Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11581 tot 11585 van 11897
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
22
Tekst
PANORAMA No. 3 5 31 AUGUSTUS Raquel Torres in dienst van de Metro Goldwyn Mayer met haar Stearns-Knight. De Engelsche speler George K, Arthur met zijn nieuwe Packard roadster voor de M. G. M. studio's. I n de United States of America, waar de luxe en de dollarregeert, waar iedere krantenjongen van een toekomstig millionnairsbestaan droomt, waar business, business zijn, daar schijnen ook de filmsterren in ongekende hevigheid en afgodische vereering. De oorzaak hiervan is minder te zoeken in hun geweldige kunstprestaties, dan wel in het feit, dat zij door de filmfabrieken tot levende reclame objecten zijn gemaakt. Met deze reserve stellen we onzen lezers op deze pagina dan ook eenige bekende filmpersoonlijkheden voor, naast hun nieuwe auto. Renee Adoree, de speelster uit DE GROOTE PARADE met haar nieuwe Chrysler coupé. 20
PDF
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
23
Tekst
PANORAM A N o. 3 5 3 1 AU G U S T U S HAMYC fOWLAMD T oen hij bij kennis begon te komen, zag Gifford Derring, dat hij in een omgeving was, die hem tamelijk bekend, hoe onaangenaam ook voorkwam. De vage lucht van antiseptische middelen deed hem dadelijk begrijpen waar hij was, nog eer hij de oogen opende Alweer wakker! Niet met het gevoel, dat in den oorlogstijd een weelde en een eer was geweest, maar met een gevoel van afschuw en schande. Alweer een drinkgelag, een gevecht in een of anderen bar en dan naar het gasthuis om gerepareerd te worden, daar opgenomen, omdat hij zoo n prachtig getuigschrift had als vlieger in den oorlog, ook al om zijn vaders positie en rijkdom. Gifford, altijd oprecht tegenover zichzelf zooals hij ook tegenover anderen was, zelfs in dronkenschap, moest bekennen, dat er voor hem geen excuus was. Hij was het type van een stevigen kerel, gezond van geest en lichaam, behalve dan de gewoonten uit den tijd, dat slechte gewoonten eigenlijk heelemaal niet zouden mogen voorkomen. Toen hij uit Frankrijk terugkwam, was hij er niet slechter aan toe om zijn vijf verwondingen; geheel de wereld zou voor hem opengaan, als hij maar fatsoenlijk wilde vragen om de deur te openen. Er waren in den oorlogstijd opwindende gevechten geleverd, hoog in de lucht en beneden in de loopgraven, maar er werd ook vreeselijk gedronken en slecht geleefd; door dat alles was hij gegaan, van alles genietend, en toch niet geheel ten onder gebracht. En toen was hij als een verloren zoon tot zijn trotschen, triomfantelijken vader terug gekeerd om daarna alles te bederven door een losbandig leven. De lofprijzingen waren langzamerhand minder en minder geworden. Vrienden, waardig dien naam te dragen, hadden zich, verstoord en gekwetst, teruggetrokken. En ten laatste was het strenge ultimatum van zijn vader, wiens vaderlijken trots hij vernietigd had, gekomen: hoop was er nog maar weinig, de liefde was verdwenen. „Het is geen bedreiging of waarschuwing, Giff,” had hij gezegd, „maar een maatregel, dien ik gedwongen ben te nemen om je toekomst en misschien zelfs je leven te redden. Wij moeten nu eens dien vicieuzen cirkel verbreken, waarin je je bevindt, sedert je uit Europa terug gekomen bent. ... of waarin je misschien al verward was voor je vertrek. Nog eens zoo n drinkpartij, waardoor je in het gasthuis te land komt en onverbiddelijk breng ik je naar een sanatorium voor minstens een jaar.” En nu was