|
PANORAMA- - No. 3 8 21 SEPTEMBER
I
G
ifford dacht aan het kranten-uitknipsel, dat hij gevonden had.
Hij dacht aan de andere papieren in zijn portefeuille... .
aan het contract over een spoorlijn.... Hij had er hoegenaamd geen idee van, wat dat te beteekenen had en
hoe daarmede moest gehandeld worden. Maar op het oogenblik
bekommerde hij zich daar niet over.
Opnieuw steeg het bloed hem naar het hoofd. Naar huis, naar
het huis, waarvan hij zich hoegenaamd niets herinnerde, waar de
bekoorlijke vrouw hem wachtte, die hij nauwelijks gezien had in
het gasthuis, en die er naar verlangde hem te verwelkomen. Niet
alleen had hij geen begrip, hoe de persoonlijkheid van zijn vrouw
was, maar ook wist hij niet, hoe die zes jaren van huwelijksleven
geweest waren en hoe die zich ontwikkeld hadden.
Hij was stil onder het diner, maar at met smaak. Dokter Mc
Intyre zag dien eetlust met voldoening. Het bevestigde het feit,
dat behalve dan het verlies van geheugen, Gifford een man was,
gezond en sterk. Dat plaatselijk verlies van geheugen, is eigen aan
iedereen in meer of mindere mate. Ijverige geleerden en studenten
zouden abnormale bronnen van wijsheid zijn, als zij zich alles konden
herinneren, wat zij ooit geleerd hadden, als zij al de wetenschap
konden onthouden in den loop van hun studiejaren verzameld, alles
wat zij gelezen hadden, geleerd, zich eigen gemaakt door inspanning van geest.
Tegen het einde van den maaltijd begon Gifford plotseling :
„Dokter, ik zou kunnen opvliegen als een vogel als ik denk aan
hetgeen mij wacht, wanneer ik maar kon ontsnappen aan die
zwarte wolk van twijfel, dat het eigenlijk toch niet goed is.”
„Neem mijn woord daarvoor aan, Gifford,” zei dokter Mc Intyre
kalm. „Ik raad je niet aan een leugenachtig leven te gaan leiden,
maar alleen, dat je handelt met mijn verzekering, dat het werkelijk
alleen de waarheid is.”
„Dat weet ik, mijnheer. Dat is het eenige feit, waaraan ik mij
vastklem.”
„Ja, doe dat. Je bemint reeds je vrouw, dus is alles, wat je
noodig hebt, de overtuiging, dat je haar bemind hebt gedurende
die jaren voor je val. Nooit meer die twijfel, nooit meer denken,
dat het verkeerd is. Denk daaraan voortdurend.”
„Dat is niet moeilijk. Hoe meer ik er over denk, hoe meer ik
zeker ben, dat het de liefde tot haar was, die tot het ongeluk
aanleiding gaf.”
„Maar het is toch verschrikkelijk al die jaren van liefde en geluk
te verliezen,” zuchtte Gifford. „Dokter, is er geen middel om het
geheugen op te wekken? Misschien een operatie?”
„Het resultaat zou niet gegarandeerd zijn zoo lang je sterk en
normaal bent, met geen nukkige ideeën, storingen
van gedachten of zintuigen. Als er het minste symptoom
was van hersens-ontsteking, zou ik er anders over
denken. Maar men kan het geheugen niet aanboren
als een vat spiritus om het er uit te laten
vloeien.” Hij glimlachte.
„Ik veronderstel... Maar dokter, ik wil
de herinneringen terug hebben!” schreeuwde
Gifford. „Niet zoo zeer om den tegenwoordigen
toestand gemakkelijker te maken, maar omdat
ze zoo kostbaar zijn. Ze zijn het beste van
me zelf, de ziel en de geest van hetgeen er
goeds in mij is. Het is niet geheel om mijn
vrouw en kinderen. U zegt mij, dat sedert de
laatste zeven jaar, sinds ik Drusil ontmoette,
ik alles ben geweest, wat een echtgenoot, vader
en achtbaar lid der maatschappij behoort te
zijn. Maar ik kan mij me zelf niet herinneren
dan alleen als een dwaas, ontoerekenbaar
sujet.”
„Misschien wel,” antwoordde de dokter.
„Maar er is een diepere herinnering in je, die
wel beter weet; anders zou je nog de zelfde
dwaze ontoerekenbare man zijn. En je weet
KORTE INHOUD VAN HET
VOORGAANDE. De held van het
verhaal, Gifford Derring, ontwaakt uit
een bezwijming in een kamer, die hij
herkent als die van een ziekenhuis.
