|
P A N O R A M A No. 31 3 A U G U S T U S
EDE SCHANDEl»l
DOOR H, VAN WEARDE
O
nder hen, die Charterfield kennen en
de geschiedenis van zijn leven vernomen hebben, zijn er enkelen die beweren,
dat zijn handelwijze dien bewusten nacht
toen hij de liefde van een goed meisje op
't spel zette, niet juist was. Maar dat hangt
er maar vanaf, hoe men de zaak wenscht
te beschouwen: ik voor mij ben van oordeel, dat Charterfield zich dien nacht als
een waar held gedragen heeft
Charterfield was een favoriet van het
leven; een van die menschen, die altijd
geluk hebben, populair onder zijn kennissen
en graag gezien door dames. Laat ik er
bijvoegen, dat hij dit alles volkomen verdiende. Hij was een tikje zorgeloos, onverschillig misschien — maar hij had altijd
geluk.
Natuurlijk werd hij op den geschikten
tijd verliefd, en zooals zijn teleurgestelde
medeminnaars beweerden, juist op het
meisje, dat hen ook bekoorde. Die hem
kenden, kwamen tot de gevolgtrekking,
dat Sir Roger Hardinge zich geen beter
schoonzoon had kunnen wenschen.
Charterfield werd op Truscott Park —
het landgoed van Sir Roger Hardinge —
geïntroduceerd door zijn zoon Harvey.
Harvey was officier en maakte snelle promotie, wat hij, naast zijn bekwaamheden,
te danken had aan de protectie van John
Charterfield. Harvey bewonderde hem en
stak overal de loftrompet over zijn vriend.
Toen Charterfield voor den eersten keer
op Truscott-park kwam in gezelschap van
Harvey, keerde Hildred, vergezeld van een
rijknecht, juist van de jacht terug. Het
paard maakte een onverwachten sprong ;
aan den greep in de teugels, waardoor
Charterfield het dier dadelijk beheerschte,
voelde Hildred, dat zij met een sterk man
te doen had. Op deze wijze had de eerste
kennismaking plaats.
„Het doet ons altijd genoegen, met een
vriend vin Harvey kennis te maken,” zeide zij onder het verder naar huis loopen;
„dient u ook in zijn regiment?”
„Ik ben geen soldaat,” antwoordde
Charterfield.
„Waar zijn je gedachten, Hildred?” viel
Harvey in. „Ik heb je toch verteld, dat
Mr. Charterfield geen officier is, maar in
verschillende opzichten nauw aan het leger
verbonden. Mr. Charterfield is de man. die
verleden jaar de Congo-expeditie leidde.'
Maar Hildred behoorde — „gelukkig”
dacht Charterfield — niet tot die meisjes,
welke door de roemruchte daden van een
man geïmponeerd worden. „Ik heb er van
gelezen.” zeide zij; „de kranten hebben er
toen nogal veel werk van gemaakt.” Er
kwam een toontje spot in haar stem. ,,U
schijnt het er dien keer bijzonder goed afgebracht te hebben.”
Na dien dag was Charterfield wanhopig
verliefd; en natuurlijk slaagde hij er in,
de liefde van Hildred te winnen, die, toen
het meisje bemerkte, dat hij geen poseur
was, spoedig zijn gevoelens beantwoordde.
Hij was ietwat zonderling, ook in zijn liefde
jegens Hildred, maar dat versterkte nog
haar gevoelen voor hem. Dus werd de
verloving bekend gemaakt en niemand verwonderde zich feitelijk over Charterfield’s
succes. De verlovingstijd zou een jaar
duren, want Charterfield moest eerst nog
een onderzoekings-expeditie in NoordIndië leiden Zoo kwam het dat hij slechts
weinig tijd op Truscott-Park doorbracht
en Hildred gedurende dien tijd alle reden
had trotsch op haar verloofde te zijn.
Ongeveer een maand vóór den datum
van het huwelijk had de groote gebeurtenis
in Charterfield’s leven plaats. Het gebeurde
op Truscott-Park, waar dien avond een
groote partij werd gegeven. Onder de
talrijke gasten waren veel militairen, vrienden
van Harvey. Sir Roger was de eerste die
bemerkte, dat iets niet in orde was. De
officieren namen een opvallend koele houding
aan tegenover Charterfield, die, van zijn
kant, hun gezelschap scheen te mijden.
Tweemaal sprak Sir Roger zijn zoon daar
over aan. Wat was er gebeurd? Wat was
er niet in orde?
Maar Harvey wist niets.
Na het diner vond Charterfield een excuus
zich te verwijderen van de overige heeren.
die zich naar de billardkamer begaven. Dat
hij onrustig was en door het een of ander
werd gehinderd, was thans duidelijk voor
ieder die oogen had.
Hij ging het park in — en twee heeren
van het gezelschap, die reeds den geheelen
avond zijn bewegingen met meer dan gewone belangstelling hadden gevolgd, verdwenen een oogenblik later in dezelfde
richting.
