|
P A N O R A M A N o. 3 3 17 AUGUSTUS
Haar man scheen er verlegen mee. Ik
stond op en liep naar de tafel.
„Maak je niet ongerust, vader/’ zei
Muriel bemoedigend, „mijnheer Vincent
zegt toch, dat hij het heel goed vindt.”
„O, dat was om je moeder plezier te doen,”
weerde de „prins-gemaal” bescheiden af.
Ik keek ondertusschen de twee dikke
boekdeelen in. Ik las het titelblad en voelde
medelijden met den armen schrijver, ’t Moest
een heele kluif zijn, zoo’n boek te schrijven,
haast net zoo erg als het te lezen. Maar
natuurlijk zei ik een beleefdheid over het
belangwekkende onderwerp.
„Als ’t u interesseert, wil ik u graag
een exemplaar zenden.” zei Clinton.
„Ja, u moet ’t beslist lezen,” viel zijn
vrouw in, „ik zal ’t ook wel eens doorbladeren. Dat heb ik hem beloofd.”
„Ik ook,” vertelde Muriel en haar vader
stond zich in de handen te wrijven met
een soort trots, die eigenlijk de diepste
bescheidenheid verried. Hij was, geloof ik,
nog altijd verwonderd, dat hij ook een
boek geschreven had, al was ’t dan ook
nog zoo slecht.
„Ik zal iedereen op ’t hart drukken, het
te koopen — of tenminste uit de leesbibliotheek te leenen,” besloot mevrouw
Clinton; „wat in dit huis is geschreven,
moet gelezen worden.”
Ik ging den volgenden dag op reis en
liet het boek van den „prins-gemaal” thuis
liggen, ’t Leek mij geen ontspanningslectuur
en ik zou er bovendien een aparten koffer
voor hebben moeten meenemen. Maar ’t
gerucht van het overweldigende, bijna ongeëvenaarde succes van Clinton’s boek
drong zelfs tot mijn eenzaam plekje in de
Zwitsersche bergen door.
Ik kreeg een aflevering van „The Times”
te pakken (drie dagen oud) en daarin stonden
vier kolommen vol over 't werk van den
heer Thomas Clinton. Een weekblad, dat
mijn zuster mij opstuurde, bevatte behalve
een boekbespreking Clinton’s geteekend
portret en een beschrijving van zijn leven.
Deze levensbeschrijving opende mijn
oogen voor wat er eigenlijk was gebeurd.
Want ze eindigde met de mededeeling: „De
vrouw van den heer Clinton is ook schrijfster. Zij heeft verscheidene knappe en
boeiende romans geschreven.”
Ik legde mijn weekblad neer met het
vage vermoeden, dat de rollen nu waren
omgekeerd. Nu was ’t mevrouw Clinton,
die „ook” schreef.
Ik had het goed ingezien. Maar de
werkelijkheid, zooals ik die bij mijn terugkomst in Engeland leerde kennen, overtrof
mijn stoutste verwachtingen. De „prinsgemaal” was de held van den dag. Ik schreef
hem een hartelijken gelukwensch en begon
direct zijn boek te lezen, niet alleen om er
over mee te kunnen praten, maar ook omdat
ik nog altijd niet geloofde, dat het zoo
buitengewoon was. — Maar dat was ’t
wel degelijk, ’t Was een prachtboek met
een diepen inhoud, die veel kennis en wijsheid
verrieden een schitterenden, kristalhelderen
stijl; een heftig temperament — fijne geestigheid — deze eigenschappen had men niet
vermoed in den „prins-gemaal”.
Toen mevrouw Clinton mij vroeg, een
avond bij hen te komen, nam ik de uitnoodiging met enthousiasme aan.
Er waren veel bezoekers. Een heele groep
stond voor den haard. Daar ik groot ben,
zag ik makkelijk over de hoofden heen.
Te midden van zijn bewonderaars stond
de „prins-gemaal”.
Hij praatte opgewonden en lachte telkens
zenuwachtig.
Ik gunde den „prins-gemaal” zijn triomf,
maar vond, dat Muriel al lang in bed
hoorde te zijn.
