Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11631 tot 11635 van 11897
Nummer
1929, nr. 37, 14 sept. 1929
Blad
20
Tekst
P A N O R A M A No. 3 7 14 SEPTEMBE R T oen hij den hoek omging, zag Mickey Malone in de verte, waar de straat een bocht maakte, het twinkelende lichtje in oom Billy Wells’ sigarenwinkel» De straat was overigens donker en dat enkele lichtje scheen hem een welkom toe te pinken. Toen hij het zag openden zich zijn lippen voor een glimlach, maar toch kwam er ook een zachte uitdrukking in zijn oogen. Hij begon vlugger te loopen en hij voelde zijn hart lichter, dan het in drie lange verschrikkelijke jaren ooit was geweest. Hij bleef een oogenblik vóór den kleinen winkel staan en gluurde naar binnen. Oom Billy, wat ouder geworden in het gezicht dan toen Mickey hem het laatst had gezien, zat in een stoel achter de toonbank. Zijn oogen waren gesloten, zijn bril was op het voorhoofd geschoven; oom Billy sliep. Mickey’s oogen behielden hun zachte uitdrukking, toen hij hem zag; de glimlach was verdwenen. Toen stootte hij de deur open en trad in den winkel. De bel klonk hard in de stilte; oom Billy opende de oogen en schoof de bril naar beneden. Karakteristiek keek hij er eerst overheen, toen er door. Hij keek Mickey aan, die op de kleine winkelkruk was gaan zitten, bleek, neen, kleurloos, vermoeid. „Wel, wel, wel,” zei oom Billy, „jij, Mickey; wel, wel, wel.” Mickey zag dat de oude man hem aankeek, sympathiek en tevens streng, en voor het eerst sedert jaren voelde hij schaamte in zich opkomen. Hij sloeg de oogen neer voor oom Billy’s eerlijken blik. — De oude man was de eerste, die het zwijgen weer verbrak. „Vandaag vrij gekomen, Mickey?” vroeg hij, met een vreemde, maar kalmeerende stem. Mickey knikte bevestigend. „Je hebt het daar niet goed gehad?” vroeg de ander. Mickey bewoog het hoofd ontkennend; droevig. „Ik heb het beroerd gehad,” zei hij, „en ik voel me nog ellendig. Drie jaar in de cel, en werken, werken, werken.” Er viel weer een stilte, gedurende welke oom Billy met bevende handen een pijp stopte en haar aanstak. „Wel,” zei hij toen, „je hebt je les nu gehad Mickey, en ik hoop, dat je haar geleerd hebt. Ja, het was —” „Ze hebben me te zwaar gestraft;” Mickey’s oogen flitsten, hij begon het schaamtegevoel van zooeven te verliezen — „ze hebben me te zwaar gestraft; ze wilden een voorbeeld stellen. Ik ben niet rechtvaardig behandeld.” „Waarom niet?” vroeg oom Billy, rustig maar vast; „je hebt tegen de wet gezondigd nietwaar ? Je wist wat je deed.” „Toch ben ik te zwaar gestraft,” hield Mickey aan, opgewonden; „wat een leven, wat een leven I” „Je had het verdiend,” viel de oude man in; „je was al eens voorwaardelijk veroordeeld, en toch deed je het weer. Ik hoop, — ik hoop van harte, — dat je nu je les geleerd hebt.” Mickey trachtte oom Billy aan te zien, maar zware rookwolken verborgen diens gezicht. „U vergeeft het me nog niet?” vroeg Mickey. „Vergeven!” De stem van den ouden man trilde. „Mickey, je weet, dat ik alles vergeven heb. Maar heb ik, oude man, niet altijd getracht, je goed op te voeden ? Maar — maar je hebt me geen eer gedaan. Je eindigde in de gevangenis.” „Toch hebben ze me te zwaar gestraft,” herhaalde Mickey zachter, maar nog hartstochtelijk. Oom Billy zei niets meer. Hij keek op zijn horloge ; half tien; zijn sluitingsuur. Automatisch ging hij naar buiten; haalde de tijdschriften, die daar hingen, binnen en