|
P A N O R A M A No. 3 8 2 1 SE P T E M B E R
Zijn handen, die hij op de knieën hield, beefden. Het angststond op zijn voorhoofd, zijn mond was droog, zijn keel
laag en breed in
Dokter Mc Intyre
hem gegeven had.
een groepje mannen
angst.
zweet
als toegeschroefd. Hij kon zich niet herinneren ooit zulk een ontzettende inspanning zijner zenuwen te hebben beleefd sedert den
dag, dat hij voor het eerst een vlucht ging maken over het vijandelijk front.
Dokter Mc Intyre bespiedde hem voortdurend. Dan vroeg hij
opeens: „Gifford, wil je niet een slok brandewijn uit mijn veidflesch
nemen ?”
Gifford schudde het hoofd. „Neen, dank u wel.” antwoordde
hij hooghartig. „Ik ben zoo n soort van lafaard niet.”
„Als je het wel was, zou je dan den brandewijn drinken?”
„Ook dan niet. ... dus u ziet, dat het hoegenaamd geen verdienste in mijn geval is. Bovendien, ik geloof, dat u mij eens
wilde beproeven.”
„Ik wilde eens zien hoe ver je verlies van geheugen gaat, of
om het anders te zeggen, waar het begint. Zelfs al constateer ik,
dat je er geen verlangen naar hebt, moet ik zeggen, Gifford. dat
je de moedigste man bent, dien ik ooit ontmoet heb.”
„Ik dank u, dokter; ik moet wel al mijn krachten inspannen
om den prijs te behalen die op het spel staat.”
Zij kwamen nu aan een weg, waarlangs een lage, granieten
muur een prachtig landgoed omheinde. Daar achter was een uitgestrekt park met mooie groepen van schaduwrijke boomen, in
alle soorten en phasen van groei, sommige zeer oud, statige beuken
en prachtige witte berken. Een mooi huis,
Normandischen stijl, stond op een hoogte,
herkende het naar de beschrijving, die Drusil
„Gifford, hier is je tehuis. En daar staat
voor de poort. Me dunkt, het zijn reporters. Als mijn chauffeur
den auto laat stoppen, ga je eruit en zegt eenvoudig tot mij: „Dank
u wel, dat u mij tot hier mee hebt genomen; het spijt mij, dat u
niet binnen wilt komen, maar ik begrijp het wel.” Zeg niet „Dokter.”
En nu. dat God je zegene, jongen! Morgen zal ik je weerzien.”
Hij drukte Gifford’s hand en zei dan tot Baptiste, dat hij even
aan de poort moest stilhouden. Gifford probeerde niet te spreken.
De heeren, die daar rond de poort op den steenen muur zaten,
deden opeens een soort van woede in hem ontwaken. Wat hem
wachtte zou al hard genoeg zijn zonder die onderbreking, die afleiding. Het was alsof hij een eigenaardig verhoor moest ondergaan
op de trappen van de kerk eer zijn huwelijk werd gesloten. Alle
schroom, dien hij nog gevoeld zou hebben, werd verjaagd door
toorn en walging bij die indringing in
zijn geheiligd privaat leven.
Dan, toen het beslissend oogenblik
kwam, werd zijn taak, gelijk zoo
dikwijls voorkomt, als ze moeielijker schijnt, dan ze is, al heel
gemakkelijk. De auto reed langzamer, hield dan stil. Gifford
stapte uit en zei met zijn gewone,
vriendelijke stem: „Ik dank u
ten zeerste. Jammer, dat u niet
even wilt binnenkomen, maar
natuurlijk, ik begrijp er alles van.
Tot ziens.”
Een oogenblik later reed de
limousine weg en Gifford keek
glimlachend de verschrikte reporters aan,
„Mijnheer Derring. . . . .”
„Ja, ik ben Gifford Derring.
heeren. Terug thuis, gezond en
wel na een kort uitstapje in
hetgeen u amnesie noemt.”
„Mijnheer Derring, voor alles
wenschen wij u te zeggen, dat
wij er zeer verheugd over zijn,
en dat geheel deze streek zich
ook zal verheugen te vernemen,
dat u gezond teruggekomen bent.'
Er klonk oprechtheid in de
woorden en in de stem van den
spreker; ook de uitdrukking van
de anderen bevestigde dit.
Gifford was getroffen. Hij
had een massa vragen verwacht,
had zich gestaald om ze te ontwijken en in plaats daarvan die
prettig aandoende woorden.
„Ik dank u, ’ zei hij eencxxxx
X
w
O
X
X
w
X
»*
AV DE LENTE
naar MA HUANG-TSCHUNG (/9e eeuw)
De beek verried heur liefst geheim. Het riet
ruischt blijde 't lied van haar geheimnis mee.
Ai, dat mijn hart niet kent dan 't dof verdriet,
dat met zijn schaauw door al mijn dagen glee.
Ik tuur omhoog. Een lange vlucht
van kranen wiekt voorbij.
Hun kreten kerven de gouden lucht.
Bespotten ze mij?
