Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11566 tot 11570 van 11897
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
07
Tekst
P A N O R A M A N o, 3 5 3 1 A U G U S T IJ S BRIAND, de Fransche premier, onderbrak zijn werk op de Herstelconferentie te 's Gravenhage om met Loucheur een uitstapje te maken naar Noordwijk; in het Palace hotel gebruikte hij er de lunch. MAATREGELEN tegen Alastrim in Amsterdam, In rijen wacht men voor de lokalen van den Gemeentelijken Geneesk. Y T TY T" Dienst om zich te laten inenten. I T l / 121/ A cA 5
PDF
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
08
Tekst
P A N O R A M A N o. 3 1 A U G U S 'F U S ■ . . . Het was wonderschoon weer, dien Zondagmorgen . . . . wordt duur betaald! door Frans Hulleman M ozes Dadel, grossier in gepolychromeerde beelden, leefde dikwijls in oneenigheid met zijn wettelijke huisvrouw. Het waren geen twisten, die tot een scheiding aanleiding gaven, want zij verzoenden zich meestal na luidruchtig krakeel. Maar op een avond was de woordentwist zoo hevig geweest, dat Mozes Dadel het huis ontvluchtte en zijn pakhuisknecht, Simon, tegen het lijf liep. Ook deze was de echtelijke woning ontvlucht. Beiden hadden opstandig gesproken over de tirannie van de vrouw maar waren aan het slot van hun cynische beschouwingen naar hun wettelijke gaas teruggekeerd. Toen had de pakhuisknecht aan zijn patroon een goeden raad gegeven. „Gaat u eens met me mee visschen. Dat zet alle zorgen op zij. Dan vergeet je de huiselijke misère. In de vrije natuur op het water, gevoel je je een ander mensch. Dan ben je los van alle zorgen. Ik visch iederen Zondag.” „En vang je wat?” had Mozes Dadel gevraagd. „Vangen? Snoeken als jakhalzen. Brasems als vloermatten. Maar het gaat niet om de visch, mijnheer Dadel, het gaat om de sport! De jacht naar de buit is meer dan het bezit van de buit!” „Onzin!” had Mozes Dadel weer gesproken. „De buit is alles. En baars is een heele fijne visch! En gekookt of gestoofd met een beetje pieterselie is het alsof een engeltje... je weet wel.’ En ze waren dien Zondag gegaan naar den Dolderschen Polder, gezeten in een bun-bootje met levende vischjes als aas voor snoek en baars. Roeltje, het zoontje van den pakhuisknecht, was er ook bij; een tienjarig, pienter joggie, dat geen stadsplantje zou worden en iederen Zondag met zijn vader meeging, op de karper en op de snoek ! Het was wonder mooi weer dien Zondagmorgen. De zon scheen. De wolken waren marmerwit. De lucht was vol plekken van zacht lieflijk-blauw. De hengelaars zaten op den spiegelgladden plas te hengelen, van-uit het groene vischschuitje, dat op den kop van een turfakker tusschen het riet aan een steekstok in het water was vastgebonden. Ze vischten met het levend vischje aan den haak op snoek en baars, maar zagen geen hobbel aan de dobbers, hadden geen schijn van geluk. De meeuwen scheerden over het water, pikten de aan het oppervlak zwemmende vischjes in gretige vraatzucht op, onder luid en snerpend gekrijsch van : „Krrr! Krrr ! Krrr !” Op zoo n oogenblik, dat de meeuwen in de lucht cirkelden en snerpend gilden, trilde en spartelde het aasvischje-aan-denhaak van Mozes’ hengel op den effen waterspiegel. Een meeuw liet zich pijlsnel en loodrecht vallen op het trillende vischje terwijl Mozes Dadel met molenwiekende armgebaren in de zomersche lucht dreigde: „Ga je weg, meeuw! Ga je! Ksss! Ik mot geen meeuw, ik wil visch! Ga je! Ksss!” Het was te laat. Het gretige