Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11526 tot 11530 van 11897
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
19
Tekst
PANORAMA No. 3 3 17 AUGUSTUS M odieus en practisch! Het kan heel goed samengaan, en als we het eene met het andere weten te vereenigen, dan zal ons dat vooral te pas komen wanneer we op reis gaan. Want is dit niet een van de dingen welke reeds veel van onze vacantiereis bederven nog voordat ze is aangevangen: de bagage? Is er niet altijd weer de strijd tusschen mevrouwtje, die met geen mogelijkheid op reis kan ||1 ajoureerd. In het midden, bij den naad, wordt de zijde ingerimpeld, zooals op de foto is te zien, terwijl ze aan den achterkant wordt ingerimpeld zóó dat er ’n soort mutsje wordt gevormd, dat het hoofddeksel op z’n plaats houdt. En dan is het aan de draagster om de zijden reepen tot een flatteerend Ze kan hoedje om het hoofd te winden, ze tweemaal om het hoofd arrangeeren en ze ter zijde in ’n paar Anita Page toont ons hoe we van een /, reep zijde, die in ons taschje niet meer 1 ruimte behoeft in te nemen dan een I1 groote zakdoek, een elegant II hoedje kunnen maken. II in ’n gewoon damestaschje, waar hij niet meer ruimte inneemt dan 'n groote zakdoek. Voor dezen turban is noodig anderhalf a twee Meter zijde, die in de lengte wordt doorgeknipt, aan elkaar gezet, zoodat er een lange sjaal ontstaat en dan rondom geZomertoiletje van gebloemde zijde met lossen donkerkleurigen rok, die het metamorfoseert in een deux-pièces. geschikt voor donkere dagen. willen reizen? eigen auto van gaan zonder de verschillende toiletten voor allerlei gelegenheden en weersgesteldheid, en meneer, die liefst met een minimum van bagage zou Vooral wanneer we met de eene plaats naar de andere trekken en liefst alle bagage met ons mee voeren, zal het ons de reis veraangenamen, als we het aantal koffers tot een minimum weten te beperken. Vooropgezet nu, dat we ook in den vreemde goed gekleed willen zijn, dat we niet met een wandeljapon aan het diner willen verschijnen, noch in een gewone jurk ’s avonds naar cabaret of dancing willen gaan, dat we geen luchtig voile toiletje willen dragen bij donker weer en geen wollen mantelpak op warme dagen — wel dan moet het vernuft ons te hulp komen. En waarom zouden we de eigen vindingrijkheid niet aanvullen met de bedenksels van anderen? Daar is Anita Page, de beroemde filmster uit „Broadtvay Melody'. Zij toont ons een eleganten hoed, die, opgevouwen, heel gemakkelijk kan worden meegenomen Pyama-ensemble van lila satijn. Blouse en pantalon zijn uitgeschulpt. Het jasje is omzoomd met marabou. Elegant toilet van beige crêpe-dechine metoverjurk en Chineesch aandoende mouwen. slippen laten neerfladderen. Ze kan ze ook om het hoofd winden tot er enkel maar ’n paar eindjes als vlindervleugels op de zijde overblijven. En wat zoudt ge zeggen van een zomersch toiletje met een aparten donkeren rok, die gemakkelijk op de jurk kan worden bevestigd en weer losgeknoopt? Op onze afbeelding is de japon van grijze met blauw bedrukte zijde; de rok, die het toiletje metamorfoseert in ’n deux-pièces, welke ook bij donker weer kan worden gedragen, is donkerblauw. Garneering donkerblauw en lichtgrijs. Ten slotte nog een zeer elegant toiletje van beige crêpe de chine, waarvan vooral de Chineesch aandoende mouwen opmerkelijk zijn. Hier zou de overjurk apart kunnen worden gehouden om, 's avonds over een eenvoudig glad japonnetje aangeschoten, een elegante robe te scheppen voor het diner. En nu aarzel ik, of ik het nog even zal hebben over de pyama, waarvan Anita Page de charme zoo geheel tot haar recht weet te doen komen. Practisch ? Nou ja, maar alles hoeft toch eigenlijk ook niet practisch te wezen! ~i----- 17
