|
PANORAMA No. 3 2 10 AUGUSTUS
De Weglooper
door Will. Scott
T
oen ik Jef Spiker voor het eerst zag was hij bezig, steenen
aan te dragen voor het toen nieuwe, nu stokoude stadion,
en droomde hij van het kampioenschap zwaargewicht; nadien
heb ik hem meermalen aanschouwd in zeer beknopt gewaad,
zegevierend over andere zwaarwichtige personnages, en toen kroop
zijn lot weer de duisternis tegemoet. Wat een beetje jammer was,
want Jef was in zijn lichamelijken opbouw een gedicht voor het
oog. Hoog een-meter-negentig, breed buiten proportie, vuisten als
doodsdreigingen en een schedel waar je steenen op kon bikken.
Jef ging op en onder als de zon. Hij werd kampioen van zijn
stad, van de streek, en kreeg toen op zijn huid van den Tijger
van Bermond.
Ik zag Jef een heele poos niet. Naar het scheen had hij zijn
lot, en het verbleeken van zijn wereldkans, vreedzaam aanvaard.
Wel vroeg ik me somtijds af, hoe hij zich weer zou hebben aangepast aan bekrompener financiëele omstandigheden, want in den
ring had hij het gebracht tot een inkomen van wel dertig gulden
per week; en geen man aanvaardt dan weer de soberheid zonder
somberheid!
Maar plotseling, enkele weken geleden, zag ik hem wéér in
pralenden welstand. Een luxe Jef! Een Jef in een geruit, o zoo
geruit pak, en een diamant op zijn das, en een half dozijn gouden
artikelen, en geluid in de buurt van zijn zak. Hij kwam een restaurant
binnen, terwijl ik daar juist zat, en stapte naar mij toe, en beweerde
zeer luid: „Ik heb je zóó lang niet gezien, daar moet op gefoven
worden 1"
Vond ik ook, wijl hij geld had, en ik at en dronk en probeerde
hem uit te hooren, maar hij zei niet veel over de bronnen van zijn
welvaren, en juist toen hij scheen te willen spreken werd hij afgeleid, op zonderlinge wijze. Ik zag zijn gezicht betrekken, zijn
blik gejaagd worden, en ik keek rond naar de oorzaak.
Een man en een vrouw kwamen het restaurant binnen, of
tenminste.... een man,.... nou ja, 1M. hoog, breed naar
verhouding, en een hoofd alsof hij nog moppenbladen las en nu
en dan wel een kaneelstok bliefde. Hij bezat de keurigste taille en
de langste haren en het fijnste parfum, kortom, hij was waarschijnlijk
het snoezigste ventje dat ooit een pak slaag verdiende wegens het
feit van zijn aanzijn. Wat het meisje zien kon in zoo’n insect....
Vriend Jef scheen echter door zijn verschijning anders te
worden aangedaan. Jef werd bleekachtig en ik zag dat zijn hand
trilde terwijl hij naar zijn hoed tastte.
„Zeg ’s,” begon ik, maar hij luisterde niet. Op dat moment
ontmoetten elkaar hun beider oogen en de oogen van het meisje
ontmoetten die van hen beiden.
Ik zag het sprinkhaantje de
schouders heffen en de
vuisten ballen en een stap
voorwaarts doen en ....
er was geen Jefmeer. Wijl
het mannelijk snoesje den
eenigen ingang barricadeerde verzwond Jef
door de keukendeur.
Toen was er aan den
eenen kant ’t man-meisje,
met dikke woorden uitleggend wat hij doen zou
als hij Jef tusschen zijn
knuisten kreeg, en aan
den anderen kant, in de
keuken, Jef, die met verachting van al hetgeen
hem in den weg stond
en van zijn eigen toilet,
ontsnapte door een tuimelraam.
Of ik het begreep?
Neen. Ik zocht Jef en
vond hem niet en dien
MIDDERNACHTSZON
boven Tocnetrösk, Zweden.
nacht sliep ik nauwelijks door mijn gepieker op de puzzle. Maar
den volgenden avond, als door een zorgzaam instinct gedreven,
was ik weer waar Jef was. Ik ging een hoek om, en bleef staan
om een sigaret aan te steken, en wie kwam er anders aan dan
dezelfde Jef, dravend als het legendarisch postpaard? Hij kwam
recht op mij toe, en omver ging ik, en weg was de sigaret. Hij
pufte en hijgde als weet-ik-wat en zijn gelaatsuitdrukking sprak
van hevigen schrik; de mijne trouwens ook, toen ik het plaveisel
tegen mijn hoofd voelde.
Het eerste wat ik deed, toen ik mijn evenwicht terug had, was
uit te zien naar het lieve kleine minneduifje van een bijna-man dat
den vorigen avond oorzaak der ontroering was geweest.
Maar wat ik ervoor in de plaats zag, gevat in de deurlijst
van een restaurant, met een dozijn kellners die hem vasthielden
en een meisje dat gilde, was een knaap die er uitzag als een verbleekt portret van den origineelen stierenvechter. Het was een
inspanning voor de oogen hem te onderscheiden van de menschelijke
wezens links en rechts.
„Muggen en slakken/* riep ik uit, mijn hoofd bewrijvend,
„slaan die Jef Spiker op z’n zenuwen ? Wat blijft er dan van hem
over, als hij eens een kuiken ontmoet ?... Maar ’t is vreemd,
vreemd... Wat kan het beteekenen?”
In den loop dezer gedachten was ik op de been en de vervolging van Jef Spiker begonnen. Ik vond hem terwijl hij zich
stond te schikken en af te stoffen juist voor het café Waterlelie.
„Hallo,” groette hij, „mee hierin? Ik moet hier wezen, afspraak
om acht uur, hebben we precies een kwartier om te kletsen.”
Wij gingen binnen en zitten en ik ging vragen en Jef ging
lachen. Vervolgens boog hij zich naar mij over en begon te
fluisteren.
„Hoor eens Jog,” zei hij, „als je een meisje was, en je had
't oog op een jongen, zou je ’t dan niet leuk vinden als je’t bewijs
kreeg dat ie een kraan was, en dat ie tegen iedereen op dorst?
Nou, die vodderige ventjes waar je me voor weg zag loopen...
je weet wel dat ik ze maar aan hoef kijken, en ze liggen omver.
Snap je me? Ik loop voor ze weg, en dat is voor de meisjes
genoeg. Als die suikerdotjes van ze eerst een woordje met mij
gesproken hebben en als ze wat spaarduitjes bezitten. .. nou, dan
ontmoeten ze me en ik loop weg... snap je me? „O Harold,”
zegt het meisje, „als zoo’n stier van een kerel bang voor je is,
wat moet jij dan een man zijn, al lijk je dan wat je lijkt, als je
tenminste wat lijkt. Maar nu ben je mijn held, dus kies een datum,
en ik ben de jouwe voor eeuwig!” — Snap je me?”
„Dus ....”
„Precies: weglooper van beroep. Reuzen idee hè?En’t brengt
een bom duiten in ’t laadje. Ik heb een compagnon die de klanten
voor me opduikt. Dertig gulden voor een loopje en twintig extra
voor een tik met zoo’n zacht wit pootje. Maar ik heb nu geen
tijd meer .... over twee seconden moet ik mij redden uit de handen
van die baby met twee Adamsappels en geen kin en x-beenen.
Moet je me bleek zien worden .... waar is mijn hoed ?”
10
|