sloot de deur. Mickey stond op, draaide het licht uit, en beiden gingen naar de kamer achter den winkel. Oom Billy had daar bijna zijn geheele leven gewoond. Tusschen hen beiden bestond genegenheid, maar zij was eenigszins zonderling, want beiden waren stille zwijgzame menschen. Zoo werd er verder niet veel meer door hen gesproken, toen zij op hun gewone plaats zaten. Het scheen Mickey toe, dat hij slechts eenige uren was weg geweest; alles was nog hetzelfde. Nadat oom Billy zijn tweede pijp gerookt had, wenschten zij elkander goeden nacht en gingen ieder naar zijn slaapkamer. En den volgenden morgen begon het gewone leven, dat de oude man en Mickey altijd samen geleid hadden. Als vroeger stond Billy vroeg op, maakte de winkel schoon en hing het rek met kranten en tijdschriften buiten, terwijl oom Billy het ontbijt klaar maakte. Voor Billy het beste ontbijt, dat hij in jaren gebruikt had. Beide mannen aten zwijgend. Om elf uur dien morgen kwam een bezoeker den winkel binnen, in den persoon van Marks, den vroegeren vriend van Mickey. Marks was een kleine ongunstig uitziende kerel, met sluwe schichtige oogen. Drie jaar geleden waren hij en Mickey op heeterdaad op diefstal betrapt; Mickey had drie jaar gekregen, Marks twee jaar. Toen Marks kwam binnenslenteren, een bengelende sigaret tusschen de lippen, zat oom Billy in de achterkamer. Er kwamen diepe plooien in zijn voorhoofd, terwijl hij naar het tooneeltje in den winkel keek. Zij gaven elkander geen hand, maar begonnen zacht met elkaar te praten, eerst in den winkel, toen op straat voor de deur. Eindelijk ging Marks weg en Mickey kwam weer binnen. Oom Billy ging in den winkel. „Wat wilde hij ?” vroeg hij op z’n gewonen kalmen toon. Mickey wachtte eenige seconden, vóór hij antwoordde: „Hij had gehoord, dat ik vrij was. daarom kwam hij mij bezoeken.” „Ik wensch hem hier niet meer te zien,” zei Billy scherp. Mickey Malone wierp een vluggen blik naar den ouden man. „Dan wenscht u mij ook niet meer te zien,” zei hij. „Neen,” oom Billy’s stem klonk steeds kalm. „Ik verlang jou, maar hem niet. Hij is de oorzaak van al je ellende.” „Nietwaar!” Mickey’s stem klonk opgewonden. „Hij is mijn vriend en we werden beiden te zwaar gestraft.” Oom Billy zweeg; hij zweeg den geheelen verderen morgen en middag, terwijl hij in gedachten zijn neef en aangenomen zoon bij zijn werk gadesloeg. Tegen den avond stopte hij nog eens zijn pijp, stak die aan en leunde met zijn ellebogen op de toonbank. „Michael,” zei hij eindelijk, den ander bij zijn vollen naam noemend om meer nadruk aan zijn woorden te geven; „ik wil je een voorstel doen. Ik ben alleen op de wereld en jij bent zoo goed als mijn zoon. Nu, wel — ik word oud jongen, — ik wil de zaak uit, en als jij je nu goed houdt, en ik ben overtuigd, dat je dat kunt — nu Mickey, dan wil ik alles aan jou geven; de winkel en alles. Wat zeg je nu, Mickey?” Oom Billy loosde een zucht van verlichting toen hij dit gezegd had en hij keek Mickey hoopvol aan. Maar Mickey’s gezicht keerde zich af. „De sigaren- en courantenbranche is niets voor mij,” antwoordde de jonge man, en het was merkbaar dat hij een vriendelijken klank in zijn stem poogde te leggen. „Ik ben niet van plan in dit gat te blijven. Maar ik heb nog niet genoeg gespaard en daarom wil ik graag nog een tijdje bij u blijven wonen.” Oom Billy keerde zich af en begon een kist open te maken. Hij zei niets. De dagen gingen over