Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11551 tot 11555 van 11897
Nummer
1929, nr. 34, 24 aug. 1929
Blad
18
Tekst
P A N O R A M A No. 34 2 4 AUGUSTUS GOEDMOEDIGHEID HET JUISTE OOGENBLIK DOOR F. J. RANDALE ☆ J ohn, Daisy is vandaag jarig,” zei mevrouw Rogers. „Ik weet het kindlief,” zei haar man; „ik heb haar al gefeliciteerd en een mooi cadeautje gegeven.” „Ze is zoo blij! Ze heeft van morgen een macht van cadeautjes gekregen, het eene al mooier dan het andere. Ze is vandaag dan ook een en twintig geworden, zooals je weet. Maar dat van Harry Osbome zal wel de kroon spannen.” „Zoo. maar het is natuurlijk nog niet gekomen. Dat dacht ik wel. Die jonge Osborne komt altijd te laat, hij, die er het eerste moest zijn. Het lijkt wel of Daisy hem achterna moet loopen.” Z’n vrouw lachte een beetje verlegen. „Daar denkt ze niet aan, John. Ik verzeker je, dat zij graag met hem alleen wil wezen, wanneer hij met zijn geschenk voor den dag komt. Je weet zelf wel, hoe dat met verliefde jongelui gaat. Misschien zijn ze wel overeengekomen, wat hij haar zal geven.” ..Kan me niets schelen. Dat jonge mensch schijnt geheimen voor mij te hebben. Maar ik let op hem met z'n draaierijen en geheimzinnigheid. Ik zal een oogje op hem houden, dat verzeker ik je.” Z’n vrouw zuchtte. ..Ik ben bang,” zei ze zacht, „dat Harry denkt, dat je niet veel met hem op hebt.” „Dat heb ik ook niet. Ik zeg je ronduit, dat hij me veel te onverschillig, te nonchalant is. Hij komt te laat als hij ergens is gevraagd, hij mist dikwijls den trein, hij laat Daisy wachten...” „Hij zal wel op tijd komen, daar twijfel ik niet aan.” „Daar zou ik maar niet zoo vast op rekenen. Het juiste oogenblik laat dat soort achterblijvers meestal in den steek. Dat zal hij dezer dagen wel ondervinden.” „Hij is een aardige jongen,” zei mevrouw Rogers weer. „Best mogelijk, maar dat neemt niet weg, dat ik het mijne er van zal zeggen, wanneer de tijd daartoe gekomen is. Enfin, op het oogenblik behoeven we ons niet druk om hem te maken. Daisy zal wel weten waar ze hem vinden kan. Hij zal wel onverschilliger worden en daardoor Daisy in de gelegenheid stellen om eens rond te zien, totdat zij iemand gevonden heeft die haar meer aanstaat, dan zal hij z'n dwaasheid inzien en probeeren alles goed te maken, maar dan is het te laat.” Nadat hij dit, rood van kwaadheid, gezegd had, maakte hij zich gereed om zijn morgenwandeling te maken. „Je zorgt toch, dat je vanavond vrij bent, John?” vroeg z'n vrouw. „Op Daisy's verjaardag? Natuurlijk.’ „Het zou zoo aardig zijn als wij........ als we dan meteen Daisy’s verloving konden publiek maken. Juist op haar verjaardag .... Mijnheer Rogers liet haar niet uitspreken. „Neen,” zei hij op vasten toon, „neen Louise, ik wil niet onder den indruk van het oogenblik daartoe gedwongen worden. Osborne moet maar wachten, totdat het mij schikt. Wanneer hij zorgt dat ik tevreden over hem ben, als hij toont de man te zijn, aan wien ik mijn dochter kan toevertrouwen, dan zullen we verder zien. Dat is mijn laatste woord.” Zeer tevreden over zich zelf verliet mijnheer Rogers zijn woning om zijn morgenwandeling te maken. De twee schuldigen zagen hem aankomen, nog voor hij hen zag. Ze wandelden langzaam op de kleine steentjes en zagen er nu juist niet uit als menschen die iets op hun geweten hadden. Ondanks zijn gewoonte om te laat te komen, maakte Harry Osborne niet den indruk, dat hij Daisy dien morgen had laten wachten. „Hij zou er niet in toegestemd hebben, Daisy,” zei hij. „Neen, dat geloof ik ook niet.” Toen mijnheer Rogers hen zag, bleef hij op eenige meters afstand staan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en begon: „Ik moet je zeggen jongmensch, dat je er een