Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11576 tot 11580 van 11897
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
17
Tekst
P A N O R A M A No. 3 5 3 1 A U G U S T U S m flnze ///•eQv ‘verpröjigsmode _ m' Zeviifcus Deze mantel van crêpe Zèlanya en beige vos, geeft tot in de détails een duidelijk beeld van de silhouet, welke in het aanstaande seizoen mode zal zijn. D e mode is telkens gedurende een zeker tijdsbestek gebaseerd op één grondgedachte. Een dergelijk principe, dat aanvankelijk een verrassende openbaring lijkt, wordt doorgaans met enthousiasme erkend, verheerlijkt en verfijnd, doorgevoerd tot in het excessieve en eindeloos gevarieerd, totdat het op een vrij onverwacht moment blijkt zichzelf te hebben overleefd snel en roemloos verdwijnt en opgevolgd wordt door een nieuwe idee, welke in wezen veelal niets anders is dan de absolute tegenstelling van de vorige. In wezen, maar naar den uiterlijken schijn niet onmiddellijk als zoodanig te herkennen; want de modedictatoren, die allen min of meer psychologen zijn, beseffen zeer wel, dat een zoo flagrant contrast met al hetgeen tot voor kort en vogue was, niet geaccepteerd zou worden. Er ontstaat dan een overgangsmode, zooals we b. v. op het oogenblik zien. De bijna spreekwoordelijk-geworden „rechte lijn,” die in meer dan één opzicht „door dik en dun” gedragen is, heeft definitief afgedaan: de knievrije rok met zijn begeleidende verschijnselen als Eton erop e. d., waaraan vele vrouwen — niet geheel terecht overigens — meenden, haar Namiddagtoilet van lichtgroene en zwarte motré-zijde, hoed en tasch van zwarte velours panne. jeugdige allure te moeten danken, is volkomen démodé; girl-, gamine- en garconnetypen zijn plotseling spoorloos verdwenen. De couturiers en hunne trawanten, kappers en bottiers — eensgezind en als verbonden door een ongeschreven verdrag — zouden niets liever willen, dan nu een geheel ander Zwart-wit ensemble van crêpe romain met apenhaa. 15
PDF
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
18
Tekst
P A N O R A M A N o. 3 1 A U G U S T U S vrouwen-typen te crëeren, een vrouw, met de pompeuze gratie van lange rokken en zorgvuldige draperieën, met een kapsel, dat wat meer fantasie toeiaat dan bob en shingle. en met schoeisel, dat weer eens wat afwijkt van de sedert lang souvereine pumps, sandalettes en Richelieu-modellen. De modeontwerper wikt en Madame beschikt, en zoo zullen wij wel niet plotseling sleepjaponnen dragen, lange lokken en chignons, maar wél laten wij ons voorloopig quasidociel leiden langs lijnen van ongeleidelijkheid en de charmante omwegen van een nieuwe, orgmeeie overgangsmode. Zoo is de mode dit najaar m een tusschenphase, die het allerbeste van de voorafgaande periode behield, en daarbij alle actueele attractie heeft van het volkomen nieuwe. Het meest typeerende kenmerk van de komende herfst- en wintermode is de, ,,noch nie dagewesene” silhouet, welke voor mantels en mantelcostuums, voor de eenvoudigste jurken en de meest éclatante avondtoiletten, behoudens enkele variaties, nagenoeg dezelfde is. Het heupgedeelte van bijna alle modellen is strak en geheel aansluitend. terwijl het bovendeel — dat eindelijk weer op de normale taillehoogte begint — soepel van lijn is; de contouren worden vervaagd door wapperende écharpes, kleine capes en boléros. Wat den rok betreft, zou men met een variant op Voltaire kunnen zeggen: ..tous les genres sont bon, hors le genre symétrique”; eenzijdig aangebrachte panneaux, onregelmatige volants en dergelijke garnituren accentueeren de capricieuse roklijn. Om het effect van het geserreerde middengedeelte, het meest karakteristieke van deze silhouet nog te versterken, completeeren vele couturiers hunne