|
PANORAM A N o. 3 5 3 1 AU G U S T U S
HAMYC fOWLAMD
T
oen hij bij kennis begon te komen, zag Gifford Derring, dat
hij in een omgeving was, die hem tamelijk bekend, hoe
onaangenaam ook voorkwam. De vage lucht van antiseptische
middelen deed hem dadelijk begrijpen waar hij was, nog
eer hij de oogen opende
Alweer wakker! Niet met het gevoel, dat in den oorlogstijd
een weelde en een eer was geweest, maar met een gevoel van
afschuw en schande. Alweer een drinkgelag, een gevecht in een of
anderen bar en dan naar het gasthuis om gerepareerd te worden,
daar opgenomen, omdat hij zoo n prachtig getuigschrift had als
vlieger in den oorlog, ook al om zijn vaders positie en rijkdom.
Gifford, altijd oprecht tegenover zichzelf zooals hij ook tegenover anderen was, zelfs in dronkenschap, moest bekennen, dat er
voor hem geen excuus was. Hij was het type van een stevigen
kerel, gezond van geest en lichaam, behalve dan de gewoonten
uit den tijd, dat slechte gewoonten eigenlijk heelemaal niet zouden
mogen voorkomen. Toen hij uit Frankrijk terugkwam, was hij er
niet slechter aan toe om zijn vijf verwondingen; geheel de wereld
zou voor hem opengaan, als hij maar fatsoenlijk wilde vragen om
de deur te openen.
Er waren in den oorlogstijd opwindende gevechten geleverd,
hoog in de lucht en beneden in de loopgraven, maar er werd ook
vreeselijk gedronken en slecht geleefd; door dat alles was hij
gegaan, van alles genietend, en toch niet geheel ten onder gebracht.
En toen was hij als een verloren zoon tot zijn trotschen, triomfantelijken vader terug gekeerd om daarna alles te bederven door
een losbandig leven. De lofprijzingen waren langzamerhand minder
en minder geworden. Vrienden, waardig dien naam te dragen,
hadden zich, verstoord en gekwetst, teruggetrokken. En ten laatste
was het strenge ultimatum van zijn vader, wiens vaderlijken trots
hij vernietigd had, gekomen: hoop was er nog maar weinig, de
liefde was verdwenen.
„Het is geen bedreiging of waarschuwing, Giff,” had hij gezegd,
„maar een maatregel, dien ik gedwongen ben te nemen om je toekomst en misschien zelfs je leven te redden. Wij moeten nu eens
dien vicieuzen cirkel verbreken, waarin je je bevindt, sedert je uit
Europa terug gekomen bent. ... of waarin je misschien al verward
was voor je vertrek. Nog eens zoo n drinkpartij, waardoor je in
het gasthuis te land komt en onverbiddelijk breng ik je naar een
sanatorium voor minstens een jaar.”
En nu was die slag gevallen, dacht Gifford, toen hij het kale,
zindelijke vertrek bekeek, waarin hij zich bevond. Daar was hij
weer tot bewustzijn gekomen met dien hatelijken reuk in zijn neus
en die gehate muren om hem heen. Weldra zou zoo n vervelende
oppasser binnen komen om beleefd te vragen, hoe hij zich voelde,
en als die gevoelens minder goed waren, ze op de gewone manier
te verbeteren.
Gifford kon zich hoegenaamd niets herinneren van een vechtpartij of iets dergelijks waardoor hij in het gasthuis was gekomen.
Eigenlijk wilde hij het niet voor zijn geest halen. Het onmiddellijke
verleden was als in een nevel verborgen en hoe langer het erin
bleef, des te beter was het voor zijn gemoedsrust. Maar toen het
bewustzijn geheel terugkwam met hetgeen leek een eigenaardig,
volmaakt herstel van zijn zintuiglijke waarnemingen, ontdekte hij,
dat zijn tegenwoordige toestand volkomen verschillend was van zijn
vroegere, dikwijls voorgekomen ontwakingen uit bewusteloosheid.
In plaats van een akelige neerslachtigheid van lichaam en geest,
een ondraaglijke walging en gespannen zenuwen, die schreeuwden
om ’n kalmeerend middel, was hij verwonderd in zich een absoluut
welzijn te voelen. In plaats van de gewone vreeselijke gevolgen
van losbandigheid, voelde hij zich krachtig en verfrischt als na een
diepen, gezonden slaap. Zijn hoofd was een beetje suffig en deed
hem pijn, maar behalve dat kon hij zich niet herinneren, dat hij
over het algemeen zich ooit welvarender had gevoeld.
