Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11601 tot 11605 van 11897
Nummer
1929, nr. 36, 7 sept. 1929
Blad
16
Tekst
P A N O R A M A N o. 3 6 7 SEPTEMBER De ontwikkeling der automobiel getypeerd door drie wagens der N. A. G,-fabrieken: de uitgave van 1898 naast die van 1929 en een ultra-moderne passagiers-omnibus. ^De Auto IS DE GROOTSTE VERSPREIDER DER BESCHAVING EN DE GROOTSTE SCHEPPER VAN RIJKDOMMEN TER WERELD DOOR JAMES D. MOONEY (PRESIDENT VAN DE GENERAL MOTOR EXPORT COMPANY) ☆ M en kan zeggen, dat wij op het oogenblik nog slechts aan den ingang van de eeuw van het verkeer staan, en toch hebben de veranderingen, die haar intrede heeft te weeg gebracht, reeds hare onmiskenbare en onvermijdelijke uitwerking gehad tot zelfs op den laagststaanden aardbewoner. De openbare verkeersmiddelen gaven den eersten stoot aan de physische zijde van het verkeer — de gewone diligence nu omgegroeid in spoorweg en stoomschip. Groote massa’s menschen en goederen konden nu gemakkeiijk van plaats tot plaats worden gebracht. Nieuwe bronnen van economische welvaart ontsprongen uit de versnelde mogelijkheid om te produceeren, te ruilen, en te verbruiken in grootere hoeveelheid. Massa-productie en massa-consumptie ontstonden alleen door de ontwikkeling van het massa-verkeer, en dit laatste blijft ook heden de beslissende factor bij allen groei van de economische toestanden. Daarmede evenwijdig loopt de andere factor, n.1. verbetering in het uitwisselen van gedachten, want zonder telegraaf, telefoon en radio zou het onmogelijk zijn, de ingewikkelde organisaties, welke alleen de commercieele operaties op zoon groote schaal mogelijk maken, op te bouwen en in stand te houden. Maar, wanneer de openbare verkeersmiddelen in staat zijn geweest om de maatschappelijke activiteit te vermeerderen en zoo krachtig hebben ingegrepen tot verbetering van het lot van het individu, wat moeten wij dan zeggen van de nieuwe phase van ontwikkeling, die nu practisch tot rijpheid is gekomen, en die de vrijheid van beweging niet alleen brengt aan groote gemeenschapsgroepen, maar ten dienste stelt van de werkelijke maatschappelijke grondeenheid — de familie. Natuurlijk zal de noodzakelijkheid van massa-verkeer steeds blijven bestaan, maar het is ook een feit, dat de daarmee gepaard gaande voordeelen tegenwoordig op geweldige wijze worden vermeerderd, en in de toekomst in steeds grooter mate zullen worden vermeerderd door een uitgebreid gebruik van den personen-auto. Ik zie niet in. dat ik overdrijf, als ik beweer, dat de auto de grootste schepper van rijkdom is, dien de wereld ooit gezien heeft. Gevolgd op de uitbreiding van de openbare verkeersmiddelen, en deze aanvullend en vervangend, heeft het gebruik van individueel auto-verkeer een weergaloos tijdperk ingeluid van welvaart voor de geheele wereld, een tijdperk, waarin het werkelijk arbeidsloon grooter is dan het ooit is geweest. Het is geen bloot toeval, dat de nationale levensstandaard hooger is in directen samenhang met het gebruik van den auto. Wij zien de resultaten die bereikt zijn, door de toeneming van het autoverkeer in de Vereenigde Staten, en wij beginnen reeds dezelfde resultaten te zien in andere landen, waar men het groote belang van het autoverkeer gaat begrijpen. In vele landen is deze beweging nog slechts in haar beginstadium, want de kosten zijn ontzettend hoog, en de openbare verkeersmiddelen zullen nog vele jaren de hoofdzaak moeten blijven; maar het getij heeft onherroepelijk ingezet, en de eindoverwinning is aan den auto. Wij behoeven niet ver te zoeken om de voordeden te vinden, die de eeuw van het H
