Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1146 tot 1150 van 11897
Nummer
1914, nr.20, 6 nov. 1914
Blad
05
Tekst
DUITSCHLAND, OOSTENRIJK-HONGARIJE, TURKIJE DE DUITSCHE KROONPRINS te velde temidden van zijn officieren (op de foto de tweede van rechts met de sigaret in den mond). GENERAAL VON KLUCK, zittend in zijn auto, houdt besprekingen met zijn staf. PRINS RUPPRECHT VAN BEIEREN, (met de TURKSCHE TROEPEN IN HUN NIEUW UNIFORM PRINS ALBERT VON WURTEMBERG, omgeslagen jaspanden), temidden van zijn staf. * te velde (de forsche figuur op den voorgrond). OOSTENRIJKSCHE CAVALERIE TREKT DOOR EEN DORP IN GALICIË. DE OOSTENRIJ KSCHE CADETTEN, die na hun beëediging een „Hoch” op hun Keizer uitbrengen.
PDF
Nummer
1914, nr.20, 6 nov. 1914
Blad
06
Tekst
EEN BEKENTENIS IN HET DUISTER HOE ER meer te hopen klok in de vestibule had twee slagen geslagen. Het was twee uur na middernacht. Jeannet Nolting dacht er evenwel nog niet aan naar bed te gaan. Ze zat nog steeds in de groote huiskamer in een gemakkelijken stoel en staarde naar het uitdoovende haardvuur. Haar gedachten verwijlden in het verre verleden. — „Jean !” Ze sprong verschrikt op. Had ze het gehoord ? Of had ze het gedroomd ? Gedroomd dezen gesmoorden, weggestorven uitroep? Slechts één menschelijk wezen had haar ooit zoo genoemd en dat was reeds twintig jaar geleden. Op dit oogenblik werd het electrisch licht plotseling uitgedraaid en uit het duister klonk een bevelende, snijdende stem haar in de ooren : „Schreeuw niet! Je behoeft niet bang te zijn ! Ik zweer je dat ik je niets doen zal!” Nu kwam Jeannette Nolting tot de werkelijkheid terug. Ze had gedroomd, natuurlijk gedroomd dat haar naam genoemd werd. Ze was echter geen lafaard en zij vreesde niets, omdat ze in dit leven niets meer te verliezen had. Haar dapperheid was de lijdelijkheid van iemand die met het geluk heeft afgedaan en in dit ondermaansche niets heeft. „Ik ben niet bang”, antwoordde ze kalm en wachtte. Voor eenige oogenblikken werd de stilte slechts verbroken door het zwakke gekletter van diamant op een gladde oppervlakte. „Je bent een dappere vrouw”, zei de inbreker eindelijk met iets als bewondering in zijn stem. Ze glimlachte treurig. Wat een dwaasheid te denken dat deze geheimzinnige inbreker gevoelens en herinneringen bij haar had opgewekt reeds jaren begraven. Ze was werkelijk half aan ’t droomen, dacht ze. „Ik ben niet voornemens je juweelen mee te nemen,” hernam hij langzaam. „Als ik weg ben, zul je zien dat ze er alle nog zijn.” „Och, zoo ! zijn ze het meenemen niet waard?” vroeg ze met eenigen spot in haar toon, die haar zelfs in dit oogenblik niet verliet. „Ze zijn vijftig duizend gulden waard,” antwoordde hij rustig, „en dat beteekent niet weinig voor mij. Je moet weten,” ging hij voort en zijn woorden waren niet vrij van trots, „ik ben de man bekend als „Dick de Dandy.” „O !” Een heldere lach kwam tot hem uit de duisternis. „Dus ik heb de eer kennis te maken met den meest beruchten inbreker in Europa; den man die beslag legt op de juweelen van gravinnen, het geld van bankiers en de schatten van prinsen ! En je bent hier in mijn kamer, .... Stil!” De regelmatige stap van een politieagent klonk buiten op het trottoir. „Ik behoef slechts te roepen en je bent geknipt, nog wel door een vrouw !” „Ja, maar je zult het niet doen,” zei hij, op overtuigden toon. „Neen,” stemde ze toe, „ik