t middel, 'n zedig kraagje om den hals en keurige manchetten om de polsen, of ’n simpel mantelcostuum met in den rok gestoken blouse? Maar langzamerhand komt er meer teekening. En 't wordt alles anders. De hoogere taille is er wel en de langere rok, die de silhouet der vrouw zoozeer veranderen, maar in allerlei details is er nze da getvesenes. Die climax, welke bij zoo’n show de aandacht vast houdt, viel wel in zeer sterke mate te waardeeren op de mode-show van Maison Natan uit Brussel, welke in een der fraaie zalen van het Carlton-hotel gehouden werd. Eerst de eenvoudige toiletjes, waarbij vooral het „ouderwetsche” opviel, dan de eenvoudig aandoende toiletten, exquise van coupe en met een verfijnde elegance in de garneering; ten slotte de avondtoiletten prachtig van lijn en van ’n bijna somptueuse gratie en als finale de bruid, wier lange sleep door sierlijke bruidsmeisjes gedragen werd. De nieuwe lijn? Het lijfje glad, de heupen strak om16
PDF
Nummer
1929, nr. 39, 28 sept. 1929
Blad
19
Tekst
PANORAMA No. 39 28 SEPTEMBER spannen en daaronder de golvende lijnen van rondgeknipte strooken, van godets, van ruches, van waaierende slippen. De mouwen lang en nauwsluitend voor wandel- en middagtoiletten en schitterend door afwezigheid bij avondtoiletten. De halsafwerking eindigt niet enkel van voren in ’n strik of ’n paar slippen, doch heeft ook vaak op den rug ’n sierlijken strik met wapperende einden tot afsluiting. En de kleuren? Veel zwart en wit, veel rood in alle schakeeringen, vooral in dahliarood, en dan bruin, groen, grijs en blauw. Keuze dus voor eenieder. Er waren zwarte japonnetjes van crêpe georgette met als enkel kleurentoetsje 'n ietsje zacht rosé aan hals en pols, of 'n kleurtje enkel in de voering van den sjaal en ’n plooi in den rok. Er was ’n paars toiletje, geheel in kleur gehouden op de smalle roode ceintuur na, welke strak het middel omspande. Er was zwart velours chiffon, sober gegarneerd met kostbare kant. Er was 'n namiddagtoiletje van beige georgette met garneering van smalle biesjes uit hetzelfde materiaal van Millet, gedoopt: de cinq a sept. Er was ’n bordeaux-kleurige robe Troubadour met bolero en wijd uitvallende mouwen. Er was ’n groene rok met keurs over ’n geel zijden blouse. Er waren complets van zijden japonnetjes met bijpassende mantels. Er waren zijden toiletjes met een opknoopbaren rok van stevig tweed en daarbij behoorenden mantel. Er was zelfs een japonnetje, „de chez Lanvin”, met kleine schoudervleugeltjes op de lange mouwen. Zóóveel verscheidenheid dus in de nieuwe ontwerpen, dat ieder er zeker wel iets bij zal kunnen vinden, geschikt voor de eigen persoonlijkheid, zoowel wat betreft kleur als lijnen. Nu is het waar, dat de strak om het middel sluitende ceintuur alleen maar flatteus is voor slanke figuurtjes, maar er zijn ook vele nieuwe toiletten waarbij de taillelijn niet zoo sterk wordt geaccentueerd. De nieuwste avondtoiletten zijn alle, zonder uitzondering, lang. Soms reiken ze van voren slechts even over de knie om zich, naar achteren toe te verlengen tot ’n kleinen sleep. Soms is de geheele rok lang en wanneer dan de taille tamelijk sterk wordt ingehaald, zooals bij een der scheppingen van Lanvin, met wijden uitgeschulpten plissé-rok, dan doet het geheel nog wel eenigszins vreemd aan. De avondmantels hebben de lengte der avondjaponnen niet bijgehouden. Soms zijn ze zelfs slechts driekwart. En de lange strooken en slippen van het eronder gedragen toilet komen rondom royaal te voorschijn. Bij de bontmantels nog veel eenvoudige jassen, van voren ver over elkaar sluitend. De garneering wordt meestal gevonden door de teekening van het bont zelf, kunstig in heen en weer gaande strepen en randen aan elkaar gezet. Toch zijn er ook meer ingewikkelde