PDF
Nummer
1929, nr. 36, 7 sept. 1929
Blad
17
Tekst
GROOT EN KLEIN Zien we op de foto hiernaast den groei van klein naar groot, uit deze foto blijkt dat ook de klein'■industrie bevorderd wordt door den aanmaak van baby-auto’s. P A N O R A M A No. 3* 7 S E P T E M B E R verkeer ons heeft gebracht. Als wij den auto als type nemen — ofschoon deze invloedrijker is dan de andere factoren, daar zijn gebruik algemeener is — bevinden wij, dat de eerste en beste directe baten genoten worden door de duizenden en duizenden menschen, die werken om dezen te produceeren. Achter deze menschen staat een eindelooze rij van anderen, die er economische welvaart door bereiken — de mijnwerker, die het ijzer te voorschijn haalt uit de bergei bij Lake Superior, de planwoningen een ruw soort hutten zijn, kunt kunt gij den bedrijfsauto bij dozijnen vinden om de copra en de aardnoten naar de havens te brengen. Daartusschen in ziet men ook een verrassend aantal personenauto’s volgepropt met zwarte inboorlingen. Op den rand van den poolcirkel, in Reykjavik, de hoofdstad van Ijsland, hobbelen de taxi's over de straatkeien. In de nauwe straten van Cairo of Bagdad, en andere Oostersche steden, krioelt het van dezelfde merken auto’s, vrachtauto’s en bussen als zich bewegen op de boulevards van Denver, Boston of Los Angelos. Bij een „gevaarlijken kruisweg” in de stad Savu, op de Fidji-eilanden draait een half-naakte verkeersagent met een woesten haardos met regelmatige tusschenpoozen van drie minuten plechtig zijn stop-signalen van den morgen tot den avond. Over de geheele wereld zijn de menschen bezig te leeren auto-rijden, en hard te rijden. Dit snelheidstempo brengt een heele massa ecenomische voordeelen met zich mee, en een aansporing tot ’n hoogeren levensstandaard, die zelfs onvermijdelijk die mannen en vrouwen bereikt, bij wie de mogelijkheid om een eigen auto te bezitten nog in het verre verschiet ligt. Zoo zou ik tot in het oneindige door kunnen gaan met het opsommen der veranderingen en verbeteringen, tot stand gebracht over de geheele wereld door het aanbreken van de eeuw van het verkeer in het algemeen, en van den auto in het bijzonder. Maar al deze materieële voordeelen vallen in het niet bij de grootere wonderen, die de auto heeft gewrocht, door gezondheid en een beter begrijpen van de wereld om hen heen te brengen aan de ontelbare millioenen, die auto-rijden. tage-arbeider in Java, die rubber tapt uit de boomen, de houthakker in Canada, de kurksnijder op Spanje, de menschen die graphiet produceeren, en asbest, tantaluim, barium, tungsten, zijde, katoen en de vele andere producten van alle landen, die noodig zijn voor het maken van een auto. Schippers en sleepers, dokwerkers en stuwadoors hebben er direct nut van als deze grondstoffen naar fabrieken worden gebracht, en als het afgewerkte fabrikaat er uit wordt gebracht. En naar de andere richting strekt zich een andere oneindige reeks uit, welke omvat de menschen, die de auto’s verkoopen, en de menschen, die de auto’s besturen, en de menschen, die petroleum verkoopen — daarachter staan weder de arbeiders in de petroleum-velden, en de benzine-distilleerderijen, en de tankhouders — zij allen zwoegen en scheppen nieuwen rijkdom en verhoogen de meerdere uitwisseling van alle soort goederen in iederen tak van industrie, welke in de menschelijke behoeften en verlangens voorziet. Een geweldige economische kracht inderdaad — maar deze wordt nog vermeerderd door minder in het oog vallende, maar even krachtige factoren, van den Er is kent de eeuw van het verkeer. Er is geen volk, veraf of dichtbij, wiens leven niet verruimd of verlicht is door de uitvinding van den auto. In de tropische vlakten van de Westkust van Afrika, waar de spoorweg, telefoon en telegraaf onbekend zijn; waar de eenige die samenhangen met het gebruik auto. geen land zoo afgelegen, of het veelvuldige zegeningen van de i ff ju*. \ tl*1 Nóg een bevorderaar van de welvaart! Een in duigen gevallen wagen. die reparatie behoeft! 15
