Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11641 tot 11645 van 11897
Nummer
1929, nr. 38, 21 sept. 1929
Blad
04
Tekst
PANORAMA No. 3 8 21 SEPTEMBER DE UITVINDINGEN VAN DE TOEKOMST N a meer dan vijftig jaar van onafgebroken vruchtbaarheid in uitvindingen, gedurende welke hij niet alleen het electrische tijdperk heeft ingeluid, maar ook voortdurend uitgebreid, gelooft Thomas Alva Edison dat wij nog slechts aan den rand staan van de groote nieuwe aera van Volt en Ampère, dat we nog alleen maar even onze voeten gedoopt hebben in den oceaan van uitvindingen en ontdekkingen. Op twee en tachtigjarigen leeftijd vertelde Edison, de grootste uitvinder van de wereld, een prachtige oude baas met de warme vroolijkheid van een jongen in zijn mooi breed gelaat, en de geestelijke concentratie van een jong man in zijn heldere, blauwe oogen, aan schrijver dezes sommige dingen, die hem voor den geest zweefden met betrekking tot de toekomst. Bijvoorbeeld meent Edison, dat de tijd gaat komen, dat de menschen de electrische energie op groote schaal direct van de zon zullen betrekken. Sinds de eeuw van het stoomwezen begon, en de wereld, zooverre het den mensch betrof, wat sneller ging rolllen, hebben wij geleefd van de spaarduitjes van de goede, oude zon. Steenkool is energie van de zon opgepot in planten, petroleum is hetzelfde opgepot in lagere diersoorten. Maar evenals alle spaarpenningen kunnen ook deze opraken, ofschoon Edison te dezen opzichte geen vrees koestert voor het menschdom. „De mensch zal altijd in staat zijn aan de Natuur zooveel kracht te ontleenen, als hij noodig heeft," zeide hij, en hij begon eenige manieren aan te toonen, waarop wij de pasmunt van de zon zouden kunnen oogsten, die voor het grootste gedeelte verspild wordt, alsof wij wezens zijn, die voortdurend in een regen van goudstukken loopen, en toch niet in staat om ons te bukken en er een van op te rapen. De mensch zal niet alleen het middel vinden om al dit „geld" op te rapen, maar hij zal nog andere methoden uitdenken om die geweldige massa's energie te verkrijgen, welke hij in steeds meerdere mate zal noodig hebben, zijn intelligentie groeit en hij hunkert naar macht over de Natuur. Ik bezocht den heer Edison in zijn villa Seminol Lodge bij Fort Myers in Florida. Als gewoonlijk werden de vragen en antwoorden opgeschreven. Want de man, die gedurende vijftig jaar in zijn verwonderlijk brein ongeveer elke veertien dagen een nieuwe ontdekking tot stand bracht, wiens brein industrieën in het leven heeft geroepen, wier rijkdom thans geschat wordt op vijfmaal al het geld, dat op de wereld in circulatie is, deze man is bijna stokdoof, een gebrek, dat alleen een nadeel is voor de anderen. Het stelt hem namelijk in staat om te denken en te peinzen, terwijl om hem heen de menschen kletsen of ander lawaai maken, en het is geen ernstig ongerief voor iemand, die door zijn eigen rijke natuur een „weggever" en geen „innemer" is. Gedurende zijn geheele leven heeft Edison wetenschap „ingenomen" met zijn oogen, door te lezen namelijk, en wat hij „uitgegeven" heeft, dat ging door zijn wonderbaarlijke werkmanshanden. „Alle menschen", zegt Nicola Tesla (ook zoo n toovenaar met electriciteit), „zijn of centripetaal of centrifugaal", Thomas Alva Edison is centrifugaal, en de denkbeelden, ontsproten aan zijn diep ondoorgrondelijk rondsnorrend brein hebben de wereld wel niet in vuur en vlam gezet, maar dan toch