in weken; Mickey werkte hard in den winkel en tusschen hen beiden werden weinig woorden gewisseld. De oude man sloeg Mickey dikwijls gade wanneer deze zoo hard werkte. Maar hij was niet gelukkig. Oom Billy had niet veel meer te doen en in zijn leegen tijd deed hij niets dan denken. Hij wist dat Mickey iederen avond na sluitingstijd met Marks uitging. En in zijne kamer had hij een bos sleutels gevonden en een revolver. De oude man wist dat Marks bezig was zijn heilloozen invloed te laten gelden. Hij wist ook dat beiden ’s avonds door de deftige wijken der stad zwierven en dat de politie hen in ’t oog hield. — En na vier maanden gebeurde wat oom Billy had gevreesd. „Ik ga morgen weg,” zei de jonge man dien avond na het eten botweg. „Ik heb driehonderd dollar gespaard; genoeg om een tijdje van te leven. Hier kan ik toch niets beginnen, de politie houdt mij geregeld in het oog.” „Gaat Marks met je mee?” — „Ja.” „Verloren,” dacht de oude man, bitter; „hij is verloren.” Om twee uur lag oom Billy nog wakker. In de stilte van den nacht hoorde hij boven zich de voetstappen van Mickey; hard en spottend klonk het geluid hem in de ooren. Mickey was bezig zijn eigendommen in te pakken, Hij hoorde de la van het bureau uittrekken : hij wist het. daarin lag Mickey’s geld. Oom Billy zuchtte zwaar. Eindelijk hoorde hij het kraken van het bed, en het werd stil. Hij stond op en liep de gang in. Door de trapruimte klonk naar beneden het geluid van Mickey’s regelmatige ademhaling. Hij ging weer terug naar zijn kamer en zat op den rand van het bed, diep in gedachten. Een uur later liep de oude man. een 18
PDF
Nummer
1929, nr. 37, 14 sept. 1929
Blad
21
Tekst
PANORAMA No. 3 7 14 SEPTEMBER overjas omgeslagen en op pantoffels, gehaast de straat af. Op den hoek stond een politie-agent. „Er is bij me ingebroken,” vertelde hij, hijgende van de ongewone inspanning. „Er is bij me ingebroken; we zijn bestolen!” De agent ging mee terug naar het huis en telefoneerde, na aankomst daar, naar het bureau. In afwachting van de komst der detectives gingen de agent en oom Billy het geheele huis door. Het kasregister in den winkel bleek opengebroken en beroofd, verschillende artikelen lagen op den grond verspreid. Maar de groote verrassing wachtte in Mickey’s kamer. Er hing de lucht van chloroform; Mickey lag bewusteloos op bed en in de kamer heerschte de grootste wanorde. Inmiddels was de auto van het bureau gearriveerd en traden twee detectives binnen. Mickey werd in een stoel geplaatst en terwijl men doende was hem bij te brengen, vertelde oom Billy wat hij wist. „Ik werd wakker van gestommel in den winkel.” verklaarde hij, „het was of iemand struikelde. Ik stond dadelijk op en vloog naar voren; de winkeldeur stond open en ik zag niemand meer. Toen ik begreep dat de inbreker weg was, heb ik direct een agent gezocht.” Mickey was inmiddels tot bewustzijn gekomen; een uitgebreid onderzoek werd ingesteld. Oom Billy miste niet meer dan twintig dollars uit zijn kasregister, maar Mickey had een zwaarder verlies te rapporteeren. Al zijn geld was weg, driehonderd dollar. Er lag een vreemde, grimmige trek op zijn gezicht toen hij het vertelde. Den detectives bleek dat het slot van de winkeldeur was geforceerd; belangrijke aanwijzigingen vonden zij overigens niet. De rest van den nacht, nadat de politie vertrokken was, zaten oom Billy en Mickey op en bespraken den diefstal. Zij waren het er beiden