Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11606 tot 11610 van 11897
Nummer
1929, nr. 36, 7 sept. 1929
Blad
21
Tekst
PANORAMA No. 3 6 7 SEPTEMBER Van Chalwyn rende het geheele gezelschap naar de kust, terwijl Jimmie Culls in een auto sprong en naar de op acht mijlen afstand gelegen havenstad vloog, waar hij een groote motorboot had liggen, waarin hij van plan was de ballons te achtervolgen. III Toen Foster voor den wind vloog, verdween hij snel uit het gezicht van de menschen op de kust. Hij vloog zoo hoog mogelijk, waar ook Jaynes in de wolken opsteeg. Toch passeerde hij nog ver beneden hem, in een snelle achtervolging van die gele vlek op een afstand, waar Margaret Kingsmill haar lot als een dapper meisje tegemoet ging. Zij had Jaynes’ ballon zien vertrekken en ondanks haar gevaarlijken toestand had zij een gevoel van vreugde niet kunnen onderdrukken, dat er tenminste één man den moed had te trachten haar te redden. Zij was er zeker van, dat het öf Jaynes öf Jimmie Culls was. „Wat is dat ?’ Door den kijker had zij gezien, dat Jaynes de man was in den tweeden ballon. Maar hij was nu te hoog en te ver weg, dan dat zij iets zou kunnen onderscheiden. De ballon raakte achter. In de hoogere luchtlagen was de wind niet zoo sterk. Maar daar achter en meer naar beneden zag zij een glinsterend vlekje, dat snel naderde. Margaret was te goed thuis in de luchtvaart, om niet onmiddellijk te zien, wat het was. Een halve minuut later kon zij duidelijk de omtrekken van Jaynes’ eendekker onderscheiden. Toen bedekte zij haar gelaat met de handen en snikte het uit. Hij was het! Niet Jaynes, of Jimmie. zelfs niet haar vader. Het was John Foster! Met grauw gelaat en op elkaar geklemde kaken vloog Foster om den ballon heen. Hij keerde zijn machine tegen den wind in en wist haar langzaam dalend tot op 20 Meter afstand van Margaret te brengen. Zijn hart sprong op en het bloed vloog hem naar het gezicht, toen hij haar verheugden glimlach zag. „Ik zal je trachten te redden!” schreeuwde hij door den megafoon, dien hij voor zijn mond had gebonden. „Wil je precies doen, wat ik zeg? Haal je ankertouw in, zoodat ongeveer 20 voet blijven hangen !", riep hij. „Maak voort!’ Toen hij buiten haar gehoor afdreef, boog zij zich over den rand van de mand en begon het touw in te halen. „Heb je een noodladder ?”, vroeg hij. toen hij weer dichterbij gekomen was. Zij knikte. „Je moet ’t ankertouw door de sporten heenhalenl”, riep hij en terwijl hij heen en weer vloog en om den ballon cirkelde, legde hij haar uit, hoe zij het anker door de openingen van den lichten zijden noodladder moest halen. Binnen tien minuten was alles gereed. Het anker zweefde maar ongeveer 25 voet onder de mand, terwijl de ladder langs het ankertouw naar boven liep. Zij bevonden zich ver van het land boven de zee. „Ik zal trachten er onder te komen en het anker te grijpen/' legde Forster uit. „Dan moet je naar beneden klimmen en in den stoel achter mij gaan zitten. Durf je het te wagen? Wacht!", voegde hij er aan toe, terwijl hij weer buiten gehoor dreef. Zich omkeerend zag hij haar lippen een „Ja", vormen, terwijl haar oogen nog veel meer zeiden Weer kwam Forster langszij. „En voor ik ga," zei hij, „wil ik je zeggen, dat ik niet zwemmen kan. Ik zei. dat ik het kon, toen ik mij opgaf als piloot, omdat wij verondersteld worden het te kunnen. Maar als wij naar beneden vallen, meisje" — hij wees met het hoofd naar de Iersche zee — „dan verdrinken wij, tenzij jij mij redden kunt. Adieu." Met 'n handbeweging verdween hij weer en vloog ongeveer een halve mijl weg. voor hij omkeerde om te trachten