Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11516 tot 11520 van 11897
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
09
Tekst
P A N () R A M A \ o. 3 3 1 7 A U G U S T U S .Omdat hij dacht, dat je hem inderdaad liefhad en ook, omdat hij te arm en te trotsch is, om van het geld van zijn vrouw te leven.’ „Maar ik dacht, dat Punch er heei goed bij zat?”, zei Judy verwonderd. „Ik heb menschen hooren zeggen, dat sinds hij naam gemaakt heeft, hij heel veel verdienen moet. ” „En toch is hij, ondanks alles, een arm man en ik zal je vertellen waarom. In den laatsten tijd heb ik ontdekt, dat hij jaarlijks groote sommen betaalt om eenige feiten jou niet te laten weten. Ik wensch van de dooden geen kwaad te spreken, maar het is een feit, dat je vader zijn geld verdiende op verschillende— zacht gesproken—'minder faire manieren en het is om jou die ellendige details te besparen, dat Punch chantagegeld betaalt.” Judy staarde haar stom verwonderd aan. „Mijn arme Punch!” zei zij ten laatste op zachten toon. „Als ik dat maar geweten had! Oh, wat moet ik doen, tante? Zeg mij dat eens; ik ben zoo ongelukkig.” „Heb je Punch lief?”, vroeg Lady Saltwell zacht. Een glimlach speelde om Judy’s lippen, toen de herinnering aan haar kinderjaren haar weer voor den geest kwam. „Ik—ik zou liever door Punch iederen dag geslagen worden dan gekust door wien ook. ” verklaarde zij heftig. „Hm. Dat is duidelijk genoeg. Wel, kind, omdat je jezelf in deze moeilijkheid gebracht hebt, moet je je er maar weer zien uit te redden ook. Een man zal voor zulk een bruidsgift als jij meebrengt, veel slikken en voor een hertog is Altringham beslist arm.” Na deze verstandige opmerkingen ging Lady Saltwell heen en gaf Judy den tijd er over na te denken. Dit had blijkbaar tengevolge, dat Judy den volgenden morgen haar zaakwaarnemer ging opzoeken en een lange en zeer ernstige conferentie met hem hield. Het resultaat daarvan was, dat er al spoedig geruchten begonnen te loopen, dat de rijke Miss Adair zwaar in rubber gespeculeerd had. Sommige vriendelijke menschen beweerden reeds, dat zij geruïneerd was en vertelden dit met een bijzonder genoegen aan Altringham. De hertog zat in een leelijk parket. Hij wenschte als eerlijk man te handelen, maar met Judy te trouwen zooals zij nu was met nauwelijks een stuiver er bij, wras meer dan hij verdragen kon. Zijn sombere gedachten werden onderbroken door de binnenkomst van de hertogin. Haar dierbare Cecil kon die zaak beter aan haar overlaten. Vastbesloten hem uit dat wespennest te bevrijden, besloot zij moedig, de zaak ronduit met Judy te gaan bepraten en bevond, dat haar de geheele aangelegenheid buitengewoon gemakkelijk werd gemaakt. Judy luisterde naar de excuses en omhaal van woorden met een ondeugende flikkering in de oogen en een cynischen glimlach op de lippen, terwijl zij haar hoofdje op bevallige wijze liet hangen, en vroeg, toen de oudere vrouw haar haperende uitleggingen beëindigde : „Heeft Cecil u naar mij toegezonden, hertogin?” Tot haar groot ongenoegen voelde de hertogin, dat zij een hevige kleur kreeg. „Natuurlijk niet,” antwoordde zij verontwaardigd, zich in haar volle lengte oprichtend. „Die arme Cecil is er erg van in de war. en daarom dachten wij .,. ik.. „Dacht u. dat u beter in staat zoudt zijn om mogelijke tranen en smeekingen te weerstaan,” viel Judy haar droog in de rede. „Ik begrijp het. Alleen moet ik zeggen, dat ik meer respect voor hem gehad zou hebben, als hij mij dit zelf ronduit verteld had en zich niet achter zijn moeder's rokken had verscholen. Maar ...” Zij zweeg en zuchtte zwaar. Toen deed zij haar engagementsring af en gaf dien zonder een woord te spreken aan de hertogin, die er zich onaangenaam van bewust werd, dat zij in deze niet de fraaiste rol speelde en zoo haastig mogeiijk vertrok. Het meisje wachtte tot zij veilig buiten de deur was en rukte toen met een wild gebaar den sluier van haar gezicht. „Vrij!” riep zij triomphantelijk en rende toen naar de deur, om daar in botsing te komen met Lady Saltwell, die