over eens dat het om Mickey’s geld te doen was geweest; alles wees daarop. Iemand moest dus geweten hebben dat hij spaarde. Maar buiten oom Billy wist alleen Marks van het geld. Marks zou den diefstal dus bedreven hebben. Of zou Marks één of meer zijner vrienden van het geld hebben verteld en waren die de daders ? Mickey werd hoe langer hoe woedender, terwijl hij met oom Billy sprak. Vroeg in den morgen ging Mickey de deur uit; oom Billy wist dat hij Marks ging opzoeken. Tegen twaalf uur kwam hij weer in den winkel terug, — terneergeslagen. „Marks was het niet,” vertelde hij, „ik heb daar de duidelijkste bewijzen van. Marks is trouwens te laf om met chloroform te werken. Iemand van zijn kennissen, wien hij van het geld heeft verteld, moet mij bestolen hebben.” Plotseling kwam een uitdrukking van toorn op zijn gezicht. „Ik wou dat ik den kerel in mijn handen had, die mij van alles beroofd heeft.” „Waarom?” In Uncle Billy’s oogenkwam een zonderlinge uitdrukking. „Waarom?” herhaalde Mickey. „Heeft hij me niet alles ontnomen en heeft hij me niet zonder een cent gelaten?” „Wel, dat heb jij een ander ook aangedaan, is ’t niet?” Hij keek hem recht in SPAANSCHE DANS. de oogen. Mickey aarzelde, slikte, maar zei niets. „De heele zaak is slechts gedraaid.” zei oom Billy rustig. „Toen jij en Marks den ouden Searles hadden beroofd, was het geld verteerd vóór de politie jullie arresteerde. Als ik den ouden man het geld niet teruggegeven had, zou hij straatarm geweest zijn. Wees nu een kerel en klaag dus niet, nu je in dezelfde omstandigheden verkeert. Nu weet je zelf hoe men zich voelt wanneer men bestolen wordt. „M n geld; al mijn geld weg,” zeiMickey zacht, „ik heb niets — ” „Wees een kerel,” herhaalde oom Billy rustig. „Jij hebt nu, wat je een ander aangedaan hebt. Denk niet, dat ik medelijden met je heb.” Oom Billy ging door met zijn werk. „Ga je vandaag toch nog weg?” vroeg hij alleen nog, eenige minuten later. En Mickey zei dat hij thans nog wat moest blijven, want dat je zonder geld niets deed. Dien geheelen dag deden beiden hun gewone werk; Mickey was daarbij diep in gedachten. Toen zij hun middagmaal bijna beëindigd hadden, verbrak Mickey de stilte: „Oom Billy,” zei hij, „ik heb eens nagedacht over ons gesprek van vanmorgen. Ik geloof dat ik alles nu zie als u. En als uw aanbod van een tijdje geleden nog van kracht is, — dan zou ik dat willen aannemen en bij u blijven, Ziet u —” „Dat is afgesproken, jongen, zei oom Billy en hij stak hem de hand toe. Hij lachte vergenoegd. Den morgen van den dag daarop, was Mickey druk in den winkel bezig. Een pas ontvangen partij sigaren moest gesorteerd worden en dat was een nauwkeurige zorg vereischend werkje. Daarom vroeg Mickey zich niet af waarmee oom Billy bezig was, Als hij het geweten had, zou hij zeker zeer verbaasd zijn geweest. Steelsgewijs om zich heen ziend, was de oude man bezig in den tuin achter het huis een gat te graven. Hij begroef een pakje. Dat pakje bevatte een fleschje chloroform, Mickey’s revolver en zijn bos vreemde sleutels. Zorgvuldig verwijderde hij de laatste sporen, die zijn arbeid zouden kunnen verraden. Toen hij weer in zijn eigen kamer was. haalde hij uit zijn zak een rol bankpapier en deponeerde die in den trommel waar hij al zijn waardevolle papieren bewaarde. De oude man glimlachte en zei zacht tot zichzelf: „Als ik voel dat hij heelemaal genezen is, zal ik het hem teruggeven. Als ik weet dat hij stevig in zijn schoenen staat. En dan zullen we er samen nog eens om lachen — mijn jongen en ik.” 19
