Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11656 tot 11660 van 11897
Nummer
1929, nr. 38, 21 sept. 1929
Blad
19
Tekst
PANORAMA No. 3 8 2 1 SEPTEMBER EEN BESCHOUWING OVER de Komende Wintermode DOOR JEAN PATOU E igenlijk is de titel, welken ik ditmaal voor mijn artikel koos niet geheel juist. Want in een beschouwing zou ik alle onderdeelen der vrouwelijke mode-sport en middagkleeding, avondtoiletten, mantels, hoeden enz. om niet te spreken van de tegenwoordig zoo belangrijke details als bont, schoenen, ceintuurs, tasschen en moffen, moeten behandelen. Uiteraard zou mij zulks veel te ver voeren en ik wil mij hoofdzakelijk beperken tot dat gedeelte der vrouwelijke kleeding waarin men steeds de meest karakteristieke eigenschappen van een nieuwe mode aantreft, namelijk de avondtoiletten. Voor ons, kleermakers, is dit een onderwerp waar de meeste eer mede te behalen is en elke nieuwe collectie welke wij scheppen staat of valt met het succes der avondtoiletten. Bovendien komt onze persoonlijke smaak het meeste in de avondkleeding tot uiting. Immers, terwijl wij bij sport-, morgenofmiddagkleeding nooit den practischen kant uit het oog mogen verliezen en er steeds aan moeten denken welk een beweeglijk leven de moderne vrouw leidt, vallen deze belemmeringen bij diner- en avondkleeding weg en kunnen wij onze ideeën den vrijen loop laten. Wat nu wel het meest karakteristieke is voor de nieuwe wintermode? Ongetwijfeld de aanmerkelijk langere japonnen. Natuurlijk vinden we deze verlenging niet bij de sportkleeding, waar zij absoluut misplaatst zou zijn. Maar bij de middagjaponnen is zij duidelijk merkbaar, om bij de avondensembles hoogtij te vieren. Voor deze algemeen aangenomen verlenging der ensembles bestond een gevaar, en wel dat deze verlenging eentonig zou kunnen lijken wanneer zij slechts op één bepaalde wijze tot uiting kwam. Dit nu moest in ieder geval vermeden worden. Indekomende wintermode heeft men dit bereikt door twee methodes te volgen, die, eigenaardig genoeg, geheel aan elkaar tegengesteld zijn. Op het eerste gezicht is men geneigd daarin een gemis aan logica te zien of wel dit toe te schrijven aan een vrouwelijke gril. In werkelijkheid volgt men deze twee methodes ten eerste om meerdere variatie aan de mode te geven en ten tweede omdat men met behulp van beide het vooropgestelde doel bereikt, n.1. de verlenging van het vrouwelijke silhouet. Men lette er wel op dat ik hier steeds spreek over avond-„ensembles”. In beide gevallen nu is hier de japon even lang maar: a) De mantel is lang en sleept over den grond op dezelfde wijze als een Van links naar rechts: Avond-ensemble in geel met groen bedrukte faille. Bontgarneering zwarte vos. Namiddag-ensemble in fluweel, zwart met groen en gele moezen. — Avondjapon met langen sleep in mousseline met zwarten kant. japon. De zoom van bont welke meestalden mantel garneert onderstreept als het ware deze sleepbeweging en geeft aan den mantel een allure van „manteau de cour”. Deze methode geeft het karakter aan van een komende mode die voor avondensembles zeer gaarne gevolgd zal worden omdat het een zeer gekleede mode is. Eigenlijk is het slechts het volgen van een oude traditie, welke door den oorlog en de jaren die er op volgden op den achtergrond gedrongen was. b) De mantel is kort. Zooals ik reeds opmerkte heeft ook deze methode het doel — en bereikt zij misschien nog meer het gewenschte resultaat — om het vrouwelijke silhouet langer te maken. Bijgaande modellen uit mijne wintercollectie toonen dit duidelijk. Hoe het zij, in ieder geval zien we dat de zoogenaamde „bastaard” stijlen niet toegelaten zijn. De mantel is óf lang óf kort, een tusschenweg .