|
PANORAMA No. 3 9 28 SEPTEMBER
M
evrouw Veretti, die den vorigen avond
met vier koffers in het hotel was afgestapt, aanschouwde het uitpakken van haar
twee-centenaars-garderobe met hetzelfde
welbehagen, waarmee een generaal zijn
goed-afgerichte troepen de revue laat passeeren. Inderdaad — al die welriekende
kleedingstukken van zijde, mousseline en
batist, met kant en paarlen en borduurwerk,
ze waren oorlogstuig, de wapenen, waarmee
zij strijden zou in den veldslag der chic. Ze
moest dien slag winnen, dacht ze, als ze zichzelf en haar krijgsmateriaal bekeek ; immers
ook nu had ze haar plaats zóó gekozen, dat
zij ook zelve, in een spiegel, de uitwerking
harer persoonlijkheid kon waarnemen.
Nu zat zij te overwegen, welke japon
zij aan zou trekken om ’s avonds naar het
Casino te gaan, de witte of de mauve, en
na wat aarzeling viel haar keus op de
mauve. Het was in ieder geval beter, met
één slag, door overrompeling, de vesting te
vermeesteren, — aanstonds erkend te worden
als de meest chique van alle chiquen. En dus
kwam zij dien avond het Casino binnen als
een levend geworden Parijsche modeprent.
En voldaan genoot zij den hoogen triomf,
werkelijk de schoonste van alle aanwezige
dames te zijn, want eenigen waren wel weelderig, maar smakeloos gekleed, en anderen
droegen opgeknapte kleeren van het vorig
seizoen. Aan alle kanten werd er gefluisterd
en er klonken kreetjes van bewondering,
en stil-gelukkig nam zij waar, hoe alle heeren zich als magneetnaalden haar kant op
keerden; hoe gretig oppervlakkige kennissen haar groetten; hoe anderen hun best
deden, om aan haar voorgesteld te worden.
Dat was voor haar het heerlijkste, dat
de beroemde wateren van Mola geven
konden. Beter dan ijzer, jodium en koolzuur bekwam haar deze atmosfeer van
ijverige hulde, de wierook van bewondering, die haar steeds omwolkte.
Daar ging de deur open, om een dame
binnen te laten, die óók eerst kort tevoren
was aangekomen, — en van verbazing
het mevrouw Veretti bijna haar waaier
vallen. Maar.., nóg een mauve japon,
precies als de hare, met nét zoo’n elegante
sleep, nét zulke Brusselsche kant en nét
zulke engelachtige mouwen!.,. Het leek,
alsof de beide toiletten door dezelfde hand
uit hetzelfde stuk gemaakt waren! En om
het zeldzame „pendant” te voltooien; ook
déze dame was jong en knap, had lachende
oogen en een soepele figuur, en bovendien...
was ze gravin!
Er rees een nieuw gemurmel van bewondering, nieuwe jaloezie in heimelijke
blikken, nieuwe roerigheid onder de heeren
bij het dagen van dit nieuwe, niet minder
glanzende licht, en mevrouw Veretti moest
het aanzien, hoe rondom haar de kring
van bewonderaars ijler werd, als een zwerm
vliegen, die een tweede glas honing
ontdekt. Intusschen sprak iedereen in de
zaal over de wonderbare gelijkheid der
twee japonnen. Hoe was het mogelijk, dat
twee dames, die elkaar niet kenden, die in
verschillende steden
woonden, elkaar op
een derde plaats in preciesgelijk costuum ontmoetten!
Maar de woedende mevrouw Veretti en de gelijkgestemde gravin Gicalbi lachten
elkaar zoo ongedwongen
mogelijk toe, stelden zich aan
elkaar voor en gingen naast elkaar zitten.
„Nu ziet u eens, mevrouw, welke vreemde
grillen het toeval kan hebben! Het brengt
ons hier bij elkaar in precies gelijke kleeren, — zonder dat we elkaar ooit gezien
hadden. En mijn japon is nogal een creatie
van Passeret!”
„Van Passeret! O, dan begrijp ik ’t. Ik
laat ook bij Passeret werken. Toen ze mij
dit nieuwe model aanraadde, zei ze me,
dat ze er één geleverd had, en dat het
eenvoudig een wonder geworden was. Toen
heeft ze dus u bedoeld!”
