Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11556 tot 11560 van 11897
Nummer
1929, nr. 34, 24 aug. 1929
Blad
23
Tekst
P A N O R A M A No. 3 4 2 4 A U G ü S T U S _<■ *^È’ OP DOOR P. G. WODEHOUSE 21
PDF
Nummer
1929, nr. 34, 24 aug. 1929
Blad
24
Tekst
2 4 A U G U S T U S In den straal van de groote lampen kwam een vreemde figuur . , .. No. 3 4 Rechten erven P.G. Wodehouse P A N O R A M A 22
PDF
Nummer
1929, nr. 34, 24 aug. 1929
Blad
25
Tekst
P A X ( > R \ M A Xq. 3 4 2 4 \ U G l; S T l' S P.G Wodehouse Rechten erven SHAEMAS OSHEEL j£(>t mijner X roomen Ze zamelde mijn droomen, als 't vloeiende zand, Zorgzaam, als was het in meeverstand, En heeft ze gespild met rosé-blanke hand. Peinzend zeefden haar vingers ze stille. De wind nam ze zeewaarts, een wazig trillen. Ras zijn ze vergeten gelijk alle grillen. In haar lokken speelde de wind van het strand. Zij bukte, en zameld' in bleek-rose hand Duizenden greinen van t vloeiende zand. 23
PDF
Nummer
1929, nr. 34, 24 aug. 1929
Blad
26
Tekst
P A N O R A M A No. 3 4 2 4 A U G U S T U S Oude en Nieuwe Miniaturen meer zoo Een oudachtig man, die aan meer dan weelderige gewoonten leed, hoewel hij op een goede ontwikkeling kon bogen, werd voor den hoogsten politie-autoriteit in een Engelsch provinciestadje geleid. „U wordt beschuldigd van dronkenschap en verstoring der openbare orde,” sprak de magistraat, „hebt u nog iets in te brengen vóór uw straf wordt vastgesteld?” „Onmenschlijkheid van mensch totmensch doet duizenden verdriet,” begon de beklaagde in een vlaag van welsprekendheid. „Ik ben minder ontaard dan Poe, minder losbandig dan Byron, minder ondankbaar dan Keats, minder onmatig dan Burns, minder vreesachtig dan Tennyson, minder plat dan Shakespeare, minder . ...” „Ja ja, ’t is genoeg,” stuitte hem de magistraat, „drie maanden. En uh . . . inspecteur, schrijf dat rijtje namen op die hij noemde, en zoek die lui op. Die schijnen net zoo erg te zijn als hij.” Hakkelaars We zaten met z’n drieën in een coupé, en hadden ons ieder in een hoekje aan het raampje gezet, waardoor we het ons voorbijvliegende Utrechtsche landschap konden opnemen; van dit voorrecht werd echter alleen gebruik gemaakt door een klein, mager mannetje met uitpuilende oogjes en hooge schouders, die met de kromme beentjes onder de bank niets anders deed dan naar buiten turen. Ik trachtte den tijd te dooden, en verdiepte me langen tijd ernstig in de gevallen waarin iemand die zonder geldige oorzaak de noodrem gebruikt, gestraft wordt met een geldboete van ten hoogste zooveel gulden. Toen ik dit uit mijn hoofd kende, begon ik ten einde raad in mijn spoorboekje te snuffelen en ontdekte, dat ik nog zes stations— van die kleine peuterige stations— van mijn einddoel verwijderd was. Nog zes! dus minstens nog een kwartier rijden. Dit beteekende hier een kwartier van verveling en een kwartier van gezeur van instappen en gezeur van uitstappen, van geknars en gefluit en gestommel en gewiebel. Het eerste station van de zes, Eén passagier; komt zoowaar recht op onzen coupé aan — natuurlijk 1 — stapt in, en zet zich in het eene leege hoekje. Het is een boom van een kerel, en zijn oogen staan dreigend. Hij groet niet. Ik ook niet. De trein vertrekt weer: gefluit, geknars, en vervolgens weer het eindelooze geschud en gestommel. Ik sluit mijn oogen en tracht