|
PANORAMA No. 3 3 17 AUGUSTUS
(Bij CYlex Baassen op (Bezoek
D
e eerste indruk dien je van dit korte
bezoek mee naar huis neemt is: werken
werken, werken!
Faassen sprak niet van recepties, bloemen,
gala-voorstelling, officieele of intieme fuiven;
de negentig jarige acteur sprak van tooneelspelen!
De vogels zongen, de lucht lachte blauw,
en frisch waaide de wind, toen we het
mooie Zorgvliet opzochten, waar de heer
Faassen in het gastvrije buitengoed Tubantia
der familie van Wulfften-Palthe langzamerhand van zijn kwaadaardigen bronchitisaanval is hersteld.
Nadat we door mevrouw Faassen-Heyblom hartelijk zijn verwelkomd en van
onzen kant de belofte is gedaan, het zoo
kort mogelijk te maken, komen we in een
der rijke vertrekken, waarvan de ramen
openstaan op den geurigen tuin.
In een hoek zit ’n oude man 'n beetje
te doezelen naar het schijnt. Het gezicht is
spits en mager, ’n witte wachtmeesterssnor
hangt langs de paarse dunne lippen in een
korten witten baard. Twee diepe voren dalen
langs de neusvleugels, en fijn netwerk ligt
aan de ooghoeken naar de slapen gespreid,
waar het witte hoofdhaar eindigt.
Medelijden vervult ons.
Zullen we? Of maar teruggaan?
Zeggen, dat we heusch geen moed hadden, dezen stillen grijsaard te vermoeien
met de belangrijke onbelangrijkheden van
een vraaggesprek ?
Kennismaken. Wat zenuwachtig gemanoeuvreer met een spreekbuis.
„Zou u ons kunnen vertellen, mijnheer
Faassen,” staken we eindelijk van wal, „hoe
bent u nu ruim 72 jaar geleden toch aan
dat Fransche gezelschap gekomen? ’n Typisch debuut.”
„’t Is niet heelemaal juist. Ik speelde toen
al in de Fransche Vaudeville bij Albrecht
en de Vries te Amsterdam. Dat was....”
wanneer..,
In z’n hersenen zie ik duizenden feitjes
over hun raderen wentelen tot de genoeglijke jaren van olielampverlichting weer
in zijn geest terugkomen.
„Een en zestig of zestig, denk ik. Celine
Montallon uit Parijs was toen bij ons als
gast, en die heeft me meegenomen. Zes
maanden zijn we door België en Frankrijk
gesjouwd. Dat was nog het echte bohémienleven hoor. Niet dat van de rare romannetjes, maar van alles eerlijk deelen, van
samen plezier en samen verdriet, en alleen
maar leven voor de kunst.”
Wat is er gebeurd?
Er is vuur in het eene gezonde oog gekomen, de handen hebben de spreekbuis laten
vallen, want de oude acteur heeft ze noodig
om te gebaren. De stem krijgt de volte, den
omvang die gewend is ruimten te vullen.
„Jongen, ik heb wat afgespeeld in mijn
leven. Ik ben als het ware heelemaal met
het tooneel meegegroeid. Toen ik er aan
kwam waren juist die dagen, dat ze vanachter de toonbank naar het tooneel werden
gehaald, voorbij. D’r begon wat kentering
in te komen.”
„Heeft u prettige herinneringen aan uw
Rotterdamschen tijd?”
„En of. Kijk eens, de tooneelspeler heeft
in een stad als Rotterdam veel voor. De
menschen zijn er veel minder kritisch in
den onaangenamen zin van het woord. Ze
ALEX FAASSEN,
doen niet of ze het ook weten. Zij komen
uit de werkelijkheid van het zakenleven en
willen ontspanning in iets wat zoo ver
mogelijk van die werkelijkheid afstaat. Vandaar, dat ze in die heerlijke oude romantische
stukken zoo opgingen. Koopman en acteur
hadden allebei de fantasie gevonden, waarin
ze enkele uren al ’t andere wilden vergeten.
Ik weet het nog als den dag van gisteren,
en vraag ze maar eens naar Yago uit Othello,
of den professor uit De Sabbijnsche maagdenroof, uit de dagen van Le Grand en
Haspels, en later Van Eysden.”
„Heeft u zelf ook niet de lasten van het
directeurschap gedragen?”
„Ja, zes jaar heb ik het volgehouden. Dat
was toen De Rotterdamsche Schouwburgmaatschappij. We reisden ook de provincie
af. Dat was....”
Weer wentelen de raderen....
„Rond negentig. Alex... je weet wel,
vertel mijnheer eens van mevrouw de BruinSablairolles in Roermond.”
„Ja, dat was ’n grappige geschiedenis.