— die als eenig gevolg slechts zou kunnen hebben dat het ensemble er door verzwaard werd — bestaat er niet. Een enkel woord over de stoffen voor deze avond-ensembles is hier wel op zijn plaats. Het spreekt vanzelf dat men bij een stijl „grande allure” ook glinsterende en schitterende stoffen hebben wil. Van allen borduurarbeid hebben we zoolangzamerhand genoeg gekregen en we zoeken onze toevlucht in de rijkheid der stoffen zelf. ♦ Het lamé vindt daarom natuurlijk veel toepassing evenals het fluweel. Maar er zijn weefsels die hierin een aangename, men zou zelfs kunnen zeggen vroolijke, afwisseling komen brengen als bedrukte moiré en faille. Terloops sprak ik zooeven over het slepen eener avondjapon. Wanneer men voor een twintigtal jaren voorspeld had, dat er nog eens een tijd zou komen waarin de avondjapon niet in een sleep zou eindigen, zou niemand dit ooit geloofd hebben. Maar de oorlog die zooveel op zijn geweten heeft, bracht ook verandering daarin en sindsdien werd steeds op een zóo beslisten toon beweerd dat de sleep voor altijd van het tooneel verdwenen was, dat men haar alleen op een gecamoufleerde wijze weer in de mode heeft durven aannemen. Deze terugkeer van den sleep is zeer geleidelijk en kalm gegaan, zonder dat er eenige ophef van gemaakt is. In zekeren zin was het alleen voor de ingewijden merkbaar dat er een streven gaande was, om hem zijn oude plaats in de avondkleeding terug te geven. Dit nu zal dezen winter het geval zijn en voor het eerst sinds jaren zal men dan ronduit kunnen zeggen : „dat is een japon met een sleep” en men zal dezen laatsten niet meer behoeven te qualificeeren als een slip of een volant. De groote vraag is nu of men den sleep met zijn brutalen chic weer algemeen in de salons zal zien terugkeeren, zooals dit voor den oorlog het geval was. De meeste groote kleermakers hebben hem in hunne collecties opgenomen. Van de salons der kleermakers naar de mondaine salons is het slechts een stap. Maar de vrouwen moeten dezen stap willen doen; of zij daartoe geneigd zijn zal de komende winter ons leeren. 17
PDF
Nummer
1929, nr. 38, 21 sept. 1929
Blad
20
Tekst
P A N O R A M A No. 3 8 2 1 SE P T E M B E R A W el lieve deugd!” — Miss Lucinda Pennypacker hield halverwegen op met haar bezigheid, het neerlaten van het gordijn in de achterkamer, en tuurde naar buiten, waar de duisternis inviel. Er was reden voor den uitroep der bedaagde maagd. Door den naastgelegen tuin gleed de wazige figuur van een man naar den versten hoek. Daar gekomen keek hij nerveus links en rechts. Klaarblijkelijk gerustgesteld begon hij vliegensvlug een gat te graven, zag nog eens rond, haalde een doosje uit zijn zak en deponeerde dat in den kuil. Daarna gooide hij de opening weer dicht, verwijderde alle spoten en verdween weer in t huis, even geheimzinnig als hij gekomen was. — Het spichtige knotje haar van Miss Pennypacker bibberde zenuwachtig. Zij liet het gordijn verder zakken. „Wel lieve deugd/’ herhaalde zij luid. „En dat in zoo’n nette buurt als hier! Wat moet die man? Niet veel goeds; dat is zeker.” Zij opende de slaapkamerdeur — „Martha!” „Ja Lucinda.” Haar zwaarlijvige zuster schommelde naar binnen. „Wat is er?” „Ik zag Mr. Townsend.” Zij wachtte even, opdat een sfeer van geheimzinnigheid zich zou kunnen zetten, maar zij werd teleurgesteld. De uitdrukking op haar zusters gezicht verraadde nauwelijks eenige nieuwsgierigheid. Miss Pennypacker deed daarop haar verhaal. „Nu vraag ik je, is dat verdacht of niet?” eindigde zij. „Misschien kuilde hij bloembollen?” „Bloembollen!” Lucinda snoof verachtelijk. „Nonsens! Bloembollen in een doos begraven en op dit uur. Hij deed veel te verdacht.” „Nu, dan weet ik niet wat hij deed. Maar het zal niets verkeerds zijn geweest. Hij is een aardige jonge man, en wat beleefd. lederen keer dat hij me ziet, neemt hij zijn hoed voor mij af. Hij.. ..” „Zoo !” viel Lucinda streng in. „Ik moet zeggen dat ik verbaasd sta een ongehuwde dame van jouw leeftijd zoo te hooren spreken. Dat een man beleefd is, beteekent volstrekt niet dat hij anders is dan de rest.” En Martha gaf toe, als altijd. Den volgenden morgen, na het ontbijt, las Miss Lucinda Pennypacker de courant voor. „Bijeenkomst van de Dames-Naaiclub,” las zij. „Mrs. Simpson houdt een lezing over kattenverzorging — Martha, daar gaan we niet heen, ’t Is een onuitstaanbaar mensch. Heb je wel eens opgelet hoe zij zich kleedt? Lijkt wel een meisje van zestien. En tweemaal weduwe geweest! Zij kijkt nog naar alle mannen, zei Miss Winston laatst, zij —” Zij stopte plotseling; haar bril gleed over haar neus heen.... Een oogenblik was zij sprakeloos, toen kwam de explosie. „Martha! Luister hier!” Met een knokigen wijsvinger schoof Lucinda langs de kopletters boven een bericht. „Gestolen geldswaarden begraven onder een boom. Betrapt door de politie. George Elmore, kassier van de Eerste Nationale Bank heeft heden bekend.” „Begrijp je dat, Martha?” ..Begrijpen? Wat?” „Nou, alles; jij gans.” Lucinda’s toetje en bril wibbelden van ongeduld. „Weet je niet meer wat ik je gisteren vertelde van Mr. Townsend, die iets in zijn achtertuin begroef?” — „Ja.” — „Hij is ook aan een bank verbonden, en misschien heeft hij wel hetzelfde gedaan als die kassier. Gestolen goed begraven.” „Oh, zou je dat werkelijk denken? Hij is nog maar pas getrouwd, zeggen ze.” Martha was bepaald ontdaan. „Denken? Ik ben er zeker van! Vanavond ga ik er weer op letten. Hij neemt misschien iederen dag een beetje mee, denkend dat niemand dat bemerken zal. Zijn arme vrouw. Als ’k daaraan denk, voel ik me gelukkiger dan ooit, dat ik nooit getrouwd ben.” En Lucinda had het air van een, die voelt, dat haar juist oordeel over een belangrijke zaak nog eens bevestigd is geworden. Dien avond stonden beiden op wacht achter de gordijnen. En in het laatste schemerlicht herhaalde zich het tooneel van den vorigen avond. Toen de vaag zichtbare gestalte van Mr. Townsend weer in zijn huis was verdwenen, zonk Martha in een stoel, perplex. „En hij leek zoo n nette man.” Lucinda wreef haar brilleglazen met de houding van iemand, die een definitief besluit heeft genomen. „We zullen morgenavondnog eens opletten, en dan waarschuwen we de politie. Denk eens aan Martha; een bankroover, vlak naast ons.” „Vannacht zetten we de waschtafel tegen de deur,” zei Martha. „Wat beleven we toch; en in zoon nette buurt. Oh! Oh!” Het tooneel herhaalde zich voor den derden keer, en den daarop volgenden morgen, dadelijk na het ontbijt, telefoneerde Lucinda. „Hallo, met politiebureau? Ja, met Miss Pennypacker. Hoort u eens mijnheer; er gebeuren hier geheimzinnige dingen. Ik zal u alles vertellen. Wat zegt u? Mijn adres? Grovestreet 240. Het huis is makkelijk te vinden; we hebben geraniums in de vensters. Wat zegt u? Stuurt u iemand. All right. Kijk eens mijnheer, ik wou u vertellen — Hallo, hallo —” Verontwaardigd legde Lucinda den hoorn neer. „Hoe vind je zoo iets, Martha ? Hij breekt gewoon af! Zoo behandelt de politie de belastingbetalers.” Op dat oogenblik ging Mr. Townsend voorbij. Hij zag de beide dames voor het raam en nam beleefd zijn hoed af. Lucinda groette terug, iets te vriendelijk, en Martha zuchtte: „Och, och, zoo’n nette man toch.” Tien minuten later werd er gebeld. Beide dames stoven naar de voordeur. Daar stond een eenvoudig gekleed heer. „Ik ben Donovan, van het hoofdbureau,” stelde hij zich voor; „u heeft ons getelefoneerd niet waar? Wat heeft u?” „Komt u binnen.” zei Lucinda, en toen de deur achter hem gesloten was, ratelde zij haar verhaal af. Martha stond er met gevouwen handen bij. De politieman luisterde aandachtig. .Klinkt nogal verdacht,” merkte hij toen op. „Hij werkt op een bank in de stad, zegt u ? Zoo, zoo. Hoe staat hij in de buurt bekend ? Speelt hij; drinkt hij; groote uitgaven ?” Beide dames moesten toegeven dat Mr. Townsend heel bescheiden leefde. „Hm; pas getrouwd, zei u? Is zijn vrouw lichtzinnig ? Gaat zij kostbaar gekleed ?’ „N-neen, dat gaat wel, we hebben haar een paar keer gezien, als we door het raam keken. Ze is juist gekleed als alle andere jonge vrouwen van tegenwoordig,” moesten de dames toegeven. Mr. Donovan maakte eenige aanteekeningen. „All right; we zullen Mr. Townsend een paar dagen in het oog laten houden en eens afwachten.” „Zou het niet beter zijn als de politie vannacht de wacht in zijn tuin hield, verborgen natuurlijk, om hem op heeterdaad te betrappen?” „Dat gaat niet. We hebben een volmacht noodig om op zijn terrein te mogen komen, en die mag op deze gegevens niet verstrekt worden. — Hij kan ontsnappen, zegt u? Dien wij in ’t oog houden, ontsnapt niet. Als er iets gebeurt, zullen