gulzige sterntje had het aasvischje reeds in zijn bek en het vlijmscherpe weerhaakje doorpriemde zijn snavel. Het gaf een geweldige ontsteltenis aan boord van de kleine, hobbelende visschersschuit. Mozes Dadel jammerde : „Een meeuw aan den haak ! Het stomme diertje zit vast I Hij heeft zich vergist! Het beestje mot in het open water wezen! Krijgt-ie me daar een haak door zijn snebbe waar een musch gewoon koud van wordt, Is-i los ?” Hij was los. Dat bewees de pakhuisknecht door den kleinen, fijnen, parelgrijzen vogel stevig maar teeder tusschen beide handen te grijpen, omhoog te houden en te toonen, zoodat klein Roel geestdriftig riep. „O, faoder, die is faan voor 't kooitje waar ons puttertje in het gezeten,” en hij zong : „Had ik mijn puttertje maar wat eten gegééeven ! Dan was-i misschien nog wel eenige dagen in het leven geblééeven! Maar nu-u-u is mijn puttertje doóóod!” De meeuw werd door den vader van den kleinen zanger in een gonjezak gestopt en lag als een machtelooze gevangene op den bodem van het schuitje. Er kwam wind opzetten. De wolken, aschgrauw, versomberden de lucht. De anders stille en vlakke waterplas scheen een zee vol dolle en schuim-spettende golven. Mozes Dadel zag het onweer dreigen, wilde terug en zijn knecht, een krachtige kerel, greep de riemen. Hij roeide ferm, energiek tegen de koppen van de weerbarstige golven in, maar eenmaal middenin het hoog-golvende water kon hij van den eenen turfakker den anderen niet bereiken. Roeltje, bij-de-hand-visschertje, lepelde op het achtergedeelte en de lijn strak Eenmaal, midden-in de woeste, schuimende golven, had je kans op grooten baars en dikken snoek aan het blinkende schijnvischje-van-tin, dat draaide en wentelde aan de lijn op tien meter afstand in het woelende water Het kind zat er stil, be 6
PDF
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
09
Tekst
PANORAMA No. 3 5 3 1 AUGUSTUS drijvig, zonder eenige vrees, terwijl Mozes Dadel jeremieerde: „Wat een plas! Het lijkt wel een zee! De golven hebben witte petjes op van ’t schuim! En onze schuit is lek! Hij komt vol water. Dat noemen ze den Dolderschen Polder! Maar de derde letter is verkeerd gespeld. En me sokken zijn drijfnat. Roei op, Simon! We leggen geregeld muurvast in de zee!" Maar Simon. hoe krachtig en gespierd ook, kreeg de boot geen meter vooruit. Hij klemde zijn lippen op elkander en trachtte met den spitsen steven van de schuit de golven te doorbreken. Tevergeefs. Ze lagen stil en schoten geen steek op. Een zware, sombere onweerslucht donkerde over den Polder. Het stormde. In de verte rommelde de donder. De golven rolden al sneller en hooger van rug aan, plasten kletsend m het wassende water van de hobbelende schuit, Mozes Dadel ordonneerde: „Roeltje, hobbel niet zoo, want de schuit die lekt. En, Simon, laten we naar den kant gaan want, beste jongen, je kan niet tegen de golven op!" „Dat kan niet!" —* verzette zich de pakhuisknecht. „Dan slaan we om!” „Waarom zullen we omslaan als we de schuit laten drijven naar den akker waar we vandaan komen?" „Omdat je altijd tegen de koppen van de golven moet inroeien," — doceerde de pakhuisknecht. „Ben jij dan zoo’n zeeman?" „Ja zeker ben ik een zeeman. Dat weet een kind, dat je met zoo’n storm de schuit niet kan laten terugdrijven." Roeltje lepelde. In de woeste, schuimende golven had je kans op grooten baars en dikken snoek. Maar de schuit kwam niet vooruit. „Hou op met die lepel!" — verbood Mozes Dadel. „Je houdt