PDF
Nummer
1929, nr. 36, 7 sept. 1929
Blad
18
Tekst
PANORAMA No. 3 6 7 SEP T E M B E R Een moderne hoed met breeden rand. Rosé Marshall Wat een hoed kan doen om iemands kijk op het leven te veranderen H oeden. Dat is werkelijk een opwindend en belangrijk onderwerp. Voor vele vrouwen interessanter dan een spannende roman of de nieuwste opera. Want een hoed is veel meer dan een gewoon hoofddeksel, ofschoon sommige vrouwen er wel naar uitzien, dat zij een hoed kochten en droegen alleen maar om geen koude te vatten. Goed uitgekozen en goed gedragen is de hoed een dokter, een schoonheids-specialiteit, een psychiater en het meest versterkende geneesmiddel, alles tegelijk. Er zijn weinig vrouwen, die hoe vermoeid ook, niet opleven bij het gezicht van een aardig hoedje —* weinige zijn er zoo treurig en ontmoedigd, dat zij niet nieuwe levenskracht opdoen, zoodra een snoezig stukje hoofddeksel op haar hoofd wordt gezet. Wij hebben zooveel gezien en gehoord van de ellende, ongezondheid en vertrokken gezichten, veroorzaakt door ongemakkelijke en slecht passende schoenen, dat wij bijna vergeten, dat een slecht staande hoed veel ontmoedigender is voor haar, die hem draagt, dan een paar schoenen, dat iemand drukt, waar het niet behoort. Wanneer de schoenen er keurig uitzien, is hun eigenares al ras geneigd te vergeten, dat zij haar een beetje pijn doen, maar een hoed, die u niet staat, is u een ergernis, zoodra gij maar even in den spiegel kijkt, die er bij duizenden op uw weg te vinden zijn: in de vestibule van een huis waar gij een visite maakt, in het restaurant vlak tegenover uw stoel en in de oogen van uw beste vriendin, die u begroet met een vriendelijk: „Lieve kind, wat heb jij uitgevoerd, je ziet er uit als een spook.” Er zijn weinig kleedingstukken, die er zooveel toe bijdragen om iemands uiterlijk te veranderen als een hoed. Meer dan eenig ander stuk van uw toilet kan deze de gebreken verbergen, en de goede trekken van uw gezicht naar voren brengen en onderstrepen. De vrouw met een afstaande kin bijvoorbeeld, kan haar hoed zoo uitkiezen, dat dit gebrek niet opgemerkt wordt, wanneer zij hem opzet. Te breede gezichten worden smal, en die te smal zijn, worden vol en zachter van lijn, wanneer men een passenden en goed staanden hoed draagt. Hebt gij oogen van een onbepaalde nuance, die noch blauw, noch groen zijn ? Koop dan een hoed van een kleurschakeering passende bij een van deze kleuren en merk op, hoe deze zelfde kleur terstond in uwe oogen weerspiegeld wordt, zoodat zij of blauw of groen worden in overeenstemming met de kleur van uw hoed. Is uw haar een van uw voornaamste schoonheden ? Zoek dan een hoed uit, die in kleur sterk erbij afsteekt, of een die juist dezelfde nuance heeft als uw lokken en gij Hoedenmode uit het begin dezer eeuw en 25 jaar later. 16
PDF
Nummer
1929, nr. 36, 7 sept. 1929
Blad
19
Tekst