we het u laten weten. Goeden morgen dames.” Hij greep zijn hoed en vertrok. „Heb je ooit zooiets beleefd, Martha/ riep Miss Lucinda verontwaardigd. „De belastingbetalers verspillen absoluut hun geld aan een volkomen nuttelooze politie. Ze doen niets.” „Neen,” gaf haar ietwat kalmer zuster toe. „Ik geloof niet dat de politie ons veel bescherming verleent. Maar wij kunnen toch niets anders doen.” „Niets anders doen;” Miss Lucinda richtte zich eens extra op; „wacht maar eens even. Ik ben van plan deze zaak nauwkeurig te behandelen. Wacht maar eens.” Lucinda telefoneerde weer, en twintig minuten later ontvingen de dames in haar zitkamer Mr. Greyer van Jones’ particulier detective-bureau. En Lucinda vertelde weer haar verhaal. „U wenscht dat wij hem in ’t oog houden/' zei de man, toen het relaas was afgeloopen. „Dat kunt u gedaan krijgen. Ik zal vanavond beginnen.” „Neen, neen,” Lucinda sprak beslist. „Dat doet de politie al, wat naar mijn idee absoluut geen waarde heeft. Wat ik verlang, is, dat iemand zich vanavond in zijn tuin verbergt en die doos opgraaft. Wilt u dat doen?” „Maar dat vereischt een.../' „Volmacht,” eindigde zij den zin voor hem. „Dat heeft de politie me ook al verteld. Heel goed, als u dat niet wenscht te doen, zal ik van uw diensten geen gebruik maken.” „Een oogenblik, Miss. Ik heb niet gezegd dat ik het niet doen wilde. Maar iemands eigendom binnendringen zonder volmacht is een riskante kwestie. Hij heeft het recht op me te schieten. Maar als de prijs het goed maakt — laten we zeggen, vijftig gulden — ben ik bereid het risico te wagen. Vijftig gulden, geen cent minder.” Miss Lucinda en miss Martha keken elkander aan. Vijftig gulden was een heele som. Maar toen dacht miss Lucinda aan de glorie, als Mr. Townsend ontmaskerd 18
PDF
Nummer
1929, nr. 38, 21 sept. 1929
Blad
21
Tekst
PAN O R A M A No. 3 8 2 1 SEPTEMBER werd. Haar portret in de kranten natuurlijk : „de activiteit van miss Pennypacker ontmaskert een bankroover.” En de dames van de naaiclub ; ze zouden dansen van jaloezie? Dat gaf den doorslag. „Het is goed. zei ze waardig. „We engageeren u. Komt u hier tegen zes uur? U kunt zich hier achter de gordijnen verbergen en wanneer mr. Townsend zijn sinisteren arbeid heeft verricht, kunt u in zijn tuin sluipen en de doos opgraven. Brengt u die hier, dat wij den inhoud kunnen zien, want men zal ons natuurlijk als getuigen noodig hebben De dames Pennypacker beleefden een eindeloozen en onrustigen dag; alles was in de war, zelfs de kater kreeg niet op tijd zijn geklutst eitje. Maar het werd toch eindelijk schemering en Mr. Greyer stond ten laatste op zijn post. En zoowaar, het tooneel der vorige avonden herhaalde zich; toen het volslagen donker was slipte ook Mr. Greyer den tuin in. — Het bleef eenigen tijd doodstil en de dames konden wel schreeuwen van zenuwachtigheid. „Oh. oh/’ steunde Martha eindelijk achter het raampje van de keukendeur. „Zou er geschoten worden, denk je?” „Stil toch,” siste Lucinda, „als we niet stil en koelbloedig blijven, kan alles wel misloopen.” Als om antwoord te geven op die woorden drong plotseling het geluid van een worsteling tot haar door. Een tak knapte met een harden slag af; de val van een lichaam klonk, men hoorde het geluid van armen en beenen die wild bewogen. In sprakeloozen schrik grepen de zusters elkander vast. — Maar het gevecht hield even plotseling op als het begonnen was; de ontstane stilte beroofde Martha van haar laatste zelfbeheersching en zij begon zenuwachtig te huilen. Op haar eigen tuinpad klonken even later voetstappen en ’t was met een diepen zucht van verlichting, dat zij den detective zagen binnenkomen. „O! oh!” huildeMartha verder, toen zij.den bloedneus en de gehavende kleeding van den man zag. „Ik hoop dat u niet zwaar gewond is.” „Niets bijzonders, miss,” zei Mr. Greyer, met een korten lach. „Een paarschrammen. Maar als mr. Townsend er niet geweest was, zou ik er slechter aan toe zijn geweest.” „Wat is er gebeurd?” riepen beide dames in koor. „Heeft u gezien wat er in die doos was ?” „In die doos ? — Jawel — steenen; een paar gewone