denk het niet, maar ik behoor het eigenlijk toch te doen.” Er was een korte pauze. „Je hebt zeker wel gehoord van Carlton, den Amerikaan; den koning der millionnairs, zooalfc ze hem noemen. Welnu, die ben ik.” Een plotselinge schrik beving haar. Was zij hier alleen met een gek. en niet met een inbreker, zooals ze aanvankelijk dacht ? „Neen, ik ben niet gek,” zei hij, als ’t ware instinctief haar gedachten radende. „Wanneer ze denken dat ik in Amerika ben, in Rusland of Italië, dan ben ik hier of in Parijs of Weenen of overal waar wat van waarde te halen is.” „’t Is gevaarlijk,” mompelde zij, niet wetende wat te zeggen in zulke vreemdsoortige omstandigheden. Hij lachte. „Gevaarlijk ? Ik leef van en voor het gevaar. Het is voor mij het levensap. Als dat zoo niet was, dan. . . dan was ik morgen een achtbaar lid der samenleving.” Ze luisterde, verward en droevig, en toch onweerstaanbaar geboeid door zijn stem. „Natuurlijk heb ik reeds dadelijk bemerkt,” zei ze eindelijk, „dat u iemand van beschaving en opvoeding is. Maar waarom doet u dan zulk afschuwelijk werk 1” Zijn stem klonk opeens nederig. „Mag ik u zeggen waarom !” „Ja,” zei ze, „doe dat! Het zal zeker interessant zijn en het is al zoo lang geleden dat ik mij voor iets interesseerde.” „En je bent niet bevreesd?” vroeg hij. „Je hebt mij je woord gegeven,” antwoordde ze rustig. „Dank u !” In de duisternis kon ze den blos niet zien, die het gelaat van den man opeens bedekte. Ze nam plaats in een crapaud aan het raam en een straal van het maanlicht, zich baan brekende door een kier van een der gordijnen, viel op haar zilvergrijs haar. HULPVAARDIG NEDERLAND IN GOUDA GEHOLPEN WORDT. — Groep van Belgische vluchtelingen en Hollandsche helpers De man naderde haar zeer dicht, bleef vlak voor haar stilstaan en keek op haar neer. Toen zich opeens voorover buigende raakte hij haar arm aan. Het was of een electrische stroom hlar door het lichaam ging. „Wie ben je !” vroeg ze. „Om ’s hemelswil zeg me wie je bent ?” Hij trad snel terug en wist met de grootste inspanning zijn kalmte te hernemen. Eentonig en schijnbaar zonder eenige emotie klonk toen zijn antwoord : „Dick de Dandy, inbreker en Frans Carlton, millionnair.” Er was weer een kleine pauze, toen begon hij te vertellen. „Ik ben te laat geboren. Ik had eenige eeuwen vroeger ter wereld moeten komen, in den tijd toen men durfde en leefde, niet in dezen tijd, waarin alles wettelijk geregeld is, waarin men slechts bestaat om zich te vervelen. Ik heb het bloed van een mijner voorvaderen in mijn aderen, het bloed van den rustelooze, wettelooze, van den man met ontembare lusten. Van mijn kinderjaren af was ik een bandelooze, en de bandeloosheid groeide met mij op. Ik kon nimmer wezen zooals anderen waren, kon mij nimmer schikken naar de eischen van het brave, doch gruwelijk vervelende maatschappelijke leven. Uren lang kon ik zitten peinzen over een leven vol emoties, over het bereizen van vreemde landen, het bezoeken van onbeschaafde volkeren bijv.; doch zoo iets was goed voor de rijken en ik was arm. Zoo gingen er jaren voorbij en ik probeerde van alles en mijn rusteloosheid werd grooter en grooter en toen ...” „Ja?” Ze leunde voorover, niet meer denkende aan het uur en de omstandigheden. Aan niets denkende, niets hoorende dan de rustige, eentonige stem, die zoo vertrouwelijk klonk en haar zoo zonderling aandeed, de stem, die