japonnen met een kort jasje, dat tot even over de heupen reikt. Voor ’s morgens zijn deze jasjes doorgaans van wollen jersey of van geschoren fluweel, voor den namiddag van satijn, bij voorkeur in wit of zwart, bij avondtoiletten van gepailleteerde tulle, van brokaat, lamé en van hermelijn, van edele of van minder edele origine. Zooals door den langeren rok en de hoogere taillelijn de proporties van de figuur in haar geheel veranderd lijken, zoo schijnen ook door de nieuwe hoedenmode de vorm en de verhoudingen van het gelaat anders geworden. Het zijn niet zoozeer de hoeden zelf, die een zoo totaal anderen indruk maken, het is vooral de manier, waarop ze gedragen worden. Tot voor korten tijd verdween een deel van het gezicht mee in den hoed, hetgeen een bekend Fransch mode-expert deed zeggen, dat wij een hoed opzetten beter gezegd: ..aantrekken” — als een schoen, ..trekken, trekken, zoo diep mogelijk”; en hij maakte er de weinig vriendelijke opmerking bij, dat. als de meeste vrouwen niet zoo vreeselijk ontechnisch waren, er zeker zooiets als een schoenenhoorn bij te pas zou komen. Heelemaal ongelijk had hij niet: met de grootste zorgvuldigheid hebben wij jarenlang onze coiffure tot en met het laatste haartje, mitsgaders voorhoofd, wenkbrauwen, slapen en ooren in onzen hoed verstopt, — totdat we nu plotseling met een revolutionnaire beweging ons hoofddeksel een flink eind achteruit schuiven. Door deze enkele geste wordt ons gelaat meer ovaal en markanter van lijn. Doordat de bol van den hoed nu niet zoozeer om de kruin als wel om het achterhoofd sluit, ontstaan allerlei nieuwe modellen, die aan kapjes en mutsjes doen denken, o.a. het model, dat men in Parijs een exotisch tintje geeft, door het als ,,coiffe a la hollandaise” te introduceeren, terwijl het voor den export naar Nederland van het étiquet „modèle a la bretonne” wordt voorzien. Overigens worden er ook grootere hoeden gedragen, met van achteren of aan een der zijkanten een vrij breede rand. Ook hier is asymétrie het parool, Wij dragen in het komende seizoen: .... sportieve morgenjurkjes, met een noot van vrouwelijke verfijning: een wit crêpe de chine garnituurtje of een bloemig sjaaltje .... .... namiddag- en avondjaponnen, die tegelijk kort en lang, nauw en wijd zijn ... .... hoeden, welke schijnbaar naïef, inderdaad echter zeer geraffineerd van vorm zijn ... . .. . sterk contrasteerende kleuren combinaties, als zwart-wit, marinerood, geel-groen, turkoois-zwart.... .... veel stoffen, die effen van kleur zijn, maar in weefsel genuanceerd, zooals zweed, moiré, velours frappé .... ... een paradoxale en belangwekkende mode, die Madame—1930 de gelegenheid geeft, haar individualiteit en goeden smaak op velerlei wijze te uiten. Dat de Parisienne genegen is, ook reeds in den middag veel langere japonnen te dragen, bewijzen deze twee modellen: een zwarte crêpe Georgefte robe met appliques en ceintuur van zwart moiré, en een mousseline de soie japon, in wit en turkoois-blauw. 16
PDF
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
19
Tekst
Indrukken en door Joh. de Meester. XIII. R uim twintig jaar geleden is te Londen een Engelsch boek verschenen, dat een nieuw pleidooi voor Rousseau was. Subjectief, als in immers veel vrouwen-critiek, beweerde Mrs. Frederika Macdonald te veel, daar zij den lezer wou doen gelooven, dat op haar held niets viel te zeggen. Doch zij bracht een ontdekking aan het licht, gedaan te Parijs, in boekerijen en welke ook daar nu móest worden aanvaard. In 1818 zijn te Parijs de Mémoires verschenen van Mme d'Epinay, een beschermster van den schrijver, die hem in 1756, toen hij zich te Genève wilde vestigen, de Ermitage te Montmorency aanbood, welke hij ruim twintig jaar bewoond