|
PANORAMA No. 3 5 3 1 AUGUSTUS
drijvig, zonder eenige vrees, terwijl Mozes
Dadel jeremieerde:
„Wat een plas! Het lijkt wel een zee!
De golven hebben witte petjes op van ’t
schuim! En onze schuit is lek! Hij komt
vol water. Dat noemen ze den Dolderschen
Polder! Maar de derde letter is verkeerd
gespeld. En me sokken zijn drijfnat. Roei
op, Simon! We leggen geregeld muurvast
in de zee!"
Maar Simon. hoe krachtig en gespierd
ook, kreeg de boot geen meter vooruit. Hij
klemde zijn lippen op elkander en trachtte
met den spitsen steven van de schuit de
golven te doorbreken. Tevergeefs. Ze lagen
stil en schoten geen steek op. Een zware,
sombere onweerslucht donkerde over den
Polder. Het stormde. In de verte rommelde
de donder. De golven rolden al sneller
en hooger van rug aan, plasten kletsend
m het wassende water van de hobbelende
schuit, Mozes Dadel ordonneerde:
„Roeltje, hobbel niet zoo, want de
schuit die lekt. En, Simon, laten we naar
den kant gaan want, beste jongen, je kan
niet tegen de golven op!"
„Dat kan niet!" —* verzette zich de
pakhuisknecht. „Dan slaan we om!”
„Waarom zullen we omslaan als we de
schuit laten drijven naar den akker waar
we vandaan komen?"
„Omdat je altijd tegen de koppen van
de golven moet inroeien," — doceerde de
pakhuisknecht.
„Ben jij dan zoo’n zeeman?"
„Ja zeker ben ik een zeeman. Dat weet
een kind, dat je met zoo’n storm de schuit
niet kan laten terugdrijven."
Roeltje lepelde. In de woeste, schuimende golven had je kans op grooten baars
en dikken snoek. Maar de schuit kwam
niet vooruit.
„Hou op met die lepel!" — verbood
Mozes Dadel. „Je houdt de schuit tegen?"
„O, faoder, we sitten vast aan ’t wier!"
klaagde Roeltje.
„Trekken, jongen, trekken!" raadde de
de vader. Mozes Dadel jeremieerde:
„Nou zitten we weer vast aan het wier!"
„Nee, faoder, ’t is een snoek! Ik voel
m trekken. Hij rukt. Hij zit ’r an!"
„Laat ’m schieten die snoek!” — gebood
Mozes Dadel. „We vergaan! We slaan
om! We hebben maling aan de snoek!"
„Ik mot me snoek hebben!" — eischte
het kind, dat voor geen goud ter wereld
zijn vangst wilde verspelen. Hij trok, trok,
terwijl de boot hobbelde en het kind trok
een prachtsnoek naar zich toe, die spartelde in de volgeplaste ruimte van de schuit.
Mozes Dadel schrok van den roofvisch.
Hij stamelde:
„Da’s een jakhals! Die komt uit het
gróóte water! Wat een zee! Het water
stijgt geregeld tot de lippen! Het zilt van
de golven, dat proef ik op me tong. In de
verte zie ik al bliksemflitsen. Hoe ken men
lepelen met zoo’n noodweer! Roeltje, laat
schieten die lepel, want as je d’r weer
één ankrijgt en hij mot na’binnen. dan
vergaan we met man en muis."
Maar Roeltje lepelde door, keek meer
naar zijn vader, die met krachtige riemslagen de boot langzaam maar zeker naar
den anderen oever trok. Hij waarschuwde:
„Gaat u toch zitten, mijnheer Dadel.
En windt u zich niet zoo op."
„Niet opwinden as je vergaat!” weersprak de ander. „Je bent geen goeie roeier!
Hadden we Gunther van de Amstel maar
hier, dan waren we er al geweest."
„Al u zóó begint, dan laat ik de riemen
los!"
„Dan laat-i de riemen los! Dan verz. . .
je toch zelf!"
„Ik niet. Ik zwem na’ de kant!"
„Hij zwemt na' de kant! Zeker met
Roeltje op je rug ! Wat een ongijn ? Het
bestaat niet."