haar de kaleidoscoop wilde geven van een ziel, hopeloos verongelukt in een eeuw en een maatschappij waarin voor haar geen plaats meer was. „En toen — ontmoette ik een meisje en leerde haar liefkrijgen; beminde haar zooals zulk een man bemint. En zij, wel zij was een typisch hollandsch meisje en beminde mij op haar typisch hollandsche wijze; rustig, zelfgenoegzaam en rein. Zoo ontwaakte ik uit mijn droom, den droom van een liefde die voor haar onmogelijk was, en zag de werkelijkheid onder de oogen. Wij beiden waren arm en dat maakte mij bevreesd. Niet de armoede zelf als wel de gevolgen der armoede: de eentonige tredmolen, het smalle wegje dat men iederen dag weer bewandelen moest; de gestadig loslatende UIT AMSTERDAM. — Een groepje Belgische kinderen, vriendelijk onthaald in Amsterdam. en weer aantrekkende koorden van de geordende maatschappij die ik haatte. Eindelijk op een dollen avond, toen de ondervonden emoties nog nabruisten in mijn bloed, zag ik duidelijk en klaar dat het onmogelijk was mij in te perken : de vloek van mijn voorvader was sterker dan mijn liefde en . . . ik verliet haar. Ik was een oorspronkelijk wezen, zij het product van een oveilijpe civilisatie.” Hij zweeg een oogenblik, en zij zat stil, sprakeloos. „Eindelijk werd ik inbreker, waarom ? Omdat dit beantwoordde aan de beide sterkste neigingen in mijn natuur: ongebondenheid en liefde voor het gevaar. O, ik zal niet zeggen, dat dit de beste weg was, maar het was de beste op één na, en men moet er mee tevreden zijn. Ik werd spoedig berucht en gevreesd en twintig jaar lang heb ik uitgedacht en helpen uitvoeren de meest gewaagde diefstallen, die men zich denken kon. De fortuin, die ze mij aangebracht hebben, is mij onverschillig maar — het gevaar, de emoties! Wanneer ik Carlton ben, verveel ik mij gruwelijk. Dat brengt mij er dan toe, opnieuw plannen te ontwerpen. En het einde ? Wel, ook hiervoor heb ik een plan klaar !” „En het meisje ?” vroeg de luisterende vrouw. Er was weer een oogenblik stilte, toen zei hij langzaam en aarzelend : „Ik weet het niet! Je zult zeggen dat het laf was haar te verlaten, maar door te blijven had ik ongetwijfeld haar hart gebroken. En zij was jong. Ik hoop, ik heb steeds gehoopt, dat zij mij zou leeren vergeten. Gij zijt een vrouw — gelooft ge dat ze heeft kunnen vergeten ?” „Bid dat ze het heeft kunnen doen,” zei Jeannette zacht. „Vele vrouwen vergeten niet .... gemakkelijk! Ik zou je de geschiedenis kunnen vertellen van een vrouw, die ijverig gepoogd heeft te vergeten — twintig jaar lang, maar het is haar niet gelukt.” „Vertel ’t mij !” fluisterde hij gretig. De warme belangstelling in zijn toon moest haar getroffen hebben, als zij niet te veel verzonken was geweest in gedachten aan lang verdwenen tijden. „Ook hij had een dubbelen vloek : armoede en eerzucht, daarom verliet hij haar .... een week later kreeg ze een groote erfenis, maar toen was het te laat. Hij was heengegaan, waarom en waarheen heeft zij nimmer vernomen.” „En het slot?” vroeg hij nederig. „Er is geen slot. Zij bemint hem nog steeds, dat is alles !” De man keerde zich om en liep met onvaste schreden naar de deur. „Leef wel,” mompelde hij. „Uw juweelen liggen daar!” Door een onweerstaanbare macht gedrongen stond zij op en volgde hem in de duisternis. Toen hij de buitendeur reeds geopend had, wendde hij zich om, greep impulsief haar hand en drukte