Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11671 tot 11675 van 11897
Nummer
1929, nr. 39, 28 sept. 1929
Blad
08
Tekst
P A N O R A M A No. 3 9 28 SEPTEMBER H et jaargetijde van regen en gierenden storm is nauwelijks aangebroken, of de helden der Hollandsche kust moesten reeds uitvaren om schipbreukelingen te redden. De redders van Hoek van Holland, aangevoerd door schipper Slis, voeren met de reddingsboot Koningin Wilhelmina naar het Italiaansche stoomschip Disciplina, dat bij het Zuiderhoofd van Hoek van Holland was gestrand. Ofschoon er een onrustige zee stond, kon de redding in ruim een uur geschieden. DE KONINGIN WILHELMINA, met de geredde bemanning aan boord, meert aan den steiger te Hoek van Holland, 5
PDF
Nummer
1929, nr. 39, 28 sept. 1929
Blad
09
Tekst
PANORAMA No. 3 9 2 8 SEP T E M B E R Sport welke moed, beleid — en een helpende hand vraagt haar aan; hij wenschte zichzelf geluk, dat hij indertijd zijn liefde geheim had gehouden voor de vrouw, die het hooge en mooie gevoel in hem had opgewekt. De ontmoeting zou meer dan pijnlijk zijn geweest; nu stond hij als een vreemde vóór haar. Zij moest nu ouder dan dertig zijn, dacht hij, maar zij was niet veranderd, nog dezelfde groote bruine oogen en een kleine mond in een regelmatig gezicht — een kindvrouwtje, *naief, kinderlijk, de ziel en het karakter van een edelmoedig kind met de deugden van een vrouw. Een man moest zeer gelukkig met haar zijn. „Ik hoop dat zij u niet hebben opgehouden,” zei zij. „Ik ben blij dat u ze zag. Zij zouden....” „Gaat u ons aankleeden, moeder ?” vroeg een der kinderen weer, Zij bloosde sterk en zeide: „Han en Jan zouden vanavond naar een kinderfeest gaan. Maar mijn man is op reis en mijn dochtertje is ziek, zoodat ik niet met ze mee kan gaan. Zij hebben zich nu in het hoofd gezet, dat er wel iemand zou komen om hen weg te brengen.” „Dan mag u ze niet teleurstellen,” antwoordde de dief. „Mag ik de geleider zijn?” „Als u wilt, heel graag,” zei 't vrouwtje dankbaar. „Zij zullen het heerlijk vinden.” Wantrouwen was haar vreemd. De dief wachtte op de bank in de vestibule. Het absurde van den toestand drong niet tot hem door; het scheen de eenvoudigste zaak ter wereld, dat hij met twee vreemde kinderen naar een feest zou gaan, zoo natuurlijk als het voor de kinderen was, dat er een geleider voor hen gekomen was en het vrouwtje argeloos haar zoontjes aan hem toevertrouwde. Enkele minuten later wandelde hij weer door de stille straat, rechts en links van hem een druk redeneerend en blij jongetje. Jan, de flinkste van de twee, wees hem den weg naar het gebouw, waar het kinderfeest werd gegeven, terwijl hij vertelde dat zij nog wel de helft van het feest zouden meemaken. In de zaal kwam de dief tot zichzelf. Terwijl de kinderen verrukt naar de tableaux op het tooneel staarden, bespotte hij zijn eigen gedrag als sentimenteele nonsens. Hij wilde cynisch blijven; wat had hij zich in te laten met twee vreemde kinderen, die graag naar een feestje wilden ? Slechts omdat hij een beetje verliefd was geweest op hun moeder? Dat gevoel had hij reeds lang overwonnen. Het zou beter zijn om met zijn medeplichtige.... Driftig rukte hij Han aan den arm. „Op welk nummer wonen jullie?” vroeg hij gejaagd. „Nummer 91, meneer.” „Hier blijven tot ik terugkom, hoor! Ik heb iets vergeten.” Haastig liep de dief de zaal uit. Woedend verwenschte hij zijn onbegrijpelijke gedachteloosheid. Hoe was het mogelijk, dat hij vergat waarom hij in die straat liep ? Zijn medeplichtige was nu waarschijnlijk reeds bezig, het vrouwtje zou hem hooren — en de inbreker was een bruut, werkte dadelijk met zijn revolver. Hijgend bleef hij voor het huis staan» onderzocht vlug het