Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11496 tot 11500 van 11897
Nummer
1929, nr. 32, 10 aug. 1929
Blad
15
Tekst
HOOGESCHOOLRIJDSTER met de gouden tressen en de opgedraaide snorren, die met de trotsche onverschilligheid van een generaal als een sterke duc d’Alve staat in de massa, welke langzaam voorbij vloeit. Ondanks zijn kunstzinnig beroep, dat zich beperkt tot het knippen van kaartjes, spreekt hij gaarne, wanneer dit te pas komt van ,,Wij artisten”! Maar tusschen het klatergoud van het circusleven blijft ook deze vergulde held een onmisbare versiering. Trouwens elke verschijning, van den directeur, die steeds gewichtig doet, tot den geringsten stalknecht, die met evenveel gezag over de prestaties der artisten meent te mogen oordeelen, is in stijl met den bekoorlijken bombast, die daar geboden wordt en de kunst verstaat ons eenige uren zoodanig in spanning te houden, dat wij zelfs het pijnlijke zitten op de harde banken niet meer bemerken. In deze sfeer van bont bedrog en spontanen zwier, onder het helle kunstlicht, P A N O R A M A N o. 3 2 10 AUGUSTUS heeft hij meermalen op het doek gebracht Daar zijn de vermaarde Fratellini, die ook een paar jaar geleden in ons land geweest zijn, zi werden door Maks meer dan eens uitgebeeld. Of de afbeelding zien wij hen in actie tijdens dt bekende, grappige brandweerscène. Ook in dt kleedkamer te midden van kleurige kostuums heeft Maks een goede studie van hen gemaaki en de portretten, die hij van elk afzonderlijk vervaardigde, treffen door hun typische ex pressie. Niet alleen tafereelen uit het circus maar ook uit het dagelijksche leven wee Maks op karakteristieke wijze te schilderen Een vroolijk gezelschap in een prieel, een liei gelaat van een vrouw of een meisje, kinderen zooals de grappige opgedirkte hartjes” of hartjesdag in Amsterdam, een artist in eer cabaret of een schilderachtige gracht kiest Maks ook wel eens tot onderwerp. En bijne altijd geeft hij met zijn breede manier var schilderen, in bonte tinten, den feestelijker kant van het leven weer, DE HOOGESCHOOLRIJDER PETOLETTI waar de kleuren aan felheid winnen, vindt de schilder C. ƒ. Maks zijn onderwerpen. Daar zijn de vlugge acrobaten in hun vleeschkleurige tricots, de hoogeschoolrijders, met hun deftige, getailleerde zwarte jassen en de lichte danseressen in wijd uitstaande rokjes van gaas, dat met blinkende loovertjes bezet is. Onder het felle kunstlicht en de kleurige zoeklichten maakt de wonderlijke bevolking van het circus een fantastisch effect. Daar lijken de danseressen soms wit als marmeren beelden, wanneer zij onbeweeglijk op een schimmel staan, terwijl de clowns in hun tintelende en fonkelende kleedij, met hun zonderlinge sprongen, telkens tusschen de nummers, een vroolijke stemming teweeg brengen. Het is geen wonder, dat Maks, voor wie kleur en licht steeds hoofdzaak is, in het cicrus veel van zijn gading vindt. Beroemde artisten JOCKEY’S 13
PDF
Nummer
1929, nr. 32, 10 aug. 1929
Blad
16
Tekst
PANORAMA No. 3 2 - 10 AUGUSTUS Bosckpad HUMBOLDT COUNTY, NOORD-CALIFORNIË 14
PDF
Nummer
1929, nr. 32, 10 aug. 1929
Blad
17
Tekst
P A N' O R A M A N o. *7 T 0 A U G U S T U S verwachtingen al of niet in vervulling gaan, het heeft ongetwijfeld zijn goede zijden, van te voren een schema vast te stellen. Het geeft een onwrikbaar zelfvertrouwen, wat voor den schaker een eerste vereischte is. Ik heb perplex gestaan toen ik zag, hoe een speler van de kracht van Treybal het in een overwegende positie langzamerhand tegen Bogoljubov moest afleggen. Bogoljubov zelf vond er niets verwonderlijks in, zijn tegenstander stond immers op de lijst der „Lipschütze” en dat beteekende „la mort sans phrase”. Het eenige, wat hij