De hoed die tn den herfst van 1927 in de mode kwam. zult tevreden zijn over het resultaat. Wanneer gij mooi haar hebt, laat het dan steeds een weinig onder den hoed uitkomen. Zelfs in dezen tijd, nu de best gekieede vrouwen in het geheel geen haar hebben — dat wil zeggen, geen haar, dat onder den rand van haar hoed uitkomt — is het mogelijk hoeden te vinden, die het haar laten zien. Weinigen van ons zijn mooi genoeg om een gelegenheid te verwaarloozen, die iets moois van ons doet uitkomen. Is uw gezicht goed rond en zonder rimpels? Dan moet gij dat o zoo sierlijke kleine ..vod van een hoedje” nemen, dat de harteliefde uitmaakt van een der meest beroemde hoedenmaaksters in Parijs. Kleine calotjes van tricot, kleine tulbanden, en de zeer nauw aanpassende klokjes van stroo of vilt zijn zoo bekoorlijk mogelijk, indien het gezicht erbij past. Is uw gezicht zeer smal ? Kies dan een hoed met rand, vlak boven het gezicht, die eenigszins breed uitloopt aan de kanten. Dan zult gij iets gekocht hebben, dat sierlijk is en u goed staat. Grootere hoeden zijn altijd goed in den zomer. Hoeden met randen passen bij oogen, die er een beetje vermoeid uitzien en bij gezichten, die rimpels hebben. Vrouwen, die vinden dat een hoed, welke overal nauw aanpast, een beetje vermoeiend is, geven somtijds de voorkeur aan een model, dat van voren nauw aan het voorhoofd past, maar ter zijde over de ooren valt. Niets doet u spoediger voldaan zijn met dit leven, of brengt u in betere stemming bij iedere gelegenheid dan een hoed, die u goed staat. Een eenigermate lichtvaardige hoed past voor een intiem dinertje in een zacht verlicht restaurant, misschien nog met een dunnen zwarten sluier om een geheimzinnig aanzien te geven aan schitterende oogen, of een in het oog loopende gesp op de juiste plaats aan den rand of op den top van den hoed. Wie weet hoeveel gelukkige huwelijken ontstaan zijn door den juisten hoed op het juiste oogenblik te dragen. Hoe verschillend van het laatst genoemde model hoeden is P A N O R A M A N o. 3 6 S E P TEMEER die, welke men uitzoekt om een oude, ongetrouwde tante te gaan bezoeken. Deze is ook chique, heel chique zelfs, maar hij moet aan haar, die hem op heeft, een zweem van bedeesde terughouding geven, zoodat gezegde tante overtuigd raakt, dat nog niet de geheele jonge generatie rechtstreeks haar ondergang tegemoet gaat. Dat althans haar nicht het model is van een volmaakte dame uit den stemmigen tijd van omstreeks 1890. Wanneer gij een passenden hoed draagt, die u goed staat, kunt gij u met gemak en beslistheid redden in allerlei omstandigheden, die moeilijk zouden worden, wanneer men met een slecht staand hoofddeksel gekleed was. De namiddag-hoed, die twee jaar geleden werd gedragen. 17
PDF
Nummer
1929, nr. 36, 7 sept. 1929
Blad
20
Tekst
P A N O R A M A N o. 3 6 U en uw vriend zijn leden van het Koninklijk Luchtvaartcorps, nietwaar?" vroeg de officier van Justitie. „Ja, mijnheer." „U en uwe officieren kunnen toch zeker zwemmen, veronderstel ik ?" „Ja, mijnheer." „LI kent kapitein Forster?" „Ja, mijnheer. Hij is onze commandeerende officier. Margaret Kingsmill, die onbeweeglijk zat toe te luisteren, kreeg een gevoel of de wereld om haar heen draaide. Haar lippen werden droog. Het scheen, dat haar hart wilde ophouden met kloppen. „Hij kon zwemmen! Hij kon zwemmen! Hij kon zwemmen!" Het was. of die afschuwelijke mededeeling eindeloos herhaald in haar ooren dreunde: .Hij kon zwemmen! En toch had hij niet getracht de vrouw te redden, die zij hem smeekte te hulp te gaan!" Haar ziel kwam in opstand. En door de tragiek van het voorval drong zich nog een andere gedachte naar voren, duidelijk en onweerstaanbaar: „Hij stond juist op ’t punt om zijn liefde te verklaren! Hij wilde mij juist kussen!" Haar gezicht werd vuurrood. Toen zij het benauwde gerechtshof