steenen,” grinnikte de detective. De hondenmarkt te Londen, De beestjes worden door hun eigenaars op straat verhandeld. „Steenen?” echode Miss Lucinda Pennypacker; „steenen! Maar man, vertel dan toch 1” „All right, miss. Toen ik in den tuin van Townsend kwam was het zóó donker, dat ik geen voet vooruit kon zien. En een oogenblik later struikelde ik over iemand die op den grond knielde en aan het graven was. Wel, de kerel zei eerst niets en greep mij bij de keel. Hij was sterker dan ik en het zou me zeker het leven hebben gekost, wanneer niet plotseling een straal licht op ons was gevallen. De man die de lantaarn vasthield was Townsend. en ik was blij, miss, dat ik hem zag. Hij hield mijn tegenstander een revolver voor, zoodat deze mij losliet/' „Oh, oh, u had wel gedood kunnen worden,” riep Martha. „Zeker miss, het ging er warm genoeg toe. In elk geval, Townsend kwam juist op tijd. Ziet u, hij is van de geheime politie te New York, en —” „Van de geheime politie?” gaapte Lucinda. „Precies miss,” bevestigde Mr. Greyer. „Hij werkte hier aan een geval. De kwestie is deze: een paar maanden geleden bij een inval in Londen werd een hoog politieambtenaar vermoord. Scotland Yard verdacht een pas ontslagen gevangene, volgde zijn spoor tot in New York, maar raakte het daar kwijt. De geheime dienst in New York heeft de zaak toen overgenomen en Townsend kreeg de opdracht. Na lang speuren vond hij het spoor weer; het leidde naar deze plaats. Juist meende hij zich vergist te hebben en in andere richting te moeten zoeken, toen hem ter oore kwam dat een chique heer een huis had gehuurd, twee deuren verder. Niemand hier kende hem of had hem gezien, daar een ander het huis voor hem had gehuurd en van alles had voorzien. Dit alles leek Townsend verdacht en hij huurde het naastliggende huis. Om geen argwaan te wekken vervulde hij overdag een schijnbetrekking in de stad en hij liet een ander beambte — Mrs. Townsend zooals u haar meende te kennen — komen ter assistentie. Geen enkele maal kregen zij gelegenheid het gezicht van hun buurman te zien; de man vertoonde zich zelfs niet aan het venster Daar hij in diep geheim moest werken, nam hij de plaatselijke politie niet in den arm. Tenslotte bracht het verslag in de couranten van den bankdiefstal door George Elmore hem op een idee. Indien de man werkelijk de gezochte was, zou hij zeker trachten op te graven, wat onder zulke geheimzinnige omstandigheden werd verstopt. Wanneer hij eenige malen op deze wijze den tuin inging, zou zijn buurman hem waarschijnlijk van achter de gordijnen gadeslaan en zijn slag trachten te slaan. En dat is gebeurd, zooals u al wel zult begrepen hebben; mr. Townsend’s vermoeden betreffende zijn identiteit bleek juist. De kerel verraadde zichzelf tijdens het gevecht. Nu dames,” eindigde Mr Greyer en greep zijn hoed; „mijn dag was werkelijk niet kwaad. Op de arrestatie van dien misdadiger stond een belooning van duizend gulden, en Mr. Townsend en ik zullen die som deelen met „mrs. Townsend. „Oh, Lucinda,” zei Martha, toen zij het huis voor den nacht sloten, „is Mr. Townsend niet een nette man, zooals ik al zei ?” „Hm,” bromde Miss Lucinda Pennypacker, „wat zou er van hem terechtgekomen zijn, als ik dien detective niet had gehuurd ?” 19
PDF
Nummer
1929, nr. 38, 21 sept. 1929
Blad
22
Tekst
PANORAMA- - No. 3 8 21 SEPTEMBER I G ifford dacht aan het kranten-uitknipsel, dat hij gevonden had. Hij dacht aan de andere papieren in zijn portefeuille... . aan het contract over een spoorlijn.... Hij had er hoegenaamd geen idee van, wat dat te beteekenen had en hoe daarmede moest gehandeld worden. Maar op het oogenblik bekommerde hij zich daar niet over. Opnieuw steeg het bloed hem naar het hoofd. Naar huis, naar het huis, waarvan hij zich hoegenaamd niets herinnerde, waar de bekoorlijke vrouw hem wachtte, die hij nauwelijks gezien had in het gasthuis, en die er naar verlangde hem te verwelkomen. Niet alleen had hij geen begrip, hoe de persoonlijkheid van zijn vrouw was, maar ook wist hij niet, hoe die zes jaren van huwelijksleven geweest waren en hoe die zich ontwikkeld hadden. Hij was