Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11521 tot 11525 van 11897
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
14
Tekst
PANORAMA No. 3 3 17 AUGUSTUS °ooj{ C.OCO-STAD DRESDEN. Een poort in den Zivinger J ■ W anneer de Hollander naar Duitschland trekt (en dat doen onze landgenooten bij duizenden!) dan gaat hij het allerliefst naar den Rijn. Daar voelt hij zich gauw thuis, want om het andere hotel heet er Hof van Holland, en de Hollander is er een gaarne geziene gast, die niet al te zuinig is met een fleschje Rijnwijn. Zoo is men bij ons te lande volkomen vertrouwd met de dorpjes en burchten langs den veelbezongen Grootvorst van Europa’s stroomen, en eveneens kent onze landgenoot den weg in het even eerwaarde als gezellige Keulen, de ouverture en slotapotheose van elke goed in elkaar gezette Rijnreis. Voorts gaat de Hollander naar den Harz, om er bij voorkeur rijtoertjes door de bergen te maken. Want onze landgenooten houden van hun gemak (een voortreffelijke deugd op reis!), en ze voelen maar matig voor het knapzaktoerisme der Duitschers die in het zweet huns aanschijns bergop-bergaf sjouwen en zwoegen. Ook Thüringen trekt Hollanders, maar dan reeds een meer bereisd publiek; want sinds den oorlog zijn de directe treinen naar het Thüringer Woud nooit meer hersteld, zoodat de reis daarheen nogal gecompliceerd is. Helaas, want wie eenmaal in dit bekoorlijke woudgebergte gezworven heeft, en er met de goedaardige inboorlingen kennis heeft gemaakt, komt er gaarne nog eens terug. Voor de rest bezoekt men het binnenland van Duitschland slechts sporadisch: Teutoburger Woud, Sauerland, Schwarzwald en Beiersche Alpen trekken weliswaar eenige Hollanders, maar nooit groote drommen. En waar de Hollanders slechts geïsoleerd verschijnen: dat is onder andere in Saksen, ik bedoel het voormalige koninkrijk, den tegenwoordigen Freistaat van dien naam. Want het begrip Sachsen is in Duitschland zelf veel ruimer: een groote Pruisische provincie heet zoo, en ook droegen de meeste Thüringsche staatjes dien zelfden naam, met diverse bijvoegingen waaruit de regeerende dynastie en de plaatselijke hoofdstad bleek. Maar Saksen tout court is het land van Dresden en Leipzig. Nu, Leipzig kennen de kooplieden, wegens de Messe. Overigens is het een keurig nette, maar banale en zelfs eenigszins vervelende stad, met bezienswaardigheden van een soort die wèl den landzaat interesseeren, maar niet zoozeer den vreemdeling. Dresden daarentegen is bepaald een juweel van een stad, een der meest aantrekkelijke in het Duitsche Rijk, een der meest welgebouwde en geriefelijkst bewoonbare, met een omgeving die het vertoeven in die buurt tot een bedaard genot maakt. De stad zelf is tweezijdig van aard. Aan de landzijde waar het station ligt, en de drukke Prager Strasse, die naar het binnenste dezer Saksische metropole voert, ziet men niet veel anders dan de forsche, eenigszins pronkerige en overladen gebouwen zooals elke welvarende Duitsche „Grosstadt” die bezit. Hotels, banken, magazijnen, openbare paleizen, alle van een min of meer monumentale gedaante, en zonder veel eigen karakter. Maar tenminste altijd helder en netjes verzorgd, met bloemetjes langs de balkons, en overvloed van erkers en tierelantijntjes uit cement. Dus eigenlijk niets om bepaald over te roepen. Heel anders is echter het waterfront, de stadskant langs de Elbe. De schielijk vlietende rivier heeft zich zoo juist een weg gebaand door het zandsteengebergte dat de grens tusschen Bohemen en Saksen vormt. Men ziet het blauwe waas van die bergen nog aan den horizont, boven de breede bruggen uit; de lagere uitloopers vergezellen de rivier nog een eindje, maar dan op een afstand, zoodat er een breede vlakte ontstaan is, waar de stad Dresden met hare talrijke voorsteden zich op haar gemak heeft uitgespreid. Hoe liefelijk, dit waterfront. En hoe geniaal hebben de vroegere Saksische keurvorsten daarvan partij getrokken voor het opbouwen van hun koninklijke residentie. Een breede kade zoomt de rivier, voor een gedeelte zelfs met twee verdiepingen, waarvan de benedenste bestemd is voor het rijdende verkeer, en het bovenste terras voor de pantoffelparade. Dat zijn de Brühlsche terrassen, genoemd naar den vermaarden 18e-eeuwschen minister. 12
