|
PANORAMA No. 3 9 28 SEPTEMBER
Het Hart van Claudine
M
ijnheer Wickenhorst, u weet, ik gun
het u, maar u kiest werkelijk weer het
allerbeste uit de zending.”
Paul bekeek het looden kistje nog eens
aandachtig en probeerde de vrijwel uitgewischte inscriptie te ontcijferen.
Het was een zwaar voorwerp, zoo groot
als een tabaksdoos. Open krijgen kon hij
het niet.
„Ja, ja, je gunt het me wel Samuels,
Als ik jouw fikschen prijs maar betalen
wil. Ik ken je langer, ouwe jongen!”
„En toch zou een ander het niet van
me gekregen hebben. Zooiets hou ik graag
voor mezelf. Heusch, graag of niet.” Samuels bezag het ding op zijn beurt nog
eens met bewondering. „Op de lijst stond
het genoteerd als een grafkistje. Een vondst
uit het Zuiden van Frankrijk. De regeering
heeft natuurlijk heel gauw beslag op alles
laten leggen. Afblijven is nu de boodschap.”
„Ja, naar dat opschrift heb ik ook al een
heelen tijd zitten turen. In Parijs is het
gedeeltelijk ontcijferd. Dat kistje moet het
hart bevatten van een prinses. Prinses Claudine of Clodina. Kijk, daar staat zooiets
van Clode of Claudi..,. Neen, laat u het
maar stil dicht. U zoudt het ding vernielen. Een prachtstuk. Negende of tiende
eeuw minstens.”
„Kalm aan maar Samuels, kalm aan.
Zeker, het ding is mooi. Een prachtige
zware pressepapier voor mijn schrijftafel.”
Samuels schudde ’t hoofd. „Pressepapier,
dat zal wel.” Hij nam de cheque, die Paul
voor hem schreef. Het zaakje was niet
onaardig. Paul verliet met zijn schat den
winkel van den antiquair.
Claudine! Het hart van prinses Claudine!
Onzin natuurlijk. Maar toch wel curieus.
Had hij het hartje van de levende Claudine maar! Van Clo Segnard.
En toch kenden ze elkaar al jaren. Samen
op het gym geweest. Samen twee jaar gestudeerd. Twee jaar geleden had hij den
meestertitel gehaald. Clo had na den dood
van haar vader de studie opgegeven en
was met haar moeder in Aerdenhout gaan
wonen. Om Clo eigenlijk had Paul verleden jaar óók een huis in Aerdenhout
gekocht. Ze zagen elkaar bijna dagelijks.
Hij hield van Clo. Behalve een sportvrouw in de beste beteekenis van het woord
was ze een heel knap ontwikkeld meiske,
dat veel belangstelde in Paul’s werkkring
en dikwijls een buitengewoon gezond oordeel kon vellen in voor hem moeielijke
kwesties, zich er graag voor interesseerde.
Een ideaalvrouw ! Maar, als zoovele
idealen, schijnbaar dichtbij en daadwerkelijk
zoo ver af. Want meermalen had Clo niet
onduidelijk laten merken, dat het vrije ongebonden leven haar opperbest beviel. Zoo
best, dat ze er voorloopig niet aan dacht
een Mevrouw, wie dan ook, te worden.
Wie dan ook! Al mocht deze verklaring
een pleister op de wonde zijn, die platonische vriendschap zat Paul langzamerhand
danig dwars. Vooral in de laatste maanden,
sedert die nieuwe dokter Melvoort daar
zoo dikwijls aan huis kwam. Melvoort was
een geschikte kerel en Paul was heelemaal
niet jaloersch. Maar toch!
De reis van Amsterdam naar Haarlem
door
/7. P. HENGEVELD
en vandaar in zijn wagentje naar Aerdenhout was gauw opgeknapt. Daar was de
Bremstruik al. Clo zat op het terras. Nog
in volledig tennistenue. Den heelen middag
gespeeld natuurlijk. Die Melvoort bofte
toch maar! Nooit voor zaken of wat ook
naar Amsterdam te moeten. Paul toeterde
en Clo keek op. Natuurlijk stopte hij. Zij
liep over het gazon naar hem toe; zag het
pakje onder zijn arm:
„Zoo, zoo, weer bij vriend Samuels geweest. Wedden, dat daar een antiquiteit
in zit? Gauw zien hoor!”
Paul wipte over de heg, maakte het papier
los. Het onderzoek viel bevredigend uit.
„Een mooi ding hoor! 't lijkt wel een urn.”
„Dat is het ook.”
„Jakkes, wat eng, wie weet wat er in zit.”
„Ik natuurlijk!”
„Wat dan?”
„Het hart van Claudine!”
Clo kreeg een kleur, „loop heen gekke
vent!”
„Nee, niet van jou natuurlijk. Dat weet
je veel te goed te bewaren.”
Het meisje keek hem lachend aan en
plotseling kon Paul zich niet meer bedwingen. „Clo, in ernst, lach er niet om.
Je weet, dat ik van je houd, Clo, schenk
mij je eigen hartje. Toe, zeg, dat je mijn
vrouw wilt worden!”
Het waren weinig poëtische omstandigheden, waaronder Paul zijn liefdesverklaring deed. Zoo in het volle daglicht. Zoo
op het gazon vlak aan den weg.
