|
P A N O R A M A No. 3 6 7 S E P T E M B E R
hij tot de overtuiging, dat zijn verlies van geheugen niet onmiddellijk zijn laatste ongeval voorafging, maar dateerde van een veel
langere periode. Het zag er uit, dat er heel wat gebeurd was,
waarvan hij totaal onbewust was.
Maar dit scheen zeker te zijn: hij droeg zijn vaders kleeren
en de inhoud van de zakken, de portefeuille en de bankbiljetten,
het horloge met het portret waren het eigendom van zijn vader.
Hierin vond hij een verklaring; zijn vader en hij waren van
dezelfde grootte, zoodat hun kleeren gelijk waren wat maat betreft,
maar dan die uitknipsels ... en die brief.. . ?
Gifford’s hersenen werkten onophoudelijk en opeens stond hij
paf.. . Zijn vader was met dat meisje getrouwd ... I Maar in dat
geval moest het huwelijk geheim zijn gehouden en dat was iets,
dat in het geheel niet overeen kwam met het openhartig karakter
van rechter Derring. Ook was er geen reden, waarom hij, weduwnaar sedert de laatste tien jaar, niet zou mogen hertrouwen, als
hij dat verkoos. Hij was maar drie en twintig jaar ouder dan zijn
zoon. Zijn vader was dus nog tamelijk jong, een man met een
mooi, krachtig gestel, knap en prettig in den omgang. Hij was
altijd eer een oudere broeder dan een vader voor zijn zoon
geweest.
Maar die liefdesbrief... en dat zinspelen op een verjaardag
van zes jaar geleden? Waarom, vroeg Gifford zich af, waarom
zou zijn vader zijn huwelijk met zoo’n bekoorlijk wezen zes jaar
geheim gehouden hebben ? En wat beteekende dan dat uitknipsel
uit de krant over een donatie van een hospitaal door de Derrings ? Het leek wel, dat rechter Derring inderdaad het noodig had
geacht zijn huwelijk zooveel jaren geheim te houden, want het
feit moest pas bekend zijn geworden.
Gifford wist niet wat te denken. Hij gaf het op; feitelijk was
hij bang een oplossing te vinden. Wie weet, wat er voor verschrikkelijks gebeurd was in de afgeloopen jaren! Misschien zou
het oneindig harder zijn, dat te ontdekken dan de boete te doen,
die, dat begreep hij wel, zijn taak zou zijn. Hij wist alleen dat de
vrouw, die hij nu moest erkennen als de vrouw van zijn vader,
reeds iets met hem te maken had gehad in den tijd, die voor hem
het donkere punt uitmaakte
Hij sloot het deksel van het horloge. Dat bekoorlijk gelaat
was niet voor hem. Nu hij door een ondoorgrondelijk raadsel zoo
wonderbaar tot bewustzijn was teruggekeerd, moest hij de gedachte
aan haar van zich afzetten, want nu voelde hij, dat het een
schuldige liefde zou zijn.
HOOFDSTUK 2
De kapitein van de boot vertelde hem, dat het huis van dokter
Mc Intyre drie mijlen van Digby verwijderd was. Gifford besloot
er onmiddellijk heen te gaan, opdat hij den dokter zou kunnen
spreken, eer deze tijding van hem kreeg door zijn vader of anderen.
Hij nam een taxi en het leek hem, dat hij pas erin gestapt was,
toen de chauffeur reeds stil hield voor een mooi gebouw, laag en
breed en met 'n voorkomen van ouderdom, dat men in den omtrek
nauwelijks kon verwachten.
Een grijze bediende in livrei maakte de deur voor hem open
en toen Gifford naar dokter Mc Intyre vroeg, kwam een bejaarde
heer uit een kamer ter zijde van de vestibule, met een boek in
zijn hand. Gifford zag iemand van tachtig jaar voor zich, wiens
kalmte door de jaren niet was gestoord en wiens stem helder en
zacht was, zonder seniele beving. Gifford had niet gedacht, dat de
dokter zoo oud was.
„Ik vraag u wel excuus, dokter, dat ik onaangediend mij bij
u indring/’ zei hij eerbiedig, „maar ik ben in een tamelijk moeilijke
positie; daarom kom ik tot u. niet alleen, omdat u dokter zijt, maar
ook omdat ik weet, dat u een oude vriend van mijn familie bent.’
„Daar heeft u goed aan gedaan/’ was het antwoord. „U moet
mij verontschuldigen, dat ik niet direct uw naam weet, want de
jongere leden van de families van mijn oude vrienden zijn zoo
talrijk, dat ik ze mij niet allen herinneren kan/
„Ik ben Gifford Derring, mijnheer. ... de zoon van rechter
Derring van New-York. Maar ik verzoek u mijn tegenwoordigheid
hier niet te verraden aan mijn vader of iemand anders, totdat u
mij een kans hebt gegeven mij te verklaren.’ Dokter Mc Intyre keek hem onderzoekend aan. „Wees gerust
op dat punt,” zei hij. „Ik hoop, dat u niet in een ernstige moeilijkheid
verkeert.”
