|
Indrukken en
door
Joh. de Meester. XIII.
R
uim twintig jaar geleden is te Londen
een Engelsch boek verschenen, dat
een nieuw pleidooi voor Rousseau
was. Subjectief, als in immers veel
vrouwen-critiek, beweerde Mrs. Frederika
Macdonald te veel, daar zij den lezer wou
doen gelooven, dat op haar held niets viel
te zeggen. Doch zij bracht een ontdekking
aan het licht, gedaan te Parijs, in boekerijen
en welke ook daar nu móest worden aanvaard. In 1818 zijn te Parijs de Mémoires
verschenen van Mme d'Epinay, een beschermster van den schrijver, die hem in 1756, toen
hij zich te Genève wilde vestigen, de Ermitage
te Montmorency aanbood, welke hij ruim twintig
jaar bewoond heeft, waarna hij het huisje in ruzie
verliet. Niets heeft meer er toe bijgedragen om
voor de menschen van omstreeks 1820 den „deugdzamen”
Rousseau van vroeger in een dwaas, een cynicus en een kwaaddoenden menschenhater te doen veranderen, dan de gedenkschriften
van haar die hem had beschermd. En zie, een groote eeuw later
heeft eene vreemdelinge in de handschriften van twee Parijsche
boekerijen moeten snuffelen om aan het licht te brengen, dat het
handschrift dezer gedenkschriften was vervalscht! Een groot gedeelte is van een andere hand, er is aan gescheurd en bijgeplakt ! Mrs. Macdonald beschuldigt Baron Frédéric Melchior
Grimm, die de minnaar van Mme d'Epinay is geweest, van deze
snoodheid, volvoerd na haar dood, in overleg met en geholpen
door Diderot.
Rousseau’s Confessions wemelen van klachten over de „samenzwering” tegen hem van zijn tijdgenooten-schrijvers, de mannen
der Encyclopédie. Het schijnt wel zeker, dat Rousseau, zoo niet
aan vervolgingswaanzin, dan toch aan inbeeldingen heeft geleden,
die hem ongelukkig maakten. Doch dit deed ook de werkelijkheid:
de levensgezellin van den fantastischen melancholicus, haar moeder
en een aantal van de „vrienden” de „kameraden”, dus . . . mededingers, onder wier aanhitsing beide vrouwen veel leelijks uitgehaald hebben tegen den zenuwzieken huisgenoot.
Rousseau’s gansche leven was een roman, even verassend als
zijn geschriften. Zijn vriendinnen of beschermsters, met Mmc de
Warens te beginnen, zijn allen zeer curieuse gestalten, jegens wie
hij vaak ondankbaar geweest is. Verder is er de vijandschap, de
concurrentie die voerde tot haat, welke met Voltaire begon.
En daarnaast of daartegenover bestond de eigenaardige bescherming, welke deze groote geest van hoogadellijke rijkaards ontving
hoewel de Revolutie voor niet weinig door zijn hartstochtelijke
welsprekendheid is geïnspireerd.
Nóg voelt men hiervan bevreemding, wanneer men Ermenonville bezoekt, waar Rousseau gestorven is. Hij is er in April
gekomen en den 3en Juli overleden. En altijd nog, jaar op jaar.
bezoeken honderden, niet het minst vreemdelingen, dit dorp, dit
landgoed — om Rousseau. Laat het sleur zijn, naaperij: men komt
om het eilandje met de peppels te zien, waar hij begraven is. . .
geweest. Want nadat hij er in 1778 was begraven, heeft een wet
in 1794 het overbrengen van zijn stoffelijk overschot naar het
Panthéon te Parijs bevolen. Nochtans heeft de heugenis van den
wijsgeer Ermenonville in 1815 beveiligd voor de wreedheden der
verbonden mogendheden. Nu woont er een prins Radziwill. Vijf
en twintig jaar voordat de markies de Girandin gastvrijheid aan
Rousseau zou bieden, dus in 1763, heeft deze hier zandgrond en
moeras gekocht, waarvan hij een groot park deed maken, niet in
den toen al te lang en teveel nagebootsten stijl van Le Nötre.
doch naar logischen trant, zoo „natuurlijk” mogelijk. Rousseau’s
theorie over „terugkeer tot de natuur” moest er in den practijk gebracht worden.