PDF
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
20
Tekst
PANORAMA No. 3 3 17 AUGUSTUS „Prins Gesïaal” DOOR S I R A N T H O N Y HOPE H A W K I N S I k kende haar al lang, toen ik hém voor ’t eerst ontmoette. Met de meesten van hun bekenden was 't zoo gegaan; want de vriendschap met haar was absoluut geen aanleiding tot de kennismaking met hem. ’t Was heel gewoon herhaaldelijk in zijn huis te komen, zonder hem ooit te zien. Hij was er wel altijd, maar in een verborgen hoekje. Om mevrouw Clinton was meestal een heele groep bewonderaars verzameld óf één enkele vertrouwde zat bij haar op den divan. Haar dochter Muriel kwam altijd even binnen in een of andere zonderlinge oud-modische kleedij en sprak over „Mammie’s boeken”, waarna mevrouw Clinton zich glimlachend verontschuldigde, dat die lieveling ze nu eenmaal per sé wilde lezen, ’t Kon gebeuren, dat iemand bij de zesde of zevende visite mijnheer Clinton ergens ontdekte. Hij was erg beleefd en gedienstig, altijd klaar om de bevelen van zijn vrouw uit te voeren en zich nuttig te maken. Mevrouw Clinton erkende zijn goede eigenschappen. Zij noemde hem „beste jongen” met een half teederen, half medelijdenden glimlach en vertelde bijna verontschuldigend „dat hij ook wel eens iets schreef.” Vroeg men daarop, wat hij schreef, dan antwoordde zij vaag, dat ’t over een of ander verouderd onderwerp was. „Maar,” vertelde ze verder, „hij heeft er plezier in en 't kan hem niets schelen, dat hij telkens gestoord wordt en eigenlijk geen plaats heeft om te zitten; want Muriel heeft in de eetkamer dansles en in mijn studeerkamer kan ik hem niet hebben. — Voor ernstig werk moet men natuurlijk alleen zijn.” — ’t Was haar niet kwalijk te nemen, dat zij haar werk boven ’t zijne stelde, ’t Zijne was totaal onbekend, terwijl ’t hare niet alleen hun naam had beroemd gemaakt maar bovendien 't bescheiden inkomen verdrievoudigd had, waarmee zij veertien jaar geleden hun huishouding waren begonnen. LANDING VAN ENGELSCHE TROEPEN in Engeland. Een manoeuvre-foto uit Seeford, Sussex. Mijnheer Clinton zelf zou wel de allerlaatste geweest zijn, om haar aan ’t twijfelen te brengen. Hij aanvaardde zijn ondergegeschikte plaats met een berusting, die aan onverschilligheid grensde. Hij stelde zich tot levenstaak, zijn vrouw te helpen, — niet met schrijven natuurlijk, maar met alle huishoudelijke en maatschappelijke beslommeringen. Hij ging met Muriel wandelen en moest voor zijn vrouw bezoeken afleggen, als zij zelf geen tijd had. Hij heeft mij later eens verteld, dat al die functies zijn tijd volkomen in beslag namen: „Als ik niet ’s nachts had gewerkt, was mijn boek nooit klaargekomen; — Millie kan ’s nachts niet werken, voor haar is een frissche geest noodzakelijk. Daardoor kon ik ’s nachts in de studeerkamer zitten en dan werd ik meteen niet gestoord.” Ik mocht Clinton graag, waarmee ik niet wil zeggen, dat ik mevrouw Clinton niet aardig vond. Ik vond haar integendeel een zeer bijzondere vrouw en de positie, die haar man in de huishouding innam vond ik oorspronkelijk even natuurlijk als hij zelf en alle anderen die vonden. De dichter Gregory Dulcet. die een geestige jongen is, had