doen trillen van electriciteit. „Gelooft gij," schreef ik, „dat het tijdperk van electrische uitvindingen en ontdekkingen voorbij is?" Zonder een oogenblik te aarzelen schreef Edison met vaste hand en een stomp potloodje: „Integendeel, het begint juist." Hij denkt nooit lang na. De waarheid is, dat hij meer over al deze dingen heeft nagedacht dan De Edison-postzegel, die dezer dagen door de Amerikaansche posterijen ter gelegenheid van het gouden jubileum der electrische gloeilamp in circulatie is gebracht. eenige sterveling en het product van al deze vermalen gedachten is opgeslagen in de provisie-kamer voor dadelijk gebruik gereed. Maar „denken" doet Edison altijd, dat is een van zijn grootste merkwaardigheden. Ik heb hem op alle mogelijke plaatsen gadegeslagen, in zijn laboratorium en aan een openbaren feestmaaltijd, toen de autoriteiten hem een eeremedaille aanboden, en steeds heb ik die vreemde uitdrukking van vergetelheid bij hem waargenomen, alsof hij zichzelf vergat in zijn overpeinzingen. Dit kan hij doen, omdat hij altijd op zijn gemak is, altijd origineel en zichzelf terwijl zijn brein gedragen wordt door zijn eigen volmaakte steunpunten, onafhankelijk van de gejaagdheid van de overige wereld Men herinnert zich de omlijste spreuk, die bij zijn schrijftafel in het Orange-laboratorium hangt en aldus luidt: „Er bestaat bijna niets op de wereld, waartoe de mensch niet zijn toevlucht zou nemen teneinde de inspanning van werkelijk denken te vermijden." Edison gelooft, dat wij allen te weinig denken, in ieder geval veel minder dan waar wij toe in staat zijn. Onze hersenen zijn machines, denkt hij, die meestal slechts op 10 of 25% van haar capaciteit loopen. Dit geldt echter niet voor Edison; hij laat zijn groote machine altijd op 100% loopen, of in ieder geval dichter bij dit denkbeeldige punt dan eenig man van zijn tijd. „Zijn de dagen van den onafhankelijken uitvinder voorbij?" vroeg ik. „Neen," antwoorde hij. „Is hij vervangen door troepen werkers in fabriekslaboratoria ? Dat wil zeggen, zijn de dagen van particulier onderzoek veranderd in een tijdperk van coöperatief onderzoek op het gebied der toegepaste wetenschap ?" „Neen," zeide Edison. „Nu dan, denkt u, dat de toekomstige uitvindingen zullen gedaan worden door particuliere individuen of door de groote commercieele laboratoria ?" „Voor het grootste gedeelte door de particuliere individuen," schreef hij op, „of door den uitzonderingsmensch in het coöperatief laboratorium." Dit was iets geheel nieuws, want de algemeene opinie gaat daarheen, dat in de laatste tien jaren er geen plaats meer is voor den grooten particulieren uitvinder. Nu bracht ik mijn eigen nieuwsgierigheid naar wat Edison zijn leven lang tot uitvinden had aangedreven voor den dag. Dus schreef ik: „Hebt u ooit iets willen uitvinden, omdat er geld mede te verdienen was, of gebeurde dit steeds om nieuwigheden voor het menschdom op te sporen ?" En ik vroeg verder, of Edison even productief geweest zou zijn, indien een groote inrichting hem had gevoed en gekleed, en buiten alle financieele zorgen had gehouden. „Ik deed altijd uitvindingen," schreef hij ernstig op, „om geld te verkrijgen voor nieuwe uitvindingen." „Kunt u zich in het verschiet eenige ontdekking of uitvinding indenken, die een radikale omwenteling maakt, zoodat de electrische industrie wordt omvergegooid, geheel veranderd, of tijdelijk ontwricht ?" „Ik kan mij zulk een ontdekking niet indenken, maar alles is mogelijk." „Denkt u, dat de nieuwe ontdekkingen zullen plaats hebben op het gebied van de radio of op het oude gebied van draad-electriciteit ?" „Ik denk, dat draad-electriciteit overheerschend zal zijn, tenzij er een groote nieuwe ontdekking komt, waaraan wij nu nog niet denken." 9