die slag gevallen, dacht Gifford, toen hij het kale, zindelijke vertrek bekeek, waarin hij zich bevond. Daar was hij weer tot bewustzijn gekomen met dien hatelijken reuk in zijn neus en die gehate muren om hem heen. Weldra zou zoo n vervelende oppasser binnen komen om beleefd te vragen, hoe hij zich voelde, en als die gevoelens minder goed waren, ze op de gewone manier te verbeteren. Gifford kon zich hoegenaamd niets herinneren van een vechtpartij of iets dergelijks waardoor hij in het gasthuis was gekomen. Eigenlijk wilde hij het niet voor zijn geest halen. Het onmiddellijke verleden was als in een nevel verborgen en hoe langer het erin bleef, des te beter was het voor zijn gemoedsrust. Maar toen het bewustzijn geheel terugkwam met hetgeen leek een eigenaardig, volmaakt herstel van zijn zintuiglijke waarnemingen, ontdekte hij, dat zijn tegenwoordige toestand volkomen verschillend was van zijn vroegere, dikwijls voorgekomen ontwakingen uit bewusteloosheid. In plaats van een akelige neerslachtigheid van lichaam en geest, een ondraaglijke walging en gespannen zenuwen, die schreeuwden om ’n kalmeerend middel, was hij verwonderd in zich een absoluut welzijn te voelen. In plaats van de gewone vreeselijke gevolgen van losbandigheid, voelde hij zich krachtig en verfrischt als na een diepen, gezonden slaap. Zijn hoofd was een beetje suffig en deed hem pijn, maar behalve dat kon hij zich niet herinneren, dat hij over het algemeen zich ooit welvarender had gevoeld. Daar begreep hij niets van. Misschien had hij een soort van crisis doorgemaakt, waarna hij uren en uren lang in een gezonden, versterkenden slaap was gezonken geweest. Of misschien had de een of andere specialist een nieuw middel uitgevonden, een wonderlijk levenselixir, dat een man van binnen en van buiten reinigde, zijn in te en en te organisch en zenuwgestel en zijn andere vermogens vernieuwde en herstelde, terwijl hij bewusteloos terneer lag. Wat dan ook de reden kon zijn, Gifford voelde zich als nieuwgeboren. Zijn tweede ontdekking was niet minder verwonderlijk. Hij voelde een reusachtigen honger en niet de minste neiging om te drinken. De gedachte aan alcohol in welken vorm ook gaf hem een walging. Alles, wat hij verlangde was een bad, gelegenheid om zich te scheren en een stevig ontbijt. Daarna meende hij, zou hij de gelegenheid moeten zijn om op welke wijze ook beweging nemen om dat drukkende gevoel uit zijn hersens te verwijderen zijn bloed sneller te doen vloeien Er kwam een geruisch aan de deur. Gifford sloot de oogen deed alsof hij sliep, in de hoop op deze wijze eenige verklaring krijgen van wat er toch met hem gebeurd was. Door zijn donkere oogharen zag hij een verpleegster binnenkomen, gevolgd door eer. dame in wandelcostuum. Dat maakte een vreemden indruk op hem Bij vroegere gevallen van dat soort was het een verpleger, Jim of Jack of Harry. .. . goede flinke kerels, die hem wel eens wat hard aanpakten. De zuster kwam aan zijn bed en voelde zijn pols. De dame bleef een oogenblik naast haar staan, waarschijnlijk naar hem kijkend Vaag zag Gifford haar rok en een gedeelte van haar lichte kousen Lieve hemel, wat kwam een vrouw, die geen verpleegster was, in zijn kamer doen en waarom stelde zij belang in hem? Zij ging naar het venster en ging daar in een leuningstoel zitten. De zuster volgde haar en bleef naast haar staan, naar buiten kijkend. Het was nog licht genoeg voor Gifford om van terzijde het profiel der dame te bestudeeren en hij