|
P A N O R A M A No. 3 7 14 SEPTEMBE R
T
oen hij den hoek omging, zag Mickey
Malone in de verte, waar de straat
een bocht maakte, het twinkelende lichtje
in oom Billy Wells’ sigarenwinkel» De
straat was overigens donker en dat enkele
lichtje scheen hem een welkom toe te
pinken. Toen hij het zag openden zich zijn
lippen voor een glimlach, maar toch kwam
er ook een zachte uitdrukking in zijn oogen.
Hij begon vlugger te loopen en hij voelde
zijn hart lichter, dan het in drie lange verschrikkelijke jaren ooit was geweest. Hij
bleef een oogenblik vóór den kleinen
winkel staan en gluurde naar binnen.
Oom Billy, wat ouder geworden in het
gezicht dan toen Mickey hem het laatst had
gezien, zat in een stoel achter de toonbank.
Zijn oogen waren gesloten, zijn bril was
op het voorhoofd geschoven; oom Billy
sliep. Mickey’s oogen behielden hun zachte
uitdrukking, toen hij hem zag; de glimlach was verdwenen. Toen stootte hij de
deur open en trad in den winkel. De bel
klonk hard in de stilte; oom Billy opende
de oogen en schoof de bril naar beneden.
Karakteristiek keek hij er eerst overheen,
toen er door. Hij keek Mickey aan, die op
de kleine winkelkruk was gaan zitten,
bleek, neen, kleurloos, vermoeid.
„Wel, wel, wel,” zei oom Billy, „jij,
Mickey; wel, wel, wel.”
Mickey zag dat de oude man hem aankeek, sympathiek en tevens streng, en voor
het eerst sedert jaren voelde hij schaamte
in zich opkomen. Hij sloeg de oogen neer
voor oom Billy’s eerlijken blik. — De oude
man was de eerste, die het zwijgen weer
verbrak.
„Vandaag vrij gekomen, Mickey?” vroeg
hij, met een vreemde, maar kalmeerende
stem.
Mickey knikte bevestigend.
„Je hebt het daar niet goed gehad?”
vroeg de ander.
Mickey bewoog het hoofd ontkennend;
droevig. „Ik heb het beroerd gehad,” zei
hij, „en ik voel me nog ellendig. Drie jaar
in de cel, en werken, werken, werken.”
Er viel weer een stilte, gedurende welke
oom Billy met bevende handen een pijp
stopte en haar aanstak. „Wel,” zei hij toen,
„je hebt je les nu gehad Mickey, en ik
hoop, dat je haar geleerd hebt. Ja, het
was —”
„Ze hebben me te zwaar gestraft;”
Mickey’s oogen flitsten, hij begon het
schaamtegevoel van zooeven te verliezen —
„ze hebben me te zwaar gestraft; ze wilden
een voorbeeld stellen. Ik ben niet rechtvaardig behandeld.”
„Waarom niet?” vroeg oom Billy, rustig
maar vast; „je hebt tegen de wet gezondigd
nietwaar ? Je wist wat je deed.”
„Toch ben ik te zwaar gestraft,” hield
Mickey aan, opgewonden; „wat een leven,
wat een leven I”
„Je had het verdiend,” viel de oude
man in; „je was al eens voorwaardelijk
veroordeeld, en toch deed je het weer. Ik
hoop, — ik hoop van harte, — dat je nu
je les geleerd hebt.”
Mickey trachtte oom Billy aan te zien,
maar zware rookwolken verborgen diens
gezicht.
„U vergeeft het me nog niet?” vroeg
Mickey.
„Vergeven!” De stem van den ouden man
trilde. „Mickey, je weet, dat ik alles vergeven heb. Maar heb ik, oude man, niet
altijd getracht, je goed op te voeden ?
Maar — maar je hebt me geen eer gedaan.
Je eindigde in de gevangenis.”
„Toch hebben ze me te zwaar gestraft,”
herhaalde Mickey zachter, maar nog hartstochtelijk. Oom Billy zei niets meer. Hij
keek op zijn horloge ; half tien; zijn sluitingsuur. Automatisch ging hij naar buiten;
haalde de tijdschriften, die daar hingen,
binnen en sloot de deur. Mickey stond op,
draaide het licht uit, en beiden gingen naar
de kamer achter den winkel. Oom Billy
had daar bijna zijn geheele leven gewoond.
Tusschen hen beiden bestond genegenheid, maar zij was eenigszins zonderling,
want beiden waren stille zwijgzame menschen.
Zoo werd er verder niet veel meer door
hen gesproken, toen zij op hun gewone
plaats zaten. Het scheen Mickey toe, dat
hij slechts eenige uren was weg geweest;
alles was nog hetzelfde. Nadat oom Billy
zijn tweede pijp gerookt had, wenschten
zij elkander goeden nacht en gingen ieder
naar zijn slaapkamer.
En den volgenden morgen begon het
gewone leven, dat de oude man en Mickey
altijd samen geleid hadden. Als vroeger
stond Billy vroeg op, maakte de winkel
schoon en hing het rek met kranten en
tijdschriften buiten, terwijl oom Billy het
ontbijt klaar maakte. Voor Billy het beste
ontbijt, dat hij in jaren gebruikt had. Beide
mannen aten zwijgend.