PDF
Nummer
1929, nr. 37, 14 sept. 1929
Blad
22
Tekst
P A N O R A M A N o. 3 7 14 S E P T E M B E R Sally, die zoo n geweldigen indruk maakte op onzen ongelukkigen cameraman. Natuurlijk krijgt hij haar. De cameraman wordt in de boeven~taxi geladen. B uster Keaton, de ..glimlachlooze” man. die wegens zijn nuchtere droogheid nog al vele bewonderaars en bewonderaarsters telt, is de twee kwartjes cameraman. waarvan ook ons dierbaar Nederland overstroomd is. Hij camaraa t echter in New-York, waar blijkbaar ook vrouwe Fortuna haar residentie heeft, want hoe menigvuldig zijn stommiteiten ook zijn toch krijgt hij tenslotte, door zijn geweldige prestaties, het meisje dat hij zich wenscht. Om den humor zal men deze film dan ook wel waardeeren. De cameraman leest de laatste nieuwsberichten. We/ro-Golduryrr-Mayer Picture. 20
PDF
Nummer
1929, nr. 37, 14 sept. 1929
Blad
23
Tekst
P A X ( ) R A M M e dunkt, dat kan ik veilig iedereen verzekeren. Er gebeuren wel meer wonderen en je geval is daar het bewijs van. Er is veel angst om je uitgestaan en ik zal wel moeten telefoneeren om je naastbestaanden gerust te stellen, maar wees niet bang. Alles zal prachtig geschikt worden „Het lijkt mij onmogelijk,’* hernam Gifford, „om te rusten eer ik iets vernomen heb van hetgeen gebeurd is, sedert mijn geheugen op de loop is gegaan. Ik kan de gedachte niet van mij afzetten, dat er heel wat moet gebeurd zijn, en geen goede dingen De dokter scheen een oogenblik na te denken, dan zei hij „Doe mij het genoegen naar boven te gaan en een uur te rusten kom dan beneden en wij zullen praten in de prettige logeerkamer met het frissche behangsel en de heldere meubels, kreeg Gifford weer de bekoring het horloge open te maken en naar dat lieve gezicht te kijken. Maar hij weerstond aan dat verlangen. Eer hij daaraan toegaf, moest hij weten, wie die vrouw was. Hij nam een koude douche en ging dan op het bed liggen Weldra viel hij in een verkwikkenden slaap, waaruit hij ontwaakte met hetzelfde heerlijke gevoel van kracht. Toen hij zich gekleed had. ging hij naar beneden en vond den dokter in zijn bibliotheek Zijn oogen, helder en als gevuld met een kalme wijsheid, bleven onderzoekend op Gifford rusten Deze glimlachte en zei ; „Het wonder werkt door, dokter. Ik zou willen dat u mij dat verklaarde. Misschien zou ik het zelf kunnen, als ik maar mij iets kon herinneren van hetgeen er gebeurd is.” Dokter Mc Intyre wenkte hem om plaats te nemen en deed hetzelfde. „Gifford, zei hij „doe nu eens je best je te herinneren, wanneer je het laatst je vader hebt gezien. „Ik weet het niet precies, dokter, maar me dunkt, dat het veertien dagen is geleden. Toen dreigde hij met het sanatorium. Ik begin te denken, dat ik hem later ontmoet heb, maar ik kan het mij niet herinneren. „Waarom denk je dat ? „Omdat ik dit horloge heb gevonden in mijn zak, het horloge dat hij altijd droeg. Ik moet met hem samen zijn geweest op de een of andere wijze en zijn horloge in den zak gestopt hebben, hoewel ik dat erg vreemd vind. Misschien heb ik zijn kleeren aangedaan ; wij waren van dezelfde grootte. Ik vond in den zak een portefeuille, die de zijne moet wezen. „Gifford, is het je niet in de gedachte gekomen, dat misschien dat verlies van je geheugen over een veel langere periode gaat ? Dat dit laatste ongeval