Och je komt ze genoeg tegen, maar over
het algemeen gebeuren ze niet op de planken. ’t Zijn meest aardigheden onder de
acteurs. Zoo weet ik nog wel, dat ’n paar
collega's van me, dat was... ja, rond
zeventig moet dat geweest zijn, of later,
dat ze daar met z’n tweeën op ’n provincietooneeltje stonden, en samen één rok hadden,
Toen gooit de een toevallig z’n jas op de
coulissen in plaats van er over, en ze
stonden alletwee in d’r hemdsmouwen.”
„Maar die mevrouw de Bruin?” visch ik
naar 'n eigen anekdote.
„O, dat was ook wel grappig. We speelden in Roermond en ze moest een tragische
rol vervullen. Maar de gangetjes waren erg
nauw, zoodat ze, toen ze langs de heerenkleedkamer kwam, aan den langen sleep van
haar japon ’n schoen meenam, waarmede ze
al dien tijd op het tooneel heeft rondgesold.”
„Heeft u nog collega's uit dien tijd?”
„Zeker, de oude Moor. Die is nu 92,
maar al lang van de planken. Ik heb twee
jaar geleden nog meegedaan, en als die
bronchitis me niet zoo dwars had gezeten,
zat ik nu in de repetities voor zoo'n ouwerwetschen jubilé-avond.”
„Wat zei Royaards ook al weer bij je
gouden jubileum. Lex?”
„Tsja, dat was in vijftien in Amsterdam.
Faassen, zei Royaards. als je jou ziet
spelen, denk je niet aan je leeftijd. Ik hoop,
dat als ik eenmaal mijn gouden jubileum vier,
mijn directeur ook mijn leeftijd zal vergeten.
Wie had ooit kunnen vermoeden, dat
hij zoo gauw weg zou zijn. Voor zijn vertrek is hij me nog eens komen opzoeken.
Jongen, als je dan weet, wat voor
plannen die man nog in zijn hoofd had,
als je zoo eens nadenkt wat voor toekomstdroomen die goede man mee in het
graf heeft genomen ... .”
Nu zit weer de oude man tegenover
me. De handen vallen slap langs de opstaande knieën, en het kind van fantasieën
rent langs herinneringen. Hij ziet de vele
jaren, dat hij met Henri Poolman de kleedkamer deelde, dat Brondgeest nog voor het
voetlicht trad; hij speelt weer met Mien
Duymaer van Twist, met Marie Verstraeten; herinnert zich hoe Mien v. d. Horstv. d. Lugt Melsert pas begon, en later
Else Mauhs haar eerste triomfen vierde...
„Ik zou er ook niet meer geweest zijn,
als ik niet zoo'n trouwe verpleegster had,”
zucht hij ineens. „Die heeft in geen negen
maanden meer gespeeld, om mij te verzorgen. Die staat ’s nachts op, als ik hoest,
die spuit mijn oog in, ja, ja,. ..”
„O,” zegt z’n vrouw, „nu nog komen
ze hem graag opzoeken.”
,,'t Is niet meer dat,” gaat de negentiger
in zichzelf verder.
’t Wordt tijd, zeggen deze woorden.
„Hoe denkt u over het jonge tooneel,”
vroegen we tot slot.
„Och, daar kan ik me op veel punten
best mee vereenigen. Kijk eens hoe ’n
prachtstel jonge goede krachten we bezitten.
Waar het op aan komt, is te gelooven
in het goddelijke, het schoone van de
kunst. Dan past het immers in alle tijden.
Je moet niet gelooven, dat het vroeger
allemaal zoo prettig was. Toen waren er
ook prullen, net als nu. Ik zie de toekomst
bijzonder optimistisch in. Al die pessimisten
zijn jaloersch.” De vuist komt donderend
op tafel. „Kunst is kunst, en als de jongelui
even ernstig willen als wij, zullen ze op
hun manier het goddelijke, het schoone
weten te vinden en uit te drukken.” — De
oogen hebben den prachtgloed gekregen,
dien je terug vond in den grijzen Paderewski. Ze spreken van de eeuwige jeugd
van het kunstenaarshart.
„Wat voor opleiding hebben ze niet
met hun tooneelschool, hun onderwijs,”
gaat hij met hooge stem verder, „’n Acteur
is niet langer 'n half ontwikkeld mensch,
die alleen maar kan tooneelspelen en pret
maken, ’t Zijn serieuze werkers geworden.”
Alex Faassen is een dier oer-typen van
plankenland. ’n Tooneelman in hart en
nieren, ’n Werker vroeger en nu ’n enthousiast medelever met alles wat er in binnenen buitenland voor het voetlicht komt.
Kijk eens naar dat heerlijke levenslustige
gezicht van twee jaar terug en vraag dan,
of ’n werkzaam tooneelleven schadelijk is
voor de gezondheid. teo de witte.
15
|