|
P A N O R A M A N o. 3 2 1 0 A U G U S T (J S
Hét was juist elf uur, toen hij opnieuw
het compartiment betrad. Regelmatig
stoomde de nachtexpress door den nacht,
steeds naar het Noord-Westen en eentonig ratelden de zware wielen over de
ijzeren staven. Een beetje moe, doch
overigens in een best humeur maakte Max
zijn toebereidselen voor den nacht. Op het
oogenblik, dat hij zijn colbert uittrok schrok
hij op, door een hevig gestommel in den
coupé naast den zijnen. Hij luisterde in
spanning toe en hoorde een angstkreet en
een heftig kloppen op den wand tusschen
de beide slaapvertrekken. Hij herinnerde
zich plotseling weer de woorden van de
Engelsche en vermoedde een misdaad.
Even stond hij in tweestrijd; wanneer dit
een laffe valstrik was?
Bij de idee joeg het bloed hem naar de
wangen, het was vreeselijk in elk medemensch een spitsboef te zien; maar toch .. .
Hij veranderde snel iets in zijn coupé
en rende toen in de zijgang. Nog steeds
klonk een geluid van vechtende lichamen,
nu ten deele gesmoord. Met een ruk schoof
hij de deur open van den volgenden coupé
en tot zijn ontzetting zag hij een in smoking gekleed jongmensch, die over een
languit op den grond liggend lichaam
gebogen stond. Hij herkende de jonge
vrouw en zag haar bleek gelaat, gesloten oogen, overschaduwd door de
lange, zwarte wimpers en de roode,
saamgeknepen lippen. Hij gaf een
kreet van afschuw en stortte zich op
den aanrander, die zich ijlings bukte.
Hoewel klein en tamelijk gezet was
de juwelier sterk en moedig. Hij had
zijn revolver, dom genoeg, in zijn
coupé achter gelaten, doch zijn harige
handen balden zich tot staalharde
vuisten en geen drie seconden na zijn
binnenkomst was hij in verwoed
gevecht met den ander.
En terwijl hij vocht voor zijn zelfbehoud, drong het ook tot hem door,
dat deze misdadiger even goed in zijn
coupé had kunnen doordringen, om
eens rond te neuzen. Hij slaagde er
in zijn vijand in een hoek te drijven
en hem door een kunstgreep, waardoor de ander bij de minste beweging
van zijn handen zou stikken, in bedwang te houden. Hijgend wendde
hij zich om en zag het meisje juist
opstaan. Een vloek perste zich tusschen zijn lippen... zij gleed als een
slang den coupé uit. Hij, de voorzichtige Max Brinkman, was toch in
een val gelokt. Die mooie, geraffineerde
kat moest van zijn juweelen afgeweten
hebben. Een hevige woede maakte
zich van hem meester: zijn handen
knelden zich om de keel van zijn
slachtoffer, zoodat deze op een gegeven oogenblik in elkaar zakte!
Op dat oogenblik temperde de express zijn vaart, moeizaam optornend
tegen een hooge spoorbrug. Max
nam een sprong en rende de zijgang
in. Toevallig kwam juist de nachtconducteur aangewandeld. Hij schrok
zichtbaar van dezen geagiteerden man
in hemdsmouwen.
„Ga mee.. . een bende roovers in
den trein!” hijgde de ander en hij liep
ZEEROBBEN
haastig terug naar zijn eigen compartiment,
Doch juist voordat hij de deur kon openen,
werd deze met een ruk open geschoven en
ijlde een slanke vrouw de gang in naar den
harmonica-overloop. Onder haar arm hield
zij een donker koffertje gekneld. .
„Daar!” schreeuwde Max luid: „Grijp
dat wijf, conducteur!”
Beiden volgden de vrouw, doch zij opende
zonder aarzelen het portier van den volgenden wagon en sprong lenig uit den
langzaam rijdenden trein op den spoordijk.
„De noodrem!” riep de conducteur, doch
een kreet van den ander deed hem van dit
plan afzien. Beiden konden juist de deur
zien van Max zijn coupé in den anderen
wagon. Een slanke jonge man, in een
smoking gekleed snelde uit dezen coupé en
geholpen door de schaduw langs den zijwand rende hij eveneens naar een der
deuren. Het portier openen en er door
naar buiten glippen was het werk van een
oogenblik. Ook hij verdween in den nacht.
Toen veegde de diamanthandelaar zijn
bezweet voorhoofd af en trok hij den conducteur mee naar zijn compartiment. Zijn
jas lag op den grond, doch hij miste er
niets uit. De conducteur, die instinctief be
greep, dat de kleine dikke koopman bestolen moest zijn, wierp een hulpeloozen
blik door de kleine ruimte.
„Zat er veel in?” vroeg hij. „Wacht
laat ik toch aan de noodrem trekken. Die
schoeljes!”
„Veel? Bedoel je dat koffertje dat zij
onderden arm klemde?” lachte Max: „Wat
zal ik je zeggen?”
Hij sloeg de deken van het bovenste bed
op en haalde iets van tusschen de lakens
vandaan. Met groote oogen staarde de
conducteur er naar. Het was een klein, donker koffertje.
„Wat mij betreft rijden wij zoo gauw
mogelijk door!” grinnekte Max en hij woog
het koffertje taxeerend op de hand. „De
heele kwestie is, beste vriend, dat je altijd
op je qui vive moet zijn, niet waar ? Zij
lokte mij in haar eigen coupé, maar zij
dacht niet aan de mogelijkheid, dat ik twee
van die koffertjes had. Eén leeg ... en één ...
nou ja, eenigszins gevuld! Wil je een
sigaartje voor den schrik?”
19
|