modellen. Zoo was er een getailleerde mantel van breitschwanz en 'n cape somptueuse van mol met twee uitstekende slippen, één bevestigd aan den schouder en één ter hoogte van de taille. De groote modekoningen; Patou, Lanvin, Molineux, Millet, Duverne, Lelong, Lecomte en hoe ze allen mogen heeten, geven hun scheppingen vaak zeer suggestieve namen. Daar was l'ensemble Torpedo een mantel; de robe „Colibri de chez Lecomte ”, 'n soepel, rood japonnetje met van achteren gestrikt ceintuurtje. Een groen toiletje, met luchtige strikken op schouder en heup, was door Patou: VOptimistegedoopt. Een avondmantel van blauw fluweel met blauwe kant werd als: Ze manteau froleuse aangekondigd. Er was een beige robe van Millet, Fleur d'amour, met bruin fluweelen mantel; er was ’n robe Penelope van Lelong, strak spannend blauw fluweel, wijd uitvallend onder de heupen; ’n lichtblauwe fleur de Bagdad van Lelong, met wijd uitwaaierende lange slippen over rok. En dan un soufflé van Patou, een zuchtje, 'n droom van rosé kant met zijden biais; la vie en rosé van Lelong. Rouge de lysse was ’n sierlijkecréatievan roode crêpe de chine met op de heupen paniers van kleine over elkaar vallende strooken die voor en achter een puntlijfje vormden en 'n sleepend avondtoiletvan zacht geel en helrood dat ons als Whiskey werd aangekondigd. En de overweging die bij ’n modeshow ah deze verheugenis geeft. aan het Hollandsche hart is: onze eigen modehuizen kunnen tegenwoordig alleszins wedijveren met die uit het buitenland. Wat ons hier geboden werd, hoe belangwekkend ook, was niet belangrijker dan hetgeen ons op de verschillende revues der eigenmodehuizen werd vertoond. En wat onze Hollandsche mannequins betreft, zij behoeven, wat betreft gratievan uiterlijk en van bewegen, zeker niet onder te 'doen voor deze mannequins uit het buitenland. ruime grijs geruite japon met bijbehoorenden 17
PDF
Nummer
1929, nr. 39, 28 sept. 1929
Blad
20
Tekst
PANORAMA No. 3 9 28 SEPTEMBER Het Hart van Claudine M ijnheer Wickenhorst, u weet, ik gun het u, maar u kiest werkelijk weer het allerbeste uit de zending.” Paul bekeek het looden kistje nog eens aandachtig en probeerde de vrijwel uitgewischte inscriptie te ontcijferen. Het was een zwaar voorwerp, zoo groot als een tabaksdoos. Open krijgen kon hij het niet. „Ja, ja, je gunt het me wel Samuels, Als ik jouw fikschen prijs maar betalen wil. Ik ken je langer, ouwe jongen!” „En toch zou een ander het niet van me gekregen hebben. Zooiets hou ik graag voor mezelf. Heusch, graag of niet.” Samuels bezag het ding op zijn beurt nog eens met bewondering. „Op de lijst stond het genoteerd als een grafkistje. Een vondst uit het Zuiden van Frankrijk. De regeering heeft natuurlijk heel gauw beslag op alles laten leggen. Afblijven is nu de boodschap.” „Ja, naar dat opschrift heb ik ook al een heelen tijd zitten turen. In Parijs is het gedeeltelijk ontcijferd. Dat kistje moet het hart bevatten van een prinses. Prinses Claudine of Clodina. Kijk, daar staat zooiets van Clode of Claudi..,. Neen, laat u het maar stil dicht. U zoudt het ding vernielen. Een prachtstuk. Negende of tiende eeuw minstens.” „Kalm aan maar Samuels, kalm aan. Zeker, het ding is mooi. Een prachtige zware pressepapier voor mijn schrijftafel.” Samuels schudde ’t hoofd. „Pressepapier, dat zal wel.” Hij nam de cheque, die Paul voor hem schreef. Het zaakje was niet onaardig. Paul verliet met zijn schat den winkel van den antiquair. Claudine! Het hart van prinses Claudine! Onzin natuurlijk. Maar toch wel curieus. Had hij het hartje van de levende Claudine maar! Van Clo Segnard. En toch kenden ze elkaar al jaren. Samen op het gym geweest. Samen twee jaar gestudeerd. Twee jaar geleden had hij den meestertitel gehaald. Clo had na den dood van haar vader