'k Ben droef te moede . .. Ach, lente weder, . . Wat tel ’k aan winst uit het vergane jaar?
Wat heb ’k bereikt? Och. even slechts een teedre
streeling. en pijn en zorg en arbeid maar.
Wanneer k na vele jaren. hier aan d'oever,
opnieuw nastaren zal dier vooglen reis,
hoe zal 'k dan zijn geworden? Blijde? Droever?
Van levensvreugde ivordt geen stervling grijs.
Tot aan de grens, de stille, donkre groeve,
veelt ons het leven steeds dezelfde wijs.
w
voudig. „Ik waardeer het meer, dan ik zeggen kan. Ik veronderstel,
dat u alles omtrent mij zou willen vernemen, maar inderdaad is er
niet veel te vertellen. Toen ik opeens tot bewustzijn kwam in het
gasthuis, was ik verbijsterd en meende in den toestand te zijn van
zeven jaar geleden, op den tijd, dat ik een ongeluk had op het
poloveld. Ik voelde mij absoluut gezond en wilde weggaan. Ik
was bang, dat men mij zou tegenhouden; daarom nam ik de kans
waar, kleedde mij aan en sloop weg.”
De potlooden gingen snel over de blocnotes. Gifford keek
zijdelings naar het huis, dat gedeeltelijk verscholen lag achter hooge
beuken en de boomen langs den rijweg. Hij bemerkte een tuinier,
die bezig was het grasperk te maaien met een machine.
.Ja. mijnheer, wij hadden al ontdekt, dat u erin geslaagd bent
de boot te nemen naar Eastport. Wat gebeurde toen?”
..Och, het schijnt, dat ik ongeveer zeven jaar van mijn leven
vergeten had. In dien tijd was mijn vader erg angstig over mijn
gezondheid en wilde, dat ik een poos rust zou nemen. Maar ik
voelde mij zoo wel en sterk, dat ik de gedachte daaraan niet kon
verdragen. Ik verlangde er naar om mijn eigen zin te doen, daarom
ging ik weg en vond een stoomboot, die naar Eastport vertrok en
ging mee. Ik was nog eenigszins verward in mijn hoofd, toen ik
den volgenden morgen aankwam. Maar dat werd gaandeweg beter
en ik ging naar Digby. Daar woont een oude huisvriend van ons
en ik ging hem bezoeken. Hij hielp mij om de nevelen, die nog
in mijn geest rondwaarden, te verdrijven en zond mij naar huis.”
Gifford lachte. „En daar ben ik gezond en wel, geheel normaal,
zooals u zelf constateeren kunt.”
,,Me dunkt, dat is ook zoo,” zei een der jongste verslaggevers.
„Maar was u niet erg stijf en pijnlijk na zoo’n val. mijnheer
Derring ?” vroeg een der oudere heeren.
„Niet zoo erg als men zou verwachten en het ging spoedig
voorbij. De mogelijkheid bestaat, dat toen ik meende dood te
vallen, ik onmiddellijk bewusteloos werd, zoo’n soort van schijndood.
Misschien heeft u wel eens gehoord van die geschiedenis van een
man, die onthoofd zou worden ?”
„Neen, mijnheer, wat was dat?”
„In plaats, dat de valbijl hem aanraakte, legde men een doek
met ijskoud water op zijn nek en hij viel dood neer. Dat, maar
onvolledig, gebeurde met mij. Het resultaat was. dat toen ik op
een sponsachtige weide neerviel, het was alsof men een lossen zak
met beenen had laten vallen. De parachute, hoewel die niet openging, zal ook wel iets daarbij geholpen hebben. In alle geval, daar
ben ik weer, geheel gezond.”
De potlooden hadden hard werk
verrichten. Gifford hernam: „En nu,
heeren, moet ik u verzoeken mij
te excuseeren. Denk er aan, dat
ik mijn vrouw nog niet heb begroet en dat die ontmoeting niet
bestemd is voor publiciteit.”
„Natuurlijk,mijnheer Derring.
Heeft u er niets op tegen, dat
wij een paar foto’s nemen?”
„In het geheel niet, maar
maak er een beetje haast mee.”
De sluiters klikklakten, filmtoestellen werden afgedraaid.
Gifford stond kalm, onbeweeglijk.
Het was veel minder moeilijk,
dan hij verwacht had en het werd
hem ook gemakkelijk gemaakt
door de beleefdheid van die persmenschen.
„Zou u ons later meer bijzonderheden willen verschaffen?”
vroeg een van hen. „Uw geval
is zoo eigenaardig, zoo geheel
buiten het gewone.”
„Misschien overmorgen,”zei
Gifford. „Nu moet u mij excuseeren. Ik ben nogal vermoeid
en zou graag naar mijn vrouw
en kinderen gaan.”
Hij knikte hen vriendelijk
toe en ging het pad op naast
den rijweg naar het huis.
te
A
X
.•*.
X
X
A
X.
X
X
x
x
X
o
X
ö
A
2
Xw
|AN H EEKHOUT
x
x
(Wordt vervolgd.)
X
22
|