|
PANORAMA
DE ,,GOEBEN’’.
De Duitsche kruiser „Goeben”, welke met de „Breslau” (in ons vorig nummer afgebeeld),
aan Turkije werd verkocht en thans een werkzaam aandeel in den strijd van Zuid-Oostelijk
Europa neemt.
Terwijl zij zoo haar gedachten liet gaan, kwam het voorwerp
dier bittere overpeinzingen binnen : een flink gebouwd,
knap jonkman van zoo’n vijf, zes en twintig jaar.
Eerbiedig, merkbaar bedeesd kuste hij haar de hand.
„Wees welkom 1” zei ze koeltjes. ,,Je bent hier zeker
gelogeerd ?”
„Pardon, tante, ik ben al meer dan twee jaar werkzaam
aan Buitenlandsche Zaken !”
„Dan heb je wel wat veel tijd noodig gehad om den weg
naar je tante te vinden ! Niet dat ik je dat kwalijk neem,
o neen ! Bij je thuis zullen ze mij wel zoo goed afgebeeld
hebben, dat je je niet dan bij hoogen nood in het hol van
den leeuw zoudt wagen. Voor den dag er dus mee! Hoeveel
heb je noodig?”
„Maar tante, ik kom heelemaal niet om geld 1” luidde
het verbaasde antwoord.
„Dus iets nog ernstigers dreef je hierheen ?”
Even weifelde de jonkman, toen evenwel vastberaden
zei hij :
„Ik heb u vroeger maar eenmaal gezien, tante, al lang
geleden, ’k was een jongske nog, van een jaar of zes, maar
toch herinner ik me nog heel goed, hoe u me toen liefkoozend
over m’n haar streek, en ’k heb altijd aangename
herinneringen aan u behouden. Dat ik niet vroeger bij u
kwam, was een gevolg van de omstandigheid, dat ....
nu ja, dat m’n ouders me ronduit verboden u te bezoeken.”
„En thans stoor je je niet aan dat verbod ?”
„Erger nog, ik sta op het punt heelemaal met m’n familie
te breken en ik kom hier, om een beroep te doen op
uw hart, niet voor me zelf, maar voor het meisje, dat ik
liefheb . . . .”
„Ah, een roman 1” sneed zij hem den pas af, om er dan
zoo ironisch mogelijk op te laten volgen : „Ik vrees, m’n
waarde, dat je dan al aan een heel verkeerd adres bent.
Heeft men je dan thuis niet verteld, dat ik geen hart heb ?”
„Best mogelijk, maar dat geloof ik niet, want niet alleen
om lief te hebben maar ook om te haten moet men een
hart hebben 1”
„Wat weet jij daarvan ?” viel de barones ruw uit. „Wat
hebben ze je van me gezegd ? Leugens en verdachtmakingen
natuurlijk !”
„Neen, tante 1 Ik weet alleen, dat u in uw jeugd een
ongelukkige liefde hebt gehad, die u verbitterde en tot
een menschenhater maakte.”
„Een ongelukkige liefde 1” hoonde ze. „Een prachtige
benaming voor den schurkenstreek, dien de broer van jouw
vader tegenover mij uithaalde, ’k Had toentertijd geen
vermogen — m’n vader had ongelukkig gespeculeerd —
maar ik ging algemeen door voor een aardige verschijning
en was daarom net goed genoeg om als speeltuig te dienen
van de luimen van jouw oom. Hij misbruikte schandelijk
mijn vertrouwen, want op zekeren dag deelde hij me zijn
engagement met een schatrijk meisje mee. — Op dien
dag nu is mijn hart versteend en ben ik een menschenhater
geworden.”
„Van dat alles was mij tot op dit moment niet het minste
bekend, tante ! Men had mij alleen verteld, dat u door
een ongelukkige liefde veel had geleden en juist daarom
kwam ik bij u steun zoeken.”
Peinzend keek zij een oogenblik voor zich uit. De warme,
vertrouwensvolle toon van den jongeman had haar getroffen,
maar dat wilde ze hem in geen geval laten merken.
„Wat is het voor een meisje, die uitverkorene van je?”
vroeg ze geheel uit de hoogte.
„Een wees, tante, de dochter van een armen onderwijzer.”