PDF
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
15
Tekst
Per boot door het Elbe-gebcrgte. Maar het ware karakter van dezen waterkant wordt er pas aan gegeven door de deftige opeenvolging van paleizen en torens in dien eleganten doch tevens stemmigen stijl van de barok- en rococo-periode. Zware frontons op zuilen die eigenlijk overbodige ornamenten zijn. Sierlijke omlijstingen van vensters en deuren. Kokette torentjes en koepels, vol beelden, ornamentale vazen, bloemslingers uit gehouwen steen en nissen met neo-klassieke standbeeldjes. De glorie van de rijke residentie eener kunstlievende vorstendynastie. Men ziet deze parade van fraaie bouwwerken reeds wanneer de trein tusschen het station Neustadt en het Hauptbahnhof de Elbebrug passeert. Doch nog fraaier is het gezicht van den Neustadtischen oever uit, een behoorlijk décor achter de PAN O R A M A No. 3 3 17 AUGUSTUS blanke Elbe. Verdiept men zich in de details, dan vindt men er naast elkaar het vroegere Koninklijk Paleis met de Hofkirche, voorts het Operahaus en den Marstall, d.w.z. de voormalige koninklijke stallen. Daartusschenin de Zwinger, de parel van Dresden, de stichting van August den Sterken. Het woord Zwinger wil eigenlijk zooveel zeggen als „kooi”, d.w.z. voor wilde dieren, waarvan een middeleeuwsch vorst van eenige beteekenis gewoonlijk fatsoenshalve een bepaalde verzameling hield. Oorspronkelijk werd de Zwinger dan ook voor ridderspelen gebruikt, totdat in de barokperiode (begin 18e eeuw) de groote Saksische keurvorst en koning van Polen er een soort van feestgebouw voor alle voorkomende statiegelegenheden van liet maken. Het gebouw bevat verschillende fraaie binnenplaatsen met poorten en koepels. Een der zijden is later volgebouwd met het Museum, een der rijkste van Europa, want het bevat een schat van schilderijen van eerste meesters. Bijzonder belangrijk zijn er de Hollandsche en Vlaamsche school. Vooral Rubens, van Dijck, Jordaens, Rembrandt, Vermeer, Metsu zijn er met buitengewone meesterwerken vertegenwoordigd. Ook echter hebben de keurvorsten gezorgd voor beroemde Italianen, waaronder Raphael’s Sixtijnsche Madonna, die hier een zelfde plaats inneemt als in ons Rijksmuseum de Nachtwacht. Zoo kan men de Dresdensche galerij tot de belangrijkste ter wereld rekenen, en zeker mag men haar als de beste in heel Duitschland beschouwen, rijker dan de verzamelingen te Berlijn, München en Cassel. Maar wie dit museum met aandacht en wijding heeft bezocht, wil daarna wel weer eens van de bekoorlijke natuur genieten. Dan neemt men aan de kade vóór de paleizen een van die eenvoudige maar genoeglijke Elbe-stoombooten, en men vaart de rivier op, tusschen Loschwitz en Blasewitz door, waar de vriendelijke villa’s tusschen de bosschen van de heuveloevers gezaaid liggen. Bovenop de heuvels de zware wouden van den Weissen Hirsch, het beroemde sanatorium. Daarna komt er een tijd van meer landelijken eenvoud. Doch achter het industriestadje Pirna beginnen de bergen. Als rollen beschuitjes ziet men de zachte zandsteenrotsen op elkaar gestapeld uit het puin der oevers omhoog rijzen. Dennetjes bekronen deze zandsteenen muren, en smalle maar des te intiemere zijdalletjes noodigen uit tot een wandeling in de binnenlanden. Af en toe verheft zich een afgeknotte kegel, een platte tafelberg, boven een kronkel in de rivier, of de rotsen verrijzen zoo steil en in zulk een groteske opeenstapeling vlak boven de rivier, dat men er den weidschen naam van Bastei (bastion) aan gegeven heeft. Trouwens, met dit romanticisme is deze heele streek behept: dit liefelijke rivierdal van zandsteenrotsen en dennenboschjes noemt men met den afschuwelijken naam van „Sachsische Schweiz”, nummer één der ontelbare „Zwitserlanden” die er in het Duitsche Rijk, en zelfs in onze Lage Landen langs de Zee door het dichterlijke dorpschauvinisme geproclameerd