de herinnering heeft uitgewischt van hetgeen daarvóór gebeurd is tot aan den tijd, dat je het ongeluk met je polo-ponny kreeg 7” „Ja. daar heb ik aan gedacht, zei Gifford langzaam „Maar hoe lang kan dat geweest zijn ?” Dokter Mc Intyre deed alsof hij die vraag nier verstond. „Die trap op je hoofd op het poloveld scheen je niet erg te hebben gehinderd. Je herstelde daar zeer snel van. maar eemge dagen later had je een ander ongeluk en ben je ongeveer zes weken erg ziek geweest. Je prachtig gestel heeft je erdoor geholpen en vanaf dien tijd was je leven geheel veranderd Je dronk niet meer, je slechte gewoonten liet je na, je begon te werken in een bank, waar een van je vaders vrienden deelgenoot was en ten laatste werd je zelf deelgenoot Gifford keek den dokter verwonderd aan „Hoe lang is dat geleden ?” vroeg hij. „Wacht even. Je gedrag werd zoo goed ais maar mogelijk is en je ijver en je bekwaamheid eveneens. Je vader was er zeer verheugd over en ook al je echte vrienden. Toen kwam het ongeluk met je vader en je hebt dat gedragen als een man. die je toen was KORTE INHOUD VAN HET VOORGAANDE. De held van het verhaal, Gifford Derring, ontwaakt uit een bezwijming in een kamer, die hij herkent als die van een ziekenhuis. Er komt een zeer aantrekkelijke vrouw bij hem, en die ondervraagt de ver pleegster naar 'zijn toestand. Gifford herinnert zich niet, haar ooit gezien te hebben. Zoodra hij zich sterk ge rioeg voelt ontvlucht hij het ziekenhuis want wijl hij niet erg solide leefde — o.a. met zuinig dronk — had zijn vader gedreigd, hem in een sanatorium te doen opnemen, en hieraan wou hij ontsnappen. Op reis vindt hij in zijn zak het horloge van zijn vader, het portret van de mooie vrouw die hij in het ziekenhuis zag en meer stukken waarvan hij niets begrijpt. Hij gaat naar dr, Mc Intyre en vraagt dien, zijn vader gerust te stellen omtrent zijn genezing. Gifford werd bleek. „Wat was dat voor n ongeluk ! „Zijn ruggestreng brak bij een val van zijn paard op de jacht Een week later stierf hij. Maar zijn dood was kalm en gelukkig, want hij wist, dat zijn zoon voor goed genezen was. Met een verbijsterd gezicht keek Gifford den dokter eei oogenblik aan, dan stond hij op. ging naar het venster, dat op zee uitzag en bleef daar eenige minuten staan. Dan zei dokter Mc Intyre zachtjes: „Gifford Hij keerde zich om. Zijn oogen glinsterden van tranen en zijn wangen waren nat, maar zijn stem beefde met. toen hij vroeg „Hoe lang is dat geleden, dokter 7 „Drie jaar, jongen. „Maar hoe lang ben ik dan m dien toestand geweest 7 „Wacht even Je moet je er goed indenken. Wat gebeurd is, is het volgende: je laatste ongeluk heeft alles uit je geheugei gewischt sinds je val bij het polospel „En hoe lang is dat geleden 7' „Dat...” zei dokter Mc Intyre langzaam, „is zeven jaar geleden Het verwonderlijke hiervan scheen op Gifford s geest niet zoo te reageeren, als de dokter meende te kunnen voorzien. Of mis schien dacht hij er niet aan. dat er een grens is aan de capaciteit van een mensch om een mededeeling, zoo verpletterend als deze, te verwerken Gifford, krachtig, gezond en normaal, behalve dan die afge sloten bronnen van geheugen, was niet in staat om dadelijk de volle beteekenis te beseffen van hetgeen hem verteld werd. Maar eer hij een poging in die richting kon doen, beproefde Mc Intyre een ander middel „Gifford, herinner je je een meisje Drusil Sturgis7 Hij dacht een oogenblik