|
F A N O R A M A N o. 3 1 3 A U <1 U S T U S
hij me geen oogenblik uit het gezicht verliest. Ik wou dat hij me niet zoo aanstaarde;
ik word er akelig van."
„Zal ik hem zeggen, dat hij u irriteert?"
„Alsjeblieft niet! Hij zal geen kwaad
bedoelen."
De gedachten van Dr. Singh ten opzichte van Devereux waren echter niet
zeer vriendelijk. Hij was ondanks zijn groot
verstand min of meer een onevenwichtige
geest; zoodra hij miss Bewes had leeren
kennen, was hij vast besloten haar liefde
te winnen. In Devereux voelde hij een
mededinger, en dat was voldoende om hem
te haten! Devereux was de eenige hinderpaal, meende hij, tusschen Pat en hem.
Enkele dagen later zat Tony eenzaam
in zijn bungalow, achter stevig gesloten
ramen en deuren. Buiten woedde een felle
storm, die het fijne zand overal tusschen
joeg. Een van zijn geliefkoosde boeken
over dieren lag open op zijn knieën, doch
de studie vlotte niet zooals steeds den
laatsten tijd. Hij dacht aan miss Bewes;
zij en de Marstons zouden vandaag dineeren
met Dermot. Hij fronste zijn wenkbrauwen;
Dermot was 'n mededinger, dien hij liefst
heel ver wist.
Een stevig kloppen op de deur deed hem
opkijken; verbaasd ontsloot hij de deur, en
nog meer verbaasd was hij, toen dr. Jabar
Singh binnenkwam; hij droeg een klein
rond mandje.
„Excuseer mijn laat bezoek/' zei hij gejaagd. „Ik heb iets, dat u zal interesseeren.
Ik ben juist bij 'n ernstigen patiënt geweest;
zijn zoon heeft vanmiddag een gestreepte
cobra geschoten, waar ik van sprak, ’t Is
een prachtig exemplaar, maar hij moet gauw
gestroopt worden. Interesseert u, denk ik.’
Devereux dankte hem verheugd, doch
de inlandsche geneesheer nam haastig afscheid en mompelde iets over nog meer
patiënten; met een harden slag viel de deur
achter hem dicht.
Tony haalde onmiddellijk zijn instrument
uit een kast, plaatste het mandje op tafel
en sneed de touwen door; maar toen hij
het deksel oplichtte, schoot bijna tegelijk
een groote slang uit de korf omhoog. Ontzet week Devereux achteruit, doch de slang
had zich reeds om zijn arm geslingerd;
Devereux rilde, toen hij den kop van het
ondier zoo dicht bij zich zag. Hij behield
echter zijn tegenwoordigheid van geest; snel
nam hij een lang smal mes uit zijn instrumentendoos, schoof het lemmet tusschen
zijn hand en de slang, en trok het met een
ruk omhoog. Totaal in tweeën gesneden,
dicht bij den kop, viel de slang op den
vloer: in onontwarbare knoopen kronkelde het zenuwtrekkende lichaam over
den grond.
„Jabar Singh," mompelde hij. „Hij wist
natuurlijk, dat het dier nog leefde. Maar
hoe komt hij er toe ? Ik heb hem nooit iets
misdaan."
Eensklaps schoot de verklaring van dezen
aanslag hem door de gedachten.
„Natuurlijk! Hij heeft mij met Pat gezien en hij is jaloersch. De kerel moet
gek zijn!"
Toen zag hij enkele bloeddruppels op
zijn pols en de indrukken van scherpe
tanden; een kille schrik ging door zijn
lichaam.
„Hopeloos," gromde hij, „De kerel heeft
zijn doel bereikt. — Ik moet Marston of
Dermot zien te bereiken."
Hij rende naar de deur. Gesloten aan
den buitenkant. Besluiteloos bleef hij een
oogenblik staan, liep toen naar de telefoon.
Maar hij kreeg geen gehoor, nadat hij den
hoorn had opgenomen; dr. Singh had alle
maatregelen getroffen om zijn slachtoffer
zeker te doen sterven, de telefoondraad
was doorgesneden en Devereux was volkomen van hulp, die toch in de nabijheid
was, verstoken. Niemand had hem in dezen
stormachtigen avond waarschijnlijk gezien;
voordat men Devereux zou missen, zou hij
reeds lang gestorven zijn.
Er was echter nog een laatste kans om
hulp te krijgen; hij nam zijn geweer uit
den hoek van de kamer en vuurde driemaal
achtereen op het slot van de deur. Dat
hielp; het slot bezweek en met een Hinken
trap kon Devereux de deur open duwen.
Bijna tegelijk hoorde hij verward geschreeuw
uit de woningen der bedienden, die rondom
de bungalow lagen. Eenige inlanders kwamen
angstig toeloopen.
Tot zijn verlichting hoorde hij echter
ook een bekende stem; Marston vloog op
hem aL
„Wat beteekent dat. Tony. Pat en ik
kwamen juist voorbij, brachten Dermot een
eind naar huis. Heb jij geschoten ?"
Devereux liet de bloeddruppels op zijn
pols zien en wees op de doode slang in
de kamer.
„Lang geleden ?" vroeg Marston gejaagd.
„Heb je den dokter opgebeld?"
„Jabar Singh?" vroeg Tony terug. ..Hij
zal me niet willen helpen."
Terwijl Marston zijn arm met een handdoek afbond, vertelde hij hem vlug wat er
gebeurd was. Marston dacht even na.