Daar begreep hij niets van. Misschien had hij een soort van
crisis doorgemaakt, waarna hij uren en uren lang in een gezonden,
versterkenden slaap was gezonken geweest. Of misschien had de
een of andere specialist een nieuw middel uitgevonden, een wonderlijk
levenselixir, dat een man van binnen en van buiten reinigde, zijn
in
te
en
en
te
organisch en zenuwgestel en zijn andere vermogens vernieuwde
en herstelde, terwijl hij bewusteloos terneer lag. Wat dan ook de
reden kon zijn, Gifford voelde zich als nieuwgeboren.
Zijn tweede ontdekking was niet minder verwonderlijk. Hij
voelde een reusachtigen honger en niet de minste neiging om te
drinken. De gedachte aan alcohol in welken vorm ook gaf hem een
walging. Alles, wat hij verlangde was een bad, gelegenheid om
zich te scheren en een stevig ontbijt. Daarna meende hij, zou hij
de gelegenheid moeten zijn om op welke wijze ook beweging
nemen om dat drukkende gevoel uit zijn hersens te verwijderen
zijn bloed sneller te doen vloeien
Er kwam een geruisch aan de deur. Gifford sloot de oogen
deed alsof hij sliep, in de hoop op deze wijze eenige verklaring
krijgen van wat er toch met hem gebeurd was. Door zijn donkere
oogharen zag hij een verpleegster binnenkomen, gevolgd door eer.
dame in wandelcostuum. Dat maakte een vreemden indruk op hem
Bij vroegere gevallen van dat soort was het een verpleger, Jim
of Jack of Harry. .. . goede flinke kerels, die hem wel eens wat
hard aanpakten.
De zuster kwam aan zijn bed en voelde zijn pols. De dame
bleef een oogenblik naast haar staan, waarschijnlijk naar hem kijkend
Vaag zag Gifford haar rok en een gedeelte van haar lichte kousen
Lieve hemel, wat kwam een vrouw, die geen verpleegster was, in
zijn kamer doen en waarom stelde zij belang in hem?
Zij ging naar het venster en ging daar in een leuningstoel
zitten. De zuster volgde haar en bleef naast haar staan, naar buiten
kijkend. Het was nog licht genoeg voor Gifford om van terzijde
het profiel der dame te bestudeeren en hij dacht bij zichzelf, dat
hij nooit zoo’n lief gelaat had gezien
„Geen verandering?” vroeg zij.
„Zijn pols is een heeleboel krachtiger, antwoordde de verpleegster. „Dat is een goed teeken. Vóór morgen zal er wel verandering komen ”
„Een goede verandering?” De stem van de dame was ongeduldig
Gifford verwonderde zich daarover
„Dat is te verwachten. Ik heb nooit zulk een geval gezien
maar, alle gevallen, wat het hoofd betreft, zijn verschillend. Dokter
Smith zelf erkent, dat hij er niets van begrijpt. Een poos leek het
catalepsis, maar sedert de laatste vier en twintig uur is het meer
een natuurlijke slaap. Ik wil geen hoop geven, waar die niet zou
bestaan, maar me dunkt, dat hij spoedig tot bewustzijn zal komen
„En dan?”
„Dan kan het gaan als bij andere gevallen, dat de hersens een
schok hebben doorstaan. Er is geen breuk, dus zal het herstel meer
of minder snel en volkomen zijn. In het begin een beetje verbijstering,
maar dan zullen de geestvermogens helder worden. Hij is zeer
krachtig en zonder drinkgewoonten, die hem benadeelen konden
„Neen,” zei de dame, „hij heeft geen druppel alcohol in de
laatste zeven jaar gebruikt,”
„Dat klopt niet,” dacht Gifford. Die twee vrouwen waren
zeker in een verkeerde kamer gekomen. Of misschien was, hetgeen
hem overkomen was, gebeurd in een van die opwellingen van
wilskracht, als hij eenige dagen doorbracht zonder drank; misschien
had
dus
zijn
kon
hij dan die dame ontmoet en haar wat voorgelogen. Hij was
in een ziekenhuis en niet in een sanatorium. Gifford spande
hersens in om zich iets te herinneren, wat er toch gebeurd
zijn, waar en wanneer; maar het was een ijdele poging
Hij bleef stil liggen, hopende nog meer te hooren. Hij bemerkte,
de verpleegster niet het gewone costuum droeg, maar een wit
linnen japon, iets dat een hoogeren rang aanduidde. Toen de dame
in den stoel zich een weinig ter zijde wendde, begon Gifford s pols
feller te kloppen. Hij had nog nooit zoo n schoon gelaat gezien'
Haar geheele voorkomen gaf een soort van bevalligheid, vermengd met kracht te kennen, die toch ook zacht was en op dit
oogenblik onderdrukt scheen te zijn. Zij leek ver in de twintig.
Op dat oogenblik stond zij op en bleef door het venster kijken,
daardoor aan Gifford een gestalte te zien gevend, die slank en
toch gevuld, lenig en fijn gevormd was
Hij kon niet hooren. wat zij zei. want er kwam juist een kar
dat
21
|