|
PANORAMA No. 3 7 14 SEPTEMBER
oom
H
et was een ietwat gedwongen gesprek
geweest, maar er kwam leven in, toen,
door een dier zonderlinge wendingen die
gesprekken zoo nemen kunnen, de vraag
rees, wie méér tegenwoordigheid van geest
bezit: de man of de vrouw.
„Dat is een vraag, die geen beantwoording
meer behoeft," zei dr. Tegel, de wiskundige,
en keek zijn kleine, altijd wat schuchtere
echtgenoote aan, een bevestiging verwachtend. Zij knikte dan ook minzaam,
hoewel zonder veel overtuiging.
„Als u bedoelt, dat de vrouwen het over
’t algemeen winnen, dan geef ik u gelijk,"
zei de grijze dame met den beroemden tooneelnaam. En zij verhaalde zooveel uit de
practijk van haar beroep, dat de heeren
moeite hadden gelijkwaardige voorbeelden
van mannelijke zijde aan te dragen.
„Ééns wordt men het zoo nooit," sprak
de advocaat Strobel, die beroemd was door
de handigheid, waarmee hij vaak een minnelijke schikking wist tot stand te brengen.
„Ik stel voor eens de proef op de som te
nemen. Dr. Tegel, u vertegenwoordigt het
mannelijk geslacht — en.... wel, uw vrouw
kan uw tegenstandster in den wedstrijd
zijn. Goed? Nu — dan schrijf ik. . . . niet
kijken alstublief!.... op deze twee blaadjes
uit mijn notitie-boekje een zin en — op beide
denzelfden, zeer eenvoudigen zin. Dien zult
u, op commando, beiden tegelijk lezen, en
dan moet ieder zoo vlug mogelijk er bij
schrijven, wat hem het beste toeschijnt.
Dan weten we, wie het vlugst en het best
zijn weg kiest."
De advocaat liet de blaadjes zien aan
degenen, die niet meekampten. Met welbehagen las men de klassieke uiting:
2X2=....
„Zoo, daar liggen ze omgekeerd op tafel.
U hebt het potlood klaar, mevrouw? U
ook, doctor? Mooi daar gaan we. . . . één.
twee, drie...."
Mevrouw Tegel las en begon direct te
schrijven. Daar stond het al: 4. Haar
echtgenoot draaide peinzend ’t briefje
om en om, tot algemeen gelach
hem wekte. Hij kreeg een kleur.
„Maar, dat is toch onzin!" riep
hij uit. „Ik weet natuurlijk heel
goed, dat tweemaal twee vier
is; ik dacht natuurlijk dat er
iets bijzonders achter moest
schuilen. Als we met zulke
flauwiteiten gaan beginnen..
De majoor, die niet bij de
artillerie diende en dus weinig
respect voor wiskunde had,
lachte om de ergernis van
dr. Tegel. „Je bent verslagen
vriend. Je geest is niet aanstonds actief geweest."
„Ja, als je het zóó wilt
opvatten . . . ." Hij haalde de
schouders op. Hij werd een
ZOMERSCHE RUST.
door P. ROBINSON
☆
beetje boos en daardoor onhoffelijk. „Dan
verliezen de helderste koppen het altijd.
Een verstand, dat niet vér gaat, is natuurlijk
gauw aan zijn eindpunt."
„Was uw verstand dan zoo ontzettend
verweg?"vroeg de tooneelspeelster. „Bovendien — een geest kan ook vleugels hebben... "
De advocaat haalde nog twee blaadjes
te voorschijn. „Nog eens probeeren? Nu
b.v. de snelheid van gedachten-verbinding :
een heel eenvoudige natuurlijk, die bij
iedereen even vlot werken moet."
De majoor was bereid. „Goed, ik wil
’t probeeren; maar ik vermoed al, dat mijn
vrouw daar vlugger mee zal zijn."
De advocaat verklaarde nader: „Ik schrijf
op ieder briefje een woord — hetzelfde
natuurlijk. Zoo snel mogelijk zal dan elk van
beiden een woord daaronder schrijven —
het éérste woord, dat hem te binnen schiet,
Klaar? Alstublief, — één, twee, drie."
De majoor en zijn vrouw lezen tegelijk
en begonnen tegelijk te schrijven, maar de
dame was veel vroeger klaar: haar man
had wel driemaal zooveel tijd noodig.
De advocaat nam de briefjes in ontvangst.
„Ik had het woord zomer geschreven,
mevrouw heeft er onder gezet: zon; een
heel goede associatie." Nu verzette zich
de majoor. „Dit bewijst niets," zei hij. „Ik
ben op hetzelfde oogenblik begonnen te
schrijven, maar ik had een veel langer
woord, dus kon ik onmogelijk even vlug
klaar zijn."
Ja. hij had gelijk, want hij had onder
het woord zomer geschreven: manoeuvre,
en met algemeene stemmen werd de proef
ongeldig verklaard. Wellicht zou men opnieuw begonnen zijn, als er niet een ongeval
tusschenbeide was gekomen
De onhandige dr. Tegel was opgestaan,
om het briefje van den majoor beter te
kunnen zien; nu deed hij een stap achteruit
en trad daarbij zeer massief op den voet
van den advocaat. Deze kromde zich voorover van pijn, stiet daarbij nogal krachtig
tegen de tafel, — en het was gebeurd.
Op de tafel stond namelijk een karaf, een
hooge karaf, met een bloedroode, kleverige
drank-lekkernij. Die sloeg om, en een dikke
straal van het donkere sap schoot vooruit,
recht op mevrouw Tegel toe. Zooals het
konijntje uit de fabel naar de slang, zoo
staarde zij machteloos naar de dartele flesch.
Erger nog: zij ging zitten, viel bijna neer
op haar stoel. Was zij maar een stapje
achteruit gegaan, er was niets gebeurd;
nu echter kwam de impertinent gekleurde
vloeistof op haar japon terecht, en breidde
zich daar aanstonds uit tot een reusachtige vlek. „O, wat ben ik ook dom!"
zuchtte ze
Dr. Tegel triumfeerde. „Ziet u, daar
hebben we nu vrouwelijke tegenwoordigheid van geest! Hier is het bewijs! Nu
hoef ik geen woord meer te zeggen!" Hij
was gelukkig, zóó gelukkig, dat hij toegevend, ja vergenoegd knikte, toen zijn
eega bedroefd verklaarde: „Dat zal een
nieuwe japon kosten. Hier is zelfs in de
wasscherij niets aan te verhelpen." Het
was trouwens des dokters eigen schuld!
Wegens den noodtoestand der japon brak
het echtpaar wat vroeger op. Nauwelijks
waren ze deur uit of de tooneelspeelster
wendde zich tot de andere leden van het
gezelschap. „Ik heb dus gelijk. Hebt u de
tegenwoordigheid van geest van mevrouw
Tegel opgemerkt?"
De majoor begreep er niets van. „Tegenwoordigheid van geest ? Maar ze heeft
toch juist. . ."
„Precies, — juist op het geschikte moment heeft ze de gelegenheid aangegrepen,
eindelijk die oude japon kwijt te raken "
15
|