onder den ballon te komen. Toen hij keerde, zag hij reeds, dat het meisje al over den rand van de mand geklommen was en halfweg tusschen den dood en den hemel aan de ladder hing. De afstand tusschen haar voeten en het anker was niet grooter dan tien voet. Het was een wanhopig werk; om te trachten het anker te grijpen zonder het meisje met de schroef te raken. Als die haar even raakte, verdwenen zij beiden in de ruimte Hij moest heel langzaam en voorzichtig te werk gaan. Een enkel zuchtje, ’n enkele verkeerde luchtstroom en hij zou haar missen en verliezen. Hij keek naar zijn benzinemeter ; er was niet half genoeg benzine om hen naar Chalwyn terug te brengen. Kapitein Forster klemde de lippen op elkaar en trachtte een bijzonder vroolijken glimlach op zijn gezicht te krijgen, toen hij zonder aarzelen op het anker afstuurde. Hoe hij het greep en aan ’n dwarsspant wist te haken, heeft hij nooit geweten. Hij deed het mechanisch, met den moed der wanhoop. Onwillekeurig keek hij naar voren en zag Jaynes’ ballon snel dalen. Margaret Kingsmill was lenig en goed getraind. „Ik kom, zei ze en ging stap voor stap de laatste tien sporten van de ladder af, tot zij zich in den stoel achter Forster had laten zakken. „In orde!" Forster nam det mes, dat hij gereed gehouden had en sneed het touw boven het anker door. De haak viel in de machine, die ontdaan van die ongewone spanning wankelde als een dronkaard. De ballon schoot omhoog in de wolken. „Ik ben er! Ik ben blij dat jij ’t was!" Het meisje leunde voorover en legde hem de hand liefkoozend op den schouder. „Ik ben er blij om, lieveling," zei Forster, „Houd je nu goed vast en wees niet bang. Wij zullen een beetje dalen in zweefvlucht, om benzine te sparen!" Het oor der liefde hoort scherp. Margaret Kingsmill boog zich weer voorover en keek over DE OOGST zijn schouder. Zij kende Jaynes' Blériot zeer goed en zou er dien morgen een tochtje mee gemaakt hebben, als het weer goed gebleven was. Haar oogen zochten onmiddellijk den benzine-meter „Neen," zei zij. „Wij hebben geen benzine genoeg. Het kan mij niet schelen, lieveling Jou wel?" Forster keerde zich om. „Neen, antwoordde hij vast. „Het komt er niet op aan/ Hij zweeg en keerde zich weer naar zijn handles. „Je zult mij je laten kussen, voor het gedaan is?" vroeg hij. „Ja," zei zij. „Ik zal je nu kussen." Weer leunde zij voorover en Forster zijn hoofd achteroverbuigend, werd gekust en zag zoo zijn hartewensch vervuld. Toen het meisje zich voldaan terugtrok zag zij de zon schitteren op het omhulsel van den dalenden ballon daar voor hen. Hij daalde snel naar de zee. „Oh, lieveling," riep zij uit. „Die arme majoor Jaynes zal ook verdrinken! Wat spijt mij dat!" Forster keek scherp naar voren „Het spijt mij ook Madge," fluisterde hij. „Maar toch —- oh Madge! Wij zijn gered! Kijk! Kijk daar beneden ! Kijk dan toch!" Hij wees in de diepte. „Wij zijn allen gered, Madge! Kijk, kijk?" Hij zette de machine aan tot haar grootste snelheid; de Blériot danste vroolijk op den zinkenden ballon af. Jaynes had iets gezien, wat zij beiden eerst niet opgemerkt hadden, daar zij hun gedachte bij andere dingen hadden gehad Daar ver beneden hen op de zee, die, naar zij gedacht hadden, hen verslinden zou —* als een razende, met witte vlaggen signaleerende — kwam Jimmie Cull s motorboot op hen aanzetten 19
PDF
Nummer
1929, nr. 36, 7 sept. 1929
Blad
22
Tekst
PANORAMA N o. 3 6 7 SEPTEMBER Een Sprookje in Californie DAT WERKELIJKHEID IS. 20
PDF
Nummer
1929, nr. 36, 7 sept. 1929
Blad
23
Tekst