slot van de deur en het raam. De verf van het kozijn was beschadigd. Onhoorbaar opende de dief de deur met een looper. Op de deurmat bleef hij staan en luisterde; in de voorste kamer meende hij iets te hooren, een geluid alsof een stoel verschoven werd. Met de revolver in zijn hand sloop hij naar de eerste deur; terwijl hij aan het sleutelgat luisterde, hoorde hij weer een zwak gerucht van metalen voorwerpen. Met één beweging had hij de deur opengerukt. De inbreker stond bij het buffet, waar een stapel tafelzilver lag. De schrik in zijn oogen verdween, toen hij den dief herkende. „Makkelijk werk,” zei hij. „Ik heb de gordijnen gesloten en het licht aangedraaid. Maar waarom ben jij hier?” „Heb je al iets?” De inbreker klopte op zijn zak: „Zilver en veel contanten.” „Leg het dadelijk weer op zijn plaats en verdwijn — Ik meen het, kijk me niet zoo idioot aan. Ik wil niet dat je hier steelt, dat is alles. Vlug!” Met zijn revolver dreef hij den inbreker naar de deur. Een harde vloek kraakte door de gang. „Stil,” siste de dief. „Ze zullen je hooren.” Maar het was te laat. Boven op de trap klonk een angstige kreet; het kind-vrouwtje stond er met groote schrik-oogen. „Als je één woord zegt, schiet ik,” beet de dief den ander toe. Voor niets ter wereld wilde hij, dat het vrouwtje zou weten, wie de geleider van haar kinderen was ; voor het eerst schaamde hij zich over zijn leven en maakte andere voornemens. Weer was hij onvoorzichtig en keek naar boven, vreezend dat het vrouwtje toch iets van hun gesprek had gehoord. Tegelijk klonk een schot; de inbreker rukte de deur open en vloog de straat op. De dief zakte op den gangvloer ineen; een felle pijn tintelde in zijn voet. „Wilt u telefoneeren naar het gasthuis?” vroeg hij, toen het vrouwtje zich over hem boog. „U blijft hier,” zei ze. „Over een uur komt mijn man thuis, met den laatsten trein; hij kan alle maatregelen nemen.” „Neen,” besliste hij kort. „Wilt u voor een ziekenauto zorgen ? En er moet iemand naar de zaal om Han en Jan te halen.” „Ja, de kinderen,” schrok zij. „Maar waarom was u hier, toen die vreeselijke man inbrak?” De dief glimlachte. „Beschouwt u het maar als een gelukkige omstandigheid, dezelfde die mij naar Han en Jan bracht.” Terwijl hij in de ziekenauto werd gedragen, blikten de groote bruine oogen hem dankbaar aan. „Een droevige avond voor u,” zuchtte zij. „Neen,” antwoordde de dief, „een heel goede avond. Hij zal heel mijn leven goed maken.” 7
PDF
Nummer
1929, nr. 39, 28 sept. 1929
Blad
10
Tekst
PANORAMA No. 39 28 SEPTEMBER HET INTERN. VERBOND VAN HOOFDARBEIDERS hield een congres te Den Haag in het gebouw der Delftsche Ingenieurs. Op de voorste rij ziet men van l. naar r. Siblik (Tsecho Slowakije), Woroniecki (Polen), Coolus (Frankrijk), Nul A Mannio (Finland), de Finsche minister van Arbeid, Callié (Frankrijk), Smith(Engeland),Mora Brzezinsky(Polen) de Weidel (Fr.), Veenstra (Nederland) en Bakker (Nederland). HET ANTWOORD op de Troonrede werd door een commissie uit de Eerste Kamer met het gebruikelijke ceremonieel aan H. M. de Koningin aangeboden. De foto toont de aankomst op het Huis ten Bosch van Baron de Vos van Steenwijk, voorzitter der Eerste Kamer, en de oud-voorzitter, ƒ. ƒ. G. baron van Voorst tot Voorst. DE KAMPIOEN der St. Bernards, kortharigen, op de groote honden-kampioen-tentoonstelling, welke op het IJsclubterrein te 's-Gravenhage werd gehouden. 8
PDF
Nummer
1929, nr. 39, 28 sept. 1929
Blad
11
Tekst