Ik wenschte mevrouw Clinton geluk met
het wonderbaarlijk succes van haar man.
„Ja,” zei ze, „in de grootste nieuwsbladen
wordt over hem geschreven.”
„Wist u iets van zijn werk?” vroeg ik.
„O, ik wist wel dat hij schreef. Muriel
plaagde hem er altijd mee.”
„Zij zal hem nu wel niet meer plagen?”
„Neen,” antwoordde mevrouw Clinton,
zenuwachtig met haar ringen spelend. Plotseling ging de groep bij den haard uiteen
en Clinton kwam te voorschijn, Muriel
aan zijn arm. Hij liep de kamer door met
zijn stoet van aanbidders achter zich aan.
Ik stond op en wilde iets tegen hem zeggen.
Maar hij begon over den laatsten roman van
zijn vrouw. Hij zei dat het boek zoo knap
geschreven was en raadde iedereen aan.
het te lezen.
Allen mompelden een bevestiging. Een
oude dame zei: „Hoe heerlijk voor u
mevrouw Clinton, dat u uw man zulk een
ontspanning kunt verschaffen.”
„Vader geeft niet veel om romans.”
vertelde Muriel.
„Jij zeker wel, jonge dame ?” vroeg iemand.
„Ik houd meer van vaders boek,” antwoordde de kleine wijsneus onder algemeen gelach.
Mevrouw Clinton lachte ’t luidst van
allen, maar ’t klonk wat al te uitbundig.
’n Enthousiaste bewonderaarster wenschte de kamer te zien, waar Thomas Clinton
werkte. Zij wilde van geen weigering hooren
en tenslotte leidde mevrouw Clinton, niettegenstaande ’t protest van haar man, ’t
heele gezelschap naar de studeerkamer. Ik
was koit voor mijn reis in die kamer geweest. Er was veel veranderd. In plaats
van mevrouw Clinton’s luchtiger lectuur
stonden er nu allerlei zware, ernstige geschriften.
„Te denken dat het schitterende boek
in deze kamer is geschreven,” mompelde
een geestdriftige. „Ik ben blij, dat ik dit
mag zien.” Allen beaamden deze ontboezeming.
„U werkt natuurlijk niet in dezelfde
kamer?” vroeg iemand mevrouw Clinton
met een zekere ontfermende vriendelijkheid.
„O, ik schrijf dan hier dan daar,” antwoordde mevrouw Clinton luchtig. — „In
de eetkamer, als ik geen les heb,” vulde
Muriel aan.
„U hebt ook niet zoo’n volkomen stilte
noodig als mijnheer Clinton,” merkte een
vriendelijke dame op.
„’t Werk van mijn vrouw eischt de
grootste concentratie,” viel Clinton in.
„Ja, ja, in zijn soort,” gaf de ander toe.
Wij gingen naar den salon terug. De een
na den ander vertrok. Tenslotte waren alleen
Lady Troughton en ik nog achtergebleven.
Muriel keek op haar horloge. „Vader moet
naar een souper,” begon zij.
„Ik heb niets geen haast lieve kind, niets
geen haast,” verzekerde Clinton.
„In elk geval blijf ik toch thuis, Muriel,”
zei mevrouw Clinton, „ik ben niet uitgenoodigd,”
MevrouwTroughton en iknamen afscheid.
Clinton liet ons uit en begon nog eens
over den nieuwen roman van zijn vrouw,
„’t Is een boeiend boek.” verzekerde hij.
„Jullie zult het zeker mooi vinden. Toe,
schrijf haar een enkel woordje als jullie ’t
uit hebt, — dat je ’t met pleizier gelezen
hebt.”
Lady Troughton bleef op den drempel
staan en keek hem recht in de oogen. Zij
zei niets; hij ook niet.
Maar toen zij elkaar de hand gaven, zag
ik hoe zij de zijne drukte.
LANDING VAN ENGELSCHE
VACANTIE-MENSCHENdie deelnemen aan een wedstrijd in gekleed
zwemmen in de Serpentine, Londen.
19
|