de schuit tegen?" „O, faoder, we sitten vast aan ’t wier!" klaagde Roeltje. „Trekken, jongen, trekken!" raadde de de vader. Mozes Dadel jeremieerde: „Nou zitten we weer vast aan het wier!" „Nee, faoder, ’t is een snoek! Ik voel m trekken. Hij rukt. Hij zit ’r an!" „Laat ’m schieten die snoek!” — gebood Mozes Dadel. „We vergaan! We slaan om! We hebben maling aan de snoek!" „Ik mot me snoek hebben!" — eischte het kind, dat voor geen goud ter wereld zijn vangst wilde verspelen. Hij trok, trok, terwijl de boot hobbelde en het kind trok een prachtsnoek naar zich toe, die spartelde in de volgeplaste ruimte van de schuit. Mozes Dadel schrok van den roofvisch. Hij stamelde: „Da’s een jakhals! Die komt uit het gróóte water! Wat een zee! Het water stijgt geregeld tot de lippen! Het zilt van de golven, dat proef ik op me tong. In de verte zie ik al bliksemflitsen. Hoe ken men lepelen met zoo’n noodweer! Roeltje, laat schieten die lepel, want as je d’r weer één ankrijgt en hij mot na’binnen. dan vergaan we met man en muis." Maar Roeltje lepelde door, keek meer naar zijn vader, die met krachtige riemslagen de boot langzaam maar zeker naar den anderen oever trok. Hij waarschuwde: „Gaat u toch zitten, mijnheer Dadel. En windt u zich niet zoo op." „Niet opwinden as je vergaat!” weersprak de ander. „Je bent geen goeie roeier! Hadden we Gunther van de Amstel maar hier, dan waren we er al geweest." „Al u zóó begint, dan laat ik de riemen los!" „Dan laat-i de riemen los! Dan verz. . . je toch zelf!" „Ik niet. Ik zwem na’ de kant!" „Hij zwemt na' de kant! Zeker met Roeltje op je rug ! Wat een ongijn ? Het bestaat niet." Eindelijk bereikten ze den kant van een turfakker en het schuitje kon aan den oever worden vastgelegd. Simon stapte uit. Roeltje wipte vlug uit de boot, maar Mozes Dadel wankelde en moest er met helpende handen worden uitgetild. Daar stond hij op den akker terwijl de donder rommelde en gromde. Het weerlicht flitste koperkleurig door de zwarte lucht. Mozes Dadel deed bij eiken ratelslag een hand voor de oogen. Vader en zoon — Simon en Roeltje — hengelden onvermoeid en rustig in het hoog-golvende water aan den kant. „Hoe is het mogelijk!" — riep Mozes D. — „hengelen als het vuur van den Hemel valt! Hengelen in n Atlantischen Oceaan! Hengelen als er een orkaan staat! Allemachtigste Goden in de hoogste Hemelen, de boot is los! De boot drijft af!" Hij bewoog zijn armen smeekend ten Hemel want de kleine vischschuit had zich al deinend en dobberend losgewerkt van den veenderigen oever en hobbelde als ’n notedopje op de witkoppige golven. „Tien gulden voor wie ons d’r afhaalt!" — bood Mozes Dadel met uitgestrekte armen aan de golven waarop geen schip was te zien. Regen en wind striemden zijn deemoedig gelaat. Hij knielde op den akker als een kind dat hondsdraf en smeerwortel zoekt. Het bliksemlicht flitste. De donder gromde. Hij bad op den akker: „Heer in de hooge Hemelen geef uitkomst! Dat ik me Naatje weer mag terugzien!" En zijn gebed scheen verhoord. Een tjalkschipper naderde. Mozes Dadel smeekte met opgeheven armen: „Schippertje, neem ons mee naar de woning van den visscherman van wie we dit schuitje hebben gehuurd! Schippertje, heb erbarmen, want we zitten midden op een eiland! Red ons!" En het „schippertje" was zoo vriendelijk de schipbeukelingen mede te nemen. Aan wal klaagde hij weer over den Dolderschen Polder. De derde letter was verkeerd gespeld! Hij informeerde bij den visscherman: „Hebt u