juist binnentrad. Haar verbaasde chaperon met een wild gebaar omhelzend, herhaalde zij dat woord aan haar oor en vloog toen de trap op. Lady Saltwell veegde haar gezicht af. dat na de juist ontvangen omhelzing een weinig vochtig en kleverig voelde. „Ik geloof,” mompelde zij, naar de telefoon gaande, „dat ik haar wel een opwekkend middel kan geven.” Voor de tweede maal in die maand werd Punch in voile vaart voor Judy’s deur gebracht. Uit den vollen zonneschijn in den halfduisteren salon komend, duurde het eenige oogenblikken voor hij zag, dat hij niet alleen was. Judy zat in een stoel gedoken en het gezicht van haar, die voor hem alles beteekende, terneergeslagen en vernederd, verbrak de barrière, die hij om zijn liefde had opgetrokken. In twee stappen was hij de kamer door en lag naast haar op de knieën. „Judy . . . Judy .... mijn kleine meisje, huil maar niet zoo,” zei hij heesch. „Ik kan niet verdragen, dat jij moet lijden. God weet, dat ik mijn leven zou willen geven, om jou verdriet te besparen.” Er was een oogenblik stilte en Judy’s snikken werd minder. Even later hief zij het hoofd op en fluisterde beverig: „En waarom doe je het dan niet, Punch?” „Waarom doe ik wat niet?” vroeg Punch verwonderd. „Je leven aan mij geven.” zei een zachte, beschaamde stem. „Oh, Punch! Wat ben je dom! Begrijp je het niet?” Toen haar bedoeling eindelijk tot hem doordrong, was het of een groote beer haar omkneld hield. „Judy!” hijgde hij. „Is het waar? Heb lachend bukte hij zich en sloot haar in zijn armen. je mij lief? Ik kan het niet gelooven.' Jou lieve, oude dwaas! Natuurlijk is het waar. Jij was het altijd, Punch. Jij was die ééne andere. Ik deed mijn best, om het je te laten begrijpen, maar het lukte niet. Maar waarom heb je mij niet eerder gevraagd? Ik ben nu alles kwijt, wat mij aantrekkelijk maakte: schoonheid, geld, alles is weg.” „Daarvoor dank ik den Hemel,” zei Punch vurig. „Wat het verliezen van je geld betreft, bedoel ik, want hoe kon anders een groote, leelijke, arme kerel als ik, het gewaagd hebben, je van zijn liefde te spreken? Jou wil ik hebben. Judy, niet alleen je schoonheid. Doe je sluier af, lieveling en laat mij de tranen wegkussen.” Een weinig bevend trok Judy zich uit zijn armen terug en verzocht hem de gordijnen op te halen. Hij gehoorzaamde vol verbazing en keerde zich toen weer naar de plaats waar het meisje met haar gezicht in de handen verborgen stond. Met zachten dwang trok hij haar handen weg en hief het hangende hoofdje op. „Judy!”, riep hij en deed een stap terug, terwijl hij haar met ongeloovige oogen aanstaarde. Want de Judy, die hij zag, was dezelfde, die hij steeds voor oogen had gehad, en niet de leelijke misvorming, waaraan hij zich in den laatsten tijd gewend had. Judy met haar mooi gelaat onbeschadigd, behalve het litteeken van een pas geheelde lichte snede op haar wang en de verdwijnende schroeiplek van een lichte brandwond. „Heb ik jullie niet allemaal prachtig beet gehad?” vroeg zij met schitterde oogen. „Het was heel gemakkelijk. Ik overdreef alleen een beetje met daarvoor geschikte verf en ik heb nooit iemand van al te dicht bij naar mij laten kijken.” „En het verloren fortuin is zeker van denzelfden aard?”, vroeg Punch heesch. terwijl hij een gevoel had, of hij stikken zou. „Oh, ik heb heel wat verloren,” zei zij luchtig, „maar niets om je bezorgd over te maken. Je . . . je vindt het toch niet erg?” Nog antwoordde hij niet en daarom raapte zij al haar moed bijeen en sloeg haar armen om zijn hals en keek hem met haar schitterende oogen verlangend aan. „Zie je, lieveling, ik weet, wat je al dien tijd gedaan hebt, om mij te sparen,” zei zij zacht, „maar dat is nu uit en als je dat wilt, zullen wij van jouw inkomen leven en mijn geld gebruiken om anderen gelukkig te maken. Wil je me nog niet kussen, Punch?” Wie zou haar kunnen weerstaan? Punch zeker niet en 7
PDF
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
10
Tekst