„Paul, jongen, hoe kom je daar zoo
opeens aan! 't Lijkt wel of we voor de
film spelen. Zooiets vraag je in een helderen manenacht. Aan de boorden van een
kabbelende beek. — Kom Paul, word
rustig. Ga met je schat naar huis. Ik schenk
vandaag mijn hart nog niet weg hoor!
Of er moest een wonder gebeuren! Kijk
nu maar niet zoo sip. Een blauwtje heb
je óók niet geloopen.”
Paul voelde, toen hij in haar eerlijke
levenslustige oogen keek, dat zijn kansen er
nog niet zoo héél slecht voorstonden. Maar
om zóó afgepoeierd te worden! Nog één
poging om in de Bremstruik door te dringen.
Hij liep met Clo mee naar de loggia.
„Is je moeder thuis, Clo? Ik heb haar in
geen week gezien, kan ik haar even groeten.”
„Nee, wis en zeker niet. Moeder is zich
aan het kleeden voor het diner. Dokter
Melvoort komt vanmiddag eten. — Gunst,
vertrek alsjeblieft met bliksemvaart. Ik
moet me nog in een mooi pak steken en
het is bij zessen. Saluut Paul, verlies het
hart van je oude Claudine niet!” Ze
draaide zich om.
„Clo, even nog! Clo, voor je het jouwe
verliest, Clo ik houd van je.,..!”
„Wees toch stil, malle jongen. Het heele
huis kan je wartaal hooren. Ik mijn hart
verliezen ? Aan wien ?.... O.... wacht
eens! O, jij jaloersch kereltje! Aan den
dokter zeker! Wel ja — ‘t Is een knap
ventje! En hij tennist reuze. Zes uur! Nou,
dag hoor!” Ze wipte het huis binnen.
Nog een paar minuten bleef Paul, in niet
overdreven prettige gedachten verzonken,
in de loggia staan. Er zat niets anders op
dan zijn wagentje weer te beklimmen en
naar huis te rijden. Jan Melvoort....
Hij was laat thuis en bijna onmiddellijk
kondigde Dirkje aan dat het eten opgedaan
was. Het smaakte niet erg en hij was gauw
klaar. Trok naar zijn studeerkamer om daar
afleiding voor zijn sombere gedachten te
vinden. Weldra was hij verdiept in zijn
werk. Half elf. Het vlotte best. Hij kwam
er echt in. Elf uur. Met zilveren klanken
sloeg de staande klok in de hall beneden.
Plotseling overviel Paul een eigenaardig
gevoel. Een gevoel alsof hij zich niet alleen
in de kamer bevond. Hij keek op, Clo...!
Onwillekeurig ontsnapte die naam zijn lippen.
Maar het was Clo niet. Doodsbleek, met
starende oogen, stond een vrouwenfiguur
achter zijn schrijftafel. Het gezicht van Clo
ongetwijfeld. Ook dezelfde gestalte. Maar
in welk een kleeding! Een lang donkergroen gewaad viel in wijde plooien tot op
den grond. Een uit bijzondere goudstof vervaardigde doek lag over de schouders. Een
witte kap was strak om het hoofd getrokken. Het was Clo en het was Clo niet.
Een eigenaardige geur drong in Pauls neusgaten. Een oude lavenderachtige geur.
Hij wilde opstaan. Kón niet. De gestalte
bewoog de lippen. Sprak. Sprak in slecht
Fransch, dat Paul met moeite verstond.
„Heb geen vrees. Ik kom u slechts een
verzoek doen. Ik ben prinses Claudine.”
Pauls tong weigerde dienst.
„Slechts enkele minuten kan ik toeven.
Luister. In dat kistje, in dien urn ligt mijn
hart besloten. Gescheiden van mijn lichaam,
dat gindsch in Frankrijk sedert eeuwen rust.
Nog eeuwen rusten zal. Dat hart werd
vandaar gestolen. Hierheen gebracht. Ik
mag maar één poging doen het terug te
erlangen. Als een vrijwillige gift. Weiger
mijn bede niet. Ik zou geen rust meer
kennen. Schenk het mij, gij de rechtmatige
bezitter, tegen mijn wil en tegen mijnwensch.”
Paul voelde, dat hij niet weigeren kon,
niet weigeren mocht. Zwijgend bood hij
haar het kistje aan.
Een dunne wasbleeke hand strekte zich
uit. Verborg het voorwerp onder de plooien
van het gewaad. „Heb dank voor uw goedheid en neem dit als teeken, dat ik die
dankbaarheid in voor u tastbaren vorm wil
bewijzen. Het is de ring, die voor mij de
huwelijksbelofte beteekende. Schenk hem
haar, die gij liefhebt, tot uw vrouw begeert, en gij zult uw wensch vervuld zien.”
Zij legde iets op Pauls' werktafel. Hij
wilde antwoorden, maar de gestalte was
verdwenen; opgelost in de schaduwen van
het studeervertrek.
Paul probeerde op te staan. Het gelukte.
Hij vloog naar de deur, knipte het groote
licht van de kaarsenkroon aan. De kamer
was net als anders. Geen spoor van zijn
bezoekster. Hij bespeurde niets meer van
dien zonderlingen geur. De deur was dicht.
De pendule wees half twaalf. Hij lachte
zenuwachtig. Geslapen had hij! Natuurlijk
over zijn werk in slaap gevallen. Half
18
|