PDF
Nummer
1929, nr. 38, 21 sept. 1929
Blad
05
Tekst
P A N O R A M A No. 38 21 SEPTEMBER „Zullen wij volgens uwe meening ooit komen tot draadlooze overbrenging van electrische kracht ?” „Dat is zeer twijfelachtig/' zeide hij. „tenzij op kleine schaal/’ Dit was zeer interessant als uiting van een man. die reeds in 1883 had waargenomen, dat gloeiende kooldraad negatieve elecrriciteits-deeltjes uitzond, een phenomeen, dat later „Het effect van Edison” werd genoemd, en dat sedert de ware hoeksteen is geworden van de radio-telephonie en van honderd andere moderne uitvindingen. „Zoudt u denken, dat vliegtuigen ooit electrisch zullen kunnen worden voortbewogen zonder draadlooze kracht?” ..Dat is zeer twijfelachtig/' zeide Edison. „Denkt u, dat alle spoorwegen ter wereld in de toekomst zullen worden geëlectrificeerd ?” „Voor het meerendeel wel,” schreef hij. „Gelooft gij, dat er een tijd komen zal, dat de wereldvoorraad aan petroleum uitgeput zal raken en dat de menschheid over zal gaan tot electrische vervoermiddelen?” „Wanneer de petroleum uitgeput is,” schreef Edison, „kunnen wij kracht krijgen uit poeder-steenkool, benzol en alcohol.” „Denkt gij, dat de mensch uit de Natuur altijd zooveel kracht kan halen, als hij noodig heeft?” „Ja.” „Zal men den wind, de getijden, en de hitte van het binnenste der aarde ooit kunnen gebruiken naast stoom- en waterkracht, zooals zij tegenwoordig toegepast worden?” „Vulkanische warmte wordt reeds gebezigd om kracht te ontwikkelen,” zeide hij, „op verschillende plaatsen in Italië, en op een plaats in Californië. De werking der getijden wordt benut in Maine en op andere plaatsen.” „Denkt u, dat het zonlicht ooit op een groote schaal direct in electriciteit zal worden omgezet tot nut der menschheid ?” „Ja,” zette Edison op het papier. „Bent u van meening, dat electriciteit de laatste vorm van natuurlijke energie is, die door de menschen kan gebruikt worden, of is het denkbaar, dat er nog een andere vorm bestaat, die wordt ontdekt en nuttig gemaakt? Kortgezegd is er een andere vorm van energie denkbaar, behalve licht, warmte, zwaartekracht, radio-activiteit en electriciteit ?” „Ik geloof,” schreef Edison vastberaden, „dat er andere vormen van energie zijn, die nog niet ontdekt zijn.” „Is het waarschijnlijk, dat er een nieuw middel zal ontdekt worden om electriciteit te produceeren naast de batterij en de dynamo? Kunt gij u indenken, dat eenige andere vorm om electriciteit op te wekken wordt ontdekt in de onbegrensbare toekomst?” „Wij kunnen in de toekomst electriciteit direct uit de steenkool verkrijgen,” schreef hij op, „dat is reeds op kleine schaal geschied.” „Denkt u, dat alle middelen om electriciteit op te zamelen reeds ontdekt zijn? Dit is wellicht hetzelfde als te vragen: Denkt u, dat uw eigen accumulator ooit overtroffen zal worden ?” „Het zou buitengewoon moeilijk zijn,” schreef hij, terwijl zijn blauwe oogen ondeugend knipten, „een andere chemische reactie te ontdekken, waardoor hij overtroffen werd, maar mogelijk is het.” Nu kwam er een opwindende vraag. „Laten wij de electrische industrie eens