heeft, waarna hij het huisje in ruzie verliet. Niets heeft meer er toe bijgedragen om voor de menschen van omstreeks 1820 den „deugdzamen” Rousseau van vroeger in een dwaas, een cynicus en een kwaaddoenden menschenhater te doen veranderen, dan de gedenkschriften van haar die hem had beschermd. En zie, een groote eeuw later heeft eene vreemdelinge in de handschriften van twee Parijsche boekerijen moeten snuffelen om aan het licht te brengen, dat het handschrift dezer gedenkschriften was vervalscht! Een groot gedeelte is van een andere hand, er is aan gescheurd en bijgeplakt ! Mrs. Macdonald beschuldigt Baron Frédéric Melchior Grimm, die de minnaar van Mme d'Epinay is geweest, van deze snoodheid, volvoerd na haar dood, in overleg met en geholpen door Diderot. Rousseau’s Confessions wemelen van klachten over de „samenzwering” tegen hem van zijn tijdgenooten-schrijvers, de mannen der Encyclopédie. Het schijnt wel zeker, dat Rousseau, zoo niet aan vervolgingswaanzin, dan toch aan inbeeldingen heeft geleden, die hem ongelukkig maakten. Doch dit deed ook de werkelijkheid: de levensgezellin van den fantastischen melancholicus, haar moeder en een aantal van de „vrienden” de „kameraden”, dus . . . mededingers, onder wier aanhitsing beide vrouwen veel leelijks uitgehaald hebben tegen den zenuwzieken huisgenoot. Rousseau’s gansche leven was een roman, even verassend als zijn geschriften. Zijn vriendinnen of beschermsters, met Mmc de Warens te beginnen, zijn allen zeer curieuse gestalten, jegens wie hij vaak ondankbaar geweest is. Verder is er de vijandschap, de concurrentie die voerde tot haat, welke met Voltaire begon. En daarnaast of daartegenover bestond de eigenaardige bescherming, welke deze groote geest van hoogadellijke rijkaards ontving hoewel de Revolutie voor niet weinig door zijn hartstochtelijke welsprekendheid is geïnspireerd. Nóg voelt men hiervan bevreemding, wanneer men Ermenonville bezoekt, waar Rousseau gestorven is. Hij is er in April gekomen en den 3en Juli overleden. En altijd nog, jaar op jaar. bezoeken honderden, niet het minst vreemdelingen, dit dorp, dit landgoed — om Rousseau. Laat het sleur zijn, naaperij: men komt om het eilandje met de peppels te zien, waar hij begraven is. . . geweest. Want nadat hij er in 1778 was begraven, heeft een wet in 1794 het overbrengen van zijn stoffelijk overschot naar het Panthéon te Parijs bevolen. Nochtans heeft de heugenis van den wijsgeer Ermenonville in 1815 beveiligd voor de wreedheden der verbonden mogendheden. Nu woont er een prins Radziwill. Vijf en twintig jaar voordat de markies de Girandin gastvrijheid aan Rousseau zou bieden, dus in 1763, heeft deze hier zandgrond en moeras gekocht, waarvan hij een groot park deed maken, niet in den toen al te lang en teveel nagebootsten stijl van Le Nötre. doch naar logischen trant, zoo „natuurlijk” mogelijk. Rousseau’s theorie over „terugkeer tot de natuur” moest er in den practijk gebracht worden. Niet ver van Ermenonville, ook midden in het bosch, ligt het landgoed Chaalis, waar weer een ander zijriviertje van de Oise. de Aunette. verrassingen brengt, inzonderheid twee mooie vijvers. PANORAMA N o. 3 5 3 1 AU G U S T U S ZEBRA'S. Hier bevindt men zich in vérgaande oudheid. In de twaalfde eeuw heeft Koning Lodewijk de Dikke er een abdij gesticht, met de kerk, waarvan de ruïne thans nog een proeve van toenmalige spitsbogenstijl geeft. Verscheidene groote mannen o.a. Tasso hebben in de abdij vertoefd. Nadat er in de 19e eeuw een prins Murat had gewoond, die het park uitbreidde en verfraaide, is Chaalis voor iets meer dan een millioen franken in 1902 gekocht door een niet-adellijke weduwe mevrouw André geboren Jacquemark. Naar het voorbeeld van den hertog