dacht bij zichzelf, dat hij nooit zoo’n lief gelaat had gezien „Geen verandering?” vroeg zij. „Zijn pols is een heeleboel krachtiger, antwoordde de verpleegster. „Dat is een goed teeken. Vóór morgen zal er wel verandering komen ” „Een goede verandering?” De stem van de dame was ongeduldig Gifford verwonderde zich daarover „Dat is te verwachten. Ik heb nooit zulk een geval gezien maar, alle gevallen, wat het hoofd betreft, zijn verschillend. Dokter Smith zelf erkent, dat hij er niets van begrijpt. Een poos leek het catalepsis, maar sedert de laatste vier en twintig uur is het meer een natuurlijke slaap. Ik wil geen hoop geven, waar die niet zou bestaan, maar me dunkt, dat hij spoedig tot bewustzijn zal komen „En dan?” „Dan kan het gaan als bij andere gevallen, dat de hersens een schok hebben doorstaan. Er is geen breuk, dus zal het herstel meer of minder snel en volkomen zijn. In het begin een beetje verbijstering, maar dan zullen de geestvermogens helder worden. Hij is zeer krachtig en zonder drinkgewoonten, die hem benadeelen konden „Neen,” zei de dame, „hij heeft geen druppel alcohol in de laatste zeven jaar gebruikt,” „Dat klopt niet,” dacht Gifford. Die twee vrouwen waren zeker in een verkeerde kamer gekomen. Of misschien was, hetgeen hem overkomen was, gebeurd in een van die opwellingen van wilskracht, als hij eenige dagen doorbracht zonder drank; misschien had dus zijn kon hij dan die dame ontmoet en haar wat voorgelogen. Hij was in een ziekenhuis en niet in een sanatorium. Gifford spande hersens in om zich iets te herinneren, wat er toch gebeurd zijn, waar en wanneer; maar het was een ijdele poging Hij bleef stil liggen, hopende nog meer te hooren. Hij bemerkte, de verpleegster niet het gewone costuum droeg, maar een wit linnen japon, iets dat een hoogeren rang aanduidde. Toen de dame in den stoel zich een weinig ter zijde wendde, begon Gifford s pols feller te kloppen. Hij had nog nooit zoo n schoon gelaat gezien' Haar geheele voorkomen gaf een soort van bevalligheid, vermengd met kracht te kennen, die toch ook zacht was en op dit oogenblik onderdrukt scheen te zijn. Zij leek ver in de twintig. Op dat oogenblik stond zij op en bleef door het venster kijken, daardoor aan Gifford een gestalte te zien gevend, die slank en toch gevuld, lenig en fijn gevormd was Hij kon niet hooren. wat zij zei. want er kwam juist een kar dat 21
PDF
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
24
Tekst
P A N O R A M A N o. 3 5 3 1 A U G U ST ü S ROOS. „Ja, daar/’ zei de stem. „Hij was natuurlijk weer
PDF
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
25
Tekst
P A N O R A M A N o. 3 5 3 1 A U G U S T U S over zichzelf denken anders dan als een soort van held. Maar de kans was er, dat hij geen held was geweest, maar eenvoudig een dronkaard, die in den weg was gekomen van die bekoorlijke vrouw en door haar auto overreden was. Dat zou dan de reden van haar verdriet kunnen zijn. Maar wat had dan de echtgenoot van die dame ermee te maken? Dat kon hij niet oplossen. Misschien was hij ook in die botsing gekwetst geworden of was het haar man, die roekeloos had gereden! Iemand — waarschijnlijk een van Gifford’s vrienden — had gelogen over zijn geheelonthouding en die bekoorlijke vrouw was nog niet ontgoocheld. Nu had Gifford spijt, dat hij niet gesproken had en haar uit den droom geholpen. Hij zette die gedachten uit zijn geest om zich bezig te houden met andere, die ernstiger en voor hem meer belangrijk waren