uitliep, duizelde het voor haar oogen. Zwijgend ging zij naast haar vader in den wagen zitten, terwijl majoor Jaynes, die ’t geding als een belangstellend toehoorder gevolgd had, zorgvuldig de plaid om haar heen sloeg en het portier sloot. Vanaf dien dag werd kapitein Forster, als hij zich onder zijns gelijken bewoog, door de schaduw van zijn houding gevolgd; hij, kapitein John Forster, van Zijner Majesteit’s Koninklijk Luchtvaartcorps, officier en gentleman, had een gelegenheid voorbij laten gaan, om 'n menschenleven te redden en te toonen, dat hij in zijn hart geen lafaard was. II. Een ballon-picnic was de voornaamste attractie van de week-end bijeenkomst op Chalwyn, waar de Kingmills ongeveer tien maanden na die ongelukkige affaire in Hatergay door de oude Lady Hawkley uitgenoodigd waren. Een half dozijn kleine gezelschappen, ieder met hun eigen ballon, zou zich op Chalwyn verzamelen en op Zaterdagmiddag naar Claythorpe Court vertrekken, dat op 20 mijlen afstand gelegen was. Margaret Kingmill was er aan gewend, om in dit tijdverdrijf een kalm genoegen te scheppen. Haar moeder, die een stille, kalme vrouw was, met dezelfde rustige grijze oogen als haar dochter, zou zich evenmin tegen den militairen dienst verzet hebben, als zij er aan dacht, zich ongunstig over ballonvaarten uit te laten. Het was het stokpaardje en grootste genoegen van baar heer en meester. Daarom had zij met genoegen de uit7 S E P T E M B E R noodiging van Lady Hawkley aangenomen. Zij voelde zich bovendien nog opgewekter, omdat zij wist, dat de zoon van Lady Hawkley, Jimmie Culls, zich zeer voor Margaret interesseerde. Toen kapitein Forster, met zijn legervliegtuig door de grauwe lucht vliegend, een open veld zag met zes amberkleurige ballons, die aan hun touwen rukten, begreep hij, dat dit veld een zeer geschikte plaats zou zijn om te landen en dat hij daar op een hoffelijke manier zou worden welkom geheeten. Toen hij de situatie nog eens bekeek, bemerkte hij op eenigen afstand in ’t park, dat aan het veld grensde, 'n prachtig huis, terwijl hij dicht daarbij een twee-persoons eendekker zag. Hier was het wel een ideale plek voor een zwervend vlieger om te landen en, hij had daarom nauwelijks de zes ballons ontdekt, of hij gleed zoo gracieus, als hem dat in den ongelijken wind mogelijk was, naar beneden. „Hallo!" Forster keerde weer tot de werkelijkheid terug en wendde zich snel om. Het bleek hem, dat de menschen, die hij op een afstand gezien had, nu natuurlijkerwijze de ballons verlieten en eens kwamen kijken, waaraan zij dit onverwachte bezoek uit de lucht te danken hadden. Geen half dozijn personen bleef bij de ballons. Drie hiervan waren helpers, knechts van het landgoed, die er bij stonden, de touwen en de zandzakken in orde hielden, en zich gereed hielden, om een ballon los te maken van de talrijke touwen, waaraan zij verankerd waren. Toen Forster’s vliegtuig neerstreek, kreeg Margaret Kingsmill een prop in haar keel. Jaynes zat tegenover haar in de mand van een der ballons. Zij hadden beiden naar buiten gekeken, toen de eerste kreet hun de tegenwoordigheid van den aviateur aankondigde en waren weer gaan zitten, terwijl de anderen wegliepen om hem te begroeten. Een kreet van ontsteltenis van de gasten, die naar den tweedekker toegegaan waren, deed Jaynes en het meisje opspringen. Zij zagen, dat een wervelwind zich om den tweedekker gekronkeld had en deze als ’n blad papier honderd meter over het gras voortgeschoven had. „Groote Goden!", riep Jaynes, over den rand van de mand springend. „De arme drommel zal gekraakt worden. Gauw ! Kom mee