Niet ver van Ermenonville, ook midden in het bosch, ligt het
landgoed Chaalis, waar weer een ander zijriviertje van de Oise.
de Aunette. verrassingen brengt, inzonderheid twee mooie vijvers.
PANORAMA N o. 3 5 3 1 AU G U S T U S
ZEBRA'S.
Hier bevindt men zich in vérgaande oudheid. In de twaalfde eeuw
heeft Koning Lodewijk de Dikke er een abdij gesticht, met de
kerk, waarvan de ruïne thans nog een proeve van toenmalige
spitsbogenstijl geeft. Verscheidene groote mannen o.a. Tasso hebben in de abdij vertoefd.
Nadat er in de 19e eeuw een prins Murat had gewoond, die
het park uitbreidde en verfraaide, is Chaalis voor iets meer dan
een millioen franken in 1902 gekocht door een niet-adellijke weduwe
mevrouw André geboren Jacquemark. Naar het voorbeeld van den
hertog van Aumale met Chantilly gegeven, schonk deze kunstzinnige rijke Chaalis aan het Institut de France. In het 18eeeuwsch
kasteel, waarvan men niet veel anders kan zeggen dan dat het
groot is, heeft zij een werkelijk museum aangericht, waardoor het
belangwekkender dienst kreeg. Vóór het kasteel is een karakteristiek-Fransche „parterre'
Talrijke tochten kan men in al deze bosschen maken en er
een eindpunt voor kiezen met min of meer belangwekkende historische herinnering. Niet ver van het dorp Fleurines, dat een open
plek vormt in het bosch van Holotte, ligt op een heuvel het gehucht Saint-Christophe waar de eerste Fransche koningen een
jachthuis hadden. Wellicht is tot hen het gebruik terug te brengen,
nog jaarlijks in November op het landgoed van den graaf de Valon
herhaald, om de jachthonden te doen zegenen: curieuze bestendiging eener grands-seigneurs-gewoonte in dezen democratische tijd!
Op een ander landgoed bleek de ruïne van een 12e eeuwsche
abdij te zien, met 13e eeuwsch schilderwerk en een mooi beeld
van Christophoris uit de XVIe eeuw. „S’adresser au conciërge”,
leerde de gids; wat we deden, een fooi in de hand. Doch nauwelijks stonden we voor dat beeld, of als karwatsstriemen kwamen
de verwijten op ons neer van een toch blijkbaar deftige, niet meer
jonge, knappe vrouw. Wij hadden haar op eenigen afstand terzijde van het huis aan de theetafel gezien en kieschheidshalve niet
gegroet.
Hoe we het waagden op haar landgoed te komen! Den conciërge? Hem was verboden, wien ook toe te laten! We moesten
mee en ja, de man bekende ons de gevraagde vergunning gegeven
te hebben. Als een furie dreigde madame met zijn ontslag. Wij
vroegen nu excuus voor hem.
Een vernietigende blik was het antwoord.
Doch hierop kwam de vernuftigste uit ons gezelschap met
den „Guide Bleu” voor den dag; in dezen reisgids stond
vermeld, dat de ruïne was erkend als „van Openbaar Nut”
te zijn.
Wat gaat mij dat aan, meneer ?
Maar mevrouw, ik meen dat ruïnes, erkend ais van Openbaar Nut, voor iedereen toegankelijk zijn.
Toen kwam op een toon van het diepst dédain dit waarlijk
kostelijke antwoord:
Hoe zoudt u kunnen denken, Meneer, dat ik mij zou storen
aan wetten door ces messieurs de Paris gemaakt?
En Frankrijk noemt zich republiek !
17
|