PANORAMA N o. 3 6 7 SEPTEMBER G ifford nam een kaartje voor een kajuit eerste klas, en gaf als zijn naam: Arthur Jenning. De sleutel werd hem gegeven, zonder eenig bezwaar. Den hofmeester, die naar zijn bagage vroeg, antwoordde hij kortaf, dat hij nauwelijks de boot had kunnen bereiken en zijn bagage in het hotel had moeten achterlaten. Die zou hem wel nagezonden worden. Toen hij zijn hut binnenging ... een groote hut op het dek . . . hoorde hij het gekraak van den steiger, terwijl zijn boot langs de palen schuurde. Dus tot zoover was alles goed gegaan. Hij ging naar den spiegel boven de waschtafel en keek verwonderd naar het gezicht, dat daarin weerkaatst werd. Zijn baard was gegroeid maar daar zijn haar dezelfde kleur had als zijn gebruinde huid — hij had niet voor niets die heele lente doorgebracht op het poloveld te Aiken — viel dat niet zoo op. Er was iets anders, dat Gifford verbaasde. Er was een eigenaardige verandering gekomen in de uitdrukking van zijn gelaat, in zijn trekken, en die lag niet alleen in het gezonde van zijn huid. Toen hij het laatst zich in den spiegel had gezien, was zijn gezicht eenigszins opgezet; er lagen ballen onder zijn oogen en de oogen zelf waren een beetje ontstoken, terwijl Gifford nu staarde naar een gezicht, dat een beeld was van gezondheid en kracht. Het slappe van de huid met de vroegtijdige rimpels, die zich vertoonden vooral als hij vermoeid was, was verdwenen. Zijn grijze oogen stonden helder, kalm en bedaard. Zijn mond was flink en recht en de geheele uitdrukking was beslist, vastberaden . . . Gifford bleef zich bekijken en mompelde dan: „De een of andere kuur! Wat hebben zij in vredesnaam met mij gedaan daar in dat mooie gasthuis? Het lijkt wel, alsof ik in een bron van jeugd en kracht gedompeld gewórden en er een beetje ouder en toch een heeleboel jonger ben uitgekomen.” Hij was verheugd over die geheimzinnige verandering. Maar dan was er nog te verklaren, hoe lang hij min of meer bewusteloos was geweest, eer hij ontwaakte in dien staat van volkomen gezondheid en kracht. Toen hij aan het kantoortje zijn kaartje kocht, had hij een kalender zien hangen met den datum 8 Juni, maar dat zei hem niet veel, want de dagen voor dat ongeval waren tamelijk verward in zijn geest en hij kon zich niet herinneren, hoe lang het geleden was. Hij scheen gekomen uit een soort van geestelijken mist, waarin alle bakens verdwenen waren. Om tenminste iets te begrijpen, begon Gifford zijn portefeuille te onderzoeken. Hij vond er eenige van zijn visitekaartjes, een paar memoranda, die hem niets duidelijk maakten, een uitknipsel van een krant betreffende een contract van een spoorlijn. Wat hij daarmee te maken had kon Gifford zich niet voorstellen. Een ander uitknipsel verbijsterde hem meer. Het was geknipt uit een of ander geïllustreerd blad en vermeldde dat zijn ouders een groote donatie hadden gedaan aan een groot ziekenhuis in Rockland, dicht bij hun zomerverblijf te Camden. in Maine. Dat was in alle geval fout, want zijn moeder was al tien jaar dood en zijn vader had dat landgoed verkocht. Buitendien waren er geen anderen van zijn naam en het leek ook wel een rare manier om rechter Derring en zijn losbandigen zoon te noemen. Als er iets waars in was, dan moest het het ziekenhuis zijn, waaruit hij juist was ontsnapt. De ledenkaart van een jacht-club verwonderde hem eveneens omdat hij zich niet kon herinneren ooit lid van zoo’n club te zijn geweest. Maar nu vond hij iets meer interessants.... een brief geschreven met een vrouwenhand. Hij keek er lachend naar ; dat moest een liefdesbrief zijn. Maar toch stond hij verstomd. De inhoud was als volgt: „Giff, schat. Laat toch niets tusschenbeide komen om den