vergelijken bij een menschelijk wezen. Deze industrie is uw eigen kind, en was dus veertig jaar geleden een zuigeling. Wat voor leeftijd heeft zij nu? Middelbaar of grijsaard?” Edison dacht geen seconde na, voor hij met potlood deze twee woorden schreef: „Een luierkindje.” En met dit beeld van een luierkindje voor oogen, een beeld, dat gebezigd werd voor een tijdperk van huilende turbo-generators, van straten, schitterend van electrisch licht, en schallende door de luidsprekers, van duizenden van nieuwe dingen, geschikt om een mensch vooruit te brengen, gaf ik het op om den geest te peilen van den grooten tachtigjarige. De roem, waarin hij zich verheugt, is welverdiend. Iedereen die gebruik maakt van electrisch licht, die een film ziet ontrollen, die luistert naar een gramofoon, of plaats neemt in een electrischen trein, is aan hem iets verschuldigd. Zijne ontdekkingen vormen de basis van industrieën, die millioenen menschen werk geven, en honderden millioenen kapitaal bezitten. Hij is de centrale figuur van de eeuw der toegepaste wetenschap. Gedurende vele tientallen van 'jaren heeft zijn land hem beschouwd als een der eerste burgers der wereld. En zijn land kan gelukkig hopen hem nog lang te behouden. Twee en tachtig jaar is voor Edison niet oud. Zijn Hollandsche en Schotsche voorvaderen hebben hem een groot uithoudingsvermogen gegeven. Zijn overgrootvader, een vermogend bankier uit New-York, werd 104 jaar oud, en zijn grootvader 102. Zijn vader was 94, toen hij THOMAS EDISON stierf, en Edison zeide. met een onderdrukt m zijn laboratorium. lachje: „Ik denk niet, dat ik het gemiddelde van den familieleeftijd zal doen dalen.” Bovendien, wanneer hij werkelijk 100 jaar oud zou worden, zal hij volgens zijn eigen berekening langer geleefd hebben dan Methusalem, want toen hij nog een jongmensch was van 65, placht hij te zeggen, dat hij reeds 115 jaar geleefd had. „Dat wil zeggen,” legde hij uit, „ik heb genoeg gedaan om 115 jaar oud te zijn, wanneer ik gewerkt had zooals andere menschen. En ik hoop, dat ik het nog twintig jaar uithoud, hetgeen mij 155 jaar oud zou maken, te rekenen naar het gemiddelde van wat een man per dag werkt.... En dan,” hij glimlacht, „ga ik leeren bridge spelen met de dames.” Intusschen zijn er reeds zeventien van deze twintig jaar voorbij gegaan, en Thomas A. Edison toont volstrekt geen neiging om met de dames bridge te gaan spelen. Hij heeft gebroken met zijn gewoonte om des nacht slechts vier uur te gaan slapen, hij slaapt een weinig langer, en hij dut wel eens in overdag, wanneer hij vermoeid is, maar hij is dezelfde hard-werkende, en diepdenkende man gebleven als vijftig jaar geleden. Toen op een van zijn tochten met Henry Ford zijn belangstelling werd gewekt voor de Amerikaansche rubber-productie, en de noodzakelijkheid, die zich zou kunnen voordoen, om op binnenlandsche productie aangewezen te zijn, en Ford in zijn oor schreeuwde: „Waarom doet gij hiervoor niet iets?” lachte Edison, en zeide: „Ik zal het terstond doen”. Sindsdien is hij steeds bezig met pogingen om rubber te produceeren uit zaden en alle soorten groenten op zijn modelboerderij in Florida. Sommige van zijn uitvindingen vertegenwoordigen onophoudelijke, moeizame proefnemingen gedurende jaren. Om het electrisch licht geschikt te maken voor het algemeen gebruik arbeidde hij onafgebroken aan dynamo’s, distributeurs, schakelaars, inladers, meters, en andere onderdeelen