na. maar tevergeefs. Die naam was hem totaal onbekend „Neen dokter . . waarom? „Omdat, beste jongen, dat meisje de directe oorzaak was. dat jij je leven beterde. Je ontmoette haar tijdens je herstel, na de ziekte, waarover ik zooeven sprak. Je werd verliefd op haai en zij op jou ... en sedert heeft zij je vol toewijding bemind Het bloed steeg naar zijn gelaat. Opeens dacht hij aan de vrouw in het gasthuis. Hij dacht aan het portret in het horloge En ten laatste aan den liefdesbrief in zijn portefeuille „Wat is zij?” vroeg hij met bevende stem „wat is zij ten opzichte van mij7’ „Gifford, zij is je vrouw . de moeder van je twee kinderen, vijf en vier jaar oud HOOFDSTUK 3 Gifford stond een oogenblik stijf, versteend. Zijn gezicht was vuurrood en zijn grijze oogen strak en schitterend. Het was het gebrek aan iets zachts in dien blik, welke den dokter deed inzien, dat alweer zijn poging mislukt was. Hij zag. dat Gifford de mededeeling had aangenomen, dat hij de waarheid daarvan aannam, maar hij vertoonde met het minste teeken, dat hij zich iets herinnerde van hetgeen hem gezegd was Hij wankelde naar een fauteuil, liet zich daarin vallen; dan staarde hij dokter Mc Intyre aan met een uitdrukking van grenzelooze ver slagenheid. De kundige geneesheer begon moedeloos te worden. Hij begreep nog met wat in Gifford s gemoed werkte en dat de reactie na zulk een schokkend nieuws een vorm van uiting kon aannemen, die gelijk was aan een andere sensatie een gevaar een verdriet, een catastrophe Opeens barstte Gifford uit, minder tot den dokter, dan tot zichzelf . „Dus zij is mijn vrouw 1 Al die jaren is zij de mijne geweest en ik ken haar niet eens” 21
PDF
Nummer
1929, nr. 37, 14 sept. 1929
Blad
24
Tekst
P A N O R A M A No, 3 7 14 SEPTEMBER Hoe Paul Whitemann, de beroemde Hij Jazz-koning, golf speelt! verborg zijn gelaat in zijn handen; alleen zijn diepe, zware ademhaling was te hooren. Dokter Mc Intyre staarde hem aan, zonder te begrijpen. In het eerste gedeelte van Gifford’s uitroep was een soort van wilde verrukking geweest, maar zij eindigde in een toon van wanhoop, een snik. De geneesheer, die niets wist van Gifford’s hart, van zijn liefde op het eerste gezicht voor de vrouw in zijn kamer, van den liefdesbrief in de portefeuille, die van haar moest zijn, van het portret in het horloge, kon geen verklaring vinden voor dat vreemde gedrag. Het leek hem waanzin. Maar de jonge man gaf hem weldra uitleg. Hij sprong op uit zijn stoel, haalde het horloge uit zijn zak, opende het achterste deksel en hield het zijn gastheer voor oogen. „Dat is zij!” riep hij opgewonden uit. „Dat is het meisje,. .. de vrouw, die in mijn kamer kwam, toen ik in het gasthuis lag. Ik hield mij slapende. Zoo hoopte ik iets te vernemen over hetgeen er met mij gebeurd was. Zij zat bij het venster en ik bekeek haar tersluiks. En... . ik beminde haar op hetzelfde oogenblik. Toen vond ik haar portret in mijn vaders horloge. Ik dacht .... ik dacht . . .” Hij keek woest den dokter aan. „Och, wat kon ik ook anders denken! Ik probeerde haar uit mijn gedachten te bannen. En nu zegt u mij, dat zij mijn vrouw is......... dat wij kinderen hebben .... en ik ken haar niet eens! Dokter, wat moet ik toch doen?” „Komaan, Gifford,” zei de dokter kalm, „neem het niet zoo zwaar op. Ga zitten, bedaar en luister naar mij.” Die rustige woorden hadden succes. Gifford ging zitten. Dokter Mc Intyre leunde voorover in