Hij nam Gifford bij den arm met een goedig gebaar van welkom
en bracht hem in de kamer, waar hij hem een gemakkelijken stoel
aanwees en zelf in een anderen plaats nam
„Wanneer heeft u uw vader het laatst gezien7'
„Het schijnt, dat ik mij dat niet kan herinneren. Ik ben wakker
geworden in een ziekenhuis, ongeveer twee dagen geleden, zonder
de minste herinnering, hoe ik daar kwam, maar door een gesprek,
dat ik toevallig hoorde, begreep ik, dat ik bewusteloos was geworden ten gevolge van een of ander ongeluk/
De dokter knikte. „Ik heb erover in de krant gelezen en stelde
er veel belang in. Ook heb ik vandaag gelezen, dat u waarschijnlijk
plotseling uw bewustzijn teruggekregen had, voldoende om op te
staan en weg te sluipen
„U moogt de reden daarvan wel weten, dokter. Ik ben in
den laatsten tijd erg aan den drank geweest. .. sedert ik uit
Frankrijk terugkwam. ... en vader waarschuwde mij, dat als ik weer
zoo dronken zou zijn, hij mij naar een sanatorium zou zenden voor
minstens een vol jaar. Ik voelde, dat ik dat niet zou kunnen uithouden, vooral, omdat ik mij heel anders gevoel dan de vorige
keeren. Door een geheimzinnige oorzaak kwam ik tot bewustzijn
volkomen helder van geest; volgens mijn meening was dit de eerste
keer sedert den oorlog.'
De dokter knikte alweer. „Wat is het laatste, dat u zich helder
kunt herinneren?”
„Ik zou zeggen, de dingen, die misschien een veertien dagen
geleden gebeurd zijn, even voor ik een ongeluk had op het poloveld.
Mijn ponny viel en ik kreeg een trap op mijn hoofd. Dat deed
mij even pijn, maar ik herinner mij, dat ik op stond en heen en
weer kon loopen. Maar alles, wat toen verder gebeurde, is uit mijn
geheugen verdwenen. Het schijnt, dat ik alles vergeten heb tusschen
dat ongeval en het laatste, wat dit ook kan geweest zijn.”
„Hoe ben je op de gedachte gekomen om mij te consulteeren
Gifford ?”
„Eerst dacht ik daaraan niet, dokter. Alles, wat ik wilde, was
niet naar het sanatorium te worden gestuurd. Toen ik in het
gasthuis wakker werd en mij zoo buitengewoon wel voelde, ben
ik opgestaan en heb mij gekleed, aldoor in verwondering, wat of
er toch met mij gebeurd was. Toen ik weggeslopen was, ben ik
naar de haven gegaan en vond daar een boot. Onderweg schreef
ik mijn vader een briefje om hem te laten weten waar ik was. Maar
toen ik in Eastport aankwam, besefte ik, dat vader zeer ongerust
zou zijn. Ik herinnerde mij, dat u des zomers hier woonde. Ik meende,
dat als ik u kon overtuigen, dat ik werkelijk geheel gezond was
geworden, u vader wel zou willen aanraden om mij de kans te
geven alles weer goed te maken.”
„Dat was zeer verstandig van u en voor mij vereerend. U
ziet er in alle geval uitstekend uit, hoewel een beetje vermoeid en
overspannen. Eer wij verder hierover spreken, moest u naar boven
gaan en een beetje rusten. En eerst een bad nemen, dat zal u
verfrisschen.”
„Ik zal alles doen wat u zegt, dokter. Maar och, geef mij niet
op. eer u mij geheel onderzocht hebt. Ik verzeker u, dat ik voor
het eerst sedert maanden mij absoluut wel voel, lichamelijk zoowel
als geestelijk. En het gekste van het geval is, dat ik niet het
minste verlangen heb naar sterken drank of tabak. Misschien kunt
u het verklaren, maar ik niet. Tot nu toe kon ik eenvoudig niet
zonder beiden.”
„Ik zal je niet in den steek laten, jongen,” zei de dokter met
zijn kalme stem. „Ik geloof ook dat je genezen bent
„Wilt u dat aan mijn vader telefoneeren,” vroeg Gifford
verlangend.
(Wordt vervolgd.)
JN DEN^REEMDE
Die jong zijn tooien zich met bont gewaad
en schrijden licht de vaderlandsche wegen
terwijl hun ziel den zang der lente zingt.
Doch wee, die, jong, ten verren vreemde gaat,
der góden geen schenkt hem den gouden zegen;
hij is als een van bitteren rouw omringd.
JAN H EEKHOUT
naar het Chineesch van Lu Tong Po
uit de 11e eeuw
23
|