te dutten. Maar eensklaps wordt de stilte verbroken door den nieuwen passagier, den grooten; zijn hoofd beweegt op een krankzinnige manier voor- en achterwaarts, en, zich wendend tot den kleine, in den hoek tegenover hem, brengt hij uit: „Is d-d-dd’eerste h-h-hal-halte Ma-ma-ma-maartensd-d-dijk, m-m-m-m'heerrr ?” Het was om te brullen, het gezicht van den kleine te zien. Zijn gelaat drukte verbluftheid, verontwaardiging en angst uit, en hij zweeg. „W-w-w-welnu-nu m-m’nh-h-heerrr !” hotste het uit de keel van den ander; zijn oogen fonkelden dreigend, doch de kleine zweeg, wierp even een schuwen blik op zijn overbuurman, en staarde vervolgens, eenigszins bleek, naar den grond. „Is d-d-d-deze ha-ha-ha. . . .!” Hij hokte. Zijn hoofd deed een geweldigen ruk, toen voer hij uit: „.. .halteMa-ma-maartensdijk!?” Hij zag rood, van woede of van inspanning, dat weet ik niet. Maar nog steeds hield de kleine de lippen opeen, en ik zag me genoodzaakt me over beiden te ontfermen, door beleefd te antwoorden: „Zeker, mijnheer, de eerste halte is Maartensdijk!” „D-d-d-dank u zee-zeer, m-m’nh-heer!” Hou je hoofd maar vast! dacht ik, want de voor- en achterwaartsche bewegingen werden hoe langer hoe driftiger. Hij zweeg verder totdat hij in Maartensdijk weer uitgestapt was. Toen wendde ik me verwijtend tot den kleine: „Maar, mijnheer....” Doch voor ik verder kon gaan, barstte hij, met een ontzaglijk aantal rukken met zijn hoofd, uit: „D-d-dacht u d-d-dat-dat ik zi-zi-zin had om v-va-va-van dien vè-vèvent een pa-pa-pak s-s-slaag te krrrrijgen?!” Paganini en zMn ve^e anecdoten de koetsier °ver den ™<>l-virtuoos Paganini in omloop. Een der meest klassieke vertellen wij na: Eens sprong Paganini in een rijtuig en vroeg den koetsier, hem naar de concertzaal te rijden. De afstand was maar heel kort, maar ’t was al zóó laat, dat het publiek stellig reeds HET BEWIJS „Ik ben zeer droevig gestemd... Mijn zoon brengt den nacht meestal in cafés... en in bars .. door ../' „De mijne ook.. .” „Dan is mijn zoon beter, want die drinkt niet. . ." „Zoo... ?? Hoe weet u dat...?” ongeduldig zat te wachten, verlangend om den kunstenaar zijn bravournummer, „Mozes gebed”, op één snaar, te hooren spelen. „Hoeveel?” vroeg de violist bij het uitstappen. „Voor u,” antwoordde de koetsier, „is de prijs tien francs.” „Wat zeg je? Je maakt zeker gekheid?” „Nee nee,” gaf de koetsier terug, „het is precies zooveel als een biljet voor uw concert kost.” Paganini dacht even na, wierp den koetsier een minzamen blik toe, betaalde hem ruim het gewone tarief en zei: „Hoor eens, ik zal je tien francs voor een rit betalen, zoodra je me naar de concertzaal kunt rijden op één wiel.” STEKELTJES QJ De meesten noemen tevredenheid: meer te bezitten dan men verteren kan. Q Waarheid spreken heeft minstens dit groote voordeel, dat men later niet meer hoeft te weten, welke leugen men heeft verteld. (][ Jonge vaders zouden willen, dat zuigelingen eerst tanden en dan eerst een stem kregen. (J Nooit zal er volmaakte rust en vrede voor de vrouw bestaan, zoolang er nog uitverkoopen gehouden worden. „Ja ... maar de mijne drinkt den geheelen nacht.,” ’s morgens opstaat. .. !!” 1 Dimanche fllustré) 24
PDF
Nummer
1929, nr. 35, 31 aug. 1929
Blad
01
Tekst
 
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11556 tot 11560 van 11897