voor hem een aardige en toepasselijke benaming gevonden: „deprins-gemaal”. Mevrouw Clinton lachte en bloosde, toen zij het hoorde; Muriel klapte in haar handen en holde naar haar vader, om ’t hem ook te vertellen. Zij kwam terug met de boodschap, dat hij ’t erg aardig vond en ik geloof, dat hij ‘t meende. In elk geval had Dulcet succes met zijn geestigheid; na korten tijd werd Clinton algemeen zoo genoemd. Ik heb ook zijn vrouw meer dan eens met geveinsde bescheidenheiddezen bijnaamhoorengebruiken. Mevrouw Clinton was volkomen van haar eigen grootheid overtuigd. Ondertusschen leefde Clinton op den achtergrond, altijd klaar om zijn vrouw te helpen, in de eetkamer huizend als Muriel geen dansles had en alleen bij uitzondering van de studeerkamer profiteerend. Mevrouw Clinton werd steeds meer neerbuigend tegen hem en Muriel steeds meer beschermend; en de buitenwereld vergat bijna zijn bestaan. Eens, toen ik ’s morgens naar kantoor ging, liep Clinton een eind met me op. Hij had een groot, slordig pak onder den arm en liep zoo hard, dat ik hem nauwelijks kon bijhouden. „’t Spijt mij, dat ik zoo weinig tijd heb,” zei hij, „maar ik moet binnen het uur weer thuis zijn. Millie wordt geinterviewd en ik heb beloofd thuis te zijn, om alles te wijzen. Zij wil zoo weinig mogelijk tijd verliezen, zie je. Zij is midden in ’n nieuwen roman. En Muriel heeft vioolles, dus die is ook gebonden.” — „En brengt u nu de wasch weg?” vroeg ik schertsend, op het zonderlinge pak onder zijn arm wijzend. De „prins-gemaal” bloosde (al was hij minstens veertig jaar), woelde in zijn baard en mompelde: „Meent u dit ? O, ’t is maar een kleinigheid van mij zelf.” „Van u zelf? Wat bedoelt u?” vroeg ik. „Heeft Millie u nooit verteld, dat ik ook schrijf? Ik gebruik er al mijn vrijen tijd voor. Dit is mijn werk. Ik ga er mee naar een uitgever. Millie heeft hem over mij gesproken.” „’t Lijkt een geweldig pak,” zei ik. „Ja, ik ben bang dat ’t een heele kluif is,” stemde hij toe. „Waar is ’t over?” vroeg ik. „O, erg zwaar op de hand. Ik kan niet schrijven, zooals Millie. ’t Is geen roman.” Wij scheidden voor de deur van den uitgever, die mevrouw Clinton natuurlijk gunstig zou willen stemmen en waarschijnlijk om harentwille ’t vervelende werk van haar man wel zou uitgeven. Ik dacht niet meer aan den „prins-gemaal” en zijn pennevrucht. Ongeveer drie maanden later ging ik de Clintons weer eens bezoeken. Wonder boven wonder was er geen visite. Toen wij mevrouw Clintons laatsten roman lang en breed hadden besproken, wees zij naar de tafel. „En daar ligt Tom’s meesterwerk,” zei ze lachend. — „De „prinsgemaal” heet n.1. Tom.” — 18
PDF
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
21
Tekst
P A N O R A M A N o. 3 3 17 AUGUSTUS Haar man scheen er verlegen mee. Ik stond op en liep naar de tafel. „Maak je niet ongerust, vader/’ zei Muriel bemoedigend, „mijnheer Vincent zegt toch, dat hij het heel goed vindt.” „O, dat was om je moeder plezier te doen,” weerde de „prins-gemaal” bescheiden af. Ik keek ondertusschen de twee dikke boekdeelen in. Ik las het titelblad en voelde medelijden met den armen schrijver, ’t Moest een heele kluif zijn, zoo’n boek te schrijven, haast net zoo erg als het te lezen. Maar natuurlijk zei ik een beleefdheid over het belangwekkende onderwerp. „Als ’t u interesseert, wil ik u graag een exemplaar zenden.” zei Clinton. „Ja, u moet ’t beslist lezen,” viel zijn vrouw in, „ik zal ’t ook wel eens