vreemde manier op nahoudt om je genegenheid voor mijn dochter te toonen. Het is vandaag een zeer gewichtige dag voor haar; ze is nu meerderjarig geworden en moest toch de deur uitgaan om te zien waar je bleef!” „We hadden afgesproken om elkaar hier te ontmoeten, mijnheer.” „Zoo? Inderdaad? Ik wil wedden, dat je niet op tijd was.” „Och vader, wees nu niet zoo lastig,” liet zijn dochter zich hooren; „Harry was volstrekt niet te laat. We kwamen hier tegelijk bij elkaar.” Mijnheer Rogers keek in ’t rond en zijn oog viel op een koperen plaat op de deur van het gebouw, waarvoor zij stonden. De haren van zijn kortgeknipten knevel trilden. Ze stonden voor het bureau van den Burgerlijken Stand. „Nu begrijp ik wat dit alles beteekent!” riep hij driftig uit. „Dat komt mijn eer en gezag te na! Jullie stonden op ’t punt om zonder mijn toestemming te trouwen! Ik verlang de waarheid te hooren. de zuivere waarheid, jongmensch!” „Het is zooals u zegt, mijnheer Rogers.” „Dat dacht ik wel. — Kom met me mee, Daisy. Je behoeft je niet te derangeeren, Osborne. om de uitnoodiging voor het diner aan te nemen, dat ik van avond ter eere van mijn dochters verjaardag geef. „Maar vader. Harry móét op dat diner tegenwoordig zijn!” „Volstrekt niet. Gelukkig dat ik juist op tijd hier kwam, juist op het oogenblik dat jullie dat gebouw wilden ...” „Neen, vader, het was juist dat oogenblik niet...” Al sprekend stak Daisy een slank vingertje in de hoogte, waaraan een trouwring schitterde. „We kwamen er juist uit!”
PDF
Nummer
1929, nr. 34, 24 aug. 1929
Blad
19
Tekst
P A N O R A M A N o. 3 4 - 24 A U G U S T U S R ood is de kleur van de liefde, geel van haat, groen van hoop. En dan kwam er nog het getal dertien bij, dat in vroeger tijden wis en zeker een ongeluk voorspelde. De tijden zijn veranderd, de zeden, de menschen. Geel is de triomfantelijke modekleur van de liefde geworden, aan menig bracelet of ketting bengelt een klein varkentje. Wij vrouwen gaan in dezen tijd met vacantie, zijn met vacantie of komen van vacantie terug. Maar in het reiskoffer van iedere vrouw zal waarschijnlijk geen japon, hoed of sjaal in de nieuwe modekleur citroengeel ontbreken. Waar u kijkt, op de boulevards, aan zee, waar het eentonig geklots van de golven het wiegelied wordt voor de bewoners van de witte cottages, die recht in de richting van de zee en de ondergaande zon kijken, overal zult u in lichtgeel gekleede vrouw- of meisjesfiguurtjes ontdekken. Nevenstaand shantung japonnetje geeft u hiervan een eenvoudig voorbeeld. De diepe stolpplooien in den rok, het loshangende jasje, waarop de handgemaakte bloem in geel chiffon, dit alles flatteert het donkere vrouwenkopje, de slanke in grijszijden kousen gestoken beenen, het zwart bepumpte voetje. Voor kouder weer is er verder een zeer chique geheel ontworpen: mantelcostuum in zwart crêpe de chine, gevoerd met helgeel crêpe. De blouse met de drie opgestikte zwartzijden biezen harmonieerend met de binnenkant-voering van het geheel. Geel, geel everywhere! Geel zijden sjaals, los om de schouders of geknoopt met een punt neerhangend op den eenen bovenarm, ’n geel strooien hoedje boven een pikant gebruind meisjesgezicht, deze „note gaie” ontbreekt nergens. In geel zit de kleur van de zon, van het goud, het gelige zand. Op warme zomerdagen is het een met het omringende landschap; lijkt uw japon de gouden stofvonkjes te vangen, die in het avondlicht dansen. Bij donker weer is het een rempla^ant voor den ontbrekenden zonneschijn. Geel kan zeer flattceren en — zeer leelijk staan! Wanneer men buitenlandsche reizen maakt en op de langere trajecten overnachten moet, wat denkt u van deze Pullmanslippers door een vernuftig modeman voor het mondaine vrouwtje