er een hartstochtelijken kus op. Op ditzelfde moment viel een straal van het bleeke maanlicht op zijn gelaat! „Karei!” Hij liet haar hand los en vlood de straat op. „Te laat!” kreunde hij. „Vaarwel, lieve Jean, vaarwel!” „Kom terug, kom terug!” snikte zij, haar armen naar hem uitstrekkende. „Ik kan niet!” Als een wanhoopskreet klonken die woorden haar in de ooren, terwijl hij haastig wegvluchtte. En zij begreep. Hij was teruggegaan tot zijn leven, zij moest het hare leven. DE AAPMENSCH EEN SCHETS UIT DEN KERMISTIJD |a, ja, Bamum was een groot man,” zei de kermisgast tegen mij. Hij was armoedig gekleed in een afgedragen jas met astrakan kraag en mouwomslagen, doch had de allures van een heer. „Hij was wel de grootste manager ter wereld en ik geloof dat hij het nog zou zijn als hij geen tegenspoed had gehad. Hij was voor het vak geboren. Wie herinnert zich niet zijn Siameesche tweelingen. En dan het kind met de drie hoofden! Alleen Bamum kon het klaarspelen om drie kinderen te vinden, die zoolang stijf tegen elkander zaten zonder ruzie te maken. Hij was ook de eerste die hier in het land de dame met den leeuwenkop vertoonde. Dat was een prachtnummer en voordeelig ook; doch het duurde net zoo lang tot de dame ’t in haar hoofd kreeg om met Bamum te willen trouwen. Dat was een lam geval, want hij was al tweemaal getrouwd geweest en had reden te gelooven dat zijn tweede vrouw nog leefde.
PDF
Nummer
1914, nr.20, 6 nov. 1914
Blad
07
Tekst
Ze vroeg hem even voordat de voorstelling zou beginnen ; ik was erbij. En toen hij haar vertelde dat hij meende dat zijn vrouw nog leefde, wierp ze hem de manen in het gezicht, en toen we haar smeekten ze weer om te doen, en Barnum haar zelfs dubbele gage bood, weigerde ze het dien avond op te treden, hoewel we dat nog al extra geadverteerd hadden. We moesten dus de entrée’s terugbetalen. Den vol- H genden morgen was ze verdwenen en had ze en passant mijn horloge meegenomen. Ik was natuurlijk woedend, temeer omdat Barnum er geen politie bij wilde halen. Ik zei hem dat ze beter af was met mijn horloge, dan wanneer ze hem genomen had. Ja, ik geloof dat het vertrek van de dame met den leeuwenkop voor Barnum een groot verlies was. Toch had hij verstandig gedaan door haar huwelijksaanzoek af te wijzen, niet alleen omdat zijn tweede vrouw nog leefde, maar vooral omdat nummer drie zoo’n vreeselijken mond kon opzetten. Ze was zoo gewend om te brullen, dat dit haar tot een tweede natuur geworden was. Stel je voor dat ze thuis .ook zoo brulde, en — stel je voor, heeren, dat hun huwelijk gezegend was geworden met een half dozijn ,,olijftakken”, zooals de Psalmist zegt, en dat die dat brullen hadden overgeërfd ? Een financieel buitenkansje zul je zeggen, ja, maar ongenietbaar. Hoe ’t zij, het verlies van de leeuwindame was een ramp voor Barnum en hij deed dan ook alle moeite om haar terug te krijgen. Hij plaatste advertenties in de dagbladen, maar ’t hielp niemendal. Barnum was er evenwel de man niet naar om lang in verlegenheid te zitten. Volstrekt niet! Een paar weken later kwam hij dan ook bij me in een bijzonder opgewekte stemming en vertelde mij dat hij een nieuw reclame-nummer had opgeduikeld. „Wat?” vroeg ik. „Een wilde 1” zei hij. „Waar vandaan ?” „Van Borneo !” „Van Borneo ?” riep ik schamper uit. „Borneo ? Er zijn geen wilden meer op Borneo !” „En ik zeg je van wel,” antwoordde hij