stil onder het diner, maar at met smaak. Dokter Mc Intyre zag dien eetlust met voldoening. Het bevestigde het feit, dat behalve dan het verlies van geheugen, Gifford een man was, gezond en sterk. Dat plaatselijk verlies van geheugen, is eigen aan iedereen in meer of mindere mate. Ijverige geleerden en studenten zouden abnormale bronnen van wijsheid zijn, als zij zich alles konden herinneren, wat zij ooit geleerd hadden, als zij al de wetenschap konden onthouden in den loop van hun studiejaren verzameld, alles wat zij gelezen hadden, geleerd, zich eigen gemaakt door inspanning van geest. Tegen het einde van den maaltijd begon Gifford plotseling : „Dokter, ik zou kunnen opvliegen als een vogel als ik denk aan hetgeen mij wacht, wanneer ik maar kon ontsnappen aan die zwarte wolk van twijfel, dat het eigenlijk toch niet goed is.” „Neem mijn woord daarvoor aan, Gifford,” zei dokter Mc Intyre kalm. „Ik raad je niet aan een leugenachtig leven te gaan leiden, maar alleen, dat je handelt met mijn verzekering, dat het werkelijk alleen de waarheid is.” „Dat weet ik, mijnheer. Dat is het eenige feit, waaraan ik mij vastklem.” „Ja, doe dat. Je bemint reeds je vrouw, dus is alles, wat je noodig hebt, de overtuiging, dat je haar bemind hebt gedurende die jaren voor je val. Nooit meer die twijfel, nooit meer denken, dat het verkeerd is. Denk daaraan voortdurend.” „Dat is niet moeilijk. Hoe meer ik er over denk, hoe meer ik zeker ben, dat het de liefde tot haar was, die tot het ongeluk aanleiding gaf.” „Maar het is toch verschrikkelijk al die jaren van liefde en geluk te verliezen,” zuchtte Gifford. „Dokter, is er geen middel om het geheugen op te wekken? Misschien een operatie?” „Het resultaat zou niet gegarandeerd zijn zoo lang je sterk en normaal bent, met geen nukkige ideeën, storingen van gedachten of zintuigen. Als er het minste symptoom was van hersens-ontsteking, zou ik er anders over denken. Maar men kan het geheugen niet aanboren als een vat spiritus om het er uit te laten vloeien.” Hij glimlachte. „Ik veronderstel... Maar dokter, ik wil de herinneringen terug hebben!” schreeuwde Gifford. „Niet zoo zeer om den tegenwoordigen toestand gemakkelijker te maken, maar omdat ze zoo kostbaar zijn. Ze zijn het beste van me zelf, de ziel en de geest van hetgeen er goeds in mij is. Het is niet geheel om mijn vrouw en kinderen. U zegt mij, dat sedert de laatste zeven jaar, sinds ik Drusil ontmoette, ik alles ben geweest, wat een echtgenoot, vader en achtbaar lid der maatschappij behoort te zijn. Maar ik kan mij me zelf niet herinneren dan alleen als een dwaas, ontoerekenbaar sujet.” „Misschien wel,” antwoordde de dokter. „Maar er is een diepere herinnering in je, die wel beter weet; anders zou je nog de zelfde dwaze ontoerekenbare man zijn. En je weet KORTE INHOUD VAN HET VOORGAANDE. De held van het verhaal, Gifford Derring, ontwaakt uit een bezwijming in een kamer, die hij herkent als die van een ziekenhuis. Er komt een zeer aantrekkelijke vrouw bij hem, en die ondervraagt de verpleegster naar zijn toestand. Gifford herinnert zich niet, haar ooit gezien te hebben. Na zijn vertrek uit het ziekenhuis vindt hij in zijn zak het horloge van zijn vader, het portret van de mooie vrouw die hij in het ziekenhuis zag en meer stukken, waarvan hij niets begrijpt. Van dr. Mc Intyre verneemt hij, dat zijn vader dood is, en dat hijzelf een vrouw (de bezoekster uit het ziekenhuis) en twee kinderen heeft. Dit alles weet hij niet meer, wijl door een vliegongeluk zijn geheugen voor een deel verloren is gegaan. Hij overlegt met den dokter, hoe hij zich tegenover zijn vrouw gedragen moet. heel goed, dat je dat niet bent. Goddank, dat het donkere punt juist daarin gelegen is.” Die uitdrukking trok Gifford's aandacht, Hij keek peinzend zijn gastheer aan. „Ja, dat geeft het duidelijk weer. Mijn geest is als een vuurtoren, waarvan de lantaarn een donker gedeelte heeft, De verlichte boog is voor zeven graden uitgedoofd. Maar, dokter, dat is juist het ergste: dat donkere punt is aan den verkeerden kant.” „Hindert dat zoo veel? Nu je over de branding heen