geschapen ? Een taschje van peau de suède als een groot groen blad omzoomd met oranjegele steken. Klapt men het bovengedeelte open, dan verschijnen de pantoffeltjes of slippers in dezelfde tint. Groen, het ingezette teenstukje als een zeer zichtbare driehoek in de gele kleur van veter en omzoomsteek. De blonde, de brunette, de zwartharige schoonheid, iedere vrouw vindt hier keus en kleur naar verkiezing. Groen-geel, zwart-bleu, rood-geel, de meest sprekende combinaties zijn dezen zomer in de gratie. Vacantie is een zeer samengesteld geq^Mode op Reis door Jo @oms Sportcostuum van Yterb, gele shantung, kort jaquette naar de voorkeur van dit jaar. noegen lezers. De een ontvlucht de grootestadsdrukte en bergt zich zielsverheugd eenige maanden op in een landhuisje op de hei of bosschen. Voor de huisvrouw en moeder in een dergelijk zomerverblijf is de zorg voor de garderobe op den meer praktischen kant ingericht. Zij kan de geheele week door gerust volstaan met een paar aardige bontbedrukte cretonne jurken. Denkt u om Indanthren, dat bespaart moeite, onkosten en tijd. Wanneer de heer des huizes arriveert, of bij de komst van een paar week-endgasten. dit te verwisselen met een leuke dun zijden jurk. Waarom wordt wit toch niet meer gedragen? Ik persoonlijk dweep ermee. Gauw vuil? Soit» maar het weer schoon en werEn u kent de streelende „als-nieuw” kleedingstuk. niet wasschen is kelijk als nieuw, sensatie van een Anderen weer zoeken de drukte, het geflaneer langs boulevard of pier. Hier is een garderobe, die op ochtend-, middag- èn avondkleeding is ingesteld een eerste vereischte. Een dunzijden foulard japon, een tulle dito, waarmee men onder het geflikker van roodgele electrische belichting succesvol een meer grootsteedsch avondleven kan imiteeren. Strausswalsen, Zigeunerliebe. Een knarsende harmonica die met schrille dissonanten een fijne violenstem begeleidt. Een heer staat op, buigt. Een dame, afwerend, dankt. Aan een tafeltje dichtbij wordt gegicheld. Schadenfreude — En door de open deuren heen het geruisch van de golven, de eeuwig rustelooze, het perpetuum mobile in de natuur. Voor het mondaine vrouwtje heeft Madame Mode een aardig geheel ontworpen. Tasch en avondschoenen van een lap Perzisch borduursel e. a., geflankeerd en afgewerkt door gouden biezen en sluitstuk. Uw voeten in dergelijke schitterende gouden sprookjesmuiltjes zwevend over den van onder uit verlichten dansvloer ? Qa va, £a va a .... ? ? Tusschen twee haakjes, gaat u naar een badplaats, vergeet u de badcape of mantel niet. Scheveningen, Zandvoort en andere Hollandsche badplaatsen nemen de laatste jaren buitenlandsche allures aan met het gevolg, dat wandelen in badpak over boulevard, strandweg en dorp met badcape is toegestaan. Heelemaal niet gênant hoor, het geeft den indruk of tout Scheveningue en tout Zandvoort in regen- of avondcape promeneert, maar dit dan in meer sprekende kleuren. Gele strepen, oranje dito, bij een flinke windvlaag er zich nauw ingewikkeld, u zult er de praktische en eenigszins aesthetische waarde van moeten erkennen, LI weet, dat de Duitsche kroonprins op Zandvoort is geweest. In de omgeving van den watertoren, op Muluru, de woning, waar de bekende Duitsche geldschieter Baron von Heidt zijn residentie heeft. Hij maakte als ieder ander het badleven mee. Dook ’s morgens vroeg in onze Noordzee onder, nam op het terras een zonnebad. Men kon de straaltjes zout water zien druppelen langs den kroonprinselijken rug. Hij reed te paard in gezelschap van Frau Ullstein, de bekende autokampioene. In een blauwe sporttrui, het achterovergestreken grijsblonde haar slechts zijn leeftijd verradend. Heelemaal het ietwat „nachlassige” jongenstype, de handen in den zak, dat we van de kieken kennen. Joviaal, gemoedelijk, foto’s met handteekening uitdeelend, aan wie er om vroeg. Zoo adoreert de vrouw gevallen grootheden! En Frau Ullstein, wat die droeg ? Hetzelfde dat u of ik dragen. Sportkleeding. Als de mode, de vrouw en de kunst internationaal! Pantoffels voor den slaapwagen, peau de Suède» evenals de eivormige tasch waarin ze passen; teenpunt in contrasteerende kleur, moderne „Éclair'-sluiting; modél Sandelari, Paris, Avondschoenen en handtasch van Perzisch borduurwerk en goudleer, model Sandelari, Paris. 17