de studie opgegeven en was met haar moeder in Aerdenhout gaan wonen. Om Clo eigenlijk had Paul verleden jaar óók een huis in Aerdenhout gekocht. Ze zagen elkaar bijna dagelijks. Hij hield van Clo. Behalve een sportvrouw in de beste beteekenis van het woord was ze een heel knap ontwikkeld meiske, dat veel belangstelde in Paul’s werkkring en dikwijls een buitengewoon gezond oordeel kon vellen in voor hem moeielijke kwesties, zich er graag voor interesseerde. Een ideaalvrouw ! Maar, als zoovele idealen, schijnbaar dichtbij en daadwerkelijk zoo ver af. Want meermalen had Clo niet onduidelijk laten merken, dat het vrije ongebonden leven haar opperbest beviel. Zoo best, dat ze er voorloopig niet aan dacht een Mevrouw, wie dan ook, te worden. Wie dan ook! Al mocht deze verklaring een pleister op de wonde zijn, die platonische vriendschap zat Paul langzamerhand danig dwars. Vooral in de laatste maanden, sedert die nieuwe dokter Melvoort daar zoo dikwijls aan huis kwam. Melvoort was een geschikte kerel en Paul was heelemaal niet jaloersch. Maar toch! De reis van Amsterdam naar Haarlem door /7. P. HENGEVELD en vandaar in zijn wagentje naar Aerdenhout was gauw opgeknapt. Daar was de Bremstruik al. Clo zat op het terras. Nog in volledig tennistenue. Den heelen middag gespeeld natuurlijk. Die Melvoort bofte toch maar! Nooit voor zaken of wat ook naar Amsterdam te moeten. Paul toeterde en Clo keek op. Natuurlijk stopte hij. Zij liep over het gazon naar hem toe; zag het pakje onder zijn arm: „Zoo, zoo, weer bij vriend Samuels geweest. Wedden, dat daar een antiquiteit in zit? Gauw zien hoor!” Paul wipte over de heg, maakte het papier los. Het onderzoek viel bevredigend uit. „Een mooi ding hoor! 't lijkt wel een urn.” „Dat is het ook.” „Jakkes, wat eng, wie weet wat er in zit.” „Ik natuurlijk!” „Wat dan?” „Het hart van Claudine!” Clo kreeg een kleur, „loop heen gekke vent!” „Nee, niet van jou natuurlijk. Dat weet je veel te goed te bewaren.” Het meisje keek hem lachend aan en plotseling kon Paul zich niet meer bedwingen. „Clo, in ernst, lach er niet om. Je weet, dat ik van je houd, Clo, schenk mij je eigen hartje. Toe, zeg, dat je mijn vrouw wilt worden!” Het waren weinig poëtische omstandigheden, waaronder Paul zijn liefdesverklaring deed. Zoo in het volle daglicht. Zoo op het gazon vlak aan den weg. „Paul, jongen, hoe kom je daar zoo opeens aan! 't Lijkt wel of we voor de film spelen. Zooiets vraag je in een helderen manenacht. Aan de boorden van een kabbelende beek. — Kom Paul, word rustig. Ga met je schat naar huis. Ik schenk vandaag mijn hart nog niet weg hoor! Of er moest een wonder gebeuren! Kijk nu maar niet zoo sip. Een blauwtje heb je óók niet geloopen.” Paul voelde, toen hij in haar eerlijke levenslustige oogen keek, dat zijn kansen er nog niet zoo héél slecht voorstonden. Maar om zóó afgepoeierd te worden! Nog één poging om in de Bremstruik door te dringen. Hij liep met Clo mee naar de loggia. „Is je moeder thuis, Clo? Ik heb haar in geen week gezien, kan ik haar even groeten.” „Nee, wis en zeker niet. Moeder is zich aan het kleeden voor het diner. Dokter Melvoort komt vanmiddag eten. — Gunst, vertrek alsjeblieft met bliksemvaart. Ik moet me nog in een mooi pak steken en het is bij zessen. Saluut Paul, verlies het hart van je oude Claudine niet!” Ze draaide zich om. „Clo, even nog! Clo, voor je het jouwe verliest, Clo ik houd van je.,..!” „Wees toch stil, malle jongen. Het heele huis kan je wartaal hooren. Ik mijn hart verliezen ? Aan wien ?.... O.... wacht eens! O, jij jaloersch kereltje! Aan den dokter zeker! Wel ja — ‘t Is een knap ventje! En hij tennist reuze. Zes uur! Nou, dag hoor!” Ze wipte het huis binnen. Nog een paar minuten bleef Paul, in niet overdreven prettige gedachten