bent en veilig aan de haven aangekomen?” „Maar, dokter, dat heeft juist veel te beteekenen. Dat moet u toch ook inzien. Hoe zou het voor u zijn, als u onbekwaam was u iets te herinneren omtrent uw eigen huwelijksleven? Vergeef mij de impertinentie, maar zou het u niet lijken, dat u nauwelijks geleefd had.... dat u schandelijk beroofd was?” „Dat zou het, Gifford. Maar je moet denken, dat je nog in de volle kracht van je leven bent, dat je vrouw verlangend op je wacht en, dat je nog vele, heel veel gelukkige jaren te leven hebt.” „Ja, ik ben ondankbaar. Ik verdien het niet. Dat is juist de moeilijkheid; ik verlang te voelen, dat ik het verdien, dat het mij eerlijk toekomt. En ik kan het niet.... ik kan het eenvoudig niet.” Er was een snik in zijn stem. Bij het denken aan Drusil, zijn vrouw, wachtende om hem te verwelkomen, steeg het bloed in zijn hersens, totdat het leek, alsof die heete vloed het donkere punt van vergetelheid zou overstroomen, den dam wegbreken en de herinnering blij en gelukkig zou terugvoeren. Hij verlangde er naar, dat dit zou gebeuren, voelde alsof hij op het punt was om dit te ondervinden. Zijn gastheer zat hem aan te kijken, ook hopende op dit phenomeen. Maar het diafragma bleef gesloten, weigerde zelfs den minsten lichtstraal door te laten van wat daar verborgen was, de kostbare herinneringen van die zeven verloren jaren. HOOFDSTUK 5 Toen de groote auto dicht bij de haven van Digby kwam, richtte Gifford zich op en vroeg: „Hoe laat vertrekt onze boot, dokter?” „Zoo gauw wij aan boord zijn, omstreeks vier uur. Ik heb een vrachtboot gehuurd als voor een speciaal doel.” „Prachtig! Dit is het eerste groote avontuur van mijn leven. Toen ik twee vijandelijke vliegtuigen neerschoot, drie jaar... neen, tien jaar geleden, meende ik heel wat te hebben gepresteerd. Twee! Maar vergeleken met dit was het maar een heel gewoon iets.” „Wat je deed tien dagen geleden, was ook zoo kwaad niet,” zei de dokter droogweg. „Je kon je met je eigen parachute veilig neer hebben laten gaan en je dronken piloot voor zichzelf laten zorgen. De tijd, dien je verloor met hem los te maken en overboord te zetten, kostte je de kans om goed te landen. Ik begrijp het nog niet, dat je niet een hoopje ontwrichte beenderen en inwendige kwetsuren was; eigenlijk had je dood moeten zijn. De verschijnselen bij vallen zijn eigenaardig,” ging de dokter voort. „Een man kan te ver achterover in zijn stoel leunen en dood vallen. Een kind kan van een derde verdieping vallen, op een steenen vloer van een binnenplaats te land komen, naar het gasthuis gebracht en een paar dagen er na volkomen gezond uitkomen. Algeheele verslapping van het lichaam kan het voor een gedeelte verklaren, maar niet geheel. Te oordeelen naar hetgeen je vrouw mij zei, is zij hoegenaamd niet sentimenteel. Zij trachtte mij duidelijk te maken, dat zij haar echtgenoot, gezond of ziek, met of zonder geheugen terug wenschte te hebben en wel direct. Haar laatste woorden waren overtuigend,” „Welke waren het?” 20
PDF
Nummer
1929, nr. 38, 21 sept. 1929
Blad
23
Tekst
PANORAMA No. 3 8 21 SEPTEMBER .... dicht bij de haven van Digby kwam . ♦.. Zij zei: „Mijn lieveling zal snel zich weer thuis gevoelen als ik mijn armen om hem heen sla. Wees niet bang; ik weet die spinnewebben weg te vegen/* De dag brak aan, toen zij in Digby aankwamen; toch was het nog niet vier uur, De zacht-blauwe lucht had de uitgestrektheid van het oneindige en de kalme wateren van de haven leken satijn en opaal, als het inwendige van een parelmoerschelp. Het krachtige vrachtbootje, door dokter Mc Intyre gehuurd, was gereed om den auto op te nemen en weg te varen zoodra die aan boord was. Gifford dacht eraan, dat hij niet genoeg het wonder apprecieerde, dat in hem gewrocht was; en toch was het geen wonder. Wie zou zich niet verheugen aldus veranderd te zijn van een drinkebroer en losbandigen jongen, vluchteling uit een dreigend sanatorium, in een rijk man, geëerd en geëerbiedigd, met een gelukkig tehuis, een bekoorlijke echtgenoote en lieve kinderen? Hoe voor zulk een zegen dankbaar genoeg te zijn! „Denkt u