|
P A N O R A M A No. 3 3 1 7 A U G U S T ü S
Oude en Nieuwe
Miniaturen
Bescheiden Koning Oscar II van
koninA Zweden interesseerde zich
bijzonder voor opvoeding
en onderwijs en hij had er
pieizier in, gelijk men ook van Karei den
Grooten vertelt, de scholen te bezoeken en
bijwijlen zelf als onderwijzer op te treden.
Natuurlijk ontwikkelden er zich dan wel eens
malle gevallen en vervolgens anecdoten over
's konings gedrag bij zulke gelegenheden.
Eens bracht hij een bezoek aan een
meisjesschool en vroeg de onderwijzeres,
of hij de kinderen eens mocht ondervragen
over de geschiedenis des vaderlands. Het
mocht, en Zijne Majesteit begon.
„Wie kan mij een paar gróóte koningen
van Zweden noemen?”
„Gustaaf Adolf,” antwoordde een meisje.
„Karei de Twaalfde,” zei een tweede.
„Oscar de Tweede,” zei een der kleinsten.
De koning ging naar die kleuter toe en
vroeg haar verder: „En kun je me ook
één van de groote daden van dien koning
noemen ?”
Het meisje stond verlegen, begon toen
te huilen en zei tusschen haar tranen door:
„Ik weet er geeneentje!”
De koning streelde *t schaap over de haren
en zei glimlachend : „Heel goed geantwoord
hoor kindje, ik weet er óók geeneentje.”
Om een & had de groote eer met den
tientje beroemden Amerikaanschen
bokser Henson in een en denzelfden coupé te zitten, voorgaar een onderscheiding die niet iedereen
te beurt valt.
Ik had spoedig een gesprek met hem
aangeknoopt, en ik moet bekennen, dat er
ook nog boksers zijn die iets meer dan
alleen de regels van hun vak weten, want
Henson was 'n bereisd man, naar zijn zeggen
een geweldig liefhebber van Shakespeare en,
wat in een coupé ook zeer te apprecieeren
valt, een zeer vlot en aangenaam causeur.
Hij had echter, naar ik in die korte
spanne tijds vermocht op te merken, een
kleine schaduwzijde: hij was te blij met
zichzelf. En — excuseer — een aap had
niet met meer zelfingenomenheid op zichzelf kunnen wijzen, dan hij deed, toen hij
zich voorstelde als: „Henson, zwaargewicht-kampioenbokser.” Hij had zeker verwacht, dat ik minstens flauw zou vallen bij
het hooren van dien naam, maar er gebeurde niets dan dat ik vriendelijk zei:
„Aangenaam. Ik ben S„ oud-voetballer
eerste klas N. V. B.”
Het gesprek liep eerst over boksen en
voetballen en we hadden er nog bijna
ruzie over gekregen, welke sport de gezondste was; ik had gelukkig de handigheid een ander onderwerp aan te roeren,
en zoo kwamen we, druk pratend, langzamerhand aan ons einddoel.
De trein reed de overkapping binnen
toen Henson uitriep: „Heeren! allemaal
mee naar de wachtkamer! Een grap met
een citroen!”
We betuigden onze instemming en, in
de wachtkamer aangeland, vroeg Henson
den boy een citroen.
„Nu opgelet, heeren! Ik knijp dezen
citroen uit, zoo hard ik kan, en loof een
tientje uit voor hem, die er dan nog één
druppel uitkrijgt!”
We drongen allen om hem heen. Hij
haalde eens diep adem, en greep den citroen
flink beet.
Kolossaal wat een handen had die kerel.
Hij kneep de vrucht, tot ze openbarstte
en het sap naar alle kanten wegspoot.
Vervolgens werd ze gekneed en gewrongen,
nog eens gekneed en nog eens gewrongen,
platgedrukt tusschen zijn breede vuisten —
toen toonde hij ons triomfantelijk het uitgemergelde groene ding.
„Dat doet een Amerikaansch bokser!”
brulde hij bijna.
We zwegen allen.
„Wie komt er het tientje winnen?” spotte
de bokser, „een tientje voor één druppel!”
Een kleine verwarring ontstond, en een
heertje drong zich naar voren, mager, dun,
schriel.
Zonder een woord te zeggen greep hij
de rest van den citroen, perste, perste —
en ziedaar! drie druppels in plaats van
één dropen langzaam op den grond!
„Maar, maar ...” stotterde Henson, onder
het gejuich der aanwezigen.
Het heertje wenkte om stilte, en, wijzende
op de drie ronde plekjes op de tafel, zei
hij minzaam: „Dat kan een Nederlandsch
belastingambtenaar!”
ONUeRWfór
—VLIEGTUIG öPNoN-5T0P
ldyluchT meé’MT
STEKELTJES
Q Kunt u vlug denken? Terwijl ik dit
schrijf, is het tien minuten vóór Woensdag,
gerekend vóór het slaan van de Londensche
Big Benklok. Welke dag is het ?
q Wat is een ontwapenings-conferentie ? —
Als een zwerm zaagvisschen er over praat,
dat de zaag afgeschaft moest worden; en
als ze uitgepraat zijn, is de zaag tien centimeter langer geworden.
q De hoogste eer, die wij een mensch
bewijzen, bestaat hierin, dat wij zijn naam
naar alle windstreken telegrafeeren en dan
nooit meer van hem spreken.
(j De optimist lijdt zonder te klagen; de
pessimist klaagt zonder te lijden.
q Menige soubrette is geen goede zangeres,
geen goede danseres en geen goede actrice,
maar alleen . .. een goede veertiger.
q Het leven is voor den materialist een
heerlijk lied, als de noten banknoten zijn.
q Levensgang: kinderwagen — kruiwagen
— trouwwagen — eigen wagen — lijkwagen.
24
|