„Dat zal wel.... en nu zitten we hier
als twee zusjes.”
„O, ja,” zei mevrouw Veretti op een
toon van smeltend welbehagen, hoewel ze
het „zusje” heel graag de oogen zou hebben
uitgekrabd, „en ik heb er altijd zoo naar
verlangd, een zuster te hebben.”
„En een mooiere zuster had ik me onmogelijk kunnen droomen,” antwoordt de
gravin liefjes.
„U is heusch te vriendelijk! Ik ben altijd
een beetje jaloersch op blond haar” (niet
op vaal, zooals, dat van jou), „wit en mauve
staat een blondine duizendmaal beter!”
„Maar u moet uw eigen voordeelen niet
voorbij zien! Het mauve costuum kleedt u
prachtig!”
En onderwijl doet het gevleugelde woord
„de twee zusters” de ronde, tot groote
ergernis der beide dames. Dat is een beetje
sterk, denkt de gravin; de vrouw van een
katoenfabrikant tot zuster te hebben!
Mijn zuster! denkt de andere; dat zou ze
wel willen; ze is wel acht jaar ouder dan ik.
De volgende morgen bracht voor mevrouw
Veretti, die haar ergenis van den vorigen
avond nog niet had kunnen verteren, nieuw
leed. De gravin ging langs haar raam in
een tennis-costuum, dat volkomen gelijk
was aan het hare.
„Dat is toch wezenlijk te bar, ze heeft al
mijn kleeren!”
riep de arme
WIT OP
ZWART.
vrouw wanhopig, als’n generaal,die telkens
de voorgenomen positie reeds in handen van
den vijand vindt. „Dat zal ik Passeret inpeperen. Mij zoo’n poets te bakken met de
modellen, die ik gekozen heb!” En ze voelde
zich als een kunstenaar, wiens werk wordt
nagebootst zonder dat hij zelf genoemd
wordt.
Eindelijk nam ze een kloek besluit.
„Marie,” zei ze tegen haar kamenier,
„mijn tennis-costuum mag jij hebben. Die
naaapster zal niet het pleizier hebben, dat
ik het na haar draag. En dan ga je naar
beneden en je maakt een praatje met de
kamenier van de gravin en dan probeer je
uit te visschen, wat die voor kleeren heeft;
en als er nog meer toiletten van mij bij
zijn, vertrek ik onmiddellijk.”
„Hoor eens, Adelaide,” zei de gravin
tegen haar kamermeisje, toen ze van het
tennisveld terugkwam, „je moet eens handig
bij de kamenier van die mevrouw Veretti
informeeren, of er nog meer Siameesche
kleeren bestaan.” En uit vrees voor dien
slag ging ze vertrouwelijk voort: „Ik ben
expres uit Turijn vertrokken, om anders gekleed te zijn dan mijn omgeving, en nu moet ik
met die vrouw in dezelfde uniform loopen!”
Het gesprek tusschen de twee kamermeisjes
werd een vertoon van fijne diplomatiek aan
weerszijden en ’tresultaat was de overtuiging,
dat de toestand onhoudbaar mocht heeten.
’s Avonds ontdekte mevrouw Veretti,
dat de pas begonnen hydrotherapeutische
kuur haar niet best bekwam, en de lucht
was te week, — ze had de krachtiger atmosfeer der bergen noodig. En de gravin herinnerde zich, dat ze was uitgenoodigd om bij
vorst Petreoli de jacht te komen meemaken.
Ze waren beiden zoo voorzichtig, zorgvuldig hun plannen voor elkaar te verzwijgen, en het was nog maar een toeval,
dat ze elkaar in tegengestelde richting,
vertrekken zagen: mevrouw Veretti met
haar bagage naar het station, de gravin
met gevolg in een rijtuig naar den zeekant.
Gelukkig! dachten ze allen twee, en vreedzaam haalde elk van beiden adem, in het bewustzijn, de fraaiste rol gespeeld te hebben.
Maar toen mevrouw Veretti bij vorst
Petroli in de bergen aankwam, hoorde ze,
dat gravin Gicalbi ook juist was gearriveerd.
„O, heerlijk!” riep ze uit. „We kennen elkaar
zóó intiem! We zijn als ’t ware zusters!”
10
|