|
PANORAMA Prof. J.W.R. Tilanus overleden
Mr. h. s. van lennep. f
Te Haarlem is de vorige week overleden Mr. H. S. van Lennep,
die gedurende 27 jaar zitting heeft gehad in den Amsterdamschen
Gemeenteraad. Veel heeft de overledene ook gedaan als bestuurslid
van verschillende instituten en stichtingen.
DE AAPMENSCH
EEN SCHETS UIT DEN KERMISTIJD
VERKORTE INHOUD VAN HET GEDEELTE UIT
HET VORIGE NUMMER.
Barnum, eigenaar van een kermistent met wilde
beesten en spelingen der natuur, zooals een kind
met drie hoofden, een dame met een leeuwenkop,
enz., heeft de hand kunnen leggen op een menschbeest.
Deze was van den stam der Goollollywashiqarri’s,
die in de onontdekte landen van Borneo leven.
Natuurlijk veroorzaakte de aankomst van „MissingLink”
— zoo heette deze mensch-aap —, in een groote
leeuwenkooi, heel wat opschudding in de stad, en
spoedig was hij het onderwerp van ieders gesprek.
Laat in den avond echter van denzelfden dag ontvluchtte
„Missing-Link” naar het naastbijzijnde bosch.
Bamum organiseerde een jachtpartij en begaf zich
hiermede naar het woud, om den menschaap te vangen.
^^^®amum ontplooide ware veldAwt
heerstalenten in het opstellen
van zijn mannen
rondom het bosch. Het
meerendeel miste evenwel
den moed het donkere geboomte
binnen te dringen, ondanks het
prachtige aanbod van Barnum, die honderd
gulden beloofde aan degenen die den
,,Missing Link” levend vingen. Eindelijk
waagden enkele van de dapperste mannen
het op verschillende punten het woud
binnen te dringen, maar dat is een dezer
slecht bekomen, want hij werd in het stikdonkere
van het struikgewas door de
anderen voor den gezochten aapmensch
gehouden en zoodanig op stokslagen getrakteerd,
dat hij in het ziekenhuis 14
dagen noodig had om op zijn verhaal te
komen.
Het was intusschen middernacht geworden
zonder dat ze een spoor van den
„Missing Link” gevonden hadden. Daar
ontving Barnum opeens de tijding dat
de aapmensch gevonden was, weggescholen
onder den bagagewagen achter
de tent. Men had hem gevangen en veilig weder in zijn
kooi geborgen. Barnum toonde zich buitenmate verheugd
dat de kostbare Link weder in zijn bezit was en onder dankaan
zijn verschillende medehelpers keerde hij en alle
overigen naar de stad terug. Onderweg legde hij aan ieder
die het hooren wilde de verklaring af, dat hij alle mogelijke
veiligheidsmaatregelen nemen zou, opdat het gevaarlijke
creatuur niet weer ontsnappen zou.
Ik begreep echter dadelijk, heeren, dat die heele vlucht
maar een uitvindsel van Barnum geweest was om reclame
voor zijn ,,Missing Link” te maken en daarin was hij uitstekend
geslaagd. De ,,Missing Link” was de attractie van
de kermis. Er waren natuurlijk meer attracties maar de
wildeman van Goollollywashigarri was wat je noemt de
„clou”.
Lang voordat de voorstelling beginnen zou, stond er
reeds een enorme menigte te roepen om binnengelaten te
worden en als de tent eindelijk openging, ontstond er
zoo’n gedrang, dat het kalf met twee koppen onder den voet
raakte.
Alle bezoekers begaven zich dadelijk zonder een oog te
slaan op de andere bezienswaardigheden naar de plaats waar
de roode kooi stond, nu gedeeltelijk van zijn houten wanden
ontdaan. En daar in een somber , smerig hok zagen ze een
vreemd wezen, dat half mensch, half harig monster was,
een soort verbeterde gorilla.
Ik wil u eerlijk bekennen, heeren, de eerste maal dat ik
het monster zag, slapende in een hoek van zijn kooi, liep
een koude rilling me langs mijn rug. Het was van boven tot
aan zijn teenen behaard, een soort kiel hing om zijn lijf en
reikte tot aan zijn knieën. Zijn vingers waren precies klauwen
en zijn ooren waren verborgen onder een grooten verwarden
haardos. Het gezicht echter was evenals bij gewone
apen volkomen onbehaard en zag er uit zoo gladgeschoren
als ... als ’t uwe, mijne heeren.
