|
PAN O R A M A No. 3 0 2 7 J U L 1
IN OE
ROOKWOLK
DOOR B. STANDISH
F
luitend stapte Danny, den bak met
chocolade en sigaretten aan den arm,
het perron op. Zijn das was op een bijzondere manier gestrikt, zijn pet stond een
tikje scheef en één knoop van zijn jas was
los. Hij groette Grant, chef en telegrafist
van het kleine station, verheugd; Danny
was altijd blij wanneer hij Grant zag. Hij
vereerde Grant en een der uitingen van
zijn sterke jongensvereering was, dat hij
het toilet van Grant tot in kleinigheden
van scheeve petten en het strikken van
dassen navolgde.
Zoodra Grant zijn jongen vriend zag,
zei hij ernstig: „Let goed op den postzak,
Danny, heel goed. Trein 8013 komt dadelijk voorbij/'
„In orde,” antwoordde Danny (voor
treinen, die niet stoppen, hangt men in
Amerika een zak met de post aan een
ijzeren paal naast de rails; met een daartoe
gemaakte ijzeren staaf haakt de beambte
in den postwagen den zak van den paal).
Grant zelf posteerde zich dicht bij den
paal en keek scherp toe, toen de trein zichtbaar werd in de bocht bij het station.
Daverend snelde hij even later voorbij het
perron; uit de locomotief spoot een wolk
van dichten rook, waardoor de wagens
vanaf het perron bijna onzichtbaar waren.
„Wat een rook,” mopperde Danny, toen
de trein voorbij was, „onzin om zoo hard
te stoken.”
„Is de mailzak in den postwagen?” vroeg
Grant.
„Beslist, ik hoorde het klikken van den
veer. En de zak is nu weg.”
„Ja, de zak is weg,” gromde Grant. „Er
was een waarde van tienduizend dollar
vandaag in den zak, Danny. — En volgende
week zal er hier iemand van de geheime
politie komen, denk ik. Maar vóór dien
tijd zal ik weg zijn.”
Danny keek zijn ouden vriend verwilderd
en teleurgesteld aan.
„Vier mailzakken zijn verdwenen, telkens
als er veel aangeteekende brieven waren,”
vervolgde Grant. „De mail wordt gestolen,
en ze verdenken mij ervan.”
„Maar ik heb vaak met eigen oogen gezien, dat je den zak ophing,” zei Dancy.
„En als je vlucht, zal iedereen denken dat
je de dief bent.”
„Doet er niet toe,” antwoorde Grant.
„In den postwagen van trein 8013 is altijd
Charley Coleman. Hij is de dief of ik; ik
ben het niet, dus.... Maar Coleman heeft
mij het leven gered, in 1918, en hij heeft
een zuster, Grace, die voor mij meer beteekent dan wie of wat ook. Zij zou sterven
van verdriet, wanneer haar broer in de
gevangenis kwam. Als ik dat kan voorkomen, doe ik dat. En daarom ga ik weg.”
„Maar dat mag je niet doen, ze zullen
denken, dat jij de dief bent.” Danny huilde
bijna; het leven leek hem zonder beteekeHUISWAARTS. Een prachtige foto van de roeiersploeg der Colombia Universiteit (klein, in het midden)
op de Hudson, na de dagelijksche training huiswaarts keerend.
nis, wanneer de vereerde Grant niet in zijn
omgeving was.
,/t Moet,” zei Grant. „Volgende week
ben ik verdwenen. Grace zou het niet overleven, wanneer haar broer werd gearresteerd.”
„Volgende week?” herhaalde Danny.
„Voor dien tijd zal ik zorgen, dat alles
opgehelderd is. Jij neemt de schuld op je
omwille van Grace Coleman, maar ik zal
den waren dief vinden, of ik wil geen
Danny meer heeten.”
Het was hem ernst met zijn detectiveplannen en den volgenden morgen, op zijn
eerste reis, begon hij aan de uitvoering.
Hij ging zelfs niet met zijn bak in de coupé s,
ofschoon de reizigers van dezen trein meestal
goede koopers waren, maar liep dadelijk
door de loopgang naar den postwagen.
Hij mocht er niet komen en hij kon er geen
zaken doen, maar regels en reglementen
waren niet voor hem gemaakt, en bovendien had hij nu een gewichtige zending,
waarbij alle regels nonsens waren.
„Morgen,” groette hij, terwijl hij gemakkelijk ging zitten op een kist, waarop
Voorzichtig, breekbaar was geschilderd.
Charly Coleman groette verstrooid terug,
zijn werk geen oogenblik onderbrekend;
vlug sorteerde hij de brieven en poststukken
en wierp ze handig in de ontelbare vakjes
voor de verschillende steden en dorpen.
Toen de machinist de fluit schel en doordringend liet gillen, liep hij echter naar den
anderen kant van den wagen en schoof de
zware deur open.
„Dat is Keensburg,” zei Danny.
„Daar moet ik een postzak binnenhalen,”
antwoordde Coleman, terwijl hij den ijzeren
staaf met den krommen haak, waarmee de
mailzakken van den paal werden gelicht,
uit den hoek nam.
Danny zag plotseling in, dat hij een
flater had gemaakt. Wanneer zijn vermoeden
omtrent Coleman juist was, had hij de
minste kans om iets te ontdekken, wanneer
hij hem hier kwam bezoeken; hij had ongezien in den wagen moeten sluipen en
Coleman in den waan laten, dat hij alleen
was, „Morgen beter,” nam hij zich voor;
hij trachtte nu den schijn van zijn speurdersrol te vermijden.
„We zijn toch niet te laat?” vroeg hij;
„ze stoken zoo idioot hard.”
Coleman antwoordde niet: hij leunde,
den staaf gereed in zijn hand, tegen den
wand bij de geopende deur en tuurde scherp
naar buiten. Door de dikke rookwolken
uit de locomotief kon men echter slechts
flauw de lichten van het stadje zien en
daarna van het perron. Op het juiste oogenblik stak hij den staaf uit en haalde hem
dadelijk weer binnen. Er was echter geen
postzak.
„Geen mail,” zei hij peinzend. „Zie je
dat, Danny? Er is geen postzak.”
„Wist ik,” antw’oordde Danny hoestend
en proestend, terwijl hij roet en asch uit
zijn oogen wreef. „Ik heb het klikken van
den veerenden haak, waarmee de zak aan
den paal is bevestigd, niet gehoord.”
Charley nam grommend zijn werk weer
op; zijn bezoeker voelde ook geen lust in
conversatie. Hij was teleurgesteld. Maar
dat hij niets ontdekt had en dat de zaak
nog even duister bleef, was het ergste niet.
Danny vocht tegen zijn achterdocht, achterdocht tegen zijn vriend Grant, dien hij vereerde tot aan de nagels van zijn vingers.
Als Coleman de post niet stal, moest Grant
het wel doen. Een andere mogelijkheid
was uitgesloten.
Maar een jongen van vijftien jaar wil
den man, dien hij tot held en vereerden
vriend heeft gewonnen, niet van iets laags
verdenken. De schijn was tegen Grant, maar
hij kón geen dief zijn, redeneerde Danny;
dus moest iemand anders de dader zijn.
Dien zou hij vinden. Den volgenden morgen, heel vroeg, toen de trein van half zes
moest voorbijkomen, was hij op ’t rangeerterrein. Er was niemand, behalve Lem
Boldin. een bekende leeglooper uit het
stadje, die dikwijls langs de spoorlijn zwierf.
Wanneer hij in den trein zat, zag Danny
hem bijna altijd langs den spoordijk wandelen of zitten.
6
|