doorbladeren. Dat heb ik hem beloofd.” „Ik ook,” vertelde Muriel en haar vader stond zich in de handen te wrijven met een soort trots, die eigenlijk de diepste bescheidenheid verried. Hij was, geloof ik, nog altijd verwonderd, dat hij ook een boek geschreven had, al was ’t dan ook nog zoo slecht. „Ik zal iedereen op ’t hart drukken, het te koopen — of tenminste uit de leesbibliotheek te leenen,” besloot mevrouw Clinton; „wat in dit huis is geschreven, moet gelezen worden.” Ik ging den volgenden dag op reis en liet het boek van den „prins-gemaal” thuis liggen, ’t Leek mij geen ontspanningslectuur en ik zou er bovendien een aparten koffer voor hebben moeten meenemen. Maar ’t gerucht van het overweldigende, bijna ongeëvenaarde succes van Clinton’s boek drong zelfs tot mijn eenzaam plekje in de Zwitsersche bergen door. Ik kreeg een aflevering van „The Times” te pakken (drie dagen oud) en daarin stonden vier kolommen vol over 't werk van den heer Thomas Clinton. Een weekblad, dat mijn zuster mij opstuurde, bevatte behalve een boekbespreking Clinton’s geteekend portret en een beschrijving van zijn leven. Deze levensbeschrijving opende mijn oogen voor wat er eigenlijk was gebeurd. Want ze eindigde met de mededeeling: „De vrouw van den heer Clinton is ook schrijfster. Zij heeft verscheidene knappe en boeiende romans geschreven.” Ik legde mijn weekblad neer met het vage vermoeden, dat de rollen nu waren omgekeerd. Nu was ’t mevrouw Clinton, die „ook” schreef. Ik had het goed ingezien. Maar de werkelijkheid, zooals ik die bij mijn terugkomst in Engeland leerde kennen, overtrof mijn stoutste verwachtingen. De „prinsgemaal” was de held van den dag. Ik schreef hem een hartelijken gelukwensch en begon direct zijn boek te lezen, niet alleen om er over mee te kunnen praten, maar ook omdat ik nog altijd niet geloofde, dat het zoo buitengewoon was. — Maar dat was ’t wel degelijk, ’t Was een prachtboek met een diepen inhoud, die veel kennis en wijsheid verrieden een schitterenden, kristalhelderen stijl; een heftig temperament — fijne geestigheid — deze eigenschappen had men niet vermoed in den „prins-gemaal”. Toen mevrouw Clinton mij vroeg, een avond bij hen te komen, nam ik de uitnoodiging met enthousiasme aan. Er waren veel bezoekers. Een heele groep stond voor den haard. Daar ik groot ben, zag ik makkelijk over de hoofden heen. Te midden van zijn bewonderaars stond de „prins-gemaal”. Hij praatte opgewonden en lachte telkens zenuwachtig. Ik gunde den „prins-gemaal” zijn triomf, maar vond, dat Muriel al lang in bed hoorde te zijn. Ik wenschte mevrouw Clinton geluk met het wonderbaarlijk succes van haar man. „Ja,” zei ze, „in de grootste nieuwsbladen wordt over hem geschreven.” „Wist u iets van zijn werk?” vroeg ik. „O, ik wist wel dat hij schreef. Muriel plaagde hem er altijd mee.” „Zij zal hem nu wel niet meer plagen?” „Neen,” antwoordde mevrouw Clinton, zenuwachtig met haar ringen spelend. Plotseling ging de groep bij den haard uiteen en Clinton kwam te voorschijn, Muriel aan zijn arm. Hij liep de kamer door met zijn stoet van aanbidders achter zich aan. Ik stond op en wilde iets tegen hem zeggen. Maar hij begon over den laatsten roman van zijn vrouw. Hij zei dat het boek zoo knap geschreven was en raadde iedereen aan. het te lezen. Allen mompelden een bevestiging. Een oude dame zei: „Hoe heerlijk voor u mevrouw Clinton, dat u uw man zulk een ontspanning kunt verschaffen.” „Vader geeft niet