van Aumale met Chantilly gegeven, schonk deze kunstzinnige rijke Chaalis aan het Institut de France. In het 18eeeuwsch kasteel, waarvan men niet veel anders kan zeggen dan dat het groot is, heeft zij een werkelijk museum aangericht, waardoor het belangwekkender dienst kreeg. Vóór het kasteel is een karakteristiek-Fransche „parterre' Talrijke tochten kan men in al deze bosschen maken en er een eindpunt voor kiezen met min of meer belangwekkende historische herinnering. Niet ver van het dorp Fleurines, dat een open plek vormt in het bosch van Holotte, ligt op een heuvel het gehucht Saint-Christophe waar de eerste Fransche koningen een jachthuis hadden. Wellicht is tot hen het gebruik terug te brengen, nog jaarlijks in November op het landgoed van den graaf de Valon herhaald, om de jachthonden te doen zegenen: curieuze bestendiging eener grands-seigneurs-gewoonte in dezen democratische tijd! Op een ander landgoed bleek de ruïne van een 12e eeuwsche abdij te zien, met 13e eeuwsch schilderwerk en een mooi beeld van Christophoris uit de XVIe eeuw. „S’adresser au conciërge”, leerde de gids; wat we deden, een fooi in de hand. Doch nauwelijks stonden we voor dat beeld, of als karwatsstriemen kwamen de verwijten op ons neer van een toch blijkbaar deftige, niet meer jonge, knappe vrouw. Wij hadden haar op eenigen afstand terzijde van het huis aan de theetafel gezien en kieschheidshalve niet gegroet. Hoe we het waagden op haar landgoed te komen! Den conciërge? Hem was verboden, wien ook toe te laten! We moesten mee en ja, de man bekende ons de gevraagde vergunning gegeven te hebben. Als een furie dreigde madame met zijn ontslag. Wij vroegen nu excuus voor hem. Een vernietigende blik was het antwoord. Doch hierop kwam de vernuftigste uit ons gezelschap met den „Guide Bleu” voor den dag; in dezen reisgids stond vermeld, dat de ruïne was erkend als „van Openbaar Nut” te zijn. Wat gaat mij dat aan, meneer ? Maar mevrouw, ik meen dat ruïnes, erkend ais van Openbaar Nut, voor iedereen toegankelijk zijn. Toen kwam op een toon van het diepst dédain dit waarlijk kostelijke antwoord: Hoe zoudt u kunnen denken, Meneer, dat ik mij zou storen aan wetten door ces messieurs de Paris gemaakt? En Frankrijk noemt zich republiek ! 17
PDF
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
20
Tekst
PANORAMA N o, 3 5 3 l A U G (J S T U S door R. C.MARTIN S edert Reginald Lewin met de mooie Mabel Ascot was getrouwd, voelde hij zich ongelukkig, en zulks kon ook bezwaarlijk anders. Ik wil daarmee niet zeggen, dat iedere man, die met een mooi meisje huwt, beslist ongelukkig moet zijn; maar wel, dat een man, die een jaloerschen aard heeft, beter de levensreis kan aanvaarden met een dier meisjes, waarvan haar vriendinnen zeggen: „Och, ze heeft toch wel een vriendelijk karakter. En Reginald Lewin was ontegenzeglijk jaloersch. In zijn hart betreurde hij de tijden, toen een man zijn vrouw desnoods altijd binnenshuis kon houden. Hij kon eenvoudig niet verdragen, dat een andere man naar zijn vrouw keek. Hij had haar toegestaan lid van een tennisclub te worden, op voorwaarde dat zij nooit in de avonduren zou spelen. Alleen ’s middags, wanneer de mannelijke jongelui hun bezigheden in de city hadden, kon zij het tennisveld bezoeken. Mabel zelf, na vele vruchtelooze pogingen om haar man te veranderen, berustte tenslotte in het onvermijdelijke. Zekeren morgen zag Mabel op van haar brieven — hij had haar moeten toestaan zelf haar brieven te openen, op voorwaarde dat hij die later ook las en zei: „Kate Saunders schrijft me, dat zij al haar oude vriendinnen heeft uitgenoodigd voor een tuinpartij, die zij Woensdagmiddag geeft. Zij vraagt of ik ook kom en den nacht overblijf. Wil je ’n middagtrein