derde hier te zijn. Die verjaardag is de eenige, dien wij gemeen' schappelijk hebben. Ik ben even opgewonden, als ik er aan denk, als ik zes jaar geleden was. Wat zou het heerlijk zijn als je alles zoo kon schikken, dat er geen scheiding meer was. De dagen zijn zoo vreeselijk lang en de nachten nog veel langer. Ga nu niet iets heel duurs voor mij koopen, lieveling, (daar is geen gevaar voor, dacht Giff grimmig, zijn vader zou dat wel beletten). Alles waar ik naar verlang, dat ben jij, en jij en nog eens jij en nog veel meer jij. De kleuters maken het opperbest en schreeuwen om je D.’ Een liefdesbrief, dacht Gifford verbijsterd, maar hij kon zich absoluut niet herinneren wie D. was of welk meisje een naam droeg, die met die letter begon. Er was in dat briefje een soort van vurig verlangen, dat hem kwelde. ... en wat had de verjaardag er mee te maken? Zes jaar geleden! Toen had hij ook met meisjes geflirt, maar daarbij was niets, wat een verjaardag begrijpelijk kon maken. D. .. . drommels nog toe wie was dat ? „Ja,” zei hij tot zichzelf, „vader had gelijk. Hij zal het wel geweten hebben. Ik ben zeker niet alleen een dronkaard en losbandig, maar bovendien krankzinnig; geen fatsoen, geen rede, geen verstand, alles weg .... En nu ik zoo verwonderlijk tot het besef van mijn toestand ben gekomen, zou ik opgesloten worden, zooals hij mij dreigde ? Maar als hij dat doet.... zijn gezicht stond vastberaden .... zou hij mij weer op denzelfden weg terugstooten. Hij ging naar de eetzaal en bestelde een stevigen maaltijd. Toch voelde hij geen behoefte aan sterken drank. Hij dacht er zelfs niet aan. Daarna zocht hij den barbier op en liet zich scheren, zijn borstelig uiterlijk verklarend door het leugentje, dat hij op 'n uitstapje was geweest in Rangeley Lakes. Van den barbier kocht hij eenige boorden, nummer zestien en een half, en toen hij ze probeerde, bemerkte hij tot z’n verwondering, dat ze te nauw waren; hij moest zeventien hebben. Zijn nek scheen dikker geworden Dan ging hij naar den salon en begon aan een brief voor zijn vader, waarin hij de eigenaardige verandering beschreef, die in hem had plaats gehad, zoowel lichamelijk als geestelijk en zelfs wat zijn slechte gewoonten betrof. Hij zei, dat, daar het bijna niet te gelooven was, hij besloten had een tijdje een proef met zichzelf te nemen, door eenige weken in een of andere afgelegen plaats te verblijven of misschien een zeereis te maken. Hij smeekte zijn vader niet ongerust te zijn, maar het beste te hopen en te verwachten, dat hij na een poos hem als een geheel en voor goed genezen man zou terugzien. Gifford voelde geen verlangen om zich te vergewissen, hoe het in de wereld was gegaan sedert hij bewusteloos was geworden. De eigenaardigheid van zijn eigen geval hield hem te zeer bezig Daar hij zich moe begon te voelen, ging hij naar zijn hut en sliep vast gedurende den geheelen nacht om met hetzelfde heerlijke gevoel te ontwaken, bij tijds om een bad te nemen en zich te kleeden, eer de boot aan den steiger aanlegde. Hij ging aan land en ontbeet stevig in een kleine restauratie. Nu kwam de vraag hoeveel geld hij bezat. Hij vond, dat in zijn portefeuille nog drie en tachtig dollars waren en een beetje kleingeld in zijn beurs. Daar kon hij niet ver mee gaan. Hij wilde zich geheel verwijderen van alles wat iets te maken had met zijn vorig slecht leven en zich het gelaat van die mooie vrouw in zijn kamer van het gasthuis voor den geest halend, schrikte hij ervoor terug om iets meer te vernemen over de schrijfster van dien liefdesbrief. Het kwam in hem op, dat het beste middel om zichzelf op de