In het eerste oogenblik konden de bezoekers het monster
in het halfduister van de kooi niet zien, doch toen een van
hen zijn wandelstok door de tralies stak, sprong het met
een afschuwelijk gehuil naar voren en rukte aan de tralies
alsof hij de geheele kooi uiteen zou rukken.
Dadelijk kwam Barnum aangeloopen en na den aapmensch
gekalmeerd te hebben, hield hij een toespraak tot het
publiek, waarin hij een beschrijving gaf van het geboorteland,
het leven en de gewoonte der Goollollywashigarri’s.
Hij vertelde hoe het monster was gevangen door den beroemden
dierentemmer Hagenbeek, die het voor zijn menagerie
in Hamburg bestemd had. Aangezien het evenwel
een scheepsjongen had verscheurd en twee douanenbeamten
in zijn armen had doodgedrukt was zijn vervoer naar Hamburg
wegens het groote gevaar voor de bewoners door de
stedelijke regeering verboden. Met ontzettende moeite en
enorme kosten was Barnum er evenwel in geslaagd het
monster hier ingevoerd te krijgen, onder belofte het na zijn
tournée aan de Amsterdamsche artis af te staan.
Na deze uiteenzetting verzocht hij het publiek de andere
abnormaliteiten te gaan bezichtigen. Behalve het kind met
de drie beenen trok echter niets zooveel bezoekers, als de
,,Missing Link”. Een ieder sprak over hem; de een wees op
de afgekloven beenderen in de kooi, een andere op de pan
met water met een stuk zwavel er in. Een juffrouw die de
kooi te dicht naderde, werd de hoed van het hoofd gerukt.
Een jongedame werd zoo bang voor het monster, toen het
tegen de tralies opvloog, dat ze flauw viel en Barnum haastig
met vlugzout kwam aanloopen.
Den volgenden dag was de toeloop haast nog grooter.
Ik stond aan den ingang en bemerkte onder de binnentredenden
ook een lange boerenvrouw met scherpe gelaatstrekken.
Ze had aan elke hand een klein meisje en scheen
KEUKEN-AUTOMOBIELEN VOOR HET LEGER.
De Infanterie heeft sinds eenigen tijd haar keukenwagens door paarden getrokken, de bereden wapens zullen thans
hun keuken-auto’s hebben. De eerste daartoe vervaardigde Spijker-automobiel verliet dezer dagen de werkplaatsen
der Ind. Mii. Trompenburg te Amsterdam. Het 12 P.K. chassis werd in genoemde fabriek vervaardigd, voorzien
van de kookinrichting, die bij de Artillerie-werkp4aatsen te Delft gemaakt was. De grijze wagen ziet er flink en
degelijk uit, en wel berekend, om de compagnie wielrijders, waarvoor hij bestemd is, te velde te volgen. Het
geheel weegt, met gevulde ketels, zonder de «drie bedieningsmanschappen ca. 1800 K.G. hetgeen, in aanmerking
genomen de beide kookketels, de hooikist, de oven en de bewaarplaatsen voor levensmiddelen en brandstoffen,
niet te veel mag genoemd worden. De beide kookketels met haarden er onder zijn achter het chassis geplaatst
en maken het mogelijk dat de kok vanaf een trede aan de achterzijde den inhoud gemakkelijk kan omroeren, etc.
Daarvoor, dus achter de zitplaats van den chauffeur, vindt men de bewaarplaatsen, de hooikist, en een vak
waarin koffiemolen, vleeschmachine, en andere gereedschappen een plaats vinden. De achterspatborden zijn van
binnen voorzien van asbestbekleeding, om de banden te isoleeren van den vuurhaard. Het benzine-reservoir onder
druk bevindt zich onder de voorzitting.
klaarblijkelijk van den „Missing Link” niets gehoord te
hebben, ten minste ze begon kalm van het begin af de verschillende
merkwaardigheden te bezien. Ik weet niet waarom
ik dit alles opmerkte maar ik deed het.
Plotseling, terwijl zij naar het nest van de mammoethwespen
stond te kijken, had een der kijkers rondom de
kooi van den „Missing Link” dezen met zijn wandelstok een
prik in den buik gegeven. Dat werkte als een lucifer op een
vaatje buskruit. De aapmensch ging te keer als een bezetene,
ik had hem nog niet zoo woedend gezien. Hij rende door zijn
kooi, trok aan elke staaf, siste, gromde, schreeuwde, wierp
de waterpan en de afgekloven beenderen tusschen het volk
en vloog dan weer tegen de tralies op. De toeschouwers
waren van schrik een meter teruggedeinsd.