vreemd vond, was, dat het zoo lang geduurd had. Hoe geheel anders is de ex-wereldkampioen Capablanca, die slechts langs gebaande wegen zijn doel tracht te bereiken. Staat hij slecht, dan stuurt hij zoo spoedig mogelijk op remise aan. Hij heeft niet den moed, op een flater van zijn tegenstander te rekenen en dit komt zijn score in het algemeen niet ten goede. Daartegenover staat, dat hij nooit de kans loopt, naar lagere regionen af te dalen. Steeds behoort hij tot de hooge prijswinners, maar of hij nummer één wordt, hangt niet zoozeer van hemzelf, als wel van het meerdere of mindere geluk van zijn concurrenten-avonturiers af. Daartoe behoort ook Nimzowitsch, de representant van twee uiterste richtingen. Tegen de sterke tegenstanders speelt hij degelijk positiespel, zonder ook maar het geringste risico te aanvaarden. Tegen de mindere góden daarentegen speelt hij het merkwaardigste soort schaak, dat ooit vertoond werd. Gewoonlijk kiest hij een inférieure opening en plaatst zijn stukken op de meest zonderlinge velden. Gelukt het hem niet, zijn tegenstander in het middenspel door bizarre manoeuvres te verschalken, dan beproeft hij zijn laatste kans in het eindspel, in welk partijgedeelte hij buitengewoon goed thuis is. Een tactiek, die zeer productief kan zijn en welke hem in groote tournooien gewoonlijk in de voorste gelederen brengt. De goe-gemeente tracht hij wijs te maken, dat zijn vreemdsoortige speelwijze onderdeel is van een bepaald door hemzelf uitgewerkt systeem. Dit systeem zou dan blijkbaar alleen van toepassing zijn op de zwakkeren onder de deelnemers. Een ander speltype vertegenwoordigt Prof. Dr. Vidmar, de rector der Universiteit te Laibach. Zijn spel is wetenschappelijk onderlegd en staat zeer hoog. Hij paart een fijn positiegevoel aan een buitengewone vaardigheid in het scherp en correct combineeren. Zijn resultaten zijn daarmede in overeenstemming en steeds ver boven de middelmaat, hoewel nog nooit het allerhoogste bereikt werd. Voegen we aan het viertal Capablanca, Bogoljubov, Nimzowitsch en Vidmar nog Rubinstein toe, dan hebben we de voornaamste pretendenten naar de eereplaats gehad. Rubinstein, die reeds 22 jaar geleden in den eersten wedstrijd te Karlsbad den eersten prijs won, maakt ook thans een goede kans. Hij beschikt over een demonische kracht in alle soorten stellingen, van het meest combinatierijke middenspel tot het eenvoudigste eindspel. Veel hangt bij hem van den start af. Op het besproken vijftal grootmeesters volgt een serie vooraanstaande meesters. Noemen we allereerst den sympathieken Het Tournooi te Karlsbad door Dr. MAX EUWF K arlsbad, beroemd om zijn geneeskrachtige bronnen en modderbaden, het land van belofte voor vele lijdenden, is op het oogenblik het centrum van belangstelling der geheele schaakwereld. Karlsbad staat in het teeken van de rust! Wil men ’s avonds na negen uur nog 'n kop thee machtig worden, dan dient men naar een nachtcafé te gaan. Ook in het tournooilokaal heerscht een plechtige stilte, welke harmonieert met enkele in de zaal aangebrachte borden, waarop met groote letters „silentium” te lezen staat. Zelfs in de vertrekken, welke voor de pers gereserveerd zijn, kan men een speld hooren vallen, in scherpe tegenstelling met wat we dienaangaande in Holland gewend zijn. Wie wel eens een partij van de match Aljechin-Euwe of Bogoljubov-Euwe bijgewoond heeft, zal zich de groote en luidruchtige belangstelling herinneren, die steeds in de nevenzalen heerschte. De uitroep: „Als Aljechin deze partij niet wint, leert hij het nooit!” welke ik tijdens de achtste matchpartij opving, klinkt mij nog als een levendig blijk van die belangstelling in de ooren. En Aljechin verloor, maar