en help, kerels!" De drie helpers lieten de touwen los, en kwamen naar voren om den onbekenden aviateur uit den nood te redden. „Ffftt!" Ontdaan van het gewicht van Jaynes en van de tegenhoudende touwen, schoot de ballon als een vogel de lucht in. In enkele seconden was zij reeds boven de boomen uit en gleed majestueus over de torens van Chalwyn naar de open ruimte van de lersche zee. Het wilde geschreeuw en de gebaren van de menschen, die om de vliegmachine stonden, deden Jaynes stilstaan en omkijken. De ballon dreef steeds meer naar de open zee. Margaret Kingsmill stond in de mand, dapper met haar zakdoek naar haar kennissen wuivend. Kolonel Kingsmill kwam uit de groep bij het vliegtuig te voorschijn en greep Jaynes bij den arm, terwijl hij op de verdwijnende ballon wees. „Is het Madge V', vroeg hij bedaard, „Ja, kolonel, zei Jaynes, „en het is mijn schuld!" Zijn arm uit den greep van den kolonel bevrijdend, rende hij naar de ballons en gaf zijn drie helpers een teeken hem te volgen. In de mand van dien ballon springend, welke het beste gevuld was, begon hij ballast uit te werpen. Kolonel Kingsmill bleef staan, waar Jaynes hem verlaten had en stond als verwezen naar den ballon te staren. „Mijn kleine Madge!", mompelde hij. „Mijn eigen kleine Madge!" De andere leden van het gezelschap, die eerst om den tweedekker hadden gestaan, keerden zich nu allen om, eveneens naar den ballon kijkend. „Het is Madge Kingsmill!", werd er gefluisterd. Forster ving deze woorden op. Hij was bezig met z'n zwaarbeschadigdentweedekker. Onmiddellijk kwam hij onder de geknakte vleugels vandaan en sprong overeind. „Laat mij er door! Laat mij er door, alsjeblieft!" riep hij opgewonden en baande zich een weg door de toeschouwers. Hij rende naar de ballons, waar Jaynes in groote haast bezig was te trachten weg te komen en greep den rand van de mand vast. „Ik wist niet, dat jij het waart, Jaynes!", zei hij. „Wat ter wereld denk je, dat je in een ballon voor haar doen kunt? Wees geen gek, man! Is dat niet jouw Blériot, die daar in het park staat? Volg haar daarin!" Jaynes zag doodsbleek, toen hij op Forster neerkeek. „Laat los, alsjeblieft!", gramde hij. „Kijk naar je eigen machine. Het is een tweedekker en die is zoowat verpletterd! Hoe denk je in dezen storm een eendekker te hanteeren ?" De gele bal van den ballon werd al kleiner en kleiner in de wolken boven de zee. „Groote Hemel!" mompelde Forster. „Ik had het heelemaal vergeten!" Jaynes knikte met een nonchalante verdraagzaamheid. „Ik veronderstel, dat ik nu mag vertrekken?", stelde hij voor. „Dit is in ieder geval mijn ballon!" Forster sprong uit de mand en keek naar Jaynes met een kalmte, die den laatste van zijn stuk bracht. .Wanneer je maar wilt!" zei hij. „Maar ik neem jouw Blériot en zal haar op mijn manier volgen, als jij het niet doet!" Jaynes keek hem zelfs niet aan. „Los!" zei hij tegen de verbaasde helpers. De mannen lieten de laatste zandzakken schieten en de ballon schoot naar boven en zeewaarts. Toen hij de lucht inging, wendde Forster zich tot dengene, die als voorman scheen dienst te doen. „Is majoor Jaynes' vliegmachine gereed voor een vlucht?" vroeg hij. „Ja, mijnheer," antwoordde de man. „Wij hebben den motor af en toe laten loopen. in de hoop, dat het nog mogelijk zou zijn een vlucht te maken. ' „Kom mee en help mij te starten, zei Poster. Drie minuten later zat hij in den eendekker. De groote schroef gonsde heftig; hij kon de zuiging door de bekleeding van de machine heen voelen.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11601 tot 11605 van 11897