Wat er dan ook gebeurd was, nu was hij geheel tot bewustzijn teruggekomen en beschikte hij weer geheel over zijn vermogens naar ziel en lichaam, met een gevoel van kracht, dat in de gegeven omstandigheden wel een wonder kon genoemd worden. Hij kon zich niet herinneren zich zoo wel gevoeld te hebben sedert de lente van zijn eenen-twintigste jaar, toen bij van het college was gekomen en vliegenier geworden. De verwonderlijke vernieuwing van zijn geheelen persoon gedurende die periode van schijndood kon misschien toegeschreven worden aan de plotselinge en snelle werking van de natuur of het resultaat van absolute ontspanning en rust, of wel aan een nieuw soort van behandeling, of aan een combinatie van beide. Hij voelde zich niet alleen zoo verbazend sterk, maar de spieren in zijn lichaam waren heerlijk gespannen, terwijl zijn laatste herinnering hem zei, dat ze slap en week waren door te groote koestering en een laag van overbodig vet. Maar wat het beste was, hij scheen die voortdurende, knagende neiging voor alcohol te hebben verloren, die in het afgeloopen jaar van hem een soort van door den duivel voortgedreven slaaf had gemaakt. Maar Gifford begon te twijfelen of zijn vader gelooven zou in zijn wonderbare genezing. Integendeel, de rechter zou bijna zeker gezegd hebben, dat, als dat werkelijk geschied was, het te wijten was aan de geheime krachten van een nog niet geheel ontredderd zenuwstel, dat alles, wat nu nog noodig was, slechts een versterking moest worden van hetgeen al bereikt was en dat het een misdaad zou zijn om zijn zoon weer bloot te stellen aan het gevaar om opnieuw in zijn slechte gewoonten te vallen. De rechter zou er toch op staan om die kuur voort te zetten in een of ander sanatorium, waar hij gelegenheid zou hebben volkomen uit te rusten en zijn zenuwen geheel tot bedaren te brengen. Maar in zijn tegenwoordigen toestand leek de gedachte alleen aan volkomen rust onverdraaglijk. Hij verlangde ernaar op te staan, te baden, een hartigen maaltijd te nemen, zich aan te kleeden en uit te gaan om gezond opgewekt te genieten van die plotseling teruggevonden kracht. Het was nu donker, buiten en in zijn kamer, behalve dan, dat er licht scheen onder door de spleet der deur. Aangegrepen door een plotselinge opwelling wierp Gifford de dekens van zich af, sprong uit het bed. Hij voelde zich even duizelig, wankelde en zijn kracht scheen hem te verlaten. Maar dan verdween die sensatie en hij voelde zich weer sterk en gezond. Hij ging naar het venster en keek naar buiten. Zijn kamer was gelijkvloersch en keek uit op een laan, die naar een straat leidde, waar hier en daar huizen stonden, met tuinen omgeven, zooals gewoonlijk in de villaparken. Gifford voelde zich dorstig en ging naar de badkamer, die naast zijn kamer was en dronk een glas water. Hij draaide het licht aan en ontdekte, dat alles nieuw scheen te zijn. Het leek wel of Het bellend treintje voert ze weg, Ze kunnen haast niet scheiden. Ze laten over zee en strand, Het huisje aan der duinen rand Nog eens hun blikken weiden. Ze zien weer, met een diepen zucht, Al de voorbije dagen! En Moeder, die het haast vergat, Bedenkt zich dat, terug in stad, Ze kousen moeten dragen. Jan ziet wat witjes om zn neus, En tuurt strak uit de ramen, Hij weet dat na is wat hem dreigt, Dat, waar hij liefst maar over zwijgt: Het Grieksehe herexamen. Klein Bobje heeft zich zelf getroost, Met 't nieuwe visschersbootje. Hij houdt ’t steeds krampachtig vast, En ziet ’t al, met zeil en mast Thuis varen in het slootje. Slechts Mie is danig in haar schik. ’t Is uit met zich vervelen! Ze ziet zich, aan den arm van Joop, Vanavond in de bioscoop. Wat kan die zee haar schelen. O. A, CRAMER—SCHAAP dit ziekenhuis pas gebouwd en in gebruik genomen was; de frissche versterkende lucht deed hem begrijpen, dat het ergens aan het strand stond. Hij ging naar een kast, opende de deur en keek erin. Bij het openen ging er een electrisch licht aan. Een stel kleeren, goed geborsteld en geperst, hing er, ook een badmantel en pyama’s. onderkleeren en schoenen, alles zindelijk en netjes. Gifford bekeek het costuum met een beetje verbijstering. Het was van blauw serge, klaarbhjkelijk bijna nieuw; hij kon zich niet herinneren, dat hij het ooit gedragen had. Ook de hoed, die op een plank lag, gaf hem te denken. Het was een gewone, grijs vilten hoed, met een zwart lint. Hij had dikwijls zulke hoeden gedragen, maar deze leek hem onbekend. Het gezicht van de kleeren gaf hem een idee. Hier vond hij een middel om te ontvluchten. Als hij zich kon kleeden eer er iemand binnen kwam, wat kon daar tegen zijn? Hier te blijven beteekende gevangen gezet te worden voor een beslist lange periode. Maar als hij kon ontsnappen en bijv, één maand onbekend ergens verblijven, dan kon hij aan het einde van dien tijd naar zijn vader gaan en zeggen „Kijk eens, Pipa, ik ben genezen. Ik heb er zelf de proef van genomen Ik heb geen druppel sterken drank meer gedronken en ik ben zeker dat ik dien nooit meer zal drinken. Dat laatste ongeval heeft mij op de been geholpen. Laten wij nu niet meer denken aan een sanatorium, maar geef mij werk en let eens op, hoe ik mi) daarin schikken zal.’ Wel een beetje lomp tegenover het gasthuis, dacht Gifford. maar och kom, dat was niet te verhelpen. Zi) vrijheid stond op het spel. Hij stapte binnen in de diepe kast en trok snel de kleeren aan. Terwijl hij dit deed vond hij, dat hij wat magerder was geworden, maar dat kon niet anders na enkele dagen zonder voedsel te hebben doorgebracht. Het overtollig vet was verdwenen en zijn spieren voelden hard en stevig aan. Het kuchje uit de maag voortkomend, veroorzaakt door te veel sigaretten rooken, was verdwenen en opeens bemerkte hij, dat hij niet meer naar tabak verlangde alweer een wonder Hij was nu in een toestand van opgewonden haast. Ieder oogenblik kon er iemand komen om zijn plan te verijdelen. Geheel gekleed, voelde hij instinktmatig naar zijn portefeuille, vond die en keek snel naar den inhoud. Eenige papieren en een bundeltje bankbiljetten. Hij keek niet verder maar was toch verwonderd over de portefeuille zelf. Ook die leek hem onbekend. . . het was een mooie, maroccijnlederen portefeuille, grooter en nieuwer dan hij gewoonlijk had. Er hing een overjas, alweer onbekend. Maar hij had geen tijd om daarover na te denken. Snel deed hij hem aan, zette zijn hoed op en stil door de kamer loopende, ging hij naar het open venster Hij sloop er door, na het scherm even verzet te hebben. Buiten was het donker; niemand in den omtrek. Hij ging door de laan naar de straat en liep op het trottoir in de richting van de stad, waarvan hij de lichten zag. Hij kwam spoedig aan de hoofdstraat, waar hij een monument zag, waarschijnlijk voor een onbekenden soldaat, toen hij de fluit hoorde van een stoomboot. Gifford haastte zich in die richting; dat moest een boot zijn, die aan den steiger kwam, of wel op het punt was te vertrekken. Het laatste was het geval. Gifford kwam aan den steiger, waar een groote passagiersboot lag, die gereed gemaakt werd tot vertrek. Snel liep hij over de loopplank, tot een der beambten aan boord zeggend: „Dat was op het nippertje. Hoe laat komen wij aan ?” „Wij komen in Eastport om zeven uur. mijnheer,’ antwoordde de man (Wordt vervolgd./ 23