proef te stellen was: een tijd lang zich te redden zonder eenige hulp van anderen. Dat idee trok hem erg aan, terwijl hij zijn ontbijt gebruikte van gebakken spek met eieren en versche schelvisch. Waarom zou hij zich niet stellen in de positie van zoo vele jonge mannen, die na den oorlog moesten werken of sterven ? In plaats van Gifford Derring van New-York te zijn, de losbandige zoon van den deftigen millionnair rechter Derring, zou hij Arthur Jenning blijven, pas terug van overzee, gezond van lichaam en ziel. Hij wilde al de herinneringen aan zijn slecht leven uitwisschen door hard en gezond werk. Dat, dacht Gifford, zou de hoogste proef zijn. Hij bekeek het stukje schelvisch op zijn vork. Waarom zou hij geen visscher worden ? Hij was vroeger veel uit zeilen geweest, kende de booten, het tuig en alles wat er aan vast zat, evengoed als de tuigage van een vliegtuig. Theoretisch althans kende hij het vak. Hij voelde zich zoo sterk als een matroos en de zee trok hem aan. Gifford betaalde zijn rekening en ging naar buiten, naarde haven. 21
PDF
Nummer
1929, nr. 36, 7 sept. 1929
Blad
24
Tekst
P A N O R A M A N o, 3 6 7 S E P T E M B E R Wat is het laatste dat u zich helder kunt herinneren ? De zon stond al hoog, maar dat kon niet anders op den tienden Juni, om acht uur des morgens. Gifford dacht daar niet aan en haalde zijn horloge voor den dag om er op te kijken. Verwonderd staarde hij ernaar. Het was het horloge van zijn vader, een mooi, gouden uurwerk, dat rechter Derring eens ontvangen had na een bijzonder gunstige uitspraak en dat zeer door hem op prijs werd gesteld. De ontdekking dat hij zijn vaders horloge droeg, was eenvoudig verbijsterend. Daar had hij opnieuw een bewijs, dat hij geruimen tijd in het gasthuis moest hebben doorgebracht. Hij was zeker zoo totaal dronken geweest, dat hij zich niets meer kon herinneren. Hij bedacht, dat hij misschien in dien toestand naar zijn vaders huis was gebracht en dat hij, omdat men zijn kleeren had weggeborgen om hem te beletten weg te gaan, die van zijn vader had aangetrokken en ontsnapt was, zooals hij uit het ziekenhuis was geslopen. Die gedachte maakte zijn toestand ernstiger dan ooit. Gifford begreep, dat als hij nu herkend werd en gegrepen, hij geen enkel middel had om te bewijzen, dat hij volkomen gezond was geworden naar ziel en lichaam. Men zou met hem handelen, zooals te verwachten was jegens iemand, die door den drank zijn verstand geheel verloren had en hij zou in een sanatorium voor hopelooze gevallen van drankzucht worden opgesloten. Geen misdadiger, die juist een goed geslaagden diefstal heeft gepleegd kon er meer op uit zijn om zijn vrijheid te bewaren, dan Gifford op dat oogenblik. Nog meer, hij voelde zich overtuigd, dat als hij eenige weken of maanden vrij was om te handelen, zooals hij wilde, hij daarna in staat zou zijn om zijn vader het bewijs te leveren, dat hij op de een of andere wonderbare wijze genezen was en zijn kracht en gezondheid had teruggevonden. Maar zijn innige liefde voor zijn vader was er niet mee tevreden te verdwijnen zonder grootere verzekering van zijn welvaart, dan was uitgedrukt in het korte briefje, dat hij aan boord had geschreven. Om zijn vader groote bezorgdheid te besparen, moest er iets meer overtuigend zijn dan hetgeen kon worden aangezien als de bewering van een overspannen geest. Opeens bedacht Gifford, dat er een middel was om zijn vader geheel gerust te stellen, dokter Mac. Intyre, een oude familievriend die lange jaren in Boston zijn praktijk had uitgeoefend, en die. zooals Gifford zich nu herinnerde, 's zomers op zijn buitengoed woonde in