naar Barnet voor mij opzoeken, Reg ? Ik zal haar schrijven, dan komt ze me afhalen.” „Dat is erg jammer/’ zei Reginald, „ik kan me van kantoor niet vrijmaken vóór vijf uur.” „Maar Reggie, ?t is een damespartijtje. Er zijn geen heeren, dus jij bent niet gevraagd. Vind je ‘t erg om Woensdag alleen te dineeren?” „Laat me dien brief eens zien/’ „Deze nu maar niet, Reggie. Kate schrijft een en ander strikt privé, weet je.” Mabel dacht aan een passage uit den brief: „Breng alsjeblieft je man niet mee, Mabel. Reggie is een beste man, maar zoo ónmogelijk jaloersch. En als ik hem vraag, moet ik de andere heeren ook vragen. De eenige man, waar Reggie jaloersch op zou kunnen zijn is mijn vader, en hij is zeventig, ofschoon nog gevaarlijk aantrekkelijk.” Reginald drong niet verder aan den brief te zien, maar staarde naar de boterham op zijn bord, of het ’n gevaarlijke mededinger was. „Zoek je dan ’n trein voor me op, Reggie?” „Natuurlijk,” antwoordde Reginald iets te kort. Woensdagmorgen was Mabel in een buitengewoon goed humeur, en Reginald beschouwde dat als een zeer verdacht teeken. Was zij onrustig geweest dan zou hij dit verklaard hebben als de uiting van een ongerust geweten, en het ook verdacht gevonden hebben. „Dus je gaat dan met den trein van drie uur. dien ik voor je opgezocht heb? En denk er om dat je derde klasse reist.” „Derde ? Waarom ?” „Omdat de derde klasse meestal goed bezet is, en ik houd er niet van, dat dames reizen in vrijwel leege eerste of tweede klas coupés.” Mabel leek het verstandiger maar niets te zeggen. Maar Reggie vatte dat ook als een protest op. „Je moest blij zijn als je man zoo om je welzijn denkt,” mopperde hij, „maar je respecteert het niet.” Den geheelen morgen op kantoor moest Reginald aan de opgewektheid van zijn vrouw denken. Dat was beslist verdacht. Als zij hem ’s avonds kwam afhalen, was zij nooit zoo opgewekt, meende hij. En de beschouwing, die zijn compagnon toevallig dien morgen over de moderne vrouw ten beste gaf, verbeterde zijn stemming niet. Een typiste had bericht van verhindering wegens ziekte gezonden, en de compagnon zei: „De vrouwen zijn gedemoraliseerd sedert den oorlog. Zenden bericht dat zij griep hebben. Natuurlijk een uitstapje met een of anderen jongeman. Wanneer ik denk aan de ontaarding en immoraliteit der tegenwoordige vrouwen, vrees ik voor de toekomst van dit land.” Naarmate de morgen verliep, werd Reginald Lewin opgewondener, en tegen twaalf uur kon hij het niet meer houden. Hij gegebruikte zijn lunch en zocht toen zijn compagnon op, om te zeggen dat hij dien middag niet op kantoor kwam. Daarna liep hij straat op en bedacht, hoe hij het probleem kon oplossen, zijn vrouw te volgen zonder dat deze het bemerkte. Want zag zij hem aan het station, dan zou zij begrijpen dat hij jaloersch was, en een jaloersch echtgenoot kan nu eenmaal niet verdragen voor jaloersch aangezien te worden. Toen vlamde in Reginald’s scherpzinnig brein plotseling een idee op: hij zou zich vermommen om aldus ongemerkt zijn de JAMES WATT. Op 25 Augustus was het 110 jaar geleden, dat James Watt, die beroemd werd door zijn uitvindingen en verbetering van de stoommachine, stierf. vrouw de heeie reis te kunnen volgen. Onmiddellijk begaf hij zich naar een winkel van theaterbenoodigdheden en consulteerde den winkelier over een geschikte vermomming. ..Moet plotseling wat particulier detective-werk doen/' verklaarde hij gewichtig. ,/tIslastig, meneer/’ zei de verhuurder, „wij prepareeren hoofdzakelijk voor het tooneel, en schmink verraadt zich teveel in daglicht. LI heeft nogal scherpe trekken. Ik zou adviseeren een baard met bakkebaardjes, een bril, en in het gezicht kunnen we dan hier en daar wel een trek bijmaken, ’t Zal u