werd niettegenstaande de minder gunstige prognose een jaar daarna wereldkampioen.... Hoe geheel anders hier! Bijna zwijgend worden de partijen der grooten nagespeeld en opgeteekend, vol eerbied luistert men, als een der deelnemers, toevallig aanwezig, zijn meening ten beste geeft. Het sterkst bezette tournooi van den tegenwoordigen tijd, zoowel wat aantal als wat kracht der spelers betreft. Zien we af van Lasker en Aljechin, dan dingen de besten der besten mede. De beteekenis van het niet-medespelen van Lasker moet overigens niet overschat worden, daar het te verwachten is, dat deze schaakreus wel aan geen enkel tournooi meer zal deelnemen. Hij heeft genoeg lauweren geplukt en een eventueele mislukking, ja zelfs het bezetten van een lagere dan de tweede of derde plaats zou een schaduw werpen op de mooiste carrière, welke de schaakgeschiedenis kent. Dat echter Aljechin niet tot de deelnemers hoort, is inderdaad te betreuren, hoewel we zijn besluit ten volle kunnen billijken. In September neemt zijn match tegen Bogoljubov om het wereldkampioenschap een aanvang en terecht beschouwt hij het spelen van een dergelijken zwaren wedstrijd als een te gewaagde krachtproef. Bogoljubov daarentegen denkt er anders over, en speelt toch, wat typeerend is voor dezen gemoedelijken optimist. Hij heeft de deelnemers in twee groepen ingedeeld: „Lipschütze” en „Rabinowitsche”. De laatsten zijn de besten, met hen speelt hij remise, de „Lipschütze" moeten sterven. Hij rekent op elf winstpunten, tien remises en geen enkele verliespartij; met 16 uit 21 kan hij zeker zijn van den eersten prijs. Of zijn Hongaar Maroczy, wiens groote daden reeds in het grijze verleden liggen, maar die er desondanks in slaagde, zich op het vorige tournooi te Karlsbad (1923) aan de spits te plaatsen. Sindsdien nam hij slechts aan minder belangrijke tournooien deel en daarom worden zijn prestaties met belangstelling tegemoet gezien. Te hoog mag men de verwachtingen echter niet spannen, want Maroczy nadert de 60 reeds en is met een kleine tien jaar de oudste van alle deelnemers. Marshall gaat langzamerhand ook tot de oude garde behooren, wat vooral in zijn speelsterkte tot uitdrukking komt. Dat dit bij hem eerder dan bij eenig ander zijn invloed doet gelden, is een gevolg van zijn agressieven stijl. De aanval is steeds zijn ideaal geweest en daarbij komen een buitengewone vindingrijkheid en scherpte goed van pas. Deze kwaliteiten zijn echter minder dan andere tegen den tand des tijds bestand en de Marshall van de laatste Europeesche wedstrijden is dan ook slechts een zwakke afschaduwing van den vroegeren schrik der tournooien. Spielmann, Tartakower en Grünfeld vertegenwoordigen de z.g. Weensche school. Hun resultaten zijn zoo wisselvallig, dat voorspellingen betreffende hun prestaties in het tournooi tot de onmogelijkheden behooren. De bezetting van één der hoogste plaatsen is voor hen evenmin buitengesloten als het behooren tot de niet-prijswinners. Samisch, Duitschlands beste speler, treedt in den laatsten tijd weer sterk op den voorgrond. Zijn spel is diep doordacht en ook voor de allersterksten uiterst gevaarlijk. Dit ondervond o.a. Bogoljubov het vorig jaar, toen hij te Berlijn in negentien zetten. Samisch’ meerderheid moest erkennen. Van de overige deelnemers memoreeren we nog Miss Menchik, Mattison en Canal. Miss Menchik, de dameswereldkampioene, is de eerste dame, die aan een belangrijken meesterwedstrijd deelneemt. Hoewel ze niet met de sterkste deelnemers van dit tournooi op één lijn te stellen is, zal men goed doen, haar krachten niet te onderschatten. Zij heeft een gezonden en degelijken stijl en is vooral sterk ,in het weerleggen van combinaties, waar een