|
EEN BEKENTENIS IN HET DUISTER
HOE ER
meer te hopen
klok in de vestibule had
twee slagen geslagen. Het
was twee uur na middernacht.
Jeannet Nolting
dacht er evenwel nog niet
aan naar bed te gaan. Ze
zat nog steeds in de groote huiskamer
in een gemakkelijken stoel en staarde
naar het uitdoovende haardvuur. Haar
gedachten verwijlden in het verre verleden.
— „Jean !”
Ze sprong verschrikt op. Had ze het
gehoord ? Of had ze het gedroomd ?
Gedroomd dezen gesmoorden, weggestorven
uitroep? Slechts één menschelijk
wezen had haar ooit zoo genoemd en
dat was reeds twintig jaar geleden.
Op dit oogenblik werd het electrisch
licht plotseling uitgedraaid en uit het
duister klonk een bevelende, snijdende
stem haar in de ooren :
„Schreeuw niet! Je behoeft niet bang
te zijn ! Ik zweer je dat ik je niets
doen zal!”
Nu kwam Jeannette Nolting tot de
werkelijkheid terug. Ze had gedroomd,
natuurlijk gedroomd dat haar naam genoemd
werd. Ze was echter geen lafaard
en zij vreesde niets, omdat ze in
dit leven niets meer te verliezen had.
Haar dapperheid was de lijdelijkheid
van iemand die met het geluk heeft
afgedaan en in dit ondermaansche niets
heeft.
„Ik ben niet bang”, antwoordde ze kalm en wachtte.
Voor eenige oogenblikken werd de stilte slechts verbroken
door het zwakke gekletter van diamant op een gladde
oppervlakte.
„Je bent een dappere vrouw”, zei de inbreker eindelijk
met iets als bewondering in zijn stem.
Ze glimlachte treurig. Wat een dwaasheid te denken
dat deze geheimzinnige inbreker gevoelens en herinneringen
bij haar had opgewekt reeds jaren begraven. Ze
was werkelijk half aan ’t droomen, dacht ze.
„Ik ben niet voornemens je juweelen mee te nemen,”
hernam hij langzaam. „Als ik weg ben, zul je zien dat ze
er alle nog zijn.”
„Och, zoo ! zijn ze het meenemen niet waard?” vroeg ze
met eenigen spot in haar toon, die haar zelfs in dit oogenblik
niet verliet.
„Ze zijn vijftig duizend gulden waard,” antwoordde hij
rustig, „en dat beteekent niet weinig voor mij. Je moet
weten,” ging hij voort en zijn woorden waren niet vrij van
trots, „ik ben de man bekend als „Dick de Dandy.”
„O !” Een heldere lach kwam tot hem uit de duisternis.
„Dus ik heb de eer kennis te maken met den meest beruchten
inbreker in Europa; den man die beslag legt op de juweelen
van gravinnen, het geld van bankiers en de schatten van
prinsen ! En je bent hier in mijn kamer, .... Stil!”
De regelmatige stap van een politieagent klonk buiten
op het trottoir.
„Ik behoef slechts te roepen en je bent geknipt, nog wel
door een vrouw !”
„Ja, maar je zult het niet doen,” zei hij, op overtuigden
toon.
„Neen,” stemde ze toe, „ik denk het niet, maar ik behoor
het eigenlijk toch te doen.”
Er was een korte pauze.
„Je hebt zeker wel gehoord van Carlton, den Amerikaan;
den koning der millionnairs, zooalfc ze hem noemen. Welnu,
die ben ik.”
Een plotselinge schrik beving haar. Was zij hier alleen
met een gek. en niet met een inbreker, zooals ze aanvankelijk
dacht ?
„Neen, ik ben niet gek,” zei hij, als ’t ware instinctief haar
gedachten radende. „Wanneer ze denken dat ik in Amerika
ben, in Rusland of Italië, dan ben ik hier of in Parijs of
Weenen of overal waar wat van waarde te halen is.”
„’t Is gevaarlijk,” mompelde zij, niet wetende wat te
zeggen in zulke vreemdsoortige omstandigheden.
Hij lachte.
„Gevaarlijk ? Ik leef van en voor het gevaar. Het is voor
mij het levensap. Als dat zoo niet was, dan. . . dan was ik
morgen een achtbaar lid der samenleving.”
Ze luisterde, verward en droevig, en toch onweerstaanbaar
geboeid door zijn stem.