P A N O R A M A No. 3 3 Te Berlijn is *n groote reclame -tentoonstelling geopend. Het Fremden verkehrsamt exposeert deze reclame voor Berlijn zelf, tableau van de attracties, waarmee de Duitsche hoofdstaddevreemdelingen tot zich lokt. 17 AU G U S T U S 8
PDF
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
11
Tekst
PANORAMA No. 33 - 17 AUGUSTUS <$’' VAN DEN DAG VLOOTWEEK TE CHATHAM. Verbroedering tusschen burgerij en marine. DEN TWAALFDEN AUGUSTUS, opening der jacht, in Schotland. De eerste vogel wordt geapporteerd, Crianlarich Noor, Portshire. MISS SPOONER, de eenige vrouw die deelneemt aan den internationalen Europa-rondvlucht. °4>. z
PDF
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
12
Tekst
PANORAMA - No. 33 - 17 AUGUSTUS YOGHURTARCHITECTUUR. Monumentaal voorkomen van de automatische flesschenvulmachine in een Berlijnsche zuivelfabriek. De flesschen (rechts ziet men ze leeg) worden omhoog tegen de schroefkraan gedrukt en een afgepaste hoeveelheid yoghurt komt in de flesch. OORTEEKENEN M eneer Onderwater richtte zich uit den tuinstoel op, wreef zich de oogen uit, huiverde even, sloeg zich de asch van zijn vest, en keek op zijn horloge. Ja waarlijk: hij had twee volle uren zitten dutten. Hij vischte een eind sigaar uit de kussens, die zijn moede lendenen hadden gesteund, verwonderde er zich niet buitensporig over, dat hij nog geen brand had gesticht, rekte zich ongegeneerd uit, huiverde nog eens, en ging het zomer-pension binnen om zijn vrouw te zoeken. In de deur van de slaapkamer liep hij het touwblonde dorpskind bijna de gevulde lampetkan uit de hand. „Heb je mijn vrouw ook gezien ?” vroeg hij wat kribbig. „Mevrouw is gaan zwemmen,” zei de Veluwsche Rebecca, „ik heb gezien, dat ze haar zwempak van het droogrek heeft weggepakt.” „Dat weet ik ook,” zei meneer Onderwater nog kribbiger, „maar dat is al meer dan twee uur geleden.” Het meisje met het denkt-u-vooral-omde-fooi-gezicht aarzelde, maar ze haalde diplomatiek de schouders op en zweeg met een gelatenheid, alsof ze zooveel jaren getrouwd was als ze jaren telde. En daarom schoot Onderwater zich in zijn modieus sportcolbert, streek zijn leverworst-kleurige zomer-pantalon glad, pakte zijn wandelstok, smakte de deur achter zich dicht, iets harder dan noodig was, en ging op weg naar de plaats, waar de Veluwsche sprengen te zamen komen en zich storten in een kuil, die met den naam zwembad wordt betiteld. Daar vond hij mevrouw Onderwater. Ze zag er behuild uit. Ze zat op de bovenste trede van het trapje, dat naar het bassin voerde. Achter haar stond een meewarige pension-genoote, een paar meter verder zoog de badman onverschillig aan zijn pijp. „Wat is hier gebeurd?” vroeg meneer Onderwater met een tikje meer gezag dan waarop zijn plaats in de echtelijke samenleving hem recht gaf. „Ik heb bij het zwemmen mijn trouwring verloren,” schreide mevrouw Onderwater. Meneer had een ongezouten verwijt op de lippen: het was niet het eerste kleinood, dat zijn vrouw verspeelde. Maar hij was hard op weg naar zijn koperen bruiloft, en ÖOOR H. v. ten slotte verliest een niet-uitgesproken verwijt niets van zijn kracht. Dus zei hij enkel: „Nou, dat is lam! Maar enfin.. .. wat is er aan te doen? Als je hem verloren hebt, ben je hem kwijt!” „Die snuggere opmerkingen van jou óók nog!” smaalde mevrouw. „Nu ja, of je hier nu blijft treuren, geeft toch niet. Weg is weg. Kom nu maar!' „Wat zeg je .... kómen!” stoof zijn gade op „wat ben jij toch een ezel!” „Dat is het toppunt,” trachtte hij terug te kaatsen. „Wie z’n schuld is ’t, dat die ring weg is?” Daar mevrouw Onderwater ’t sieraad destijds van haar man had gekregen, viel ’t antwoord haar niet moeilijk, en met het vuur der waarachtige overtuiging zei ze daarom: „Jij!” Maar Onderwater was — zooals gezegd — niet meer in de wittebroodsweken. En hij zei derhalve: „Nu goed .. ik! Kom nu maar!” „Hoe kan ik dat?” kreet zij wanhopig, „ik moet mijn ring terug hebben!” „Ik zal een anderen voor je koopen!” „Hij koopt een anderen!” smaalde zij. Als om steun te zoeken in haar heilige verontwaardiging herhaalde ze tot het warm-meevoelende auditorium: „Hij