steekje aan los is. Van haar kunnen gaf ze reeds blijk in Ramsgate, waar de sterkste Engelsche spelers het tegen haar moesten afleggen. Mattison, die in 1928 zijn titel van amateur-wereldkampioen moest afstaan, zal zich in dezen wedstrijd ongetwijfeld van zijn beste zijde laten kennen. De resultaten der eerste ronden bevestigen reeds den hoogen roep, die van hem uitgaat. Tenslotte noemen we Canal, den meest exotischen deelnemer. Hij komt uit Peru en had nog weinig gelegenheid, aan tournooien deel te nemen. Hij beschikt over een natuurlijk talent, dat groote dingen van hem doet verwachten. Wij zouden den voortreffelijken tournooileider Viktor Tietz te kort doen, als we hier niet een enkel woord aan hem wijdden. Hij is de organisator van alle vier Karlsbader tournooien (1907, 1911, 1923 en 1929), waarvan de eerste drie reeds een waardige plaats in de schaakliteratuur innemen. Hij vierde onlangs zijn zeventigsten verjaardag en gaat nog geheel in zijn werk op. Terecht wees Karlsbads burgemeester er bij de receptie der deelnemers dan ook op, hoe grooten dank zoowel de schaakwereld als de badplaats zelf aan dezen organisator verschuldigd is. 15
PDF
Nummer
1929, nr. 32, 10 aug. 1929
Blad
18
Tekst
P A N O R A M A No. 3 2 - 10 AUGUSTUS HET DOMPLEIN De Dom te jHilaan M ilaan, het oude Mediolanum der Romeinen, schenkt ons op het eerste gezicht niet, wat we er van zouden verwachten. Onwillekeurig verbinden we aan zijn wereldberoemden Dom de gedachte, dat een groot deel van de stad een wonder van schoonheid zou zijn. De straten onderscheiden zich in niets van die van andere steden met haarzelfde gejacht en gehaast. Ook Milaan is een werk- en handelsstad en wanneer opeens het Domplein zich voor onze oogen ontvouwt, kunnen wij ons niet voorstellen hoe een dergelijk juweel van bouwkunst als de Dom, een plaats kon vinden in zoon betrekkelijk onaesthetische omgeving. Volgens de overlevering werd Milaan gesticht in het jaar 396 v. Chr. op de plaats van het verwoeste Etrurische Melpum. Door de Romeinen werd het in 222 n. Chr. veroverd en steeg meer en meer in beteekenis als zetel van kunst en wetenschap. Ook het bedrijfsleven ontwikkelde zich geleidelijk en in het jaar 1590 telde de stad 246.000 inwoners. Milaan dat eens de bakermat was van de Longobardische kunst, heeft dus wel veel van zijn roemrijke tijdperken ingeboet. Waar andere steden als Rome en Florence nog steeds met trots kunnen wijzen op haar rijke gebouwen of tenminste op de ruïnes daarvan, zal de bezoeker van Milaan . niets anders meer vinden dan den Dom, het Palazzo di Brera en het Castello Sforzesco, de burcht van de hertogen van Milaan. We vragen ons af, waarom deze stad niet kan bogen op verdere kunstwerken. Door alle eeuwen heen was Milaan een kruispunt van groote beteekenis; een zich zoo snel uitbreidende stad kon moeilijk worden verdedigd en lag als het ware open voor haar vijanden. Bovendien nam de bouw van den Dom zooveel tijd en krachf in beslag, dat aan uitbreiding of instandhouding van andere kunstwerken niet kon worden gedacht. De Dom van Milaan moest alle andere kerken in de geheele wereld in grootte zoowel als in rijkdom overtreffen. De bouw werd begonnen in 1386, vermoedelijk door Marco de Campione en Simon de Orsenigo, onder Giovanni Galeazzi Visconto, Hertog van Milaan, ter vervulling van een gelofte. Het bouwwerk is 855 meter lang en 88 breed, terwijl het een hoogte bereikt van 109 meter. Geheel van wit marmer opgetrokken, waarvoor men de bouwstoffen haalde uit de marmergroeven van Candoglia, verrees de Dom op de plek, waar eens de Santa Maria Maggiore stond, die in 833 gebouwd en hoofdkerk van Milaan was. Het kerkgebouw kan 40.000 menschen bevatten en 2000 