Hildred, beangstigd door zijn vreemd
gedrag, ging hem zoeken; zij troffen elkaar
onder de boomen, eenige oogenblikken
nadat Charterfield tot de gevolgtrekking
was gekomen dat hij de crisis in zijn leven
was genaderd. Zij vroeg hem wat er aan
scheelde; voor het eerst sinds zij hem
kende, was er vrees in zijn oogen, en toch,
geen vrees — zij kon die uitdrukking niet
bepalen.
„Er is iets gebeurd,” bekende hij, en
toen ineens: „Ik ga weg, Hildred.’
Een tijdlang sprak ze niet, ze kon het
gehoorde niet begrijpen.
„Weggaan!” echode zij.
„Ja, vanavond.”
„Weggaan? Zonder eenige verklaring?”
Hij knikte.
„Heb je dan heelemaal geen verklaring
voor mij? Houd je dan niet van mij?”
Hij sloot zijn oogen en een oogenblik
scheen het of hij zijn zelfbeheersching zou
verliezen.
„Nu, dan is onze vriendschap zeer aangenaam geweest.”
„Vriendschap, Hildred?”
„Kun jij het dan anders noemen? Wel,
het zal aangenaam zijn de praatjes te hooren, wanneer het bericht komt: Het voorgenomen huwelijk van. . enz. En dan
alle bijzonderheden — ”
Zij kon niet verder spreken, want plotseling had Charterfield zijn armen om haar
heen geslagen. Zij weerstreefde niet. Nog
nooit had hij haar zoo vast omklemd, en
zelfs in het flauwe licht kon zij de uitdrukking van liefde in zijn oogen zien.
„Hildred,” zei hij, „ik kan niet zeggen,
hoeveel ik van je houd. Het is vooral
daarom, dat ik vanavond wegga. Wanneer
men je slechte dingen van mij vertelt, geloof die dan niet en wacht met je oordeel
tot de tijd is gekomen, dat ik je een verklaring kan geven.”
„Maar . . . ’ Zijn gezicht veranderde plotseling. „Ga naar huis terug, Hildred,” zei
hij op een anderen toon ; „vlug ; good bye !”
Mechanisch gehoorzaamde zij; struikelend. Twee donkere figuren slopen haar
voorbij en verdwenen in het struikgewas.
Toen zij dicht bij het huis was, kon zij
het lachen en praten van het gezelschap
hooren, een oogenblik was het stiller, en
hoorde zij ineens, een eind achter zich,
het geluid van een worsteling en een kreet
van pijn.
„Hallo.' riep Sir Roger verschrikt, toen
zij binnentrad, „wat scheelt jou. Hildred?”
Haar gezicht was bleek en haar japon met
modder besmeurd. Vóór zij kon antwoorden
verscheen één der gasten, kapitein Arrol
in de deuropening en wenkte Sir Roger.
In korte, afgebroken woorden deed hij
zijn verhaal: „Charterfield is weg, ik heb
orders gegeven hem 12 uur tijd te laten
het land te verlaten — dit uit achting
tegenover u, Sir Roger, twee man houden
hem in het oog.”
„Kapitein Arrol?!”
„Spionnage; geen kwestie van twijfel.
Een codeboek werd twee dagen geleden
vermist op het stafbureau. Een klerk stal
het en verraadde zijn lastgever, toen wij
hem in verhoor namen.”
Sir Roger staarde den spreker stomontsteld aan. Op dat oogenblik werd de
deur opengerukt en een der gasten viel de
hall binnen.
„Charterfield is ons ontsnapt,” riep hij
ademloos, „hij viel ons aan in het park,
Betterton ligt daar nog bewusteloos. De
kerel heeft de kracht van een os.”
Sir Roger, versuft ontsteld, liep de hall
uit: in de gang stootte hij op Hildred, die
alles had gehoord. Sir Roger nam haar
om het middel en leidde haar, snikkend,
naar zijn studeerkamer.
Sedert 4 jaar leefde Charterfield nu reeds
in de weinig meer dan onherbergzame
streken van Noord-west Canada, en vocht
er met het leven. Eenmaal had hij gedurende dien tijd een brief geschreven naar
de vrouw, voor wie hij bereid was geweest zijn leven desnoods te offeren.
„Geloof in mij,” schreef hij. Er kwam geen
antwoord
Charterfield werkte hard op zijn ranch,
te hard zelfs, maar hij deed het om zijn
geest te bevrijden van kwellende gedachten.
Hij was overtuigd dat hij gedaan had, wat
hij verplicht was te doen; eens zou de
wolk uit zijn leven toch wel verdwijnen.
„Het moet haar hart gebroken hebben,”
zei hij in zijn ballingschap, „maar ik kon
toch niet anders doen?”
In deze uitgestrekte open vlakten, waar
alle menschen gelijken zijn, was Charterfield gevreesd, bijna gehaat; vooral sedert
den dag dat hij gevochten had met Stamper,
den voorman van de Black Rock Ranch.
Stamper had zich een sarcastische uitdrukking laten ontvallen over den „Engelschen
6
|