koopt 'n anderen!” En alsof zij dien steun onmiddellijk gevonden had, barstte ze los: „Maar weet je dan niet, dat je een ontzettend ongeluk krijgt, als je je trouwring verliest? Hier mevrouw Spitsenbergen heeft het meegemaakt....” Mevrouw Spitsenbergen stond voor het aandragen van de noodige argumenten voor haar bewering in gevechtshouding. Onderwater dekte zich: „Nooit van gehoord!” „Natuurlijk niet. Hij heeft er nooit van gehoord!” derde-persoonde mevrouw Onderwater verder. „Dat weet toch de eerste de beste.” Mevrouw Spitsenbergen begon: „Mijn man...” maar meneer Onderwater besloot resoluut: „Goed. Maar ik ga naar huis!” „Hij gaat naar huis! Maar begrijp je dan niet, wat je doen moet, als je nog een greintje gevoel hebt?” „Zeker ik zal een nieuwen voor je koopen. Kom nu maar.” Mevrouw Onderwater sloeg de handen in elkaar. „Een nieuwe! Hij koopt een nieuwen!! Man kleed je uit, en spring in het water! Ik kan onmogelijk zonder ring naar huis teruggaan. Dat brengt absoluut ongeluk!’ „Ja, maar ik kan nu toch niet. . „Je moet! Dan trek je mijn badpak maar aan!” Over deze verplichting ontspon zich een langdurig dispuut, dat daarmee eindigde, dat Onderwater zijn jasje losknoopte, zich in een kleedkamer absenteerde, en ten slotte huiverend verscheen in een fraai gebiesd en gestrookt badcostum, waarvan het kuische rokje leutig wapperde in de koele zomerbries.............. „Kijk hier eens!” Hij dook, kwam met zijn oor op ’n steen terecht, en kwam weer proestend boven. „Hier! Kijk hier dan toch eens!” Hij dook, en kwam weer boven. „Waar heb je dan precies gebaad?” vroeg hij rillend. „Hier, langs den kant!” Hij dook langs den kant. Toen ging hij wanhopig op de onderste trede van het trapje zitten. „Ik kan niet meer,” zuchtte hij. „Dat ontbrak er nog maar aan! Vooruit! Ik moet mijn ring terug hebben! Kan ’t jou dan niets schelen, als het ongeluk mij treft?” En hij dook. Schemering daalde over de dreven .... En Onderwater dook. Zijn vrouw boog zich dieper over de balustrade, en riep: „Duik hier eens; toen ik er was, stond er een oostenwind; misschien is hij weggedreven.” In werkelijkheid had er een stevige oostenwind gewaaid, en ofschoon het soortelijk gewicht óók van niet te dure trouwringen nog altijd hooger is dan dat van Veluwsch sprengen-water en er dus tusschen de windrichting en het zoekraken van het huwelijks-symboolgeenerleiverbandbestond, dook de heer Onderwater opnieuw. Na vijf-en-een-half uur zag hij blauw van de kou. Zwijgend keerden zij naar het pension terug. Het eten was koud geworden. Onderwater ging direct naar bed, en sidderde van koorts. Hij rolde zich in vijf dekens, slikte aspirine en warme kwast. Maar de koorts liep hooger en hooger. De dorpsdokter, die nog om elf uur ge-, haald werd, aarzelde tusschen ijs op het hoofd of warmwater-compressen op de maag. Het is niet zeker, of een vlugger besluit redding had kunnen brengen ... een feit is, dat meneer Onderwater te vier minuten over half twaalf den laatsten adem uitblies............ Het heelepensionstond overeind;mevrouw Onderwater was geslagen. Rebecca huilde. De andere pensiongasten — oude grijze dames met fluweelen keelbandjes, zooals ze in ieder pension in ieder vacantieoord te vinden zijn — bespraken het geval met diep medegevoel.Enmevrouw Spitsenbergen zei min of meer snauwerig tot ’r echtvriend: „Zie je nu wel, jij die nooit wat gelooven wilt van voorteekenen: vanmiddag verloor mevrouw Onderwater haar trouwring, en..” „Nu, wat en?” vroeg hij. .................. en nog denzelfden dag is haar man gestorven! Die arme vrouw!” 10
PDF
Nummer
1929, nr. 33, 17 aug. 1929
Blad
13
Tekst
No. 3 3 17 AUGUSTUS Het nieuwe museum voor Volkenkunde te Leipzig is, na een bouwtijd van jaren, voltooid. PANORAMA Ontwerp voor een ééngezins-woning op de tentoonstelling „ Woning en Werkplaats' te Breslau, arch. ir. H. Lauterbach. Pleintje in de Keulsche wijk Poll, met monument voor de melkmeisjes als weldoensters der menschheid. 11
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11516 tot 11520 van 11897