van het centraal-krachtstation, dat de basis uitmaakt van de groote electrische industrie van heden ten dage. Maar hij bleef altijd individualist. Een genie van dezen rang, die uit de grap zijne gaven definieert als: 1 °/() inspiratie en 99 °/0 transpiratie, is zeldzamer dan een komeet. Hij heeft meer dan iemand anders recht op den naam: stichter van het nieuwe tijdperk. Later komende generaties mogen uitmaken, of Thomas Alva Edison, behalve zijn pionierswerk voor deze nieuwe aera, waarvan zij dan reeds de oud-gedienden zullen vormen, ook nog heeft medegeholpen aan de voorbereiding van de ontwikkeling der toekomstige tijdperken, wanneer electrische kracht direct uit de zon zal worden getrokken, wanneer nieuwe, thans onbekende krachtbronnen zullen zijn ontdekt, en wanneer de electrische industrie van een luierkindje zal zijn opgegroeid tot de gratie, de welsprekendheid, en de kracht van een rijpheid, die men zich thans nog niet voorstellen kan. 3
PDF
Nummer
1929, nr. 38, 21 sept. 1929
Blad
06
Tekst
PANORAMA No. 38 De aankomst van de eerste regimenten uit de Rijn -zóne te Dover, 21 SEPTEMBER Een Britsche soldaat neemt hartelijk afscheid van zijn Duitsche verloofde. DE O^VAN HET RIJNLAND 4
PDF
Nummer
1929, nr. 38, 21 sept. 1929
Blad
07
Tekst
PANORAMA No. 3 8 21 SEPTEMBER H M. DE KONINGIN heeft te Den Haag een vaandel uitgereikt aan het corps mariniers. EEN TONIJN VAN 300 KILO op de Vischmarkt te Rotterdam. Van Hier en Daar VOEDERING DER MEUTE bij de parforcejacht te BerlijnFrohnau, 14 Sept. 5
PDF
Nummer
1929, nr. 38, 21 sept. 1929
Blad
08
Tekst
PANORAMA - No. 3 8 21 SEPTEMBER DE DERDE KANDELAAR door OA. 4J. Hen&eveld E gbert Kowaid had zich zoo juist voor het diner gekleed en stond nu op het breede balkon van het wondermooie uitzicht te genieten, dat het oude park van kasteel Oudensteijn bood. In de verte recht tegenover zijn kamer stond de monumentale steenen bank. Hij keek er naar en verwenschte zijn besluiteloosheid, zijn gebrek aan durf. Dien middag, den laatsten van zijn verblijf op Oudensteijn, had hij met freule Matilde Croozen van Oudensteijn na hun wandeling door het doolhof van lanen daar gezeten. Hij had telkens zijn moed bijeenverzameld, telkens weer geaarzeld. Blijven aarzelen tot de oude heer op het terras voor de bibliotheek verschenen was en hen uitgenoodigd had vóór het diner nóg een uurtje bij hem te komen babbelen. — Ezel, lamlendige kerel, ridder van de droeve figuur! Het eigenlijk doel van zijn bezoek aan het kasteel was een transactie van enkele bijzonder kostbare antieke sieraden. Baron Oudensteijn had ze een week of wat geleden in Egbert's zaak gezien en hem voor een nadere bespreking op het kasteel uitgenoodigd. Hij had zonder aarzelen aan de uitnoodiging gevolg gegeven met het idee meteen een paar prettige vacantiedagen door te brengen. De juweelen had hij volgens afspraak meegenomen. Den eersten dag. ’s avonds aan het diner, had hij kennis gemaakt met Matilde» de nicht van den baron. Hij had nooit veel aandacht besteed of eigenlijk kunnen besteden aan het zwakke, maar toch zoo sterke geslacht. Hij was te veel opgegaan in de antiquiteitenzaak, die zijn vader hem drie jaar geleden had nagelaten, en leefde voor de mooie oude dingen, die zijn liefde hadden. Tot hij dien avond voelde, dat er nog andere idealen bestonden. Onbereikbare idealen misschien, maar zeker ook de moeite waard om er voor te vechten. Die transactie van de juweelen