|
P A N O R A M A No. 3 3 17 AU G U S T U S
M
aar ik weet niet, hoe ik tusschen hen
kiezen moet,” zei Judy klagend.
Zij zat op den rand van de schrijftafel
en zwaaide een klein voetje heen en weer,
terwijl zij met vroolijke uitdagende oogen
naar den jongen man keek, die schijnbaar
onbewogen het mooie visioen daar voor
hem aanstaarde.
„Zij zijn allemaal zoo aardig/' voegde
zij er zuchtend aan toe. „Als Mr. Lessage
zegt, dat mijn profiel een inspiratie is en
mijn portret en face een vervulde droom,
dan denk ik bijna . . . Maar Altringham
heeft een titel en ik stel mij voor wat het
zijn zou, om hertogin te worden. Wat
vindt jij Punch? En de familie-juweelen
zijn een droom !”
„Zijn ze dat allemaal ?" vroeg haar toehoorder droogjes.
„Groote gunst, neen! Er zijn er nog
heel wat meer, maar ik heb ze beperkt tot
den artist, den hertog en — en één ander,”
eindigde zij zacht, terwijl haar wangen zich
wat hooger kleurden.
De man keek snel op, terwijl de lijnen
zich in zijn leelijk, maar aantrekkelijk gelaat scherper afteekenden. Wie was die
ééne andere, vroeg hij zich verdrietig af.
„Wel en wat wilde je nu, dat ik deed?”
vroeg hij geduldig.
„Ik wou, dat je iets kon voorstellen,
waardoor ik er achter kon komen, of het
mijn geld is, waar zij op afkomen,” antwoordde het meisje ... „Zou jij dat onderzoek op je willen nemen, als iemand het
je vroeg ?” vroeg zij plotseling.
„Ik ? Ik heb het veel te druk voor eenig
onderzoek, behalve naar de beste manier
om aan geld te komen,” antwoordde hij
prozaïsch. „Men moet toch leven.”
„Als je dat tenminste leven noemt,”
antwoordde zij spottend. „En als je zoo
krap bij kas bent, waarom neem je dan
niet wat van mijn geld ?”
„Een mooi soort voogd zou ik zijn, als
ik dat deed,” zei hij luchtig. „Neen, Judy.
Je fortuin moet intact blijven.”
„De nieuwe auto is prachtig, Punch,”
merkte zij op, toen zij naar de deur liepen.
„Je moet eens gauw met mij mee gaan.”
„Ik wou, dat je niet zelf chauffeerde,
en zeker niet in het drukke verkeer,” zei
hij met gefronste wenkbrauwen. „Je zou
een ongeluk kunnen krijgen...”
„En mijn schoonheid bederven, hè ? Ik
vraag me af” .. . een eigenaardige blik kwam
er in haar mooie oogen. .. „ik vraag me
af, of de menschen dan nog zoo op mij
gesteld zouden zijn, als ik op de een of
andere manier verminkt was.”
„Schei uit.” zei Punch heesch. „Ik kan
niet hebben, dat je zoo iets verschrikkelijks
zelfs maar veronderstelt.”
Maar zij lachte weer en haar boodschap
blijkbaar vergetend, was zij even later verdwenen, den zonneschijn en den geur van
zijn eentonig bestaan meenemend.
Gedurende eenige oogenblikken bleven
de acten, die Punch geld en positie
moesten bezorgen, onaangeroerd liggen,
terwijl hij de laatste jaren nog eens overdacht, beginnend met zijn vriendschap met
dien eigenaardigen millionnair, Mac Adair,
Judy s vader, waarvan het gevolg was,
dat Punch met de opvoeding van het
meisje werd belast.
Het was een moeilijke taak voor een
man met weinig familie of relaties; daarom
was hij zoo verstandig, die taak op te
dragen aan zijn nicht, Emily Saltwell, de
kinderlooze weduwe van een baronet en
onder haar liefderijke en zorgvuldige opvoeding groeide het mooie kind op tot
een lief meisje.
Lady Saltwell’s oogen hadden reeds lang
het geheim van Punch doorgrond, maar
van Judy was zij niet zeker.
Ten slotte was het toch een ongeval, dat
Judy’s aanbidders een paar dagen later op
de proef zou stellen; en Lady Saltwell
telefoneerde het nieuws naar zijn rustige
kamers met een stem, die verstikt klonk
van verdriet.
„Een auto-ongeluk ? . .. Judy gewond ?”
Punch smeet den hoorn op den haak, greep
zijn hoed, rende de trappen af en in de
eerste voorbij komende taxi springend, gaf
hij den verbaasden chauffeur bevel hem
naar het opgegeven adres te brengen.
Lady Saltwell ontmoette hem met tranen
in de oogen in Judy’s aardige huisje.
„Wat een ramp!” hijgde zij. „Het is
verschrikkelijk. Haar rechter pols is ontwricht, maar dat is niets. Het. .. het is
haar gezicht.”
Zij zweeg en verborg haar gelaat in
haar zakdoek,
„Haar gezicht ?” stamelde Punch, terwijl
hij zelf lijkbleek werd.
„J-ja,” snikte zij. „De dokters zeggen,
dat zij voor haar leven verminkt is. Al
haar schoonheid is weg.”