geraakt. „Ik heb een echte wilde, ’n aapmenschl De beroemde „Missing Link” 1 Het is een pracht van een mensch-beest, dat nog nimmer is vertoond !” „Zoo, en waar is dat prachtexemplaar gevonden ?” „Hij behoort tot den stam der Goollolywashigarri’s, die in de onontdekte binnenlanden van Borneo leven.” „Hm !” zei ik. „Ik geloof dat je voor je „Missing Link” wel een andere geboorteplaats had mogen opzoeken !” „Ik kan de wereldkaart toch niet veranderen,” antwoordde hij nederig. Den volgenden dag werd door strooibiljetten het Een DR. VAN DER GOOT AAN ’T WERK. door een granaatscherf verwonde Belgische vluchteling wordt in het noodhospitaal voor Belgische vluchtelingen te Bergen op Zoom verbonden. DE HILDEBRAND-TENTOONSTELLING. Vooraan op de foto het met den tweeden prijs bekroonde ontwerp. Hoe er geholpen werd volgende bekend gemaakt; „Barnum is er met groote moeite en kosten in geslaagd zich te verzekeren van den lang gezochten „Missing Link”, de ontbrekende Schakel in Darwin’s stelsel. Hedenavond zal namelijk worden vertoond de aapmensch van Goollolywashigarri. Gaat hem zien l” Dat had succes 1 Twee uur voor de voorstelling stond er al een dichte menschenmassa te wachten voor de tent en keek nieuwsgierig naar de toebereidselen die gemaakt werden om het monster te gaan halen. Barnum kwam naar buiten en vroeg op een toon voor iedereen verstaanbaar aan een paar van zijn mannen of de kooi wel goed verzekerd was. Dadelijk werd hem van alle kanten gevraagd of er gevaar bij was, doch hij stelde het publiek gerust op een toon, die de nieuwsgierigheid nog vermeerderde. Om ongeveer acht uur arriveerde een groote leeuwenkooi, geheel met luiken gesloten en getrokken door drie paarden. De kooi was rood geschilderd en op de vier zijden stond met witte letters te lezen : „Barnum’s beroemde Missing Link — Het grootste wonder der wereld — Het meest ontembare menschelijke wezen — De verwantschap tusschen mensch en aap onmiskenbaar. Dat gaf me ’n sensatie, heeren. Kolossaal. En toen de wagen naar de achterzijde der tent werd gebracht, drong een groote menigte er omheen en trachtte door de reten van het hout naar binnen te gluren. Een jongen van een jaar of tien klom op de wielen en probeerde van bovenaf in de kooi te kijken, doch plotseling kwam er een groote harige hand te voorschijn en greep hem bij een zijner ooren, zoodat hij van schrik en pijn het uitgilde. Barnum kwam haastig aangeloopen met een langen ijzeren staaf en sloeg daarmee naar die harige hand, totdat deze den jongen losliet. Natuurlijk schold bij den jongen uit voor een ondeugenden kwajongen, maar ik wist dat hij inwendig blij was om het effect dat dit op de toeschouwers gemaakt had. Ik behoef u natuurlijk niet te zeggen, heeren, dat de „Missing Link” het onderwerp was van ieders gesprek in de stad. Barnum was bijzonder in zijn nopjes en stelde zich voor er een aardige winst uit te slaan. Laat in den avond van dienzelfden dag ontsnapte de aapmensch uit Barnums wereldberoemde tent en vluchtte naar het nabijgelegen bosch. Als een loopend vuurtje verspreidde zich het nieuws door de stad en de meeste menschen, vooral de vrouwen, vluchtten angstig de huizen in. Barnum organiseerde een jachtpartij en begaf zich hiermee naar het woud, gevolgd door tal van mannelijke ingezetenen, die de gevangenneming van dit zeldzame natuurproduct wilden bijwonen. (Wordt verv.) DE HAAGSCHE