PDF
Nummer
1929, nr. 34, 24 aug. 1929
Blad
20
Tekst
P A N O l< A M A N o. 3 4 2 4 A u G U S 1' u s DE BREUK IN HET SPOOR door George Walsh K orporaal Wesley Dorrington was' een der bekwaamste leden van de Koninklijke bereden politie van Noord-West Canada. Wesley, of Wes, zooals zijn kameraden hem noemden, stond bij hen bekend als een man met hersens en zonder zenuwen; maar dat hij ook een goed en en gevoelig hart bezat, wisten alleen maar de weinigen, die gelukkig genoeg geweest waren, daar een glimpje van te zien. De vluchtelingen voor de justitie leerden alleen maar zijn onbuigzame energie kennen, de volharding, waarmee hij een spoor, eenmaal gevonden, volgde en vooral zijn minachting van persoonlijk gevaar wanneer zijn plicht hem met de misdaad in contact bracht. In dit uitgestrekte land, waar de politie over weinig hulpmiddelen beschikt, is persoonlijke moed een belangrijke factor; korporaal Wes bezat veel persoonlijken moed. Hij was thans bezig met de achtervolging van een moordenaar. Het spoor had hem vanuit de betrekkelijk milde streek van Athabasca naar Ford Resolution geleid; vandaar naar Fort Good Hope, bijna bij den Noordpoolcirkel; en daar scheen het zich te verliezen in de kale barre streken van sneeuw en ijs. In elk geval was de moordenaar nog meer noordwaarts getrokken; een bepaald spoor ontbrak, en t was een soort instinct dat korporaal Dorrington verder den weg wees. Ergens tusschen Fort Good Hope en de Noordelijke Ijszee stootte hij den dag daarop op een plek waar de vluchteling blijkbaar overnacht had. Wesley gromde alleen wat tusschen de tanden van tevredenheid : hij wist wel dat men, eenmaal in deze streken gekomen, zijn vluggen stap spoedig verliest. Het was onbeschrijfelijk koud; de laatste dagen hadden sneeuwstormen gewoed. Tientallen mijlen van de laatste nederzetting verwijderd, wist Wesley dat hier de wet feitelijk geen macht meer bezat; het zou man tegen man zijn; zijn kans was gelijk aan die van den vervolgde. —* De korporaal begon te winnen; iederen dag vond hij overblijfselen van een kamp; een stuk pels, dat verloren was gegaan; voetstappen in de sneeuw. Elk teeken toonde hem dat hij won. Toen, op een dag den horizon afziende, ontdekte hij een donkere figuur, die zich onregelmatig en langzaam bewoog : invloed van koude en vermoeidheid. Daarna was het makkelijk. De figuur in 't oog houdend begon korporaal Wesley volgens lang toegepaste tactiek zijn vluchteling te naderen. Eenige malen keerde deze zich om en scheen op Dorrington toe te willen komen, maar dat paste niet in diens tactiek en hij was terug getrokken. Daarna vluchtte de man in wanhoop weer verder. Den derden dag na de ontdekking van den vluchteling zag Dorrington dat deze viel en niet weer opstond. De korporaal wachtte; het kon een list zijn. Maar het donkere lichaam bleef zoolang op de sneeuw liggen, dat de vervolger ongerust werd. In deze streken kost het niet veel tijd het bloed in de aderen te laten bevriezen. Langzaam en voorzichtig naderde hij; maar zijn voorzorgen bleken overbodig. Het lichaam bleef bewegingloos voorover liggen. De vrees, te lang te hebben gewacht, wekte plotseling de activiteit van Wesley