het voorkomen van een oud mannetje geven. Misschien juist geschikt voor uw doel!” Reginald inspecteerde zichzelf in den spiegel toen hij klaar was, en verklaarde het geheel bevredigend. „Maar, meneer,” zei de winkelier, „LIw kleeren zijn niet geschikt. Veel te nieuw. Ik heb hier nog een jas en vest voor u; een beetje versleten; juist geschikt. Uw broek kunt u wel aanhouden.” Hij was nu precies een bejaard werkman, en beslist niet te herkennen. „Hoe laat sluit u?” vroeg hij. „Zes uur, meneer.” „Om vijf uur ben ik terug. Bewaar zoolang mijn jas en vest.” Hij betaalde en verbaasde iedereen op straat door den Hinken draf, dien hij er, ondanks zijn grootvaderlijk voorkomen, in zette. Aan het station kocht hij een kaartje en wachtte ongeduldig op zijn vrouw. De trein stond gereed; menigeen keek meer dan verwonderd naar het aal-vlugge oude kereltje. Op het laatste oogenblik stoof zijn vrouw het perron op en stapte in een derde klas coupé. Reginald was onmiddelijk achter haar en stapte in hetzelfde compartiment. Het bleek stampvol te zijn. 18
PDF
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
21
Tekst
„Hier dame, neemt u mijn plaats maar.' zei een man met een verfpot. „Dank u,” zei Mrs. Lewin, „maar mij dunkt dat deze oude heer beter kan gaan zitten.’ „Hé, ouwe papa: ga zitten! Hoor je je niet wat die dame zegt?” Eenigzins onwillig ging Reginald zitten. Zijn vrouw stond nu vlak vóór hem. „LI ziet er ook nog jong uit, dame,” zei de verfpot-heer, onmiskenbaar bewonderend. „Maar we worden toch eens oud,” antwoordde Mrs Lewin, om maar iets te zeggen. „U nog in geen veertig jaar, dame,” haastte zich de galante weer op te merken. Aan een tusschenstation verlieten eenige reizigers den trein, en allen konden nu zitten. Niemand sprak tot zijn vrouw. Eenige stations vóór Barnet stapte een bejaarde, gezette vrouw met een grooten mand in den coupé. Zij nam plaats tegenover Reginald en begon hem onmiddellijk strak aan te zien. Geen oogenblik wendde zij haar oogen van hem af. Hij begon zich minder op zijn gemak te voelen; een vage angst bekroop hem dat een bakkebaard had losgelaten, of zijn pruik scheef zat. Zoo intens werd haar staren, dat hij zijn vrouw bijna vergat ; en ’t was hem een opruiming, toen de trein in Barnet stopte. Zijn zending schoot hem weer te binnen en hij stapte uit. Op het peron zag hij, dat zijn vrouw werd opgewacht door Kate Saunders en nog eenige vriendinnen. Tenslotte bleek de heele zaak dan toch van onschuldigen aard. Hij besloot aanvankelijk op het perron te wachten op een teruggaanden trein. Maar de vrouw met de mand bleef hinderlijk dicht in zijn nabijheid. Dan maar het station verlaten en een straatje omgeloopen Hij verliet het station even voor zijn vrouw. Bij den uitgang stond een politieagent die onverschillig de aankomenden monsterde. Toen hij den agent wilde passeeren, schoot de dame met de mand plotseling naar voren en greep den politieman bij den arm. „Agent, pak dien vent daar! Hij is mijn man, Luke Cobbold. Heeft me tien jaar geleden verlaten, de schobbejak, en mij met zeven kinderen laten zitten. Nooit een cent betaald. Er loopt nog een vervolging tegen hem1” De vrouw sprak niet zeer zacht, zoodat oogenblikkelijk zich een groep belangstellenden rond het drietal had geschaard. Reginald stond stom van ontzetting. „Wat heeft u daarop te zeggen ?” vroeg de agent. „Ik,-ik weet van niets,” stamelde Reginald op den meest schuldigen toon. „Hij weet van niets, de lieverd,” schimpte Mrs. Cobbold; „of ik hem niet kennen zou aan z’n bakkebaarden.” De met de vertoornde dame meevoelende menigte werd dichter. Reginald begon er over te denken zijn bakkebaardjes af te rukken, maar hij zag zijn vrouw in de nabijheid en bedwong zich. „Er