zijn. Och, — soedah, zegt de Indischman! Wat doet die dwaze naam ertoe wanneer de streek maar mooi is. En de Hollander die aan zijn reis naar Dresden een boottochtje op de Elbe tot het liefelijke grensstadje Schandau verbindt, of de groote toerist die op zijn reis naar Praag en Weenen althans het traject van Dresden tot diep in Bohemen per Elbeboot aflegt, — zij zullen een dag van genot smaken. Maar laat ik hun een goeden raad uit de praktijk geven: doe het in het voorjaar of het najaar, maar nóóit in het volle zomerseizoen. Want dan is het er werkelijk té propvol met Rucksackwanderer dan dat een Hollandsche toerist er zich op zijn geDRESDEN. De Schlossturm. mak zou voelen. 13
PDF
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
16
Tekst
PANORAMA No. 3 3 17 AUGUSTUS RUIM 360 MIJLEN per uur wil men maken met deze Supermarine Rolls Royce S 6, die met andere machines de Engelsehe eer zal ophouden in de Schneidercup-race. September a.s. VIER DUIKERS tegelijk komen neer in den vijver van Highgate. Het zijn leden van een club die van duiken een specialiteitmaakt. LADY VICTORIA HAIG, dochter van wijlen veldmaarschalk Earl Haig, als bruid van mr, Claud Andreiv Montagu Scott, met de bruidsmeisjes, lady Irene Haig en lady Elisabeth Scott. 14
PDF
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
17
Tekst
PANORAMA No. 3 3 17 AUGUSTUS (Bij CYlex Baassen op (Bezoek D e eerste indruk dien je van dit korte bezoek mee naar huis neemt is: werken werken, werken! Faassen sprak niet van recepties, bloemen, gala-voorstelling, officieele of intieme fuiven; de negentig jarige acteur sprak van tooneelspelen! De vogels zongen, de lucht lachte blauw, en frisch waaide de wind, toen we het mooie Zorgvliet opzochten, waar de heer Faassen in het gastvrije buitengoed Tubantia der familie van Wulfften-Palthe langzamerhand van zijn kwaadaardigen bronchitisaanval is hersteld. Nadat we door mevrouw Faassen-Heyblom hartelijk zijn verwelkomd en van onzen kant de belofte is gedaan, het zoo kort mogelijk te maken, komen we in een der rijke vertrekken, waarvan de ramen openstaan op den geurigen tuin. In een hoek zit ’n oude man 'n beetje te doezelen naar het schijnt. Het gezicht is spits en mager, ’n witte wachtmeesterssnor hangt langs de paarse dunne lippen in een korten witten baard. Twee diepe voren dalen langs de neusvleugels, en fijn netwerk ligt aan de ooghoeken naar de slapen gespreid, waar het witte hoofdhaar eindigt. Medelijden vervult ons. Zullen we? Of maar teruggaan? Zeggen, dat we heusch geen moed hadden, dezen stillen grijsaard te vermoeien met de belangrijke onbelangrijkheden van een vraaggesprek ? Kennismaken. Wat zenuwachtig gemanoeuvreer met een spreekbuis. „Zou u ons kunnen vertellen, mijnheer Faassen,” staken we eindelijk van wal, „hoe bent u nu ruim 72 jaar geleden toch aan dat Fransche gezelschap gekomen? ’n Typisch debuut.” „’t Is niet heelemaal juist. Ik speelde toen al in de Fransche Vaudeville bij Albrecht en de Vries te Amsterdam. Dat was....” wanneer.., In z’n hersenen zie ik duizenden feitjes over hun raderen wentelen tot de genoeglijke jaren van olielampverlichting weer in zijn geest terugkomen. „Een en zestig of zestig, denk ik. Celine Montallon uit Parijs was toen bij ons als gast, en die heeft me meegenomen. Zes maanden zijn we door België en Frankrijk gesjouwd. Dat was nog het echte bohémienleven hoor. Niet dat van de rare romannetjes, maar van alles eerlijk deelen, van samen plezier en samen verdriet, en alleen maar leven voor de kunst.” Wat is er gebeurd? Er is vuur in het eene gezonde oog gekomen, de handen hebben de spreekbuis laten vallen, want de oude acteur heeft ze noodig om te gebaren. De stem krijgt de volte, den omvang die gewend is ruimten te vullen. „Jongen, ik heb wat afgespeeld in mijn leven. Ik ben als het ware heelemaal met het tooneel meegegroeid. Toen ik er aan kwam waren juist die dagen, dat ze vanachter de toonbank naar het tooneel werden gehaald, voorbij. D’r begon wat kentering in te komen.” „Heeft u prettige herinneringen aan uw Rotterdamschen