Natuurlijk trok dit voorval de aandacht van alle aanwezigen
dus ook van de lange boerenvrouw met de twee
kinderen. Nieuwsgierig liep zij naar de kooi van het gedrocht,
doch opeens uitte ze een kreet en haar beide kinderen
loslatende, dringt ze door de menigte heen en staart den
„Missing Link” met woedende oogen aan. Deze houdt op
met stampen en rukken en kijkt verbluft de vrouw aan, die
zich dan omkeert en met schrille stem vraagt: „Waar is de
eigenaar van deze tent ?”
Daarne wendt ze zich weer naar het monster, dat zich
evenwel stil teruggetrokken heeft tot achter in zijn hok.
„Jaap Sanders 1” roept ze, „kom er uit! Denk je dat ik
jou niet herken, jou schavuit ? Kom dadelijk uit deze
smerige kooi! Kom er uit en ga je vuilen snoet wasschen,
doet die pruik van je kop en trek je kleeren aan, zooals het
den man van een eerbare vrouw als ik past!”
Gelijk een wilde kat vloog ze rond de kooi en pakte den
aapmensch bij zijn enkel.
„Juffrouw, pas op!” schreeuwde Barnum, die haastig
kwam aanloopen, niet wetende wat er
plaats greep. „Pas op, voor hij je kwaad
doet I”
„Hij mij kwaad doen ! Mij ?” riep de
furie uit, terwijl ze den „Missing Link”
aan zijn voet trok, alsof ze hem uit de
kooi wilde trekken. „Daar is-ie veel te
laf voor, dat beest van een kerel. Hij
dacht zeker dat ik hem niet herkennen
zou. Ik die hem al zoo lang gezocht heb.
Drie jaar geleden heeft de schoelje mij
en zijn twee arme bloeien van kinderen
verlaten, we beschouwden ons al als
weduwe en weezen en nou vind ik ’m hier
terug als een aap. Praat niet tegen me,
mijn goeie man, maar maak gauw de kooi
open, dan kan ik den schurk even onderhanden
nemen. Ik zal hem die apenkunstjes
wel afleeren. Kom eruit, Jaap 1
Gauw! ’k Heb je vaak genoeg met zoo’n
smerige tronie gezien om je nou niet te
herkennen.”
„Maak geen ruzie, Geert,” zei de aapmensch,
„en laat mijn voet los. Ik zal
eruit komen.”
De verteller zweeg een oogenblik en
dronk zijn glas leeg.
„Moet ik u nog meer zeggen, heeren?
Moet ik u vertellen de verwoesting die
volgde en alle verdere onheilen ?
De bedrogen menigte ging als razenden
te keer. Het was een complete ruïne en
het had met Barnum slecht afgeloopen
als hij zijn kans niet schoon gezien had
cm zijn biezen te pakken. Aan mij liet
hij de droevige taak over de overblijfselen
van onze tent met merkwaardigheden
bij elkander te verzamelen. Ik was
verplicht hierbij de hulp der politie in te
roepen. Het was voor mij een droevige plicht, gelijk
aan de begrafenis van een dierbaren doode. En Barnum?
Wel, heeren, je zag hem daar opbrengen door zoo’n leelijken
smeris, omdat hij aan het hardloopen was op de „openbare”
straat in een „vrij” land. — Zoo gaat de glorie der wereld
voorbij!”
RUWE BOLSTER,
BLANKE PIT
ector Livius van Heemskerken, adjunct-commies
aan het Departement van Buitenlandsche
Zaken”, las barones Sweerts op
het sierlijk kaartje, dat juist was binnengebracht.
Die naam scheen allesbehalve
aangename herinneringen op te wekken bij
de oude dame : de rimpels in haar hoog voorhoofd werden
nog dieper dan gewoonlijk.
„Laat meneer binnen !” beval zij kort, en mompelde
dan in zichzelf: „Hector Livius! Dat moet de jongste
zoon zijn van Henry. Die komt natuurlijk een aanval doen
op m’n brandkast; maar dan is hij aan het verkeerde kantoor,
daar kan hij op rekenen I”
|