„Ik weet raad, Tony. Binnen een half
uur kan ik op de pony van Pat bij Bonster zijn; hij heeft ondervinding van slangebeten. Ik zal Pat bij je sturen om je gezelschap te houden, en na een uur ben ik
bij je terug met Bonster. Hou je taai, kerel!
We zullen het wel winnen!"
Marston schrok, toen hij buiten zijn
nichtje vond. Met een krijtwit gezicht
leunde zij tegen de deurpost; hij moest
haar ondersteunen, terwijl zij naar binnen
trachtte te gaan.
„Wat is het?" stamelde zij. „Is hij gebeten? Of hebben ze hem vermoord?"
„Hoofd op. Pat," zei Marston. „Ga naar
binnen en wees sterk. Devereux is gebeten
door een slang ; het is gevaarlijk maar niet
hopeloos, en alles hangt nu van jou af. Begrijp je dat? Je mag hem niet laten zitten
en je moet de whiskey niet sparen. Ik kan
toch op je rekenen, niet ? Zoo gauw mogelijk ben ik terug."
Het meisje slikte even en knikte. Terwijl
Marston op de pony sprong, nam zij een
teug uit de veldflesch, die haar oom had
gegeven; daarna ging zij de kamer in, waar
zij dadelijk neerviel in een leunstoel. Devereux ijsbeerde door het vertrek; hij vergat
zijn toestand, toen hij haar ontsteld gezichtje zag. Er was maar één verklaring,
waarom zij zoo onder den indruk was van
het ongeluk; het gaf hem een schok van
vreugde, maar tegelijk kwam bittere spijt
in zijn hart. Het was hard om het geluk
te vinden en bijna tegelijk weer te verliezen. De droom werd verwezenlijkt, maar
eindigde met zijn dood.
Wanhopig vroeg hij zich af, of zijn lot
onvermijdelijk was. Behalve den knellenden
handdoek voelde hij geen pijn in zijn arm.
Zou hij een van de weinige menschen zijn,
die geen invloed ondervinden van een
slangenbeet ? Minstens een kwartier was
verloopen en nog was er geen teeken,
dat het gif verder in zijn bloed was gedrongen. Hij keek naar het meisje en
hoopte.
Pat klemde haar vingers om de leuning
van haar stoel, om haar zenuwachtig trillen
te bedwingen, en trachtte Devereux’ gedachten af te leiden door een ongedwongen
conversatie, zooals Marston haar had gevraagd. Het kostte haar inspanning, maar
de gedachte aan het gevaar en de kans op
redding gaf haar kracht.
Toen viel haar blik op het doorsneden
lichaam van de cobra; zij huiverde en schoof
haar stoel achteruit. Devereux zag het.
„Het spijt mij," zei hij; „ik dacht daaraan niet meer." Ondanks haar protesten
van afschuw en griezeling, nam hij het ondier op en legde de twee doode stukken
in de korf; terwijl hij het gedeelte met den
kop opnam, viel de bek van de cobra slap
open. Tegelijk klonk een schelle kreet van
verwondering en vreugde door de kamer.
Devereux rukte den knoop van den handdoek los.
„Miss Bewes, schreeuwde hij verrukt,
„Miss Bewes.’ Er is heelemaal geen gevaar’ Kijk eens; de gifttanden zijn er uitgebroken
„Tony?" hijgde zij. „Is het waar?"
Op dat oogenblik klonken buiten opgewonden stemmen : een van Devereux’ bedienden struikelde de kamer in met Pertab,
een ouden slangenbezweerder.
„Sahib, hier is Pertab: hij kan u helpen,
weet alles van cobra’s en slangenbeten.
Tony keek zijn opgewonden bediende
glimlachend aan.
„Dank je wel, Harum, dank je wel. Maar
t is niet meer noodig."
Hij gaf den kop van de slang aan Pertab,
die het dier onmiddellijk erkende.
„Dat is Miaur ; heb ik vier dagen geleden verkocht aan dr. Jabar. Hij moest
dadelijk een levende cobra hebben, en omdat ik niet zoo vlug een goed exemplaar
kon vangen, stuurde ik een van mijn eigen
beesten, waarmee ik mijn kost verdien. Natuurlijk zei ik er niet bij, dat de gifttanden
waren uitgebroken, om het voordeelige
koopje niet te missen."
Devereux gaf hem een flinke fooi en drong
hem met de bedienden zachtjes naar de
deur; toen hij deze weer sloot, hoorde hij
Pat snikken.
„Wat is er, miss. . . . Pat? ’t is nu toch
goed ?"
„ n Beetje zenuwachtig/’ antwoordde zij
moeilijk. „Ik kan het niet helpen; ’t kwam
alles zoo onverwacht. Ik dacht dat Jabar
een vriend van u was," vervolgde zij na
eenige oogenblikken. „Waarom wilde hij
u een gevaarlijke slang sturen en heeft hij
de telefoon vernield?"
Devereux zweeg. Hoe kon hij haar vertellen, dat zij bijna de indirecte oorzaak
van zijn dood was geweest?
Maar het meisje scheen het plotseling te
begrijpen.
„Was het daarom?" vroeg zij blozend,
„O, ik wist niet, Tony. . .."
Onmiddellijk was Devereux naast haar
stoel.
„Daarom was het wel. En daarom noemde
je me Tony, en daarom schrok je toen je
het hoorde, en daarom huil je nu van
blijdschap, en daarom mag ik nu Pat tegen
je zeggen."
Marston vond, toen hij terugkeerde, twee
gelukkige verloofden, inplaats van een ernstigen patiënt en een zenuwachtige verpleegster.
19
|