|
P A N O R A M A - No. 3 8 21 SEPTEMBER
moet u mij nog één genoegen doen en de
kwitantie zes dagen antidateeren. Ik heb
namelijk met mijn vriend Jonker de Belvaert
gewed, dat ik dien hanger binnen veertien
dagen in mijn bezit en tot mijn prijs zou
hebben, en die weddenschap zou ik niet graag
verliezen. Het blijft u natuurlijk het zelfde."
„Ja, natuurlijk, dat blijft mij hetzelfde.’
Egbert voelde dat Matilde hem fixeerde.
.Dat is dan in orde ? U naoogt die cheque
wei goed opbergen, 37.000 gulden is een
heele som."
.Weest u daarvoor maar niet bang. Die
gaat in mijn geheimen vestzak. Bovendien,
ik behoef niet bang voor zakkenrollers te
zijn in den trein. Freule Matilde heeft beloofd mij met haar wagen veilig thuis af
te leveren....’’
„En dat zal ik ook!" Vastbesloten kwamen de woorden over haar lippen en met een
kleur van opwinding zag zij den baron aan.
Het diner was spoedig afgeloopen en
Egbert volgde den baron naar zijn werkkamer. Noode, want hij had dien laatsten
avond gaarne nog wat muziek met Matilde
gemaakt. Over elven echter pas stapte hij
op om zich naar zijn slaapkamer te begeven. Matilde was niet meer beneden.
Toen hij zijn kamer binnentrad viel een
zacht licht van de „schouw" omlaag. De drie
kaarsen brandden. Hij dacht nauwelijks aan
het oude verhaal. Kleedde zich snel uit en
trok zijn pyama aan. Nog even stapte hij op
t balcon om naar den heerlijken sterrenhemel
te zien. Toen trad hij op den schouw toe
greep den eersten kandelaar en blies die
uit. Toen nam hij den tweede. Ook hiervan doofde het licht. Toen hij den derde
wilde grijpen, aarzelde hij toch even. Even
maar! Hij strekte de hand uit — toen een
bons op de deur hem deed omzien. De
deur was niet op slot. Ze ging open en
Matilde kwam naar binnen.
„Om hemelswil, Egbert, laat dat! Doe
dat niet! Er gaat hier iets vreeselijks gebeuren! Blijf af van dien kandelaar! Goddank, dat ik nog juist op tijd kom." Zij
klemde, blijkbaar in doodsangst, zich aan
Egbert vast. „Matilde... Matilde, je bent
overspannen. Kom, wie gelooft er nu aan
zulke dingen ? O kind, hoe lief van je om
zoo aan mij te denken. Kom ga rustig
naar je kamer. Matilde — ik mag toch
Matilde zeggen?" Ze snikte. „Kom kindje,
ga rustig slapen. Morgen, morgen vroeg
heb ik je nog zooveel te vertellen, zoo heel
veel te zeggen." Hij had haar in zijn armen
genomen en kuste haar. „Matilde, wel te ruste.
Dank je, dank je voor je zorg .. . voor je
liefde. . „Egbert ik ga niet weg, vóór je
me beloofd hebt die kaars te laten branden.
Dien kandelaar te laten staan. Lieveling,
jongen, beloof het mij. Die kandelaar beteekent onheil, die kandelaar .. . ." Ze zweeg
plotseling, want in de deuropening stond
de baron. „Wat beteekent dat hier? —
Matilde, ben je krankzinnig geworden ?
Meneer Kowald, zijn dat de manieren van
een gast in mijn huis? — Ik wil niet het
ergste denken, maar een uitlegging verwacht ik toch van u. Matilde ga onmiddellijk heen!" „Neen oom, ik ga niet heen.
Ik blijf tot Egbert mij beloofd heeft dien
kandelaar niet aan te raken. Ik ben hier
uit mijzelf binnengekomen om hem te waarschuwen. — Waarschuwen voor .. . U! Ja
voor u1 U weet méér van die dingen! U
weet hoe die andere verleden jaar
hier uit de kamer verdween. Naar
beneden viel ? Naar beneden '
sprong ? Omdat ik zijn liefde
De eerste jachtrit
van dejachtclub te
Frohnau bijBerlijn.
zou hebben afgewezen ? Zijn liefde ! Nooit
had de man zooiets laten blijken, een woord
er over gerept. Neen, daarom sprong hij
niet. Hij sprong niet! Hij viel niet! Maar
tb u weet hoe hij daar beneden kwam.