„Natuurlijk heb ik reeds dadelijk bemerkt,” zei ze eindelijk,
„dat u iemand van beschaving en opvoeding is. Maar
waarom doet u dan zulk afschuwelijk werk 1”
Zijn stem klonk opeens nederig.
„Mag ik u zeggen waarom !”
„Ja,” zei ze, „doe dat! Het zal zeker interessant zijn en
het is al zoo lang geleden dat ik mij voor iets interesseerde.”
„En je bent niet bevreesd?” vroeg hij.
„Je hebt mij je woord gegeven,” antwoordde ze rustig.
„Dank u !”
In de duisternis kon ze den blos niet zien, die het gelaat
van den man opeens bedekte.
Ze nam plaats in een crapaud aan het raam en een straal
van het maanlicht, zich baan brekende door een kier van een
der gordijnen, viel op haar zilvergrijs haar.
HULPVAARDIG NEDERLAND
IN GOUDA GEHOLPEN WORDT. — Groep van Belgische vluchtelingen
en Hollandsche helpers
De man naderde haar zeer dicht, bleef vlak voor haar
stilstaan en keek op haar neer. Toen zich opeens voorover
buigende raakte hij haar arm aan. Het was of een electrische
stroom hlar door het lichaam ging.
„Wie ben je !” vroeg ze. „Om ’s hemelswil zeg me wie
je bent ?”
Hij trad snel terug en wist met de grootste inspanning
zijn kalmte te hernemen. Eentonig en schijnbaar zonder
eenige emotie klonk toen zijn antwoord :
„Dick de Dandy, inbreker en Frans Carlton, millionnair.”
Er was weer een kleine pauze, toen begon hij te vertellen.
„Ik ben te laat geboren. Ik had eenige eeuwen vroeger ter
wereld moeten komen, in den tijd toen men durfde en leefde,
niet in dezen tijd, waarin alles wettelijk geregeld is, waarin
men slechts bestaat om zich te vervelen. Ik heb het bloed
van een mijner voorvaderen in mijn aderen, het bloed van
den rustelooze, wettelooze, van den man met ontembare
lusten. Van mijn kinderjaren af was ik een bandelooze, en
de bandeloosheid groeide met mij op. Ik kon nimmer wezen
zooals anderen waren, kon mij nimmer schikken naar de
eischen van het brave, doch gruwelijk vervelende maatschappelijke
leven. Uren lang kon ik zitten peinzen over een
leven vol emoties, over het bereizen van vreemde landen,
het bezoeken van onbeschaafde volkeren bijv.; doch zoo
iets was goed voor de rijken en ik was arm. Zoo gingen er
jaren voorbij en ik probeerde van alles en mijn rusteloosheid
werd grooter en grooter en toen ...”
„Ja?”
Ze leunde voorover, niet meer denkende aan het uur en de
omstandigheden. Aan niets denkende, niets hoorende dan de
rustige, eentonige stem, die zoo vertrouwelijk klonk en
haar zoo zonderling aandeed, de stem, die haar de kaleidoscoop
wilde geven van een ziel, hopeloos verongelukt
in een eeuw en een maatschappij waarin voor haar geen plaats
meer was.
„En toen — ontmoette ik een meisje en leerde haar liefkrijgen;
beminde haar zooals zulk een man bemint. En zij,
wel zij was een typisch hollandsch meisje en beminde mij
op haar typisch hollandsche wijze; rustig, zelfgenoegzaam
en rein. Zoo ontwaakte ik uit mijn droom, den droom van
een liefde die voor haar onmogelijk was, en zag de werkelijkheid
onder de oogen. Wij beiden waren arm en dat maakte
mij bevreesd. Niet de armoede zelf als wel de gevolgen der
armoede: de eentonige tredmolen, het smalle wegje dat men
iederen dag weer bewandelen moest; de gestadig loslatende
UIT AMSTERDAM. — Een groepje Belgische kinderen,
vriendelijk onthaald in Amsterdam.
en weer aantrekkende koorden van de
geordende maatschappij die ik haatte.
Eindelijk op een dollen avond, toen de
ondervonden emoties nog nabruisten in
mijn bloed, zag ik duidelijk en klaar
dat het onmogelijk was mij in te perken
: de vloek van mijn voorvader
was sterker dan mijn liefde en . . . ik
verliet haar. Ik was een oorspronkelijk
wezen, zij het product van een oveilijpe
civilisatie.”
Hij zweeg een oogenblik, en zij zat
stil, sprakeloos.
