|
PANORAMA No. 31 - 3 AUGUSTUS
XIV Indrukken en PAUL
KRÜGER
Herinneringen
door
Joh. de Meester
I
n het Doelenhotel te Amsterdam ben ik vaak te gast gegaan, maar het was.... voor geestelijk voedsel, toe te
dienen aan krantenlezers. Tijdens de tallooze internationale congressen der Wereldtentoonstelling heb ik er redevoeringen geëxtraheerd; verder heb ik er Krüger geïnterviewd en Sarah Bernhardt. Verandering van spijs doet
eten! Tusschen Oom Paul en de tragédienne was slechts
deze overeenkomst, dat beiden met ingenomenheid spraken
van hun betrekking tot Nederland. — ,,Vergeet dat niet/’
zei de groote Sarah, toen ik den knop van de deur in de
hand hield, „ik treed hier op met bijzonder genoegen, omdat
ik mij door de banden des bloeds altijd min of meer Hollandsche voel.”
Drie jaar later, met andere journalisten haar te Parijs
bezoekend in den Schouwburg, welke haar naam zou krijgen,
bracht ik de twee of drie minuten, toen ik mijn speciale
beurt kreeg, ’t gesprek op Nederland. Verwonderen deed
het mij allerminst, dat zij mij niet had herkend en blijkbaar
ons onderhoud was vergeten. Doch grappig was het niettemin, nu van de voix d'or te vernemen, dat haar familiebetrekking tot Nederland vér was, metterdaad zóó ver dat
ze van geen beteekenis was....
Toch kon ze niet boos zijn op Amsterdam, want wat
er haar mals is aangedaan, heeft ze klaarblijkelijk niet begrepen. Studenten brachten een serenade met lampions en
Sonneman. Zoo heette de orkestbestuurder, wiens medewerking bij dergelijke gelegenheden onmisbaar was. Immers was
niemand méér populair; hij bracht de wijsjes onder de menschen. De deun van toen was geweldig bemind. Toch was
de indruk verbijsterend, toen het orkest, bij Sarah’s verschijning op het balcon, noch de Marseillaise, noch het Wilhelmus en zelfs niet het Io Vivat begon, maar den deun,
dien men ook meezong:
Sarah, je rok zakt af,
Moeder, ’t is me sleep ....
een dwazen, zelfs niet dartelen tekst, maar die nü wel oer-k’omisch
klonk, vooral toen Zij zweeg, alsof zij ontroerd was.
Het Doelen-hotel had een zaal aan den Amstel, een gelen
salon met drie lage ramen, bekend als Salon van Prins Hendrik,
(toen, naar u weet, de zeer beminde broeder des Konings). Binnenkomend had ik, met een diagonaal over de gansche breedte der zaal,
naar een groote ouderwetsche kanapee in den hoek aan den waterkant te stappen. Daar zaten drie mannen naast elkander, ieder met
vóór zich een zeer lange pijp, waarvan de kop rustte op ’n laag
bakje van wit aardewerk, zooals er vóór elk van het drietal stond.
Met die pijpen, de zeer zware „lange jassen” („redingotes”, als wij
hier den Franschen nazeiden, hoewel die term een bastaardwoord
is, verbastering van riding coat!) en met de vele teugjes melk, met
welke Krüger, die nooit wijn dronk, bij den maaltijd hem aangeboden, zou antwoorden op de te talrijke toasten, blijft het eerbiedwaardig drietal vóór mijn herinnering gekenschetst.
En nu is Oom Paul al een kwart-eeuw dood (als door
Europa's continent teleurgestelde Balling te Clarens in Zwitserland
overleden), hij, de boer in dubbelen zin, door Bismarck als een
politicus van fijne scherpzinnigheid geprezen. Sterk gespierd van
uiterlijk, kón hij — dacht men — ook krachtig van geest zijn;
doch óók toen te Amsterdam herinner ik mij als een loopend gerucht, dat de hooggeplaatsten of invloedrijken met wie hij zich
had onderhouden, bij starre onverzettelijkheid op alle kardinale
punten, een meegaandheid in hem ontdekten, welke nooit de
hoofdzaak losliet, maar innam, door op bijzaken vaak met een
kwinkslag toe te geven. Want humoristen waren zij, hij zoowel
als de Vechtgeneraal; Du Toit, de derde, glimlachte geslepen.
Of hij hier niet is teleurgesteld ? Zijn melk als bescheid op al
de champagne staat vóór mijn heugenis als kenschetsend. Veel gepraat en luid gejuich, maar Krüger kwam om medewerking, om
levende krachten en kapitaal, ’k Herinner me twee jonge menschen
die gingen; „te Amsterdam was ’t niets gedaan, misschien dat ze
slaagden, daar bij de kaffers.” Zóó is ’t aanvankelijk geweest. Wij
Hollanders zijn nu eenmaal hokvast! Daarna, o ja zeker, is Leyds
gegaan én Coster, om nog een grooten te noemen. Maar zóó als
de missie het toendertijd wenschte, is ’t aanvankelijk geenszins
gegaan.
Wel sloeg dr. Kuyper munt uit het bezoek: politieke munt...
voor hier. Het was de befaamde Plancius-rede. Ik speelde er een
rolletje in als reporter! Den dag vóór die door Dr. Kuyper's mannen
belegde, doch openbare vergadering, belde ik aan de Prins Hendrikkade en werd minzaam door dr. Kuyper ontvangen. Een lezenaar met den Bijbel stond in de deftig-donkere kamer naast de
schrijftafel. Ik vroeg, of en wanneer het den hoogleeraar zou
schikken, dat ik ’n uittreksel kwam maken uit zijn rede van den
volgenden avond. Een uittreksel? maar hij sprak voor de vuist,
niets dan een eenvoudig, hartelijk woord — ’t was zelfs niet waard
dat ik kwam hooren. .. Nochtans stond ik een uur te vroeg vóór
de deur van het gebouw, deed die open, glipte binnen, zag heele
bakken met sierheesters op de tribune, installeerde me op zoo'n
bak, zag de zaal aldoor voller loopen, ontdekte, toen het „meer
dan vol” was, telaat-verschenen kameraden gedrongen achter
in de zaal staan.... en kwam alléén met een groot verslag, dat
De Standaard den volgenden avond, slechts in de inleidingswoorden gewijzigd, volledig overnam. In 't avondblad van De Amsterdammer kapittelde de hoofdredacteur dr. Kuyper over gebrek
aan vaderlandsliefde, ’t Verwijt was op mijn verslag gegrond.
Kuyper wees de beschuldiging af: hij had niet gezegd, wat er in
het verslag stond. Toen mocht ik dit verdedigen en begon natuurlijk
met mij op het verslag in zijn eigen Standaard te beroepen. Antwoord: dat was mijn verslag, door de Standaard-redactie zonder
voorkennis van den spreker-hoofdredacteur aangenomen. Nu was
dit laatste niet onnatuurlijk; het sprak vanzelf, dat de groote
Kuyper zich niet met de „cuisine” van zijn krant bemoeide. Doch
in mijn dupliek hield ik mij aan den zonderlingen schijn, hoewel
met beter argumenten, die Kuyper onbeantwoord liet. Zijn Rede
kwam later uit als brochure, zonder de zinnen van het debat, met
veel veranderd of verbeterd in dat aanvankelijk, eenig verslag,
maar toch met een aantal zinnen, woordelijk zóó in den nacht geschreven naar de aanteekening van het aangehoorde, 't Was mij
een móóie reporters-nacht, nadat ik den spreker diep had bewonderd om zijn manier van indruk maken.
|