PANORAMA No. 3 9 28 S EPTEMBB R DE CHRISTIAAN MICHELSEN, die vorig jaar bij Hoek van Holland strandde, wordt, nu alle pogingen om het schip vlot te HET SHEARER-SCHANDAAL. Senator Henry Allen, senator S. Shortridge en senator Jos Robinson, de commissie die de gedragingen van den Amerikaanschen oorlogspropagandist Shearer zal onderzoeken. EENRACE tusschen een motorboot en een luchtschip der Amerikaansche luchtvloot was een der spannendste momenten van de jaarlijksche wedstrijden op de Potomac-rivier (Amerika), 9
PDF
Nummer
1929, nr. 39, 28 sept. 1929
Blad
12
Tekst
PANORAMA No. 3 9 28 SEPTEMBER M evrouw Veretti, die den vorigen avond met vier koffers in het hotel was afgestapt, aanschouwde het uitpakken van haar twee-centenaars-garderobe met hetzelfde welbehagen, waarmee een generaal zijn goed-afgerichte troepen de revue laat passeeren. Inderdaad — al die welriekende kleedingstukken van zijde, mousseline en batist, met kant en paarlen en borduurwerk, ze waren oorlogstuig, de wapenen, waarmee zij strijden zou in den veldslag der chic. Ze moest dien slag winnen, dacht ze, als ze zichzelf en haar krijgsmateriaal bekeek ; immers ook nu had ze haar plaats zóó gekozen, dat zij ook zelve, in een spiegel, de uitwerking harer persoonlijkheid kon waarnemen. Nu zat zij te overwegen, welke japon zij aan zou trekken om ’s avonds naar het Casino te gaan, de witte of de mauve, en na wat aarzeling viel haar keus op de mauve. Het was in ieder geval beter, met één slag, door overrompeling, de vesting te vermeesteren, — aanstonds erkend te worden als de meest chique van alle chiquen. En dus kwam zij dien avond het Casino binnen als een levend geworden Parijsche modeprent. En voldaan genoot zij den hoogen triomf, werkelijk de schoonste van alle aanwezige dames te zijn, want eenigen waren wel weelderig, maar smakeloos gekleed, en anderen droegen opgeknapte kleeren van het vorig seizoen. Aan alle kanten werd er gefluisterd en er klonken kreetjes van bewondering, en stil-gelukkig nam zij waar, hoe alle heeren zich als magneetnaalden haar kant op keerden; hoe gretig oppervlakkige kennissen haar groetten; hoe anderen hun best deden, om aan haar voorgesteld te worden. Dat was voor haar het heerlijkste, dat de beroemde wateren van Mola geven konden. Beter dan ijzer, jodium en koolzuur bekwam haar deze atmosfeer van ijverige hulde, de wierook van bewondering, die haar steeds omwolkte. Daar ging de deur open, om een dame binnen te laten, die óók eerst kort tevoren was aangekomen, — en van verbazing het mevrouw Veretti bijna haar waaier vallen. Maar.., nóg een mauve japon, precies als de hare, met nét zoo’n elegante sleep, nét zulke Brusselsche kant en nét zulke engelachtige mouwen!.,. Het leek, alsof de beide toiletten door dezelfde hand uit hetzelfde stuk gemaakt waren! En om het zeldzame „pendant” te voltooien; ook déze dame was jong en knap, had lachende oogen en een soepele figuur, en bovendien... was ze gravin! Er rees een nieuw gemurmel van bewondering, nieuwe jaloezie in heimelijke blikken, nieuwe roerigheid onder de heeren bij het dagen van dit nieuwe, niet minder glanzende licht, en mevrouw Veretti moest het aanzien, hoe rondom haar de kring van bewonderaars ijler werd, als een zwerm vliegen, die een tweede glas honing ontdekt. Intusschen sprak iedereen in de zaal over de wonderbare gelijkheid der twee japonnen. Hoe was het mogelijk, dat twee dames, die elkaar niet kenden, die in verschillende steden woonden, elkaar op een derde plaats in preciesgelijk costuum ontmoetten! Maar de woedende mevrouw Veretti en de gelijkgestemde gravin Gicalbi lachten elkaar zoo ongedwongen mogelijk toe, stelden zich aan elkaar voor en gingen naast elkaar zitten. „Nu ziet u eens, mevrouw, welke vreemde grillen het toeval kan hebben! Het brengt ons hier bij elkaar in precies gelijke kleeren, — zonder dat we elkaar ooit gezien hadden. En mijn japon is nogal een creatie van Passeret!” „Van