BOBBIES. De Haagsche agenten kregen een nieuw hoofddeksel dat groote overeenkomst vertoont met dat van hun Londensche collega’s. Gaarne geven wij onderstaand schrijven een plaats in ons blad; het typeert hoe er in Nederland met hart en ziel gewerkt werd. f’aarne voldoe ik aan uw tot mij gericht verzoek om enkele ” mededeelingen over de werkzaamheden onder de jeugdige Belgische vluchtelingen in uw geacht blad te publiceeren. Met groote voldoening kan ik U mededeelen, dat de door U in twee nummers gepubliceerde foto’s van kinderen, die zelve of wier familiebetrekkingen onbekend waren, veel hebben bijgedragen tot het terugvinden dier betrekkingen. Een van de vluchtelingetjes, een jongen van elf jaar, raakte reeds zijn ouders kwijt bij het verlaten van Antwerpen. Hij is toen alleen verder gevlucht en kwam op Hollandschen bodem in handen van het R.-K. Huisvestingscomité. Na hier eenige weken bij particulieren te hebben vertoefd, werd zijn portret in Panorama geplaatst met het gevolg, dat zijn naar Groningen gevluchte ouders hem vonden en hij naar zijn familie teruggebracht kon worden. Een andere kleine vluchteling, die onbeheerd bij een boer op de Belgisch-Ned. grens was terecht gekomen, werd eveneens door ons comité opgehaald. Het was een nog zeer jong kereltje, dat niet eens zijn juisten naam wist. Ook zijn portret werd door de bekenden van het kinderhuis, waarin hij te Antwerpen vertoefde en welks bewoners eveneens naar Holland gevlucht waren, herkend. Met groote vreugde werd hij wederom in den kring zijner zestig „broertjes en zusjes” opgenomen en allen gingen vol goeden moed naar Antwerpen terug. Een der eerste vluchtelingetjes, die reeds voor meer dan vier weken in ons land kwam, werd door middel van uw blad gevonden door een zuster zijner moeder. Ook hij is naar zijn vaderland teruggekeerd en zal waarschijnlijk nu reeds zijn te Ostende vertoevende ouders hebben teruggevonden. Dit zijn slechts enkele gevallen, die bewijzen met hoe groot succes uw denkbeeld, het publiceeren der foto’s van zoekgeraakte kinkeren, bekroond werd. ANNA KELLENAERS-DAMERAU, Vice-pres. van het R.-K. Huisvestingscomité. Leiden, 3 Nov. ’14. DE BELGEN IN LONDEN, Zr-oals in een der vorige nummers in den Londenschen brief stond trachten de Engelsche bladen door artikels in het Fransch of Vlaamsch den velen Belgischen vluchtelingen in Londen van dienst ' te ziin.
PDF
Nummer
1914, nr.20, 6 nov. 1914
Blad
08
Tekst
UIT WEST-VLAANDEREN Een Belgische colonne, welke Duitsche krijgsgevangenen begeleidt. De troep passeert een Belgisch vaandel, een der krijgsgevangene officieren salueert hiervoor. BELGISCHE ARTILLERIE. IN DEN HEVIGEN STRIJD. Belgische artillerie met haar geschut in stelling; naast het kanon de caissons met granaten. DE AUSTRALISCHE TROEPEN. Belgische soldaten, wier uniformen grijs van de modder zien, gaan opnieuw naar de gevechtslinie. INSTRUCTIE IN HET ENGELSCHE LEGER. Ook uit Australië, 'evenals uit Canada, kreeg het Engelsche leger in Europa belangrijke versterking. Den Engelschen recruten wordt op een typische wijze het paardrijden geleerd door middel van beweegbare bokken. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN
PDF
Nummer
1914, nr.20, 11 nov. 1914
Blad
09
Tekst
TERUG VAN HET FRONT. EEN GEWONDE BELGISCHE SOLDAAT WORDT DOOR ZON MAKKERS ONDERSTEUND.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1146 tot 1150 van 11897