„Dan begrijp ik best, dat je ouders zich daartegen verzetten.
Maar hoe kom je nu ook aan zulke kennissen ?”
„Ik ontmoette Jo meermalen bij een collega van me.”
„En ben je nu inderdaad besloten, ter wille van dat
meisje met je familie te breken, terwijl je toch maar al te
goed weet, wat dat voor je zeggen wil ?” informeerde ze
dan nadrukkelijk.
„Wanneer ze mij thuis dwingen willen van haar af te
zien, — ja ! Maar ik hoopte bij u steun te vinden, moreelen
steun wel te verstaan, in den strijd tegen de onbillijke vooroordeelen
van m’n ouders,” kwam het haast smeekend
van zijn lippen.
„Als je gehoopt hebt, dat ik mij er toe zou leenen om je
ouders tot andere gedachten te brengen, moet ik je bitter
teleurstellen. Daar denk ik in de verste verte niet aan,
maar .... eh . . . . weet je liefje, dat je bij mij zou aankloppen
?”
„Neen, tante ! ’k Heb haar niets daarvan gezegd !”
„Des te beter ! Beloof me met geen woord van ons onderhoud
te reppen en geef me haar adres eens. Misschien, heel
misschien, dat ik dan eens op informatie uitga. Stel je
er echter maar niets van voor, want het moet heusch al
heel raar loopen, als ik in deze kwestie partij kies tegen
je ouders 1”
Enkele dagen later werd er op een achtermiddag aan
de deur geklopt van het eenvoudige kamertje, dat Johanna
Nieuwerkerken bewoonde. Het meisje meende van schrik
te zullen sterven, toen op haar „binnen !” eensklaps Hectors
tante voor haar stond, en ze was dan ook absoluut niet
bij machte te vragen, wat haar de eer verschafte van zulk
voornaam bezoek, ’t Was echter niet noodig ook !
„Ik ben de tante van meneer Hector Livius van Heemskerken,”
begon de barones .... en ik denk, dat u wel
ongeveer de reden van mijn komst zult vermoeden. U hebt
liefdesbetrekkingen met mijn neef aangeknoopt en stelt
u voor met hem te trouwen, nietwaar?”
Ineens was Johanna’s ontsteltenis geweken. De harde,
bijna brutale toon, waarmee die vraag gesteld werd, stuitte
haar tegen de borst, en vastberaden keek zij haar tegenstandster
vlak in het gezicht, toen ze antwoordde : „Hector
en ik zullen een paar worden, zoodra zijn positie het zal
toelaten, mevrouw 1”
„U denkt natuurlijk, dat dat zóó maar gaat, hé ? Het
groote verschil in stand tusschen u beiden acht u zeker
heelemaal geen bezwaar ?”
„Dat verschil bestond toch reeds, toen uw neef met mij
in kennis kwam,” antwoordde zij bits. „Toen reeds heb ik
hem mijne omstandigheden blootgelegd !”
„Dat neem ik gaarne aan, zoo openhartig en eerlijk
beschouw ik u wel, maar hebt u er wel eens ernstig over
nagedacht, wat het zeggen wil, dat mijn neef door zoo’n
huwelijk ver beneden zijn stand in onmin geraakt met z’n
familie? Hebt u wel zekerheid, dat Hectors liefde sterk
genoeg is om dat te dragen ? In boeken en op het tooneel
mogen de menschen spreken van eeuwige liefde en trouw,
in het werkelijke leven is het zoo geheel anders, zijn het
MR. A. S. OPPENHEIM,
benoemd tot buitengewoon Hoogleeraar aan de Universiteit
te -Leiden.
DE „EMDEN”.
Wij zijn erin geslaagd van dezen Duitschen kruiser, welke door zijn onverschrokken optreden,
zooveel van zich deed hooren, een foto te krijgen. De kruiser is voorgesteld, liggend in de
haven van Wilhelmshafen.
maar al te vaak woorden, niets dan woorden. U kent wel
het oude gezegde : Als de armoede de deur binnensluipt,
vliegt de liefde het venster uit, nietwaar ? Zal dat ook
niet bij jullie het geval worden als Hector doordrijft ?
