|
P A N O l< A M A N o. 3 4 2 4 A u G U S 1' u s
DE BREUK IN HET SPOOR
door George Walsh
K
orporaal Wesley Dorrington was' een
der bekwaamste leden van de Koninklijke bereden politie van Noord-West
Canada. Wesley, of Wes, zooals zijn
kameraden hem noemden, stond bij hen
bekend als een man met hersens en zonder
zenuwen; maar dat hij ook een goed en
en gevoelig hart bezat, wisten alleen maar
de weinigen, die gelukkig genoeg geweest
waren, daar een glimpje van te zien. De
vluchtelingen voor de justitie leerden alleen
maar zijn onbuigzame energie kennen, de
volharding, waarmee hij een spoor, eenmaal
gevonden, volgde en vooral zijn minachting
van persoonlijk gevaar wanneer zijn plicht
hem met de misdaad in contact bracht. In
dit uitgestrekte land, waar de politie over
weinig hulpmiddelen beschikt, is persoonlijke moed een belangrijke factor; korporaal
Wes bezat veel persoonlijken moed.
Hij was thans bezig met de achtervolging
van een moordenaar. Het spoor had hem
vanuit de betrekkelijk milde streek van
Athabasca naar Ford Resolution geleid;
vandaar naar Fort Good Hope, bijna bij
den Noordpoolcirkel; en daar scheen het
zich te verliezen in de kale barre streken
van sneeuw en ijs.
In elk geval was de moordenaar nog
meer noordwaarts getrokken; een bepaald
spoor ontbrak, en t was een soort instinct
dat korporaal Dorrington verder den weg
wees.
Ergens tusschen Fort Good Hope en de
Noordelijke Ijszee stootte hij den dag
daarop op een plek waar de vluchteling
blijkbaar overnacht had. Wesley gromde
alleen wat tusschen de tanden van tevredenheid : hij wist wel dat men, eenmaal in
deze streken gekomen, zijn vluggen stap
spoedig verliest.
Het was onbeschrijfelijk koud; de laatste
dagen hadden sneeuwstormen gewoed. Tientallen mijlen van de laatste nederzetting
verwijderd, wist Wesley dat hier de wet
feitelijk geen macht meer bezat; het zou
man tegen man zijn; zijn kans was gelijk
aan die van den vervolgde. —* De korporaal
begon te winnen; iederen dag vond hij overblijfselen van een kamp; een stuk pels, dat
verloren was gegaan; voetstappen in de
sneeuw. Elk teeken toonde hem dat
hij won.
Toen, op een dag den horizon afziende,
ontdekte hij een donkere figuur, die zich
onregelmatig en langzaam bewoog : invloed
van koude en vermoeidheid. Daarna was
het makkelijk. De figuur in 't oog houdend
begon korporaal Wesley volgens lang toegepaste tactiek zijn vluchteling te naderen.
Eenige malen keerde deze zich om en scheen
op Dorrington toe te willen komen, maar
dat paste niet in diens tactiek en hij was
terug getrokken. Daarna vluchtte de man
in wanhoop weer verder. Den derden dag
na de ontdekking van den vluchteling zag
Dorrington dat deze viel en niet weer opstond. De korporaal wachtte; het kon een
list zijn. Maar het donkere lichaam bleef
zoolang op de sneeuw liggen, dat de vervolger ongerust werd. In deze streken kost
het niet veel tijd het bloed in de aderen
te laten bevriezen. Langzaam en voorzichtig naderde hij; maar zijn voorzorgen
bleken overbodig. Het lichaam bleef bewegingloos voorover liggen. De vrees, te
lang te hebben gewacht, wekte plotseling
de activiteit van Wesley Dorrington op.
Hij knielde bij het lichaam neer, en keerde
het om. Toen hij bij het zwakke Arctische
licht de gelaatstrekken kon onderscheiden,
gaf hij een schreeuw van verrassing. Het
gelaat was onmiskenbaar dat van een
vrouw — een jonge vrouw; en, ofschoon
vertrokken door uitputting, was de schoonheid er van toch nog duidelijk zichtbaar.
Voor een oogenblik stond korporaal
Wesley nog in verbazing en keek neer op
het gelaat met de gesloten oogen. Daarna
nam hij het lichaam op, droeg het in de
luwte van een kleine hoogte en begon
gelaat en handen te wrijven. Langer dan
een half uur bleef hij bezig. Toen kwam
de vrouw langzaam tot het leven terug en
sloeg de oogen op. Zij staarden den man
aan met een uitdrukking van de uiterste
ellende. Daarna sloot zij ze weer en viel
in slaap. Korporaal Wesley wikkelde haar
in zijn eigen deken en maakte het primitieve
kamp voor den nacht in orde. Dienzelfden
nacht werd het zoo koud dat hij, uit vrees
dat zijn gevangene zou bevriezen, de armen
om haar heen sloeg, zoodat hij haar iets
van zijn lichaamswarmte kon meedeelen.
's Morgens maakte hij het ontbijt gereed.