Nova Scotia, ergens bij Digby. Het was nog wel vroeg in den tijd, maar er was kans, dat dokter er al woonde. In de hoop die kans te hebben, ging Gifford naar den steiger, waar de boot naar Digby op het punt stond te vertrekken. Hij vroeg den kapitein naar den dokter en deze antwoordde hem, dat inderdaad de dokter twee dagen geleden naar zijn landgoed was gegaan; zijn vrouw en dochter zouden later komen. „Hier," dacht Gifford, „is de kans." Hij kende den dokter wel niet persoonlijk, was nooit onder zijn behandeling geweest en had hem niet ontmoet sedert hij uit Frankrijk teruggekomen was. Maar hij wist, dat de uitstekende geneesheer een intieme vriend was geweest van zijn grootvader en dat ook rechter Derring zeer op hem gesteld was. Als dokter Mac Intyre hem had onderzocht en hem een getuigenis omtrent zijn gezondheid gaf, zou dat in alle geval voldoende voor zijn vader zijn. Zelfs op gevaar af den uitstekenden geneesheer niet te kunnen overtuigen, wilde hij het wagen, want hij voelde, dat een heel bijzondere gelegenheid hem gegeven werd om iets goeds te doen, maar dan moest dat onmiddellijk gebeuren. Terwijl de boot wegvoer, ging Gifford op een dekstoel zitten; om een reden, die hij niet kon achterhalen, nam hij weer zijn vaders horloge en bekeek het. Hij herinnerde zich opeens, dat een miniatuur van zijn moeder onder het deksel aan den achterkant was bevestigd. Hij opende het uurwerk en keek naar het lieve gelaat, het werk van een beroemd miniatuur-schilder, die het had gemaakt bij het huwelijk van zijn ouders. Hij keek... en keek .. . dan schrok hij. Het kleine meesterstuk was veranderd als door de aanraking van een tooverstaf. Het was schoon, maar niet hetzelfde. De beeltenis van een ander, bijzonder bekoorlijk jong meisje was daar bevestigd in een gouden lijstje. Voor het eerst sedert zijn terugkeer tot bewustzijn, werd hij aangegrepen door een plotselingen twijfel omtrent zijn volmaakte gezondheid, waarvan hij zoo zeker meende te zijn. Dat meest overtuigende zintuig, het gezicht, scheen hem te bedriegen. Want het lieftallige gelaat, dat hij voortdurend in zijn geest had, sedert hij de schoone vrouw aan het raam van zijn kamer in het ziekenhuis had beschouwd, staarde hem aan uit het gouden lijstje. Daar was geen vergissing mogelijk. Dit was niet de moeder, die hij zoo innig had liefgehad, en wier beeltenis toch wel in de vervlogen jaren verbleekt was in zijn geheugen. Het was het portret van een ander bekoorlijk meisje, en wel van een, dat hij, — Gifford begreep het opeens met hartklopping, — op het eerste gezicht beminde. Allerlei vermoedens kwamen in hem op. Langzamerhand kwam 22
PDF
Nummer
1929, nr. 36, 7 sept. 1929
Blad
25
Tekst
P A N O R A M A No. 3 6 7 S E P T E M B E R hij tot de overtuiging, dat zijn verlies van geheugen niet onmiddellijk zijn laatste ongeval voorafging, maar dateerde van een veel langere periode. Het zag er uit, dat er heel wat gebeurd was, waarvan hij totaal onbewust was. Maar dit scheen zeker te zijn: hij droeg zijn vaders kleeren en de inhoud van de zakken, de portefeuille en de bankbiljetten, het horloge met het portret waren het eigendom van zijn vader. Hierin vond hij een verklaring; zijn vader en hij waren van dezelfde grootte, zoodat hun kleeren gelijk waren wat maat betreft, maar dan die uitknipsels ... en die brief.. . ? Gifford’s hersenen werkten onophoudelijk en opeens stond hij paf.. . Zijn vader was met dat meisje getrouwd ... I Maar in dat geval moest het huwelijk geheim zijn gehouden en dat was iets, dat in het geheel niet overeen kwam met het openhartig karakter van rechter Derring. Ook was