was voor hem bijzaak geworden en met gretigheid had hij het voorstel van den ouden heer aangenomen om zijn verblijf op Oudensteijn met een weekje te verlengen. Hij had genoten inderdaad. Genoten van het oude landgoed, het oude kasteel met alle schatten, die het bevatte. Maar bovenal had hij zich gelukkig gevoeld in het gezelschap van Matilde, die heel wat van den zin en de liefde voor mooie oude dingen van haar oom bleek te hebben overgenomen. Waarom had hij vanmiddag niet gesproken? Waarom had hij niet gedurfd? Nü had hij spijt. Misschien was het nu te laat. Egbert keek naar beneden, naar het steenen terras, dat zich met een breedte van wel tien meter rondom het kasteel uitstrekte. En terwijl hij keek schoot hem plotseling een van die zonderlinge verhalen te binnen. Van die ongelukkige gebeurtenis op Oudensteijn verleden jaar. Een jonge vent was van een balcon naar beneden gevallen. „Gesprongen" werd er gefluisterd. Cherchez la femme, orakelden sommigen. Hij keek. Het was een heele hoogte, minstens vijf meter. Met verpletterden schedel was de arme kerel opgenomen. Het waren vooral de laatste woorden van den stervende, die het droef gebeuren een nog geheimzinniger tint gegeven hadden „De derde kandelaar! de derde kandelaar! Onbegrijpelijk voor iedereen. Er was ook over geld gesproken. Een groote som, die de man een paar dagen voor zijn bezoek had opgenomen en waarvan men nooit geweten had waarvoor. Toen was ook weer opgerakeld de geschiedenis van het ongeluk. een oude dame hier overkomen, zeker tien jaar geleden. Een oude dame, die tijdens een avondfeest naar boven was gegaan omdat ze een kostbaar juweel miste. Naar boven gegaan om te zoeken, en om niet levend terug te keeren. Want ook zij was vermoedelijk door te ver bukken over den lagen balkonrand naar beneden gestort. Op het steenen terras dood gevonden. Even kwam er een onaangenaam gevoel over Egbert. Hij rilde. Rilde van de koele avondlucht. Maar ook bij de gedachte zeer waarschijnlijk in de ongelukskamer gelogeerd te zijn. Hij trad weer binnen door de wel drie meter hooge glazen deuren. Deuren die tot aan de zoldering reikten. De kamer was somber door het oude Utrechtsche fluweel boven de eiken betimmering. Recht tegenover de openslaande balcondeuren bevond zich een breede schouw. De vloer bestond uit glimmende breede delen en alleen voor het zware ledikant, aan de korte zijde van het vertrek geplaatst, lang een kostbaar Ferahan tapijtje. De middenruimte was geheel vrij. Toen Egbert binnentrad viel zijn oog op de schouw. Van de beide consoles aan weerskanten grijnsden hem prachtig gesneden leeuwenkoppen aan. Woeste maskers, een zware koperen ring in den bek geklemd. Toch hadden deze onvriendelijke snuiten niet zoozeer Egbert’s aandacht. Maar wel de drie groote koperen kandelaars op den mantel van de schouw, waaruit zich zware roomwitte kaarsen verhieven. Eigenlijk waren die kandelaars hem nooit opgevallen, en dat was heel natuurlijk, omdat hij hun licht nimmer noodig gehad had. Maar vanavond zag hij ze plotseling. In het verband met dat griezelige verhaal. De derde kandelaar! de derde kandelaar! Hij keek de drie zware knapen eens aandachtig aan, maar veel tijd om te fllosofeeren was er niet. Beneden luidde de gong voor het diner. Toen hij de eetzaal binnentrad werd hij getroffen door de sprookjesachtige verlichting van de tafel. Zes groote zilveren luchters, elk met vijf kaarsen, prijkten daar en