tijd?” „En of. Kijk eens, de tooneelspeler heeft in een stad als Rotterdam veel voor. De menschen zijn er veel minder kritisch in den onaangenamen zin van het woord. Ze ALEX FAASSEN, doen niet of ze het ook weten. Zij komen uit de werkelijkheid van het zakenleven en willen ontspanning in iets wat zoo ver mogelijk van die werkelijkheid afstaat. Vandaar, dat ze in die heerlijke oude romantische stukken zoo opgingen. Koopman en acteur hadden allebei de fantasie gevonden, waarin ze enkele uren al ’t andere wilden vergeten. Ik weet het nog als den dag van gisteren, en vraag ze maar eens naar Yago uit Othello, of den professor uit De Sabbijnsche maagdenroof, uit de dagen van Le Grand en Haspels, en later Van Eysden.” „Heeft u zelf ook niet de lasten van het directeurschap gedragen?” „Ja, zes jaar heb ik het volgehouden. Dat was toen De Rotterdamsche Schouwburgmaatschappij. We reisden ook de provincie af. Dat was....” Weer wentelen de raderen.... „Rond negentig. Alex... je weet wel, vertel mijnheer eens van mevrouw de BruinSablairolles in Roermond.” „Ja, dat was ’n grappige geschiedenis. Och je komt ze genoeg tegen, maar over het algemeen gebeuren ze niet op de planken. ’t Zijn meest aardigheden onder de acteurs. Zoo weet ik nog wel, dat ’n paar collega's van me, dat was... ja, rond zeventig moet dat geweest zijn, of later, dat ze daar met z’n tweeën op ’n provincietooneeltje stonden, en samen één rok hadden, Toen gooit de een toevallig z’n jas op de coulissen in plaats van er over, en ze stonden alletwee in d’r hemdsmouwen.” „Maar die mevrouw de Bruin?” visch ik naar 'n eigen anekdote. „O, dat was ook wel grappig. We speelden in Roermond en ze moest een tragische rol vervullen. Maar de gangetjes waren erg nauw, zoodat ze, toen ze langs de heerenkleedkamer kwam, aan den langen sleep van haar japon ’n schoen meenam, waarmede ze al dien tijd op het tooneel heeft rondgesold.” „Heeft u nog collega's uit dien tijd?” „Zeker, de oude Moor. Die is nu 92, maar al lang van de planken. Ik heb twee jaar geleden nog meegedaan, en als die bronchitis me niet zoo dwars had gezeten, zat ik nu in de repetities voor zoo'n ouwerwetschen jubilé-avond.” „Wat zei Royaards ook al weer bij je gouden jubileum. Lex?” „Tsja, dat was in vijftien in Amsterdam. Faassen, zei Royaards. als je jou ziet spelen, denk je niet aan je leeftijd. Ik hoop, dat als ik eenmaal mijn gouden jubileum vier, mijn directeur ook mijn leeftijd zal vergeten. Wie had ooit kunnen vermoeden, dat hij zoo gauw weg zou zijn. Voor zijn vertrek is hij me nog eens komen opzoeken. Jongen, als je dan weet, wat voor plannen die man nog in zijn hoofd had, als je zoo eens nadenkt wat voor toekomstdroomen die goede man mee in het graf heeft genomen ... .” Nu zit weer de oude man tegenover me. De handen vallen slap langs de opstaande knieën, en het kind van fantasieën rent langs herinneringen. Hij ziet de vele jaren, dat hij met Henri Poolman de kleedkamer deelde, dat Brondgeest nog voor het voetlicht trad; hij speelt weer met Mien Duymaer van Twist, met Marie Verstraeten; herinnert zich hoe Mien v. d. Horstv. d. Lugt Melsert pas begon, en later Else Mauhs haar eerste triomfen vierde... „Ik zou er ook niet meer geweest zijn, als ik niet zoo'n trouwe verpleegster had,” zucht hij ineens. „Die heeft in geen negen maanden meer gespeeld, om mij te verzorgen. Die staat ’s nachts op, als ik hoest, die spuit mijn oog in, ja, ja,. ..” „O,” zegt z’n vrouw, „nu nog komen ze hem graag opzoeken.” ,,'t Is niet meer dat,” gaat de negentiger in zichzelf verder. ’t Wordt tijd, zeggen deze woorden. „Hoe denkt u over het jonge tooneel,” vroegen we tot slot. „Och, daar kan ik me op veel punten best mee vereenigen. Kijk eens hoe ’n prachtstel jonge goede krachten we bezitten. Waar het op aan komt, is te gelooven in het goddelijke, het schoone van de kunst. Dan past het immers in alle tijden. Je moet niet gelooven, dat het vroeger allemaal zoo prettig was. Toen waren er ook prullen, net als nu. Ik zie de toekomst bijzonder optimistisch in. Al die pessimisten zijn jaloersch.” De