Er komt een zeer aantrekkelijke vrouw
bij hem, en die ondervraagt de verpleegster naar zijn toestand. Gifford
herinnert zich niet, haar ooit gezien
te hebben. Na zijn vertrek uit het
ziekenhuis vindt hij in zijn zak het
horloge van zijn vader, het portret
van de mooie vrouw die hij in het
ziekenhuis zag en meer stukken, waarvan hij niets begrijpt. Van dr. Mc Intyre
verneemt hij, dat zijn vader dood is,
en dat hijzelf een vrouw (de bezoekster
uit het ziekenhuis) en twee kinderen
heeft. Dit alles weet hij niet meer,
wijl door een vliegongeluk zijn geheugen voor een deel verloren is
gegaan. Hij overlegt met den dokter,
hoe hij zich tegenover zijn vrouw
gedragen moet.
heel goed, dat je dat niet bent. Goddank, dat het donkere punt
juist daarin gelegen is.”
Die uitdrukking trok Gifford's aandacht, Hij keek peinzend
zijn gastheer aan. „Ja, dat geeft het duidelijk weer. Mijn geest is
als een vuurtoren, waarvan de lantaarn een donker gedeelte heeft,
De verlichte boog is voor zeven graden uitgedoofd. Maar, dokter,
dat is juist het ergste: dat donkere punt is aan den verkeerden kant.”
„Hindert dat zoo veel? Nu je over de branding heen bent
en veilig aan de haven aangekomen?”
„Maar, dokter, dat heeft juist veel te beteekenen. Dat moet
u toch ook inzien. Hoe zou het voor u zijn, als u onbekwaam was
u iets te herinneren omtrent uw eigen huwelijksleven? Vergeef
mij de impertinentie, maar zou het u niet lijken, dat u nauwelijks
geleefd had.... dat u schandelijk beroofd was?”
„Dat zou het, Gifford. Maar je moet denken, dat je nog in
de volle kracht van je leven bent, dat je vrouw verlangend op je
wacht en, dat je nog vele, heel veel gelukkige jaren te leven hebt.”
„Ja, ik ben ondankbaar. Ik verdien het niet. Dat is juist de
moeilijkheid; ik verlang te voelen, dat ik het verdien, dat het mij
eerlijk toekomt. En ik kan het niet.... ik kan het eenvoudig niet.”
Er was een snik in zijn stem. Bij het denken aan Drusil, zijn vrouw,
wachtende om hem te verwelkomen, steeg het bloed in zijn hersens,
totdat het leek, alsof die heete vloed het donkere punt van vergetelheid zou overstroomen, den dam wegbreken en de herinnering
blij en gelukkig zou terugvoeren. Hij verlangde er naar, dat dit
zou gebeuren, voelde alsof hij op het punt was om dit te ondervinden. Zijn gastheer zat hem aan te kijken, ook hopende op dit
phenomeen.
Maar het diafragma bleef gesloten, weigerde zelfs den minsten
lichtstraal door te laten van wat daar verborgen was, de kostbare
herinneringen van die zeven verloren jaren.
HOOFDSTUK 5
Toen de groote auto dicht bij de haven van Digby kwam,
richtte Gifford zich op en vroeg: „Hoe laat vertrekt onze boot,
dokter?”
„Zoo gauw wij aan boord zijn, omstreeks vier uur. Ik heb
een vrachtboot gehuurd als voor een speciaal doel.”
„Prachtig! Dit is het eerste groote avontuur van mijn leven.
Toen ik twee vijandelijke vliegtuigen neerschoot, drie jaar... neen,
tien jaar geleden, meende ik heel wat te hebben gepresteerd. Twee!
Maar vergeleken met dit was het maar een heel gewoon iets.”
„Wat je deed tien dagen geleden, was ook zoo kwaad niet,”
zei de dokter droogweg. „Je kon je met je eigen
parachute veilig neer hebben laten gaan en je dronken
piloot voor zichzelf laten zorgen. De tijd, dien je
verloor met hem los te maken en overboord te
zetten, kostte je de kans om goed te landen.
Ik begrijp het nog niet, dat je niet een hoopje
ontwrichte beenderen en inwendige kwetsuren
was; eigenlijk had je dood moeten zijn. De
verschijnselen bij vallen zijn eigenaardig,” ging
de dokter voort. „Een man kan te ver achterover in zijn stoel leunen en dood vallen. Een
kind kan van een derde verdieping vallen, op
een steenen vloer van een binnenplaats te land
komen, naar het gasthuis gebracht en een paar
dagen er na volkomen gezond uitkomen. Algeheele verslapping van het lichaam kan het voor
een gedeelte verklaren, maar niet geheel.
Te oordeelen naar hetgeen je vrouw mij
zei, is zij hoegenaamd niet sentimenteel. Zij
trachtte mij duidelijk te maken, dat zij haar
echtgenoot, gezond of ziek, met of zonder geheugen terug wenschte te hebben en wel direct.
Haar laatste woorden waren overtuigend,”
„Welke waren het?”
20
|