zijn stoel en zei ernstig en ongeveer op den toon van een zakenman, die een voorstel helder en zonder onnoodigen nadruk doet: „Ziehier, wat je te doen staat. Je moet een groote droefheid en een groot geluk opnieuw beleven. De dood van je vader is een vreeselijke schok en je hebt dien dapper doorstaan. Het moet je troosten, dat je vader stierf met de wetenschap, dat zijn zoon een erfdeel had in bezit genomen, een erfdeel van mannelijke waarde en degelijkheid. Je vader stierf gelukkig, wetende, dat jij gelukkig en een flink man geworden was. Wat je vrouw betreft, zij bemint je. Op dit oogenblik is zij misschien wel de gelukkigste vrouw ter wereld. Ik sprak met haar door de telefoon en vertelde haar, dat je hier bent, lichamelijk volkomen gezond, dat je geest nog eenigszins verduisterd was wat betreft de laatste gebeurtenissen, maar dat ik geloofde, dat die gedeeltelijke zwakte van geheugen wel voorbij zou gaan. .Denkt u dat?” onderbrak hem de jonge man. „En wanneer?” „Dat kan ik niet zeggen. Het was mijn plan je eenige dagen hier in observatie te houden. Maar na hetgeen je mij verteld hebt, dat je op het eerste gezicht op je vrouw verliefd bent geraakt, en dat je, behalve dan die geheugenzwakte, absoluut gezond van geest bent, zie ik geen reden om jelui gescheiden te houden. Wat zouden wij daarmede winnen? Zij bemint je en verlangt naar je en je hebt haar lief. Waarom dan gescheiden te blijven?” „Maar hoe kan ik als haar echtgenoot tot haar gaan, als zij mij absoluut vreemd is? Ik zal haar dat moeten zeggen.” „Als je dat doet,” antwoordde dokter Mc Intyre langzaam, „zul je haar hart breken.” „Maar wat kan ik anders doen ? Moet ik naar haar gaan en de rol van een teerbeminnenden echtgenoot spelen, als ik, voor hetgeen mij betreft, volslagen onbekend met haar ben?” „Maar zij is volslagen bekend met jou,” antwoordde de dokter kalm, „en zij is erop voorbereid, dat je geheugen je op sommige punten in den steek laat. Als je haar zou gaan zeggen, dat je geen enkel voorval je kunt herinneren van hetgeen gebeurd is sedert je ongeluk op het poloveld, zelfs dat je haar ooit ontmoet hebt, zou het zijn alsof je haar beroofde van alles, wat haar het dierbaarst is. Het zou voor haar beteekenen het verlies van haar echtgenoot en alleen maar het holle omhulsel van een vreemden man, die in zijn plaats zou komen.” „Maar is dat niet juist het geval, dokter?” Deze schudde het hoofd: „Niet als je verliefd op haar bent, zooals je mij gezegd hebt. Ik zou zeggen, dat iets diep in je geheugen aan het worstelen is om tot uitdrukking te komen. In ieder geval zullen wij aannemen, dat het zoo is. Later, als je dat wilt, kun je het haar bij gedeelten zeggen.” „Maar dat zou niet zoo billijk tegenover haar zijn,” protesteerde Gifford. „Het zou niet zoo zedelijk goed wezen. Denk toch eens na, dokter! Ik kon haar nauwelijks even beschouwen, terwijl ik in mijn kamer in het ziekenhuis lag, toen ik pas tot bewustzijn was gekomen. Ik ken haar persoonlijkheid niet, haar karakter, haar gedachten, haar denkbeelden, haar gevoelens. ... Ik heb niet het minste idee van haar, lichamelijk of geestelijk. En nu raadt u mij aan tot haar in de meest intieme relatie te komen, die bestaan kan tusschen man en vrouw.. .. haar echtgenoot en de vader van haar kinderen te zijn, sterk en krachtig teruggekeerd van het duistere 22
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11631 tot 11635 van 11897