|
P A N O R A M A No. 3 4 2 4 A U G U S T U S
Oude en Nieuwe
Miniaturen
meer zoo Een oudachtig man,
die aan meer dan
weelderige gewoonten leed, hoewel hij op
een goede ontwikkeling kon bogen, werd
voor den hoogsten politie-autoriteit in een
Engelsch provinciestadje geleid.
„U wordt beschuldigd van dronkenschap
en verstoring der openbare orde,” sprak
de magistraat, „hebt u nog iets in te brengen vóór uw straf wordt vastgesteld?”
„Onmenschlijkheid van mensch totmensch
doet duizenden verdriet,” begon de beklaagde in een vlaag van welsprekendheid.
„Ik ben minder ontaard dan Poe, minder
losbandig dan Byron, minder ondankbaar
dan Keats, minder onmatig dan Burns, minder vreesachtig dan Tennyson, minder plat
dan Shakespeare, minder . ...”
„Ja ja, ’t is genoeg,” stuitte hem de
magistraat, „drie maanden. En uh . . . inspecteur, schrijf dat rijtje namen op die hij
noemde, en zoek die lui op. Die schijnen
net zoo erg te zijn als hij.”
Hakkelaars We zaten met z’n drieën
in een coupé, en hadden
ons ieder in een hoekje aan het raampje
gezet, waardoor we het ons voorbijvliegende
Utrechtsche landschap konden opnemen;
van dit voorrecht werd echter alleen gebruik gemaakt door een klein, mager
mannetje met uitpuilende oogjes en hooge
schouders, die met de kromme beentjes
onder de bank niets anders deed dan naar
buiten turen.
Ik trachtte den tijd te dooden, en verdiepte me langen tijd ernstig in de gevallen
waarin iemand die zonder geldige oorzaak
de noodrem gebruikt, gestraft wordt met
een geldboete van ten hoogste zooveel
gulden. Toen ik dit uit mijn hoofd kende,
begon ik ten einde raad in mijn spoorboekje
te snuffelen en ontdekte, dat ik nog zes
stations— van die kleine peuterige stations—
van mijn einddoel verwijderd was. Nog zes!
dus minstens nog een kwartier rijden. Dit
beteekende hier een kwartier van verveling
en een kwartier van gezeur van instappen
en gezeur van uitstappen, van geknars en
gefluit en gestommel en gewiebel.
Het eerste station van de zes,
Eén passagier; komt zoowaar recht op
onzen coupé aan — natuurlijk 1 — stapt in,
en zet zich in het eene leege hoekje. Het
is een boom van een kerel, en zijn oogen
staan dreigend. Hij groet niet. Ik ook niet.
De trein vertrekt weer: gefluit, geknars,
en vervolgens weer het eindelooze geschud
en gestommel.
Ik sluit mijn oogen en tracht te dutten.
Maar eensklaps wordt de stilte verbroken
door den nieuwen passagier, den grooten;
zijn hoofd beweegt op een krankzinnige
manier voor- en achterwaarts, en, zich
wendend tot den kleine, in den hoek
tegenover hem, brengt hij uit: „Is d-d-dd’eerste h-h-hal-halte Ma-ma-ma-maartensd-d-dijk, m-m-m-m'heerrr ?”
Het was om te brullen, het gezicht van
den kleine te zien. Zijn gelaat drukte verbluftheid, verontwaardiging en angst uit,
en hij zweeg.
„W-w-w-welnu-nu m-m’nh-h-heerrr !”
hotste het uit de keel van den ander; zijn
oogen fonkelden dreigend, doch de kleine
zweeg, wierp even een schuwen blik op
zijn overbuurman, en staarde vervolgens,
eenigszins bleek, naar den grond.
„Is d-d-d-deze ha-ha-ha. . . .!” Hij hokte.
Zijn hoofd deed een geweldigen ruk, toen
voer hij uit: „.. .halteMa-ma-maartensdijk!?”
Hij zag rood, van woede of van inspanning, dat weet ik niet. Maar nog steeds
hield de kleine de lippen opeen, en ik zag
me genoodzaakt me over beiden te ontfermen, door beleefd te antwoorden:
„Zeker, mijnheer, de eerste halte is
Maartensdijk!”
„D-d-d-dank u zee-zeer, m-m’nh-heer!”
Hou je hoofd maar vast! dacht ik, want
de voor- en achterwaartsche bewegingen
werden hoe langer hoe driftiger.
Hij zweeg verder totdat hij in Maartensdijk weer uitgestapt was. Toen wendde ik
me verwijtend tot den kleine: „Maar,
mijnheer....”
Doch voor ik verder kon gaan, barstte
hij, met een ontzaglijk aantal rukken met
zijn hoofd, uit: „D-d-dacht u d-d-dat-dat
ik zi-zi-zin had om v-va-va-van dien vè-vèvent een pa-pa-pak s-s-slaag te krrrrijgen?!”
Paganini en zMn ve^e anecdoten
de koetsier °ver den ™<>l-virtuoos
Paganini in omloop. Een
der meest klassieke vertellen wij na: Eens
sprong Paganini in een rijtuig en vroeg den
koetsier, hem naar de concertzaal te rijden.
De afstand was maar heel kort, maar ’t was
al zóó laat, dat het publiek stellig reeds
HET BEWIJS
„Ik ben zeer droevig gestemd...
Mijn zoon brengt den nacht meestal in cafés... en in bars .. door ../'
„De mijne ook.. .”
„Dan is mijn zoon beter, want
die drinkt niet. . ."
„Zoo... ?? Hoe weet u dat...?”
ongeduldig zat te wachten, verlangend om
den kunstenaar zijn bravournummer, „Mozes
gebed”, op één snaar, te hooren spelen.
„Hoeveel?” vroeg de violist bij het uitstappen.
„Voor u,” antwoordde de koetsier, „is
de prijs tien francs.”
„Wat zeg je? Je maakt zeker gekheid?”
„Nee nee,” gaf de koetsier terug, „het
is precies zooveel als een biljet voor uw
concert kost.”
Paganini dacht even na, wierp den koetsier een minzamen blik toe, betaalde hem
ruim het gewone tarief en zei: „Hoor eens,
ik zal je tien francs voor een rit betalen,
zoodra je me naar de concertzaal kunt
rijden op één wiel.”
STEKELTJES
QJ De meesten noemen tevredenheid: meer
te bezitten dan men verteren kan.
Q Waarheid spreken heeft minstens dit
groote voordeel, dat men later niet meer
hoeft te weten, welke leugen men heeft
verteld.
(][ Jonge vaders zouden willen, dat zuigelingen eerst tanden en dan eerst een stem
kregen.
(J Nooit zal er volmaakte rust en vrede
voor de vrouw bestaan, zoolang er nog
uitverkoopen gehouden worden.
„Ja ... maar de mijne drinkt den
geheelen nacht.,”
’s morgens opstaat. .. !!”
1 Dimanche fllustré)
24
|