verzonken, in de loggia staan. Er zat niets anders op dan zijn wagentje weer te beklimmen en naar huis te rijden. Jan Melvoort.... Hij was laat thuis en bijna onmiddellijk kondigde Dirkje aan dat het eten opgedaan was. Het smaakte niet erg en hij was gauw klaar. Trok naar zijn studeerkamer om daar afleiding voor zijn sombere gedachten te vinden. Weldra was hij verdiept in zijn werk. Half elf. Het vlotte best. Hij kwam er echt in. Elf uur. Met zilveren klanken sloeg de staande klok in de hall beneden. Plotseling overviel Paul een eigenaardig gevoel. Een gevoel alsof hij zich niet alleen in de kamer bevond. Hij keek op, Clo...! Onwillekeurig ontsnapte die naam zijn lippen. Maar het was Clo niet. Doodsbleek, met starende oogen, stond een vrouwenfiguur achter zijn schrijftafel. Het gezicht van Clo ongetwijfeld. Ook dezelfde gestalte. Maar in welk een kleeding! Een lang donkergroen gewaad viel in wijde plooien tot op den grond. Een uit bijzondere goudstof vervaardigde doek lag over de schouders. Een witte kap was strak om het hoofd getrokken. Het was Clo en het was Clo niet. Een eigenaardige geur drong in Pauls neusgaten. Een oude lavenderachtige geur. Hij wilde opstaan. Kón niet. De gestalte bewoog de lippen. Sprak. Sprak in slecht Fransch, dat Paul met moeite verstond. „Heb geen vrees. Ik kom u slechts een verzoek doen. Ik ben prinses Claudine.” Pauls tong weigerde dienst. „Slechts enkele minuten kan ik toeven. Luister. In dat kistje, in dien urn ligt mijn hart besloten. Gescheiden van mijn lichaam, dat gindsch in Frankrijk sedert eeuwen rust. Nog eeuwen rusten zal. Dat hart werd vandaar gestolen. Hierheen gebracht. Ik mag maar één poging doen het terug te erlangen. Als een vrijwillige gift. Weiger mijn bede niet. Ik zou geen rust meer kennen. Schenk het mij, gij de rechtmatige bezitter, tegen mijn wil en tegen mijnwensch.” Paul voelde, dat hij niet weigeren kon, niet weigeren mocht. Zwijgend bood hij haar het kistje aan. Een dunne wasbleeke hand strekte zich uit. Verborg het voorwerp onder de plooien van het gewaad. „Heb dank voor uw goedheid en neem dit als teeken, dat ik die dankbaarheid in voor u tastbaren vorm wil bewijzen. Het is de ring, die voor mij de huwelijksbelofte beteekende. Schenk hem haar, die gij liefhebt, tot uw vrouw begeert, en gij zult uw wensch vervuld zien.” Zij legde iets op Pauls' werktafel. Hij wilde antwoorden, maar de gestalte was verdwenen; opgelost in de schaduwen van het studeervertrek. Paul probeerde op te staan. Het gelukte. Hij vloog naar de deur, knipte het groote licht van de kaarsenkroon aan. De kamer was net als anders. Geen spoor van zijn bezoekster. Hij bespeurde niets meer van dien zonderlingen geur. De deur was dicht. De pendule wees half twaalf. Hij lachte zenuwachtig. Geslapen had hij! Natuurlijk over zijn werk in slaap gevallen. Half 18
PDF
Nummer
1929, nr. 39, 28 sept. 1929
Blad
21
Tekst
PANORAMA N o. 3 9 28 SEPTEMBER twaalf. Na zulk een vermoeienden dag. Geen wonder. Hij ging naar zijn schrijftafel terug, en keek. Er stond geen kistje. Droom of werkelijkheid? Hij keek nog eens. Het licht van de bureaulamp viel op een flonkerend kleinood. Hij nam het op. Het was een zonderling gevormde ring ; een ring, bestemd voor een vrouwenvinger. Paul wreef zich de oogen uit. De ring lag daar in de palm van zijn hand. Dat was werkelijkheid. — Hij ruimde zijn boeken en paperassen op. Werken kon hij tóch niet meer. Na den ring zorgvuldig bij zich gestoken te hebben ging hij naar bed. Ondanks de vele emoties viel hij onmiddellijk in vasten slaap. Het was alsof het dinertje voor Clo alle aantrekkelijkheid verloren had. Ze zag er bepaald tegenop. Dat die malle Paul haar nu ook vlak van te voren een huwelijksaanzoek in optima forma moest doen ! Zeker, Paul had een