Dorrington op. Hij knielde bij het lichaam neer, en keerde het om. Toen hij bij het zwakke Arctische licht de gelaatstrekken kon onderscheiden, gaf hij een schreeuw van verrassing. Het gelaat was onmiskenbaar dat van een vrouw — een jonge vrouw; en, ofschoon vertrokken door uitputting, was de schoonheid er van toch nog duidelijk zichtbaar. Voor een oogenblik stond korporaal Wesley nog in verbazing en keek neer op het gelaat met de gesloten oogen. Daarna nam hij het lichaam op, droeg het in de luwte van een kleine hoogte en begon gelaat en handen te wrijven. Langer dan een half uur bleef hij bezig. Toen kwam de vrouw langzaam tot het leven terug en sloeg de oogen op. Zij staarden den man aan met een uitdrukking van de uiterste ellende. Daarna sloot zij ze weer en viel in slaap. Korporaal Wesley wikkelde haar in zijn eigen deken en maakte het primitieve kamp voor den nacht in orde. Dienzelfden nacht werd het zoo koud dat hij, uit vrees dat zijn gevangene zou bevriezen, de armen om haar heen sloeg, zoodat hij haar iets van zijn lichaamswarmte kon meedeelen. 's Morgens maakte hij het ontbijt gereed. De vrouw ontwaakte en hij merkte met vreugde op dat zij veel beter was en sterk genoeg om te eten en te drinken. Hij gaf haar heete koffie; de vrouw glimlachte en sprak haar eerste woorden, ,,Het duurde lang, vóór u mij kwam helpen, zei ze; „ik geloof dat ik bewusteloos ben geraakt.’ „Ja,” antwoordde hij, „ik vond u half bevroren in de sneeuw en ... . „Ik geloof dat het tenslotte beter was geweest als u mij maar had laten sterven, zei de vrouw bitter. Nadat zij dit gezegd had, dronk ze in stilte haar koffie, en keek toen naar Dorrington met oogen, die hem een vreemd en ongekend gevoel gaven. „Ik vraag me af, waarom u me vervolgde, zei ze na een poosje, met een raadselachtige uitdrukking in haar oogen. Korporaal Dorrington zag haar aan ; toen zei hij: ,,Dat was een vergissing; ik hield u voor iemand anders. ..En was u teleurgesteld, toen u slechts mij vond?’’ „ja.” antwoordde hij open, „maar meer verbaasd dan teleurgesteld. Ik kan het niet verklaren. Ik kan het nog niet.” Voor het eerst lachte zij; het geluid er van klonk helder door de koude lucht. ,,Het is makkelijk een man te bedriegen, zei ze. Hij knikte ernstig. „Inderdaad, en zeker voor u — als u dat wilt. U heeft een gezicht dat een man zou vertrouwen en liefhebben, maar —. „Wat wou u nog meer zeggen,” vroeg zij, toen hij ophield. „Niets.” „Jawel, u wilde iets onaangenaams zeggen. Zeg het. Het komt er hier toch niets op aan. „Dat is waar,” met een grimmigen lach. ,,lk vermoed dat we ongeveer 150 mijlen van de naaste nederzetting zijn.” Zij huiverde na die woorden. „Zoo ver? Wat eenzaam, als men er aan denkt, Ik meende, dat ik krankzinnig zou worden, vóór u kwam. Toen ik u zag wilde ik naar u toegaan, maar u ontweek mij. Toen dacht ik dat het een schaduw was, die mij volgde; verder herinner ik mij niets meer.” „Dus u verwachtte mij niet?” „U verwachten? Waarom?” Er lag verbazing in haar woorden, maar zijn geoefend oor hoorde ook iets van vrees in haar stem. Zij verborg hem iets; maar wat? Hij veranderde, zonder overgang, van onderwerp. „We beginnen morgen den terugtocht. „Ik — ik weet niet, of ik dan al voldoende uitgerust ben. Misschien kan u wel vooruit gaan. Hij glimlachte. „Ik ga niet zonder u; we zullen onze snelheid naar u regelen.” Den volgenden dag begon de terugtocht. Korporaal Dorrington droeg de kamp-benoodigdheden, en van tijd tot tijd steunde hij het meisje, s Avonds sloeg hij al vroeg de tent op. en wanneer zij rond het vuur zaten, zwegen zij meest, ieder verdiept in eigen gedachten. De vrouw placht hem gade te slaan door haar half gesloten oogleden. Hij had een goed figuur en