marmeren beelden versieren de buitenzijde, de balustraden en nissen. Vier eeuwen lang is er aan gewerkt door architecten en ingenieurs van allerlei nationaliteit, wat vaak tot gevolg had, dat door verschil van meening de bouw slecht vorderde. Eindelijk, den 20sten October 1586 was men zoo ver gevorderd, dat de kerk door Carlo Borromeus kon worden ingewijd en kort daarna was ook de koepel gereed. De voorgevel, door Tibaldi ontworpen en waaraan men in 1616 was begonnen, bleef onvoltooid, totdat Napoleon I het werk weer liet hervatten en zijn eigen portret in antieke kleederdracht er op liet aanbrengen. In 1906 werd eindelijk het werk bekroond door de bronzen deuren en de reliefs met voorstellingen uit het leven der Heilige Maagd. Wie den Dom bezichtigt, moet vooral niet nalaten zich de moeite te getroosten de 158 treden te beklimmen om op het dak te komen. Vandaar uit heeft men een prachtig uitzicht over de stad en haar omgeving. De Heilige Carlo Borromeus ligt begraven in de kapel onder den koepel. Ook beroemd is het standbeeld van den Heiligen Bartholomeus, die zooals bekend levend gevild is en welk beeld de bewondering opwekt, zoowel voor de kunst van den beeldhouwer, als voor zijn kennis van de anatomie. Overigens is Milaan geen toeristen-centrum, het is een werkstad met fabrieken en nijverheid, waar het hart klopt van het arbeidzame NoordItalië, een stad, die zomers snikheet, doch omstreeks Mei of October het bezichtigen overwaard is. w. s. DE DOM 16
PDF
Nummer
1929, nr. 32, 10 aug. 1929
Blad
19
Tekst
r A NOR A M A - N o. 3 2 1 O A U G (J S T u s Contrasten, iets waaraan deze film zoo rijk is. *’> /~^aar ecn nieuwe novelle J\ f van Cosmo Hamilton ( / V heeft de United-Artists M regisseur Rex Ingram een nieuwe film gemaakt welke hij The Three Passions gedoopt heeft. Dit filmwerk heeft niet alleen in vak kringen, doch ook daarbuiten groote belangstelling getrokken, wijl Rex Ingram iets heel aparts en ultra-moderns wilde vei vaardigen. Hierin is hij volkomen geslaagd en men kan daarin dan ook verschillende moderne, jazelfs futuristische scènes bewonderen. Evenals het gelijknamige boek handelt de film over: Geld. Geloof, Liefde, de drie groote „hartstochten ’ die het menschdom beheerschen en waarvoor ge vochten wordt door mensch tegen mensch en natie tegen natie. Het perspectief, dat in deze drie hartstochten zit, is zoo diep, dat men zonder te kort te doen aan de knapheid van den regisseur en den schrijver, gerust kan beweren, dat een en ander slechts zeer oppervlakkig behandeld is kunnen worden, en dit niet alleen vanwege het feit dat de film als ontspanning bedoeld is. Alice Terry. Rex Ingram’s lieftallige echtgenoote, en Ivan Petrovitch spelen de hoofdrollen in deze film, die o.a. in Nice, de Oxford Universiteit, op de terreinen van de Armstrong Works, nabij Castle-on-Tyne en in het Londensche Westend werd opge nomen. Wij geven hierbij eenige unieke foto s van de spelers, alsmede van Bemard Shaw. die, naar men zegt, door de opnamen bij te wonen, tot de film bekeerd werd. Een andere hoofdpersoon, van wie het noodig was, dat er twee papier-maché koppen gemaakt werden. Alice Terry, eigenlijk Alice Taafe, de hoofdpersoon uit „the three passions.'' Zij werd te Vincennes, in den Amerikaanschen Staat Indiana geboren en begon haar loopbaan als figurante. Rex Ingram ontdekte en trouwde haar. Bemard Shaw met Rex Ingram, tijdens het bezoek van den schrijver in de studio's te Nice. Hoewel „the three passions" als geluidsfilm, althans als gesynchroniseerde geluidsfilm is bedoeld, zal zij toch waarschijnlijk niet als zoodanig in Holland worden vertoond. 17
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11496 tot 11500 van 11897