er geen reden, waarom hij, weduwnaar sedert de laatste tien jaar, niet zou mogen hertrouwen, als hij dat verkoos. Hij was maar drie en twintig jaar ouder dan zijn zoon. Zijn vader was dus nog tamelijk jong, een man met een mooi, krachtig gestel, knap en prettig in den omgang. Hij was altijd eer een oudere broeder dan een vader voor zijn zoon geweest. Maar die liefdesbrief... en dat zinspelen op een verjaardag van zes jaar geleden? Waarom, vroeg Gifford zich af, waarom zou zijn vader zijn huwelijk met zoo’n bekoorlijk wezen zes jaar geheim gehouden hebben ? En wat beteekende dan dat uitknipsel uit de krant over een donatie van een hospitaal door de Derrings ? Het leek wel, dat rechter Derring inderdaad het noodig had geacht zijn huwelijk zooveel jaren geheim te houden, want het feit moest pas bekend zijn geworden. Gifford wist niet wat te denken. Hij gaf het op; feitelijk was hij bang een oplossing te vinden. Wie weet, wat er voor verschrikkelijks gebeurd was in de afgeloopen jaren! Misschien zou het oneindig harder zijn, dat te ontdekken dan de boete te doen, die, dat begreep hij wel, zijn taak zou zijn. Hij wist alleen dat de vrouw, die hij nu moest erkennen als de vrouw van zijn vader, reeds iets met hem te maken had gehad in den tijd, die voor hem het donkere punt uitmaakte Hij sloot het deksel van het horloge. Dat bekoorlijk gelaat was niet voor hem. Nu hij door een ondoorgrondelijk raadsel zoo wonderbaar tot bewustzijn was teruggekeerd, moest hij de gedachte aan haar van zich afzetten, want nu voelde hij, dat het een schuldige liefde zou zijn. HOOFDSTUK 2 De kapitein van de boot vertelde hem, dat het huis van dokter Mc Intyre drie mijlen van Digby verwijderd was. Gifford besloot er onmiddellijk heen te gaan, opdat hij den dokter zou kunnen spreken, eer deze tijding van hem kreeg door zijn vader of anderen. Hij nam een taxi en het leek hem, dat hij pas erin gestapt was, toen de chauffeur reeds stil hield voor een mooi gebouw, laag en breed en met 'n voorkomen van ouderdom, dat men in den omtrek nauwelijks kon verwachten. Een grijze bediende in livrei maakte de deur voor hem open en toen Gifford naar dokter Mc Intyre vroeg, kwam een bejaarde heer uit een kamer ter zijde van de vestibule, met een boek in zijn hand. Gifford zag iemand van tachtig jaar voor zich, wiens kalmte door de jaren niet was gestoord en wiens stem helder en zacht was, zonder seniele beving. Gifford had niet gedacht, dat de dokter zoo oud was. „Ik vraag u wel excuus, dokter, dat ik onaangediend mij bij u indring/’ zei hij eerbiedig, „maar ik ben in een tamelijk moeilijke positie; daarom kom ik tot u. niet alleen, omdat u dokter zijt, maar ook omdat ik weet, dat u een oude vriend van mijn familie bent.’ „Daar heeft u goed aan gedaan/’ was het antwoord. „U moet mij verontschuldigen, dat ik niet direct uw naam weet, want de jongere leden van de families van mijn oude vrienden zijn zoo talrijk, dat ik ze mij niet allen herinneren kan/ „Ik ben Gifford Derring, mijnheer. ... de zoon van rechter Derring van New-York. Maar ik verzoek u mijn tegenwoordigheid hier niet te verraden aan mijn vader of iemand anders, totdat u mij een kans hebt gegeven mij te verklaren.’ Dokter Mc Intyre keek hem onderzoekend aan. „Wees gerust op dat punt,” zei hij. „Ik hoop, dat u niet in een ernstige moeilijkheid verkeert.” Hij nam Gifford bij den arm met een goedig gebaar van welkom en bracht hem in de kamer, waar hij hem een gemakkelijken stoel aanwees en zelf in een anderen plaats nam „Wanneer heeft u uw vader het laatst gezien7' „Het schijnt, dat ik mij dat niet kan herinneren. Ik ben wakker geworden in een ziekenhuis, ongeveer twee dagen geleden, zonder de minste herinnering, hoe ik daar kwam, maar door een gesprek, dat ik toevallig hoorde, begreep ik, dat ik bewusteloos was geworden ten gevolge van een of ander ongeluk/ De dokter knikte. „Ik heb erover in de krant gelezen en stelde er veel belang in. Ook heb ik vandaag gelezen, dat u waarschijnlijk plotseling uw bewustzijn teruggekregen had, voldoende om op te staan en weg te sluipen „U moogt de reden daarvan wel weten, dokter. Ik ben in den laatsten tijd erg aan den drank geweest. .. sedert ik uit Frankrijk terugkwam. ... en vader waarschuwde mij, dat als ik weer zoo dronken zou zijn, hij mij naar een sanatorium zou zenden voor minstens een vol jaar. Ik voelde, dat ik dat niet zou kunnen uithouden, vooral, omdat ik mij heel anders gevoel dan de vorige keeren. Door een geheimzinnige oorzaak kwam ik tot bewustzijn volkomen helder van geest; volgens mijn meening was dit de eerste keer sedert den oorlog.' De dokter knikte alweer. „Wat is het laatste, dat u zich helder kunt herinneren?” „Ik zou zeggen, de dingen, die misschien een veertien dagen geleden gebeurd zijn, even voor ik een ongeluk had op het poloveld. Mijn ponny viel en ik kreeg een trap op mijn hoofd. Dat deed mij even pijn, maar ik herinner mij, dat ik op stond en heen en weer kon loopen. Maar alles, wat toen verder gebeurde, is uit mijn geheugen verdwenen. Het schijnt, dat ik alles vergeten heb tusschen dat ongeval en het laatste, wat dit ook kan geweest zijn.” „Hoe ben je op de gedachte gekomen om mij te consulteeren Gifford ?” „Eerst dacht ik daaraan niet, dokter. Alles, wat ik wilde, was niet naar het sanatorium te worden gestuurd. Toen ik in het gasthuis wakker werd en mij zoo buitengewoon wel voelde, ben ik opgestaan en heb mij gekleed, aldoor in verwondering, wat of er toch met mij gebeurd was. Toen ik weggeslopen was, ben ik naar de haven gegaan en vond daar een boot. Onderweg schreef ik mijn vader een briefje om hem te laten weten waar ik was. Maar toen ik in Eastport aankwam, besefte ik, dat vader zeer ongerust zou zijn. Ik herinnerde mij, dat u des zomers hier woonde. Ik meende, dat als ik u kon overtuigen, dat ik werkelijk geheel gezond was geworden, u vader wel zou willen aanraden om mij de kans te geven alles weer goed te maken.” „Dat was zeer verstandig van u en voor mij vereerend. U ziet er in alle geval uitstekend uit, hoewel een beetje vermoeid en overspannen. Eer wij verder hierover spreken, moest u naar boven gaan en een beetje rusten. En eerst een bad nemen, dat zal u verfrisschen.” „Ik zal alles doen wat u zegt, dokter. Maar och, geef mij niet op. eer u mij geheel onderzocht hebt. Ik verzeker u, dat ik voor het eerst sedert maanden mij absoluut wel voel, lichamelijk zoowel als geestelijk. En het gekste van het geval is, dat ik niet het minste verlangen heb naar sterken drank of tabak. Misschien kunt u het verklaren, maar ik niet. Tot nu toe kon ik eenvoudig niet zonder beiden.” „Ik zal je niet in den steek laten, jongen,” zei de dokter met zijn kalme stem. „Ik geloof ook dat je genezen bent „Wilt u dat aan mijn vader telefoneeren,” vroeg Gifford verlangend. (Wordt vervolgd.) JN DEN^REEMDE Die jong zijn tooien zich met bont gewaad en schrijden licht de vaderlandsche wegen terwijl hun ziel den zang der lente zingt. Doch wee, die, jong, ten verren vreemde gaat, der góden geen schenkt hem den gouden zegen; hij is als een van bitteren rouw omringd. JAN H EEKHOUT naar het Chineesch van Lu Tong Po uit de 11e eeuw 23
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11606 tot 11610 van 11897