een knap gezicht; zelfs buiten de eenzaamheid, in de massa, zou hij opvallen. Zij keek meer naar hem dan ze zich wel wilde bekennen. Wat haarzelf betrof, als korporaal Dorrington haar ’s avonds in de tent zag, wanneer de teruggeslagen bontkap haar gezicht wat vrij liet, moest hij zich toegeven nog zelden zoo n schoon meisje gezien te hebben. Nu gezondheid en kracht terugkeerden, was zij inderdaad een schoonheid. In korporaal Wesley’s hoofd woelden nooit vermoede gevoelens. Hij had haat geen enkele vraag gesteld betreffende haar eenzamen tocht. Zelfs wist hij haar naam niet. Hij vermoedde dat zij begreep, wat hij wist. Hij was tot de conclusie gekomen dat zij ergens, ver terug op het spoor, was gescheiden van den man. dien hij achtervolgde en hem, den vervolger, listig achter haar valsch spoor verder had gelokt. Het was een knap stukje werk geweest; — knapper dan een man dat zou hebben gekund. Was het daarom dat zijn teleurstelling niet zoo groot was geweest ? Hij moest zich zelfs bekennen dat hij zich prettig gestemd voelde. Zij vorderden slechts langzaam, want het meisje was nog zwak, en dikwijls moest hij haar steunen. „U kunt het spoor met gesloten oogen terug vinden, geloof ik,” zei ze den zevenden dag, toen zij bemerkte dat precies dezelfde weg terug gevolgd werd. „Ik meende dat de gevallen sneeuw 't onkenbaar had gemaakt. „Wel,” antwoordde hij, kalm, „ik heb andere teekenen waaraan ik den weg herken. Ik heb jaren in deze streken geleefd. Een nadere verklaring gaf hij niet, en een tijdlang gingen zij weer zwijgend verder. „Waarom gaan we denzelfden weg terug ?” vroeg zij plotseling en bleef even staan. 18
PDF
Nummer
1929, nr. 34, 24 aug. 1929
Blad
21
Tekst
PANORAMA N o. 3 4 2 4 A U G U S T lT S „Waarom? Wel, omdat ik moet weten waar de breuk in het spoor is. Die plek zal ik mérken; ik geleid u verder naar een veilige plaats en keer dan zelf terug naar die plek. „Veronderstel, dat ik weiger mee te gaan?” Hij keek haar onderzoekend aan. „Ik ben er zeker van. dat u wel mee wilt gaan. Zij zuchtte. Toen stak zij haar hand in haar pels, haalde een kleine revolver voor den dag en reikte hem die toe. „Ik had u wel n dozijn keeren kunnen dooden. Waarom heeft u mij dit niet afgenomen. Is u altijd zoo zorgeloos met uw gevangenen7” „Maar u is mijn gevangene niet. Wist u dat dan niet?” „Neen, dat wist ik niet.” Hij glimlachte. „Meende u, dat ik u daarvoor zou arresteeren? Misschien als u een man geweest waart; maar n vrouw— neen.’ „Maar waarom wilt u dan toch langs denzelfden weg terug ? Kunnen we geen andere richting nemen ?” „Deze weg leidt terug naar de breuk in het spoor. Die moet ik vinden en u naar een veilige plaats geleiden. ” Daarna deed zij enkele pogingen hem van het spoor af te brengen; maar hij glimlachte slechts en schudde het hoofd. „Neen, dat is de weg." „Denkt u. dat u hem zult vinden?” vroeg zij toen, een poosje later „Absoluut zeker.” Tegen den middag van den daarop volgenden dag, merkte korporaal Wesley een verandering op bij het meisje: haar gezicht was verbleekt en zij begon vlugger te loopen. „Wat is er?” vroeg hij en keek haar aan. „Niets — maar we naderen. „De breuk in het spoor?” „Zoo noemt u het tenminste. Ofschoon ik niet weet waarom, u heeft het mij nooit verteld.” „Ik meende dat u het wel wist,” antwoordde hij. „u moest mij van het spoor afbrengen, u heeft deze richting genomen, en hij de andere. Daarom moest ik vanaf dat punt opnieuw beginnen. Een minuut lang zag zij hem zwijgend aan. Een trek van begrijpen kwam in haar gezicht. „Dus u denkt,” zei ze daarna langzaam „dat ik daar van hem scheidde, en een anderen weg nam om u te bedriegen.” „Wat kan ik anders denken? „Dus u weet eigenlijk niets?” Hij zag haar twijfelend