Passeret! O, dan begrijp ik ’t. Ik laat ook bij Passeret werken. Toen ze mij dit nieuwe model aanraadde, zei ze me, dat ze er één geleverd had, en dat het eenvoudig een wonder geworden was. Toen heeft ze dus u bedoeld!” „Dat zal wel.... en nu zitten we hier als twee zusjes.” „O, ja,” zei mevrouw Veretti op een toon van smeltend welbehagen, hoewel ze het „zusje” heel graag de oogen zou hebben uitgekrabd, „en ik heb er altijd zoo naar verlangd, een zuster te hebben.” „En een mooiere zuster had ik me onmogelijk kunnen droomen,” antwoordt de gravin liefjes. „U is heusch te vriendelijk! Ik ben altijd een beetje jaloersch op blond haar” (niet op vaal, zooals, dat van jou), „wit en mauve staat een blondine duizendmaal beter!” „Maar u moet uw eigen voordeelen niet voorbij zien! Het mauve costuum kleedt u prachtig!” En onderwijl doet het gevleugelde woord „de twee zusters” de ronde, tot groote ergernis der beide dames. Dat is een beetje sterk, denkt de gravin; de vrouw van een katoenfabrikant tot zuster te hebben! Mijn zuster! denkt de andere; dat zou ze wel willen; ze is wel acht jaar ouder dan ik. De volgende morgen bracht voor mevrouw Veretti, die haar ergenis van den vorigen avond nog niet had kunnen verteren, nieuw leed. De gravin ging langs haar raam in een tennis-costuum, dat volkomen gelijk was aan het hare. „Dat is toch wezenlijk te bar, ze heeft al mijn kleeren!” riep de arme WIT OP ZWART. vrouw wanhopig, als’n generaal,die telkens de voorgenomen positie reeds in handen van den vijand vindt. „Dat zal ik Passeret inpeperen. Mij zoo’n poets te bakken met de modellen, die ik gekozen heb!” En ze voelde zich als een kunstenaar, wiens werk wordt nagebootst zonder dat hij zelf genoemd wordt. Eindelijk nam ze een kloek besluit. „Marie,” zei ze tegen haar kamenier, „mijn tennis-costuum mag jij hebben. Die naaapster zal niet het pleizier hebben, dat ik het na haar draag. En dan ga je naar beneden en je maakt een praatje met de kamenier van de gravin en dan probeer je uit te visschen, wat die voor kleeren heeft; en als er nog meer toiletten van mij bij zijn, vertrek ik onmiddellijk.” „Hoor eens, Adelaide,” zei de gravin tegen haar kamermeisje, toen ze van het tennisveld terugkwam, „je moet eens handig bij de kamenier van die mevrouw Veretti informeeren, of er nog meer Siameesche kleeren bestaan.” En uit vrees voor dien slag ging ze vertrouwelijk voort: „Ik ben expres uit Turijn vertrokken, om anders gekleed te zijn dan mijn omgeving, en nu moet ik met die vrouw in dezelfde uniform loopen!” Het gesprek tusschen de twee kamermeisjes werd een vertoon van fijne diplomatiek aan weerszijden en ’tresultaat was de overtuiging, dat de toestand onhoudbaar mocht heeten. ’s Avonds ontdekte mevrouw Veretti, dat de pas begonnen hydrotherapeutische kuur haar niet best bekwam, en de lucht was te week, — ze had de krachtiger atmosfeer der bergen noodig. En de gravin herinnerde zich, dat ze was uitgenoodigd om bij vorst Petreoli de jacht te komen meemaken. Ze waren beiden zoo voorzichtig, zorgvuldig hun plannen voor elkaar te verzwijgen, en het was nog maar een toeval, dat ze elkaar in tegengestelde richting, vertrekken zagen: mevrouw Veretti met haar bagage naar het station, de gravin met gevolg in een rijtuig naar den zeekant. Gelukkig! dachten ze allen twee, en vreedzaam haalde elk van beiden adem, in het bewustzijn, de fraaiste rol gespeeld te hebben. Maar toen mevrouw Veretti bij vorst Petroli in de bergen aankwam, hoorde ze, dat gravin Gicalbi ook juist was gearriveerd. „O, heerlijk!” riep ze uit. „We kennen elkaar zóó intiem! We zijn als ’t ware zusters!” 10
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11671 tot 11675 van 11897