veel om romans.” vertelde Muriel. „Jij zeker wel, jonge dame ?” vroeg iemand. „Ik houd meer van vaders boek,” antwoordde de kleine wijsneus onder algemeen gelach. Mevrouw Clinton lachte ’t luidst van allen, maar ’t klonk wat al te uitbundig. ’n Enthousiaste bewonderaarster wenschte de kamer te zien, waar Thomas Clinton werkte. Zij wilde van geen weigering hooren en tenslotte leidde mevrouw Clinton, niettegenstaande ’t protest van haar man, ’t heele gezelschap naar de studeerkamer. Ik was koit voor mijn reis in die kamer geweest. Er was veel veranderd. In plaats van mevrouw Clinton’s luchtiger lectuur stonden er nu allerlei zware, ernstige geschriften. „Te denken dat het schitterende boek in deze kamer is geschreven,” mompelde een geestdriftige. „Ik ben blij, dat ik dit mag zien.” Allen beaamden deze ontboezeming. „U werkt natuurlijk niet in dezelfde kamer?” vroeg iemand mevrouw Clinton met een zekere ontfermende vriendelijkheid. „O, ik schrijf dan hier dan daar,” antwoordde mevrouw Clinton luchtig. — „In de eetkamer, als ik geen les heb,” vulde Muriel aan. „U hebt ook niet zoo’n volkomen stilte noodig als mijnheer Clinton,” merkte een vriendelijke dame op. „’t Werk van mijn vrouw eischt de grootste concentratie,” viel Clinton in. „Ja, ja, in zijn soort,” gaf de ander toe. Wij gingen naar den salon terug. De een na den ander vertrok. Tenslotte waren alleen Lady Troughton en ik nog achtergebleven. Muriel keek op haar horloge. „Vader moet naar een souper,” begon zij. „Ik heb niets geen haast lieve kind, niets geen haast,” verzekerde Clinton. „In elk geval blijf ik toch thuis, Muriel,” zei mevrouw Clinton, „ik ben niet uitgenoodigd,” MevrouwTroughton en iknamen afscheid. Clinton liet ons uit en begon nog eens over den nieuwen roman van zijn vrouw, „’t Is een boeiend boek.” verzekerde hij. „Jullie zult het zeker mooi vinden. Toe, schrijf haar een enkel woordje als jullie ’t uit hebt, — dat je ’t met pleizier gelezen hebt.” Lady Troughton bleef op den drempel staan en keek hem recht in de oogen. Zij zei niets; hij ook niet. Maar toen zij elkaar de hand gaven, zag ik hoe zij de zijne drukte. LANDING VAN ENGELSCHE VACANTIE-MENSCHENdie deelnemen aan een wedstrijd in gekleed zwemmen in de Serpentine, Londen. 19
PDF
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
22
Tekst
PANORAMA No. 3 3 17 AUGUSTUS 1 V- Een woon- of kermiswagen zonder kinderen is als een zee zonder water. — Ook hieraan werd geyr dacht en dus werd dit snoezige kleine kermiskind ingelascht. E en oud liedeke op een nieuwe melodie is deze Alfred Zeislerproductie der Ufa. Een dochter van een spullebaas, die verliefd wordt op een man van standing, doch vanwege het standsverschil niet met hem kan trouwen, is steeds een dankbaar onderwerp voor dichters, schrijvers en tooneel-auteurs geweest. Een bijzondere bewerking en uitvoering was dan ook noodig, om nog steeds een dergelijk onderwerp te kunnen waardeeren, en dat die hieraan voltrokken zijn, daarvoor staan ons de namen van den productieleider en den regiseur Hans Berendt borg. Jenny Jugo, Kurt Gerron en Enrico Benfer vervullen op verdienstelijke wijze de hoofdrollen. Jenny Jugo als Marga Ruppke, de kermismeid, met Mario Hollberg (Enrico Benfer) als Cupido - propagandisten. 20
PDF
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
23
Tekst
P A N O R A M A No. 3 3 1 7 A U G U S T U S 21
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11526 tot 11530 van 11897