aan. Vrouwen waren toch vreemde wezens, en lastig te begrijpen. „Ik dacht dat u alles wist, en — maar kom, dan zal ik u alles toonen.” Nu ging het meisje voor, en Dorrington volgde onzeker. Plotseling bleef zij staan, waar ‘n glooiing in het terrein hun weg sneed. „Hier is wat u noemt, de breuk in het spoor,” kondigde zij aan, en keek hem in het gezicht. Hij keek om zich heen, liep heen en weer, keek speurend de streek rondom hen af. Toen kwam er zoowaar een blos op zijn gezicht, en in weerwil van haar ellende, moest de jonge vrouw even lachen. „Het is vreemd,” zei hij na een poosje, „u zijt hier beiden gekomen; u heeft mij toen op een valsch spoor gelokt, maar hij. — waar is hij gebleven? Hij was hier, maar ik kan geen ander spoor vinden, dat verder leidt. — Ha, ik ben er,” riep hij ineens. „Hij heeft zich verborgen tot BEGIJNTJE (Breda). ik u ’n eind gevolgd was, en toen is hij denzelfden weg terug gegaan. Een knap stuk werk. Maar o — hoe is het mogélijk, dat zoon beest zoon invloed had over u, dat u zijn handlangster daarin kon worden! — We gaan terug ; ik zal hem toch vinden: ik moet hem hebben — dood of levend. Het meisje ging voor hem staan en greep zijn arm. „Dood of levend, zei u?” „Ja, kom mee, hij zal mij niet ontsnappen.' „Neen, kom met mij mee,” — zij was in hooge mate zenuwachtig en trok hem mee, eenige meters verder, waar zij bleef staan. „Wat is er?” vroeg hij meer dan verbaasd. „Hij is niet ontsnapt,” fluisterde zij. „Niet ontsnapt ?” „Neen, hij is hier.” Hij keek, verstomd van verbazing, in ’t rond. Toen: „Waar is hij dan? „Hier, vlak voor uw voeten — Daar heb ik hem begraven.” Zij sloeg de handen voor het gezicht en begon te beven. „Hij is hier gestorven, en u heeft hem begraven?” stamelde Dorrington. Zij antwoordde niet dadelijk, schokkend van zenuwachtigheid; toen bijna snikkend: „Neen: ik heb hem gedood!” Zoo verrast was korporaal Dorrington nog nooit geweest. „U heeft hem gedood ?” „Ja, dag en nacht heb ik hem gevolgd. Hier haalde ik hem in. Hij herkende mij en wilde op mij schieten; maar ik was hem voor — Weet u wie ik ben ? Mijn naam is Mary Dunbar; ik ben de dochter van den man dien hij vermoord heeft. Ik heb mijn vader gewroken.” Zij snikte en Dorrington wachtte lang voor hij sprak. „Waarom is u toen niet teruggekeerd?” „Ik wist dat de politie hem volgde en en wilde haar doen gelooven, dat het zijn spoor nog was dat zij volgde. En later — later wist ik niet meer wat ik deed. Het was alles zoo vreeselijk. Nu — ben ik blij dat u gekomen is.” « Na een tijd zag zij hem aan, onbevreesd. „Dus nu ben ik toch uw gevangene, zei ze met een droevig lachje. „Hij was een schurk,” zei korporaal Dorrington, meer tot zichzelf dan tot de vrouw sprekend. „Ik had orders hem te overmeesteren — dood of levend. Wel, hij is dood. Dat kan ik rapporteeren. En bovendien — het was ten slotte wettige zelfverdediging. ’ ’ -„Dus — u — u arresteert me niet. U neemt mij niet gevangen?” „Neen; maar ik neem u mee terug — als u wilt. Alleen is het ditmaal geen verplichting. Wilt u met mij mee teruggaan? En geen breuk meer in het spoor maken?” Zij glimlachte door haar tranen, en greep hem bij den schouder. „Ik wil graag mee terug gaan,” zei ze; „sedert vaders dood ben ik vreeselijk eenzaam geweest en — „Ik zal zorgen dat je nooit meer eenzaam bent,” sprak korporaal Wes eenvoudig. „Kom, wij gaan terug.” En de man en de vrouw liepen verder naar het zuiden, de beschaving tegemoet. Maar reeds nu voelden ze niets meer van den ijskouden wind. 19
PDF
Nummer
1929, nr. 34, 24 aug. 1929
Blad
22
Tekst
PANORAMA No. 3 4 24 AUGUSTUS (Ruth Taylor foto Paramount.) Black and White 20
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11551 tot 11555 van 11897