De vrouw ontwaakte en hij merkte met
vreugde op dat zij veel beter was en sterk
genoeg om te eten en te drinken. Hij gaf
haar heete koffie; de vrouw glimlachte
en sprak haar eerste woorden,
,,Het duurde lang, vóór u mij kwam
helpen, zei ze; „ik geloof dat ik bewusteloos ben geraakt.’
„Ja,” antwoordde hij, „ik vond u half
bevroren in de sneeuw en ... .
„Ik geloof dat het tenslotte beter was
geweest als u mij maar had laten sterven,
zei de vrouw bitter. Nadat zij dit gezegd
had, dronk ze in stilte haar koffie, en keek
toen naar Dorrington met oogen, die hem
een vreemd en ongekend gevoel gaven.
„Ik vraag me af, waarom u me vervolgde,
zei ze na een poosje, met een raadselachtige uitdrukking in haar oogen.
Korporaal Dorrington zag haar aan ; toen
zei hij: ,,Dat was een vergissing; ik hield
u voor iemand anders.
..En was u teleurgesteld, toen u slechts
mij vond?’’
„ja.” antwoordde hij open, „maar meer
verbaasd dan teleurgesteld. Ik kan het
niet verklaren. Ik kan het nog niet.”
Voor het eerst lachte zij; het geluid er
van klonk helder door de koude lucht.
,,Het is makkelijk een man te bedriegen,
zei ze. Hij knikte ernstig.
„Inderdaad, en zeker voor u — als u
dat wilt. U heeft een gezicht dat een man
zou vertrouwen en liefhebben, maar —.
„Wat wou u nog meer zeggen,” vroeg
zij, toen hij ophield.
„Niets.”
„Jawel, u wilde iets onaangenaams zeggen.
Zeg het. Het komt er hier toch niets op aan.
„Dat is waar,” met een grimmigen lach.
,,lk vermoed dat we ongeveer 150 mijlen
van de naaste nederzetting zijn.” Zij huiverde
na die woorden.
„Zoo ver? Wat eenzaam, als men er
aan denkt, Ik meende, dat ik krankzinnig
zou worden, vóór u kwam. Toen ik u zag
wilde ik naar u toegaan, maar u ontweek
mij. Toen dacht ik dat het een schaduw
was, die mij volgde; verder herinner ik mij
niets meer.”
„Dus u verwachtte mij niet?”
„U verwachten? Waarom?”
Er lag verbazing in haar woorden, maar
zijn geoefend oor hoorde ook iets van
vrees in haar stem. Zij verborg hem iets;
maar wat?
Hij veranderde, zonder overgang, van
onderwerp.
„We beginnen morgen den terugtocht.
„Ik — ik weet niet, of ik dan al voldoende uitgerust ben. Misschien kan u wel
vooruit gaan.
Hij glimlachte. „Ik ga niet zonder u; we
zullen onze snelheid naar u regelen.”
Den volgenden dag begon de terugtocht.
Korporaal Dorrington droeg de kamp-benoodigdheden, en van tijd tot tijd steunde
hij het meisje, s Avonds sloeg hij al vroeg
de tent op. en wanneer zij rond het vuur
zaten, zwegen zij meest, ieder verdiept in
eigen gedachten. De vrouw placht hem
gade te slaan door haar half gesloten oogleden. Hij had een goed figuur en een knap
gezicht; zelfs buiten de eenzaamheid, in de
massa, zou hij opvallen. Zij keek meer
naar hem dan ze zich wel wilde bekennen.
Wat haarzelf betrof, als korporaal Dorrington haar ’s avonds in de tent zag, wanneer
de teruggeslagen bontkap haar gezicht wat
vrij liet, moest hij zich toegeven nog zelden
zoo n schoon meisje gezien te hebben. Nu
gezondheid en kracht terugkeerden, was
zij inderdaad een schoonheid. In korporaal
Wesley’s hoofd woelden nooit vermoede
gevoelens.
Hij had haat geen enkele vraag gesteld
betreffende haar eenzamen tocht. Zelfs wist
hij haar naam niet. Hij vermoedde dat zij
begreep, wat hij wist. Hij was tot de conclusie gekomen dat zij ergens, ver terug
op het spoor, was gescheiden van den man.
dien hij achtervolgde en hem, den vervolger,
listig achter haar valsch spoor verder had
gelokt. Het was een knap stukje werk
geweest; — knapper dan een man dat zou
hebben gekund. Was het daarom dat zijn
teleurstelling niet zoo groot was geweest ?
Hij moest zich zelfs bekennen dat hij zich
prettig gestemd voelde.
Zij vorderden slechts langzaam, want het
meisje was nog zwak, en dikwijls moest
hij haar steunen.
„U kunt het spoor met gesloten oogen
terug vinden, geloof ik,” zei ze den zevenden
dag, toen zij bemerkte dat precies dezelfde
weg terug gevolgd werd. „Ik meende dat de
gevallen sneeuw 't onkenbaar had gemaakt.
„Wel,” antwoordde hij, kalm, „ik heb
andere teekenen waaraan ik den weg herken.
Ik heb jaren in deze streken geleefd.
Een nadere verklaring gaf hij niet, en
een tijdlang gingen zij weer zwijgend verder.
„Waarom gaan we denzelfden weg
terug ?” vroeg zij plotseling en bleef even
staan.
18
|