niet, dokter/’ vroeg hij, toen zij afvoeren, „dat zij instinctmatig mijn geestelijk tekort zal bemerken?” „Dat zal zij in zooverre bemerken, dat zij zal trachten met al haar liefde je te doen herstellen, en ik hoop, dat zij daarin zal slagen. De kracht der liefde is zoo groot. Het is de sterkste kracht. Daarom zou het misdadig zijn die niet alle kans te geven om zich te uiten.” Het bootje sneed een zuivere voor door de zachte weide van de groene golven der zee. De zon ging op en een zachte bries kwam uit het Noorden, toen de schitterende stralen de wateren met rosé en goud overstroomden. Visschersschuiten en kleine stoombooten en hier en daar een zeilschip bewogen zich over de zee en gingen naar hun verschillende bestemmingen. De kok van het kleine vaartuig kwam hun ontbijt brengen, koffie, eieren en ham en gebakken visch. Gifford at met smaak; hij leek wel altijd honger te hebben en sprak over dit feit als iets verwonderlijks. „Dat is een teeken van krachtige gezondheid,” antwoordde de dokter, hem lachend aanziende. „Een van de factoren, die zeer ten beste van je spreken.” „Is er dan een andere?” „Het feit, dat je op je vrouw verliefd bent geworden.” Opnieuw die brandende blos! „Ik voel mij toch als een indringer, als een bedrieger ... een schaamtelooze bedrieger. Op het oogenblik ben ik niet de Gifford Derring van heden. Ik ben de man, die zeven jaar geleden een ongeluk had op het poloveld” „Wat zou dat? Toen was het juist, dat zij op je verliefde.” Gifford bemerkte, dat hij geen argument van zijn wijzen raadsman kon weerleggen. En hij was er blij om. Toch had hij een oogenblik van schrik, toen na hun aankomst op het vasteland, dichtbij den grooten weg, dokter Mc Intyre zei: „Gifford, als wij in Cambden aankomen, zal ik je verlaten voor de poort van je huis, zonder mee naar binnen te gaan. Ik zal in het hotel wachten. Ik vind het beter, dat je niet thuis komt onder geleide van een zenuwdokter. Het moet erop lijken, dat je uit het gasthuis weg bent geslopen in een staat van tijdelijk geheugenverlies, maar dat je nu hersteld bent en naar huis gegaan. Je bent een te bekend man dan dat het niet rond gebazuind zou worden, als je niet geheel in orde zou zijn.” „Zal dat niet bemerkt worden, omdat ik niet het minste idee heb van mijn zaken?” „Het zal het beste zijn, dat je zoo gauw mogelijk naar Europa vertrekt met vrouw en kinderen. Aan je deelgenooten in de zaken kan meegedeeld worden, dat je na je ongeluk niet in staat bent om je met iets te bemoeien. Dat zullen ze natuurlijk gelooven. Morgen zal ik je bezoeken en je mijn bevelen als dokter geven. Als journalisten je opwachten, zeg hun dan, dat je heelemaal hersteld bent, maar niet over het geval wenscht te spreken. Het is beter ze niet zoo maar af te schepen, maar eenvoudig te constateeren, wat ik je zei. De negen dagen, die verloopen zijn sedert je herstel, hebben al veel doen vergeten. Je werd bewusteloos naar het ziekenhuis gebracht, daar kwam je tot besef dat je geheel hersteld bent en je bent naar huis terug gegaan. Dat is alles.” Gifford begreep, dat die raad goed was, hoewel hij op het eerste oogenblik ervoor schrikte zijn mentor te verliezen, juist nu hij meende dien het meest noodig te hebben. Ook bemerkte hij, dat dokter Mc Intyre de belangrijkste reden had verzwegen om Gifford te verlaten aan de poort van zijn landgoed. Zijn bedoeling was, dat Drusil absoluut niet zou denken of kunnen denken, dat haar echtgenoot nog een bewaker noodig had. Zij reden snel over den weg en weldra verschenen de heuvels van Cambden in de verte. Gifford hoopte, dat zijn hart organisch sterk mocht zijn, want hij was blij, dat hij niet langer onderweg moest blijven. De zenuwachtige spanning begon zelfs op zijn gestel te werken. Wat hem te wachten stond, was zoodanig, dat zijn geest onbekwaam was het te voorzien en te bedenken welk soort van kracht noodig was om het te doorstaan. Gifford voelde zijn toestand tegelijk heerlijk en vreeselijk, verrukkelijk en ontzettend, een gevoel van zoetheid vermengd met 21
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11656 tot 11660 van 11897