Eindelijk bereikten ze den kant van een
turfakker en het schuitje kon aan den
oever worden vastgelegd. Simon stapte
uit. Roeltje wipte vlug uit de boot, maar
Mozes Dadel wankelde en moest er met
helpende handen worden uitgetild. Daar
stond hij op den akker terwijl de donder
rommelde en gromde. Het weerlicht flitste
koperkleurig door de zwarte lucht. Mozes
Dadel deed bij eiken ratelslag een hand
voor de oogen. Vader en zoon — Simon
en Roeltje — hengelden onvermoeid en
rustig in het hoog-golvende water aan
den kant.
„Hoe is het mogelijk!" — riep Mozes D.
— „hengelen als het vuur van den Hemel
valt! Hengelen in n Atlantischen Oceaan!
Hengelen als er een orkaan staat! Allemachtigste Goden in de hoogste Hemelen,
de boot is los! De boot drijft af!"
Hij bewoog zijn armen smeekend ten
Hemel want de kleine vischschuit had zich
al deinend en dobberend losgewerkt van
den veenderigen oever en hobbelde als ’n
notedopje op de witkoppige golven.
„Tien gulden voor wie ons d’r afhaalt!"
— bood Mozes Dadel met uitgestrekte
armen aan de golven waarop geen schip
was te zien. Regen en wind striemden zijn
deemoedig gelaat. Hij knielde op den akker
als een kind dat hondsdraf en smeerwortel
zoekt. Het bliksemlicht flitste. De donder
gromde. Hij bad op den akker:
„Heer in de hooge Hemelen geef uitkomst! Dat ik me Naatje weer mag terugzien!"
En zijn gebed scheen verhoord. Een
tjalkschipper naderde. Mozes Dadel
smeekte met opgeheven armen:
„Schippertje, neem ons mee naar de
woning van den visscherman
van wie we dit schuitje
hebben gehuurd! Schippertje,
heb erbarmen, want we
zitten midden op een eiland!
Red ons!"
En het „schippertje" was
zoo vriendelijk de schipbeukelingen mede te nemen.
Aan wal klaagde hij weer
over den Dolderschen Polder. De derde letter was verkeerd gespeld! Hij informeerde bij den visscherman:
„Hebt u visch in de kaar?"
„Een snoek van vier
pond."
„Wat kost die?"
„Een daalder."
„Geeft u mij dien snoek!
Hebt u nog meer?"
„Een brasem van drie en
half pond."
„Wat kost die?"
„Een gulden."
„Geef mij dien brasem."
. , . . De wolken, aschgrauiv, versomberden de lucht.,. .
„Hebt u nog meer ?"
„Een zeeitje van een half pond.”
„Doet u dat er bij, dan geef ik u ’n riks."
Maar de visscherman was ook niet van
gisteren. Hij vroeg twee kwartjes extra
voor zijn half pondje zeel, dat fijn bereid
fijner smaakte dan paling. Mozes Dadel
had voor drie gulden visch. En het gaf
een groote vreugde want zijn vriend Nonie
was er ook, had den heelen dag gehengeld
maar geen leven gezien. Die ging op zijn
motor naar huis. Mozes had een verzoek:
„Loop even bij Naatje an en zeg, dat
ik een uur later thuis kom." En laat kwam
hij dien avond in zijn woning aan de
Blasiusstraat. Naatje mopperde. Maar hij
verzette zich hevig tegen haar verwijten,
was opposant:
„Wees blij dat je me levend en wel
terug ziet. Ik heb als Robinson Crusoë
midden op een eiland gezeten met de
bliksemflitsen zig-zag voor m'n oog. De
zee was er gewoon een vijvertje bij. Als
het in die Doldersche Polder spookt, dan
stijgen de golven huizen-hoog. Geregeld
wolkenkrabbers! Schipbreuk hebben we
gelééjen. Een brave schipper heeft ons
verlost. Maar juist in die storm, in dat
noodweer deed de snoek het reusachtig !
Ik sleurde er een snoek uit van vier pond!
Ik zwiepte een brasem aan de kant van
zeven ons. En nog een klein zeeitje wipte
ik zoo in de schuit. Een aardig vischje.
Een half pondje."
Naatje keek hem geërgerd en verwijtend
aan. Ze smaalde:
„Jij sleurt snoek! Jij zwiept brasem en
je wipt zeelt! Wat een branie! Nonie is
hier geweest en zegt, dat je die visch voor
een rijksdaalder had gekregen als je meer
voet bij stuk had gehouên. Twee kwartjes
voor zoo’n klein p... zeeitje! ’t Is zonde
van al het geld. Wat die visschers toch
liegen en hoopen geld uitgeven voor visch,
die ze niet eens hebben gevangen.”
7
|