vuist komt donderend op tafel. „Kunst is kunst, en als de jongelui even ernstig willen als wij, zullen ze op hun manier het goddelijke, het schoone weten te vinden en uit te drukken.” — De oogen hebben den prachtgloed gekregen, dien je terug vond in den grijzen Paderewski. Ze spreken van de eeuwige jeugd van het kunstenaarshart. „Wat voor opleiding hebben ze niet met hun tooneelschool, hun onderwijs,” gaat hij met hooge stem verder, „’n Acteur is niet langer 'n half ontwikkeld mensch, die alleen maar kan tooneelspelen en pret maken, ’t Zijn serieuze werkers geworden.” Alex Faassen is een dier oer-typen van plankenland. ’n Tooneelman in hart en nieren, ’n Werker vroeger en nu ’n enthousiast medelever met alles wat er in binnenen buitenland voor het voetlicht komt. Kijk eens naar dat heerlijke levenslustige gezicht van twee jaar terug en vraag dan, of ’n werkzaam tooneelleven schadelijk is voor de gezondheid. teo de witte. 15
PDF
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
18
Tekst
P A N O R A M A N o. 3 3 17 AUGUSTUS De verwisseling van postpaarden bij een bamboe-brug in Demak. Techniek vj^n den Uniander E r zou over de techniek van den inlander op Java meer te zeggen zijn dan deze pagina kan bevatten. De inlander toont zich op zoo velerlei gebied een bekwaam technicus» dat er alle reden is om te zwijgen als we meenen hem door de wonderen van onze techniek te hebben overbluft. Hij wordt er zonder twijfel door overbluft ; maar hoe snel heeft hij zich niet ingedacht in de dingen, die wij als wonderen tot hem brachten. Wat zit een inlandsche chauffeur met een gemak en een zekerheid achter het stuur van een auto; wat gaat een huisbediende niet vrijmoedig met de telefoon om, — en genoeglijk zullen wij straks in den kampong den loudspeaker hooren zingen als Simin afstemt op Berlijn of op Huizen! En hoe kort is het nog geleden, dat we in een rijtuig met postpaarden over den weg van Daendels joegen, vertrouwend op den uitmuntenden Javaanschen koetsier, die langs ravijnen en over zwiepende bamboebruggen in onafgebroken draf de paarden voortzweepte. Bruggen, zooals we er hier een in het Demaksche laten zien, waar in de omgeving de postpaarden verwisseld werden, waren er in groot aantal. De koetsier minderde er nooit zijn snelheid voor; en als het water breed of de afgrond diep was, mocht de reiziger in doodsangst de brug verwenschen. maar dat was de eenige vrijheid, die hem gelaten werd. DOOR POEPOET BAJO Zoo goed als nooit was de overtocht een mislukking. Toch waren die platte, sterke bamboebruggen niet het mooiste voorbeeld van Javaansche bruggenbouw-kunde. De geEen typisch inlandsche brug. E heel afgesloten loopbruggen, die over hooge en diepe ravijnen werden geslagen — zooals wij er hier een hebben afgebeeld — zijn van een zoo bewonderenswaardige constructie, dat onze technici bij de eerste aanschouwing óók verbluft konden zijn. Spijkers worden niet gebruikt; ze zijn ook in de bamboe-stammen moeilijk te verwerken, zoodat de geheele bouw van een brug op een vernuftig bindsysteem berustte. Maar daardoor behield het geheele bouwwerk een groote veerkracht, die duurzaamheid ten goede kwam. Door de wijziging en de uitbreiding van de verkeersmiddelen zijn de kunstige inlandsche bouwwerken aan de hoofdwegen niet meer bruikbaar. De trein heeft het in de eerste plaats noodig gemaakt, dat er andere rivier- en ravijnoverbruggingen kwamen. Zooals de trein nu over een ravijn gaat, is dat voor ons gevoel veiliger dan zooals het postrijtuig het deed over de zwiepende en zwaaiende bamboe-brug. Maar veilig zijn en waren ze beide. Het is ten slotte een kwestie van vertrouwen. Bij de spoorweg-viaducten is het natuurlijk niet kunnen blijven; het uitgebreide auto-verkeer heeft ook het bouwen van andere bruggen noodig gemaakt. Zóó talrijk als in ons waterland behoeven ze niet te zijn, maar ze moesten er toch komen en ze moesten de oude, solide en bewondering wekkende scheppingen van den inlander verdringen. 16
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11521 tot 11525 van 11897