Zijn ouders zullen hem onterven, van mij heeft hij geen
cent te verwachten, zijn salaris is bij lange na niet toereikend,
om zich te blijven omgeven met de luxe, waaraan
hij gewoon is, hij zal zich arm beginnen te gevoelen, zoodra
de liefderoes voorbij is, en dan ? Dan zal het oogenblik
komen, waarop hij zal inzien, dat u hem in het ongeluk
hebt gestort, hij zal u dat verwijt voor de voeten gooien
en u beider jonge leven zal verwoest zijn. Aarzelt gij dan
niet zulk een zware verantwoordelijkheid willens en wetens
op u te nemen ?”
Een pijnlijke stilte volgde. De barones zat met een zegevierend
gelaat de uitwerking van haar bittere woorden
gade te slaan. Johanna kon zich niet meer goed houden
en brak in een krampachtig snikken uit.
„Maar, mijn God, wat wilt u dan toch van me ? Wat
moet ik dan doen om Hector voor dat ongeluk te bewaren
?” bracht ze er eindelijk met moeite uit.
„Voor goed uit zijn oogen verdwijnen 1” klonk het harde
antwoord.
Lang streed het zwaarbeproefde meisje een harden
tweestrijd, maar tenslotte zegevierde haar groote innige
liefde voor den jonkman. Als zij hèm daarmee voor het
ongeluk kon bewaren, zou ze zich zelf opofferen en elders,
waar hij haar niet kon vinden, haar dan ellendig bestaan
voortsleepen.
„Het zij zoo 1” fluisterde zij. „Om zijnentwille zal ik
gaan, heden nog, zonder hem meer ontmoet te hebben 1”
„Flink zoo I ’k Had het ook geen oogenblik anders van
u verwacht, prees de barones. Schrijf dus nog gauw even
een afscheidsbriefje, opdat Hector weet, dat gij voor zijn
bestwil dit besluit hebt genomen, en dan direct de reis
aanvaard. Laat de rest maar aan mij over I”
En Johanna, geheel in haar macht, greep werktuigelijk
naar de pen en begon :
„Liefste Hector,
Als je dit schrijven in handen krijgt, zal ik reeds ver
weg zijn. Doe geen moeite mij te vinden want het is voor
je eigen bestwil, dat wij voor altijd scheiden. Ik weet, dat
jij zou doorzetten en mij tot je vrouw maken, maar ik weet
ook, dat dat je ongeluk . . . .”
Een heftig openen van de deur deed haar opschrikken
en op het alleronverwachtst stond Hector voor haar.
„Tante, u hier?” stamelde hij.
„Zooals je ziet, maar schaam jij je niet den goeden naam
van dit meisje in gevaar te brengen, door bij haar alleen
op de kamer te komen ?” luidde het verre van vriendelijk
antwoord.
„Ik bezweer u, tante, dat het de eerste maal is, en ik
had nu zulk goed nieuws, dat ik Jo direct even blij moest
maken !”
„Zoo, en wat is dat voor belangrijks ?” vroeg de barones,
de rol van heerscheres voortzettend.
„Ik krijg een mooie betrekking aan de Deli-maatschappij
en over een paar maanden gaan we trouwen !”
„Jij wilt dus je Rijksbetrekking vaarwel zeggen en in
particulieren dienst overgaan ? Dat zou toch de dwaasheid
gekroond zijn ! Neen, manneke ! zet dat maar uit je hoofd,
daar komt niets van in 1”
„Maar tante
„Geen maren, alsjeblieft! Jij gaat niet naar Indië, jij
blijft hier, .... voor de rest zorg ik !”
„U, tante,....?”
„Laat me eerst eens uitpraten, hè 1 Ik heb Johanna
van nabij leeren kennen en ben er zoozeer van overtuigd,
dat zij met hart en ziel van je houdt en een goed vrouwtje
voor je zal zijn, dat jullie van mij een maandelijksche toelage
krijgt, zoodat jullie onbezorgd kunt leven, en als ik
er niet meer ben.........nu ja, dan zal jullie ook niet over
me te klagen hebben. Maar één ding moet ik je nog zeggen,
Hector: zorg, dat je je vrouwtje waard wordt, anders
krijg je het met mij te doen, dat verzeker ik je !” V.
|