bijzondere plaats in haar hart. Dat wilde ze eerlijk bekennen. Was hij werkelijk jaloersch? Op Jan Melvoort ?.... Een onplezierig gevoel bekroop haar. Waarom had moeder Jan eigenlijk uitgenoodigd vanavond? Waarom? Moeder had van die ouderwetsche ideeën. Zou hij ergens over gesproken hebben ? Moeder zou toch niet het onzinnige denkbeeld hebben opgevat in Jan Melvoort een „goede partij’* te zien? Groote genade, moeder had warempel die mooie blauwe voor haar klaargelegd. Dat pronkjuweel. Neen, Clo voelde zich niets plezierig toen ze beneden kwam. Daar was iets niet in den haak. O, wat had ze een spijt, in den laatsten tijd met Melvoort geflirt te hebben! Het was een dinertje zooals moeder zelden gaf en aan tafel verdween Clo’s sombere stemming. Ze kwam onder den invloed van Melvoort’s geestigheid en charme. Na afloop van het diner werd de koffie op het terras geserveerd, ’t Was een prachtige avond. Het gefluit van een nachtegaal in de boschjes langs den weg drong tot hun zitje door. Clo keek op de klok. Het was bij elven. „Clo, heb je de nachtegaal wel eens gezien ? Willen wij probeeren hem eens te verrassen ? Mevrouw Segnard, bent u ook van de partij?” „Neen dokter, ik blijf hier rustig zitten. Gaat u maar met Clo.” Clo was niet zoo goed of ze moest mee, op den nachtegalen-overval. Elf uur. Zwaar dreunden de slagen uit de torenklok. En wat Clo gevoeld, gevreesd had, gebeurde inderdaad... „Clo, wil je mijn vrouw worden? Kijk we kennen elkaar nu toch wel heel goed. Ik geloof, dat ik niet zoo heel slecht bij je sta aangeschreven.” „Neen, Clo, laat me uitspreken. Ik heb je moeder er verleden week over gesproken. Ik had je deze vraag al eerder willen doen. Dorst niet omdat ik dacht, dat je veel om Paul Winckevoort gaf. Maar je moeder zei dat ik mij daarin vergissen moest. Dat Paul meer een oude schoolvriend was.” Clo’s tong weigerde dienst. „O jij ondeugende meid! Mij èn Paul zoo'n heel klein beetje het hoofd op hol te brengen!” Hij trachtte haar hand te vatten. „Clo, kindje, mag ik je gelukkig probeeren te maken ? Mogen wij samen je moeder gaan verrassen?” HERFST. Clo vond haar spraak terug. Tranen van medelijden, misschien ook wel van berouw, stonden haar in de oogen. „Jan, beste jongen, het spijt me heel erg. Maar moeder kón dat niet weten. Ik moet je vraag met nèèn beantwoorden. Ik kan niet. Ik kan je vrouw niet worden....... Ik heb me vanmiddag met Paul Winckevoort verloofd!” ’t Was of die laatste woorden haar van buitenaf werden ingegeven. Woorden, waarmee ze Jan Melvoort den pas afsneed voor verdere argumenten. „Verloofd! Verloofd met Paul Winckevoort! Clo, dat is een verrassing voor mij, een ellendige verrassing!” Melvoort slikte iets weg en bedwong zich. „Clo dat antwoord vernietigt alles voor mij. Alles!” Hij slikte weer. „Maar ik zal niet lamenteeren kind.... Paul is een beste vent. Een bóffert. Clo, geluk, veel geluk!” Clo maakte een van de ellendigste oogenblikken van haar leven door. Maar het waren gelukkig maar oogenblikken. Heel gauw waren ze weer bij het terras, waar ze in het zachte licht van de schemerlamp de oude mevrouw Segnard ingedommeld vonden. Het gesprek vlotte niet meer en kort daarop ging Melvoort heen. Clo ontweek den vragenden blik van haar moeder en trok zoo spoedig mogelijk naar boven. Ondanks de emoties van dien dag viel ze onmiddellijk in vasten slaap. Half negen was Paul gewoon naar Amsterdam te gaan en den volgenden morgen om acht uur bewerkte Clo den klopper op zijn voordeur. Mama sliep nog den slaap der rechtvaardigen. Geenszins Paul, die zoodra hij het bekende figuurtje het hek zag binnenstappen, zich repte om open te doen. „Clo, kind, je komt alsof je geroepen bent! Ik had dadelijk na mijn bordje havermout naar de Bremstruik willen gaan. Amsterdam ziet