PDF
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
26
Tekst
PANORAMA No. 3 5 3 1 AUGUSTUS Oude en Nieuwe Miniaturen Rubens en Toen Rubens eens een 1>z_„ rv'o heerlijke Madonna had voltooid was de nieuwsgierigheid van des meesters leerlingen naar het nieuwe werk zóó groot, dat zij niet rustten, voor zij den knecht hadden overgehaald hen in het atelier toe te laten, nog vóór Rubens hiertoe verlof had gegeven. Ze kwamen echter het atelier zóó onstuimig binnen, dat een hunner tegen het doek viel, waarvan de verf nog nat was, met het gevolg, dat het hoofd en de rechterarm van de beeltenis werden uitgewischt. Nog verschrikter dan de leerlingen was de knecht. Hij sloot de jongelui in het atelier op en verzekerde hen, dat er niemand uitkwam vóór en aleer de schade hersteld was. Wat te doen? De knecht was niet te verbidden, de jongelui wisten geen raad. Eindelijk vatte de jonge Van Dijk de koe bij de horens: met angstige zorg schilderde hij de gehavende partijen bij. zoo goed hij kon. Den volgenden morgen betrad Rubens zijn atelier. Lang beschouwde hij zijn nieuwe werk met kritischen blik. Dan knikte hij tevreden en zei: „Ja, het is mij wél gelukt! Vooral het hoofd en de rechterarm zijn uitstekend!" Wraak Een heer in een restaurant .wenkte den ober, en bestelde biefstuk en gebakken aardappelen. „Alstublieft, meneer," zei de kellner. „En wenscht u ook een kalfslapje met doperwtjes ?** „Nee, merci." „Wat zoudt u zeggen van een mooi kreeftje, of wat oesters bij de biefstuk ?’’ „Nee, merci." „Een uitsmijter misschien, meneer? Of een coupe Jacques ? We hebben ook tong met heerlijke saus..." „Nee, ik bestel toch..." „Misschien hebt u nog paddestoelen noodig, of een kop cacao, cocktail, erwtensoep, melk, zuurkool met spek, cherrybrandy ....’’ De zaalchef, aangeKarei I trokken door het oponthoud, had een deel der offerte afgeluisterd en zei tot den kellner: „Waarom val je dien meneer zoo lastig ?" ,.lk val hem niet lastig," zei de kellner, „ik probeerde hem op zijn gemak te zetten: 't is mijn barbier." COCKTAILS 10 deelen fr. vermouth 10 „ ital. 2 oranje bitter 78 „ gin sterk afkoelen 20 deelen vermouth 50 „ jenever 20 brandewijn citroenschil niet gekoeld (Goede recepten voor Cocktails van onze lezers zullen wij gaarne op deze pagina publiceeren) Vóór de wereld-vlucht. De piloot: „’t Spijt me erg, geachte blinde passagiers, maar een van de heeren zal moeten uitstappen, want ik had zelf ook graag een plaatsje. ’ STEKELTJES Q t Leven dwingt ons om juist dingen, waar we geen liefde voor voelen, voor lief te nemen. Q n Leugen is soms 'n overdrijving van de waarheid, maar dit geldt niet voor de leugens, welke, met betrekking tot 't inkomen, op ’t beschrijvingsbiljet voor de belasting worden ingevuld. q In Amerika zijn sommige steden zóó droog, dat men er de postzegels op de brieven moet spelden. q Wie weet, wat hij wil en slechts wil, wat hij kan en kan, wat hij wil en weet, dat hij kan, wat hij wil — nu, die kómt er wel in ’t leven. q Een liefdadige vrouw is soms een gegoede bedelares, die geeft van het geld van anderen. 24
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11581 tot 11585 van 11897