Er is hier iets duivelachtigs. O, Egbert,
pas op! Hij, hij daar, hij is een duivel!"
Matilde had de laatste woorden uitgegild.
Ze viel in een stoel neer.
Baron Oudensteijn was vaalbleek geworden. Hij beheerschte zich met bovenmenschelijke inspanning. „Mijnheer Kowald,
ik begrijp nu, waarom Matilde hier kwam.
Het is een waandenkbeeld van haar. Vergeef mij mijn woorden van zooeven. In mijn
oogen bent u gerehabiliteerd." Hij was
naar de schouw gegaan en hield zich
met de linkerhand aan den koperen ring
in den leeuwenmuil vast. Onmerkbaar trok
hij eraan. De kop zakte iets naar beneden,
Egbert lette er niet op, maar Mathilde,
die de bewegingen van haar oom scherp
volgde, zag wél de beweging van den kop.
„Een waandenkbeeld! Ik zal u bewijzen
hoe dwaas dat sprookje van de drie kandelaars is. Helpt u mij even de twee
kaarsen opsteken, dan zal ik ze alle drie
na elkaar uitblazen. Matilde kan dan gerust zijn."
De baron greep den eersten en den tweeden
kandelaar, keerde zich om naar Egbert,
die de kaarsen voor hem opstak.
Tegelijk was Matilde opgestaan. Had
op haar beurt den koperen ring gevat.
Ze duwde. De kop ging naar boven.
Ze stond weer bij haar stoel toen de
baron zich met de brandende kaarsen omdraaide en ze op de schouw plaatste.
„Ziezoo, nu staan ze weer in de rij."
„O, Egbert, geef mij je arm. Ik voel
mij zoo duizelig!"
Egbert haastte zich om Matilde te
ondersteunen. De baron nam den eersten
kandelaar van den mantel. Doofde het
licht. Toen den tweeden. — Hij reikte naar
den derden. Greep het glimmend koper vast.
Het leek of het ding even op het hout vastkleefde. Een ruk. De baron trok den kandelaar over den rand. . . rrrrrt . . . klak! Met
reuzenkracht en snelheid suisde er iets
door de lucht. Een geluid alsof een buigzaam riet de lucht doorkliefde. Een slag
die de kamer deed trillen. Een vreeselijke
vloek overstemde. Een breede plank van
den vloer stond trillend recht overeind. En
als uit een ontzaglijke catapult weggeschoten beschreef het lichaam van den
ouden man een halven boog vlak Jangs de
zoldering, verdween door de openstaande
balcondeuren. Verdween in de diepte.
Matilde en Egbert hoorden den doffen
slag beneden. Den plof van het lichaam op
de steenen. Tegelijk, dat de derde kandelaar aan hun voeten rolde. Met gedoofde
kaars. — De derde kandelaar, die op den
schouw de krachtige veer onder de vloerplank had vastgehouden.
Beide jongen menschen stonden als versteend. Matilde vond ’t eerst de spraak terug.
„O, die duivel, dat monster! Egbert, ik heb
zijn vonnis helpen voltrekken, maar ik heb
er geen spijt van."
Het politieonderzoek bracht verschillende zonderlinge dingen aan het licht. Behalve het bewijs, dat de baron inderdaad
in den kuil gevallen was, dien hij voor
Egbert had gegraven. Dat Matilde door
het terugduwen van de pal, allias de leeuwenkop, het mechanisme van de catapult
weer in werking had gesteld, werd haar
niet als schuld aangerekend. De Rechtbank
nam aan, dat het een onwillekeurige beweging geweest was, waarvan zij het doel
en het gevolg niet gekend had. Hetgeen
volkomen waar was.
De baron was inderdaad een maniak.
Een gevaarlijke maniak, die voor zijn idee
fixe, het bezit van zeer kostbare antieke
juweelen, niet voor een misdaad terugdeinsde, ais zijn financiën hem niet veroorloofden ze op eerlijke wijze te verwerven.
Matilde, zijn nicht en erfgename, regelde
alles. Trachtte zooveel mogelijk goed te
maken, en de gevolgen van de gepleegde
misdaden te verzachten.
Zij en Egbert voelden voorloopig niets
voor het oude kasteel en hebben een mooi
landhuis in Wassenaar gekocht. Waarin
men echter tevergeefs zelfs één enkelen
koperen kandelaar zal zoeken!
7
|