me vandaag niet.” „Zoo, zoo, mijnheertje, en waarom niet, als ik vragen mag? Is daar geen kantoor, geen plicht, die roept?” „Best mogelijk, maar hier roept iets heel anders. Iets veel belangrijkers.” Clo voelde zich uitermate op haar gemak. „En wat mag dat wel zijn?” „Ten eerste de excuses voor mijn geïmproviseerd huwelijksaanzoek van gistermiddag. Ten tweede, en dat is eigenlijk het belangrijkste, een beter geprepareerd da capo ervan!” Hij had haar hand gevat en Clo scheen op het ergste voorbereid. „Want al is er ook nu geen kabbelende beek, al staat het maantje maar aan een ochtendhemel, mijn grootste fout kan ik herstellen.” Dat interesseerde Clo buitengewoon. „Een meisje behoort men te vragen onder aanbieding van een verlovingsring,” „Paul! Een verlovingsring! Voordat...!” „Ja, maar natuurlijk als men vooruit weet hoe het antwoord zal zijn!” Hij had den ring voor den dag gehaald. „Oh, jij onverbeterlijk impertinent kereltje! Hoe weet jij vooruit....!” Clo kwam niet verder, want Paul had haar naar zich toegetrokken, dicht, heel dicht en maakte verdere onvriendelijkheden onmogelijk door wat wij bescheidenlijk een „morgenkus” zullen noemen. De ring zat aan Clo’s vinger als gegoten. Een feit, dat geheel in het kader paste van Pauls vreemde avontuur, dat hij haar in kleuren en geuren vertelde. „Ik heb het altijd gezegd Clo, er zijn meer dingen tusschen hemel en aarde, dan wij gewone stervelingen vermoeden!” Clo lachte heel .oneerbiedig. „Kom Paul, nu word je toch ’n heel erge mysticus!” „Erge mysticus! Ik heb toch alles voor mijn eigen oogen zien gebeuren. Het kistje is wèg en de ring, dien je nu aan je vinger hebt, lag op tafel. De ring waarvan de kracht toch maar onmiddellijk in werking is gegaan!” Hij dacht aan den „morgenkus.” „Dat kistje, vergeetachtige domoor, heb je gisteren in je opwinding in onze loggia laten staan. Straks kun je dat zware ding zelf komen halen! Paul was verstomd. „Maar de ring dan ?” „Dat was een antiek juweel, dat moeder laatst bij haar ouden boel gevonden had. Ik had het gisteren op je bureau gelegd om je ook eens met een echte antiquiteit te verrassen. En wat het uitkomen der voorspelling betreft, daarvan zal ik je later wel eens de explicatie geven.” 19
PDF
Nummer
1929, nr. 39, 28 sept. 1929
Blad
22
Tekst
PANORAMA No. 39 28 SEPTEMBER T oen Emil Jannings uit Amerika naar het continent terugkeerde, drongen langzaam geruchten tot het Hollandsche publiek door dat een zijner laatste Amerikaansche films een meesterwerk was, den kunstenaar volkomen waardig Dat meesterwerk bleek een film te zijn, die een gedeelte van het leven en het einde van Czaar Paul I van Rusland behandelde en waarin de Czarenrol door Jannings vervuld wordt. Dat dit een allesbehalve gemakkelijke rol is, begrijpt ieder die weet, dat Czaar Paul I min of meer in zijn geestvermogens gekrenkt was, maar toch niet zoo, of zijn wetten en besluiten waren, wat de portee ervan betreft, geenzins van een waanzinnige. Ernst Lubitsch, de bekwame Paramount-regisseur, heeft de regie gevoerd; ook hierin is de hand van den meester te herkennen, daar iedere scène, al naar gelang de belangrijkheid, schitterend gearrangeerd en zuiver afgewogen werd. Wij presenteeren hierbij eenige der fraaiste foto’s uit „De Patriot, die een nadere beschouwing overwaard zijn. DE Patriot De dood van Czaar Paul 1. Hij sterft op zijn troon, geworgd door de hand van een soldaat, dien hij in een gril had laten geeselen. Graaf Pahlen (Lewis Stone) de eenige vertrouweling van den Czaar, die zich eveneens als samenzweerder ontpopt. Links Florence Vidor als Gravin Ostermann, wier man werd doodgeschoten, en die tenslotte een grooten invloed krijgt op den Czaar, 20
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11681 tot 11685 van 11897