„Kan ik haar bezoeken ?” vroeg hij even
later.
Emily schudde het hoofd.
„Zij moet een paar dagen heel rustig
gehouden worden; de schok is te hevig
geweest. Moet ik haar een boodschap
geven ?”
„Oh, mijn hartelijke groeten natuurlijk
en zeg haar, dat ik ... oh, verduiveld 1
Waar zijn mijn handschoenen?” en Punch
was gevlucht, maar niet voor zij zijn oogen
vol tranen en zijn verwrongen gezicht
had gezien.
Zij ging in gedachten naar boven en
trad Judy’s slaapkamer binnen.
„Wel ?” vroeg een nieuwsgierige stem,
die uit een verbonden hoofd en gezicht
kwam. „Wie was dat ?”
„Alleen maar Punch,” antwoordde Lady
Saltwell gapend.
„Was-was hij erg in de war?”
„Wel, hij vond het natuurlijk verschrikkelijk.” antwoordde Lady Saltwell
tamelijk onverschillig. „De meest hardvochtige voogd kan wel niet onverschillig
staan tegenover het ongeluk van een pupil,”
voegde zij er kalm aan toe.
„Was dat alles?” Judy’s stem begon te
beven van teleurstelling. Zij had heel iets
anders verwacht, dan deze koele navraag
en haar oogen sluitend, om de opkomende
tranen te verbergen, veinsde zij te slapen.
Den volgenden dag kwamen er dozijnen
bezoekers om kaartjes en sympathie-betuigingen voor de rijke, maar helaas niet
langer mooie miss Adair achter te laten.
De artist had zich teruggetrokken. Zijn gevoelige naar schoonheid dorstende ziel kon
geen misvorming van welken aard ook verdragen en in een in zeer delicate termen
vervat schrijven deelde hij dit mede.
, „Hij is tenminste eerlijk en hij is niet
hebzuchtig, zei Judy. „Zelfs mijn geld
trekt hem niet meer aan, nu mijn schoonheid weg is. Ik vraag mij af, wat Altringham zal doen. Hij schijnt zeer standvastig
te zijn, maar hij heeft mij nog niet gezien
Ik denk, dat hij wel net zal zijn als de
rest, als hij mij ziet.” voegde zij er droog
aan toe.
Maar hierin vergiste zij zich. Hij verbleekte zelfs niet, toen hij het arme misvormde gelaat met de groote lidteekens van
de nauwelijks geheelde brandwonden onder
oogen kreeg, maar hield stoutmoedig vol
dat zijn liefde voor haar overanderd was.
Wat kon zij dus anders doen, dan hem
zijn belooning geven.
„Dus het noodlot en niet ik deden je
de proef aan de hand, die je wenschte
Judy,” zei Punch, nadat hij zijn gelukwenschen had uitgebracht, en met een ongelukkig gezicht naar Altringham’s glinsterenden saffier zat te staren. „Ik-ik hoop,
dat je heel gelukkig zult zijn,” voegde hij
er aan toe, niet in staat om aan iets origineelers te denken en verlangend om zijn
gewond en bloedend hart ergens anders te
gaan verbergen, opdat hij zich goed zou kunnen houden en geen dwaasheden zou begaan.
„Dank je ! Daar ben ik zeker van” antwoordde zij, luchtig van achter de voile,
die zij droeg om haar veranderd gezicht
te verbergen.
„Stel je voor om een hertogin als pupil
te hebben. Punch,” voegde zij er haastig
aan toe. „Ik kan mij voorstellen, hoe je
je daarop zult laten voorstaan ?”
Hij hief de slanke witte vingers, die zij
hem gaf naar zijn lippen op.
„Niet langer de mijne,” zei hij ernstig,
„maar waar je ook moogt zijn, God zegen
je, Judy !”
Alleen gelaten bleef Judy stil naar de
hand zitten staren, die Punch gekust had.
Het scheen haar, of zij de aanraking van
die koele ferme lippen nog voelde.
„Kom, ik ben een gelukkig kind,” zei ze
hardop. „Natuurlijk ben ik dat. Om een
hertogin te worden. . ..”
Zij stompte giftig tegen een kussen.
„Ik wou, dat ik dood was!” hijgde zij
plotseling en haar gezicht in het mishandelde kussen verbergend, snikte zij het uit.
„Maar Judy!”
Lady Saltwell’s verbaasde stem stoorde
het meisje. Zij ging zitten en nam Judy’s
vrije hand in de hare.
„Judy,” zei zij ernstig, „ik zal je eens
wat vertellen. Misschien is het niet goed
van mij om een geheim, dat ik ontdekt
heb, tè verraden, maar ik ben niet van plan
om de twee menschen waar ik het meest
van houd, ongelukkig te zien worden, omdat
er niet eens ronduit gesproken is. Punch
aanbidt den grond, waar je op loopt. Hij
heeft je innig lief en de inspanning om te
zwijgen, doodt hem.”
Judy slaakte een lichten kreet en haar
oogen schitterden vochtig. „Oh, tante, is
het waar?”, stamelde zij. „Waarom heeft
hij mij dat niet verteld? Waarom liet hij
mij Altringham aannemen?”
6
|