goten een zacht trillenden gloed over het hagelwitte damast, het oude kristal, het flonkerend zilver en het roomig porcelein. Matilde was met haar oom reeds aan tafel gezeten. Het viel Egbert op, dat ze bleek zag. Ze had iets onrustigs, Iets gejaagds. Egbert uitte zijn bewondering voor de verlichting. Vroeg of deze soms ter eere was van den laatsten maaltijd, dien hij op het kasteel gebruikte. „Neen, waarde heer. Eigenlijk is het force majeure. Een der hoofdzekeringen van het electrisch licht is doorgeslagen en er is geen reserve aanwezig. Vanavond moeten wij ons dus overal met deze, evenwel niet onverdienstelijke, verlichting behelpen „Zeker niet onverdienstelijk! Mijns inziens dé ideale tafelverlichting. Flatteus niet alleen voor alles wat op de tafel staat. — maar ook voor allen, die er rondom gezeten zijn. Dit compliment aan het adres van Mathilde slaagde niet erg, want afwezig keek de jonge dame voor zich. De baron was het maar gedeeltelijk eens; „Nu, het moge bij het diner dan al romantisch zijn, straks als wij onze slaapkamers opzoeken zullen wij toch weer de inconvenienten ondervinden uit den tijd van onze voorvaderen. Want ook daar zullen wij het met wat schamel kaarslicht moeten stellen.’ „Nu, ik heb op mijn kamer tenminste drie flinke kandelaars met reuzen van kaarsen ontdekt. Daarmee zal ik waarempel mijn bed wel kunnen vinden. En morgen is het vroeg licht." „Als ik u was, zou ik die kaarsen vannacht maar laten branden!", mengde zich Matilde plotseling in het gesprek. Het leek Egbert of de baron haar een allesbehalve vriendelijken blik toewierp. „Laten branden? Waarom? Mijnheer Kowaid slaapt natuurlijk met open ramen, en hij zal heelemaal niet gesteld zijn op een heirleger van nachtvlinders en muggen!" „Och oom, kaarslicht op Oudensteyn! U weet wel, waarom ik dat zeg," ze huiverde. „Nee kind, dat weet ik niet. Of je moest dat oude bakerpraatje, die zoogenaamde familielegende bedoelen." „En hoe luidt die legende dan wel ?" vroeg Egbert geïnteresseerd. „Och beste kerel onzin! Morgen zal ik je haar wel eens vertellen, ’s Avonds deugen die praatjes niet." „Maar dan zal ik haar vertellen, ’t Is best mogelijk, dat mijnheer Kowaid wèl aan zulke praatjes hecht!" De baron haalde de schouders op, maar Matilde negeerde die beweging en ging voort; „Het verhaal luidt in het kort, dat wie in dit huis achter elkaar drie kaarsen uitblaast, die op een rij staan, met de laatste kaars tevens zijn eigen levenslicht uitdooft! Het is een afschuwelijke legende, misschien een bijgeloof, maar toch is ze meermalen uitgekomen." „Nu freule, dat verhaal lijkt mij zoo primitief en ongeloofelijk, dat ik uw oom gelijk geef om daaraan niet te hechten. Ik zal het risico maar nemen. De nacht is te warm om het raam te sluiten, en met licht kan ik absoluut niet slapen." Matilde was doodsbleek geworden, „Mijnheer Kowaid, ik mag dan bijgeloovig zijn. Maar toch, luister naar mij en laat die kaarsen branden. Blaas er desnoods twee uit, maar laat de derde aan!" De baron zat zich te verbijten. „Matilde houd nu op met dat kaarsenen-licht-gebazel. Van dien onzin heb ik meer dan genoeg! — Mijnheer Kowaid wilt u na tafel met mij naar mijn werkkamer gaan? Ik zal u een cheque geven voor dien hanger en dat snoer. Ik ben heel erg in mijn schik, dat u dien koop in orde hebt willen brengen tot mijn conditiën. Alleen 6
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11641 tot 11645 van 11897