Om elf uur dien morgen kwam een bezoeker den winkel binnen, in den persoon
van Marks, den vroegeren vriend van
Mickey. Marks was een kleine ongunstig
uitziende kerel, met sluwe schichtige oogen.
Drie jaar geleden waren hij en Mickey op
heeterdaad op diefstal betrapt; Mickey
had drie jaar gekregen, Marks twee jaar.
Toen Marks kwam binnenslenteren, een
bengelende sigaret tusschen de lippen, zat
oom Billy in de achterkamer. Er kwamen
diepe plooien in zijn voorhoofd, terwijl hij
naar het tooneeltje in den winkel keek.
Zij gaven elkander geen hand, maar begonnen zacht met elkaar te praten, eerst
in den winkel, toen op straat voor de deur.
Eindelijk ging Marks weg en Mickey
kwam weer binnen. Oom Billy ging in
den winkel. „Wat wilde hij ?” vroeg hij
op z’n gewonen kalmen toon. Mickey
wachtte eenige seconden, vóór hij antwoordde: „Hij had gehoord, dat ik vrij was.
daarom kwam hij mij bezoeken.”
„Ik wensch hem hier niet meer te zien,”
zei Billy scherp.
Mickey Malone wierp een vluggen blik
naar den ouden man. „Dan wenscht u mij
ook niet meer te zien,” zei hij.
„Neen,” oom Billy’s stem klonk steeds
kalm. „Ik verlang jou, maar hem niet. Hij
is de oorzaak van al je ellende.”
„Nietwaar!” Mickey’s stem klonk opgewonden. „Hij is mijn vriend en we
werden beiden te zwaar gestraft.” Oom
Billy zweeg; hij zweeg den geheelen verderen morgen en middag, terwijl hij in gedachten zijn neef en aangenomen zoon bij
zijn werk gadesloeg. Tegen den avond
stopte hij nog eens zijn pijp, stak die aan
en leunde met zijn ellebogen op de toonbank.
„Michael,” zei hij eindelijk, den ander
bij zijn vollen naam noemend om meer
nadruk aan zijn woorden te geven; „ik
wil je een voorstel doen. Ik ben alleen op
de wereld en jij bent zoo goed als mijn
zoon. Nu, wel — ik word oud jongen,
— ik wil de zaak uit, en als jij je nu goed
houdt, en ik ben overtuigd, dat je dat
kunt — nu Mickey, dan wil ik alles aan
jou geven; de winkel en alles. Wat zeg
je nu, Mickey?”
Oom Billy loosde een zucht van verlichting toen hij dit gezegd had en hij keek
Mickey hoopvol aan.
Maar Mickey’s gezicht keerde zich af.
„De sigaren- en courantenbranche is niets
voor mij,” antwoordde de jonge man, en
het was merkbaar dat hij een vriendelijken
klank in zijn stem poogde te leggen. „Ik
ben niet van plan in dit gat te blijven.
Maar ik heb nog niet genoeg gespaard
en daarom wil ik graag nog een tijdje bij
u blijven wonen.”
Oom Billy keerde zich af en begon een
kist open te maken. Hij zei niets.
De dagen gingen over in weken; Mickey
werkte hard in den winkel en tusschen hen
beiden werden weinig woorden gewisseld.
De oude man sloeg Mickey dikwijls gade
wanneer deze zoo hard werkte. Maar hij
was niet gelukkig. Oom Billy had niet veel
meer te doen en in zijn leegen tijd deed
hij niets dan denken. Hij wist dat Mickey
iederen avond na sluitingstijd met Marks
uitging. En in zijne kamer had hij een bos
sleutels gevonden en een revolver. De oude
man wist dat Marks bezig was zijn heilloozen invloed te laten gelden. Hij wist
ook dat beiden ’s avonds door de deftige
wijken der stad zwierven en dat de politie hen in ’t oog hield. — En na vier
maanden gebeurde wat oom Billy had
gevreesd.
„Ik ga morgen weg,” zei de jonge man
dien avond na het eten botweg. „Ik heb
driehonderd dollar gespaard; genoeg om
een tijdje van te leven. Hier kan ik toch
niets beginnen, de politie houdt mij geregeld in het oog.”
„Gaat Marks met je mee?” — „Ja.”
„Verloren,” dacht de oude man, bitter;
„hij is verloren.”
Om twee uur lag oom Billy nog wakker.
In de stilte van den nacht hoorde hij boven
zich de voetstappen van Mickey; hard en
spottend klonk het geluid hem in de ooren.
Mickey was bezig zijn eigendommen in te
pakken, Hij hoorde de la van het bureau
uittrekken : hij wist het. daarin lag Mickey’s
geld. Oom Billy zuchtte zwaar. Eindelijk
hoorde hij het kraken van het bed, en het
werd stil.
Hij stond op en liep de gang in. Door
de trapruimte klonk naar beneden het geluid van Mickey’s regelmatige ademhaling.
Hij ging weer terug naar zijn kamer en
zat op den rand van het bed, diep in
gedachten.
Een uur later liep de oude man. een
18
|