loopt nog een vervolging tegen hem agent,” herhaalde de verlaten echtgenoote; „de schooier, zeven kinderen en zijn vrouw in den steek te laten. „11 moet mee naar het bureau, waarde heer,” besliste de politieman ; „en u ook juffrouw. We zullen dat onderzoeken.” DE DOUCHE ’t Leek Reginald ’t best gewillig mee te gaan, om op het bureau den inspecteur zijn identiteit te onthullen. Hij trok den agent haast vooruit, want hij hoorde zijn veronderstelde vrouw den omstanders een uitvoerig beeld ophangen van zijn echtelijke tekortkomingen. En de opmerkingen van het bijzonder belangstellend auditorium waren voor Renigald niet bepaald vleiend. Op het bureau luisterde de inspecteur geduldig naar het relaas van Mrs. Cobbold. „Nu, wat heeft u daarop te zeggen ?” „Ik ben haar man niet, 'k Heb haar nooit gezien. Ik heb hier papieren, die u zullen overtuigen wie ik ben.” Hij greep in zijn zak, om te bemerken, dat hij al zijn papieren in zijn andere jas had gelaten: „Nu,” drong de inspecteur aan. „Ik schijn ze in mijn andere jas gelaten te hebben,” merkte het slachtoffer op. „Wanneer u mij met dezen agent naar de stad laat gaan, kan ik hem volledig overtuigen.” De dame met de zeven verlaten kinderen lachte sarcastisch. „Hij was altijd een leugenaar, inspecteur. Den dag dat hij mij verliet, gaf hij voor, een verjaarscadeau voor me te gaan koopen; zóó’n vent is hij. Als u hem laat gaan, ziet u hem nooit terug.” „We zullen u hier moeten houden,” besliste de inspecteur; „dus, Mrs. Cobbold, u — ” De inspecteur maakte den zin niet af. In zijn wanhoop had Reginald naar zijn hoofd gegrepen. Iets te ontstuimig, want een der bakkebaarden liet los, en dwarrelde langzaam naar den grond. De inspecteur, de agent en de verlaten vrouw staarden stom verbaasd den rampzaligen Reginald aan. Juist toen werd aan de deur geklopt en een agent kondigde* aan : „Hier is een Mrs. Lewin, inspecteur; die dame zegt, dat zij de zaak kan ophelderen.” „Laat Mrs. Lewin binnen,” zei de inspecteur. En zoo werd Reginald geconfronteerd met zijn wettige echtgenoote. „Deze heer is mijn echtgenoot, inspecteur,’ verklaarde zij, „alleen ziet hij er in normale omstandigheden eenigzins anders uit.” En diep beschaamd verwijderde Reginald pruik, bril en den overgebleven bakkebaard. PANORAMA N o. 3 5 31 AU G U S T U S Toen de inspecteur uitgelachen had. zei hij : „Wel Mrs. Cobbold, ik geloof dat u —” Maar Mrs. Cobbold liet hem niet uitspreken en sloeg de deur reeds achter zich dicht. Na een pijnlijk kwartiertje van verklaring en uitleg stonden ook Reginald met zijn vrouw op straat, waar Kate Saunders hem met een bijzonder duidelijken blik van hoon en leedvermaak ontving. „Reggie,” zei z’n vrouw, „ik had je in den trein al herkend. Er was gisteren een druppel kaarsvet op den rand van je hoed gevallen. Ik was van plan dien te verwijderen, maar vergat het vanmorgen. Toen ik in den trein vóór je stond, zag ik het en toen herkende ik je gauw genoeg onder je bespottelijke vermomming. Als we alleen waren geweest zou ik je gewaarschuwd hebben, maar daar en in het station, kreeg ik geen kans door mijn mededingster. Neen ik ben heelemaal niet jaloersch op haar, hoor. En toen je in die menigte stond, voelde ik er niet veel voor tusschenbeide te komen.’ „En nu zou ik maar gauw naar de stad teruggaan Reggie,” viel Kate Saunders in. „want op mijn partijtje worden toch heusch geen heeren toegelaten. En stel je voor dat je hier Mrs. Cobbold nog eens tegenkwam !” Diep terneergeslagen sloop Reginald terug naar het station. Thans staat Reginald Lewin er o.a. niet meer op de brieven van zijn vrouw te lezen, en Mrs. Lewin speelt ook in de avonduren tennis. 19
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11576 tot 11580 van 11897