visch in de kaar?" „Een snoek van vier pond." „Wat kost die?" „Een daalder." „Geeft u mij dien snoek! Hebt u nog meer?" „Een brasem van drie en half pond." „Wat kost die?" „Een gulden." „Geef mij dien brasem." . , . . De wolken, aschgrauiv, versomberden de lucht.,. . „Hebt u nog meer ?" „Een zeeitje van een half pond.” „Doet u dat er bij, dan geef ik u ’n riks." Maar de visscherman was ook niet van gisteren. Hij vroeg twee kwartjes extra voor zijn half pondje zeel, dat fijn bereid fijner smaakte dan paling. Mozes Dadel had voor drie gulden visch. En het gaf een groote vreugde want zijn vriend Nonie was er ook, had den heelen dag gehengeld maar geen leven gezien. Die ging op zijn motor naar huis. Mozes had een verzoek: „Loop even bij Naatje an en zeg, dat ik een uur later thuis kom." En laat kwam hij dien avond in zijn woning aan de Blasiusstraat. Naatje mopperde. Maar hij verzette zich hevig tegen haar verwijten, was opposant: „Wees blij dat je me levend en wel terug ziet. Ik heb als Robinson Crusoë midden op een eiland gezeten met de bliksemflitsen zig-zag voor m'n oog. De zee was er gewoon een vijvertje bij. Als het in die Doldersche Polder spookt, dan stijgen de golven huizen-hoog. Geregeld wolkenkrabbers! Schipbreuk hebben we gelééjen. Een brave schipper heeft ons verlost. Maar juist in die storm, in dat noodweer deed de snoek het reusachtig ! Ik sleurde er een snoek uit van vier pond! Ik zwiepte een brasem aan de kant van zeven ons. En nog een klein zeeitje wipte ik zoo in de schuit. Een aardig vischje. Een half pondje." Naatje keek hem geërgerd en verwijtend aan. Ze smaalde: „Jij sleurt snoek! Jij zwiept brasem en je wipt zeelt! Wat een branie! Nonie is hier geweest en zegt, dat je die visch voor een rijksdaalder had gekregen als je meer voet bij stuk had gehouên. Twee kwartjes voor zoo’n klein p... zeeitje! ’t Is zonde van al het geld. Wat die visschers toch liegen en hoopen geld uitgeven voor visch, die ze niet eens hebben gevangen.” 7
PDF
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
10
Tekst
I’ A N O R A M A N o. 3 5 3 1 A U G IJ S T U S DE „BLAUWE KOMEET . de snelste trein van Amerika, gefotografeerd tijdens een rit van 189 KM. per uur HET BEELD dat men van een vliegtuig verkrijgt, wanneer men het op bijzondere manier fotografeert tijdens een vlucht van 512 K.M. per uur. EEN MEER INTERESSANTE dan flatteerende foto van J, Weissmuller, terwijl hij de 100 M in 57,4 sec. zwom. DE „GOUDEN PIJL van den snelheidsmaniak majoor Seagrave, terwijl zijn auto een snelheid heeft van 377 K.M. per uur 8
PDF
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
11
Tekst
No. 3 5 31 AUGUSTUS DE OVERWINNAAR VAN KARLSBAD. In de laatste ronde is Nimzowitsch, met een halve punt voorsprong op Capablanca en Spielman. overwinnaar geworden van het schaaktournooi te Karlsbad. P A N O R A M A TA VALLEN MET RADIO. B. Bushmeyer sprong op een hoogte van 3000 M. uit een vliegmachine en maakte gedurende het vallen door middel van de radio bekend, welke sensatie men onder een parachute-luchtreis heeft. De radioinstallatie was aan zijn lichaam bevestigd. KUNSTMATIGE z REGEN. Op de Nationale Tuinbouwtentoonstelling in 't Willinkshof te Driebergen werd de kunstmatige regen gedemonstreerd. Hef is een sproeitoesteL dat automatisch (door den druk van het water) langzaam ronddraait en het water aldus gelijkelijk over den grond verdeelt.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11566 tot 11570 van 11897