„Eindelijk werd ik inbreker, waarom
? Omdat dit beantwoordde aan de
beide sterkste neigingen in mijn natuur:
ongebondenheid en liefde voor het gevaar.
O, ik zal niet zeggen, dat dit de
beste weg was, maar het was de beste
op één na, en men moet er mee tevreden
zijn. Ik werd spoedig berucht
en gevreesd en twintig jaar lang heb
ik uitgedacht en helpen uitvoeren de
meest gewaagde diefstallen, die men
zich denken kon. De fortuin, die ze
mij aangebracht hebben, is mij onverschillig
maar — het gevaar, de emoties!
Wanneer ik Carlton ben, verveel ik mij
gruwelijk. Dat brengt mij er dan toe,
opnieuw plannen te ontwerpen. En het
einde ? Wel, ook hiervoor heb ik een
plan klaar !”
„En het meisje ?” vroeg de luisterende vrouw.
Er was weer een oogenblik stilte, toen zei hij langzaam
en aarzelend :
„Ik weet het niet! Je zult zeggen dat het laf was haar
te verlaten, maar door te blijven had ik ongetwijfeld haar
hart gebroken. En zij was jong. Ik hoop, ik heb steeds
gehoopt, dat zij mij zou leeren vergeten. Gij zijt een vrouw
— gelooft ge dat ze heeft kunnen vergeten ?”
„Bid dat ze het heeft kunnen doen,” zei Jeannette
zacht. „Vele vrouwen vergeten niet .... gemakkelijk!
Ik zou je de geschiedenis kunnen vertellen van een vrouw,
die ijverig gepoogd heeft te vergeten — twintig jaar lang,
maar het is haar niet gelukt.”
„Vertel ’t mij !” fluisterde hij gretig.
De warme belangstelling in zijn toon moest haar getroffen
hebben, als zij niet te veel verzonken was geweest
in gedachten aan lang verdwenen tijden.
„Ook hij had een dubbelen vloek : armoede en eerzucht,
daarom verliet hij haar .... een week later kreeg ze een
groote erfenis, maar toen was het te laat. Hij was heengegaan,
waarom en waarheen heeft zij nimmer vernomen.”
„En het slot?” vroeg hij nederig.
„Er is geen slot. Zij bemint hem nog steeds, dat is alles !”
De man keerde zich om en liep met onvaste schreden
naar de deur.
„Leef wel,” mompelde hij. „Uw juweelen liggen daar!”
Door een onweerstaanbare macht gedrongen stond zij
op en volgde hem in de duisternis.
Toen hij de buitendeur reeds geopend had, wendde hij
zich om, greep impulsief haar hand en drukte er een hartstochtelijken
kus op. Op ditzelfde moment viel een straal
van het bleeke maanlicht op zijn gelaat!
„Karei!”
Hij liet haar hand los en vlood de straat op.
„Te laat!” kreunde hij. „Vaarwel, lieve Jean, vaarwel!”
„Kom terug, kom terug!” snikte zij, haar armen naar
hem uitstrekkende.
„Ik kan niet!”
Als een wanhoopskreet klonken die woorden haar in
de ooren, terwijl hij haastig wegvluchtte.
En zij begreep. Hij was teruggegaan tot zijn leven, zij
moest het hare leven.
DE AAPMENSCH
EEN SCHETS UIT DEN KERMISTIJD
|a, ja, Bamum was een groot man,” zei de
kermisgast tegen mij. Hij was armoedig gekleed
in een afgedragen jas met astrakan
kraag en mouwomslagen, doch had de allures
van een heer.
„Hij was wel de grootste manager ter wereld
en ik geloof dat hij het nog zou zijn als hij geen tegenspoed
had gehad. Hij was voor het vak geboren. Wie herinnert
zich niet zijn Siameesche tweelingen. En dan het kind met
de drie hoofden! Alleen Bamum kon het klaarspelen om
drie kinderen te vinden, die zoolang stijf tegen elkander
zaten zonder ruzie te maken.
Hij was ook de eerste die hier in het land de dame met
den leeuwenkop vertoonde. Dat was een prachtnummer en
voordeelig ook; doch het duurde net zoo lang tot de dame ’t
in haar hoofd kreeg om met Bamum te willen trouwen.
Dat was een lam geval, want hij was al tweemaal getrouwd
geweest en had reden te gelooven dat zijn tweede vrouw nog
leefde.
|