Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11436 tot 11440 van 11897
Nummer
1929, nr. 30, 27 juli 1929
Blad
07
Tekst
P A N O R A M A No. 3 0 2 7 JU L J IN NIJMEGEN kwamen de deelnemers aan bijeen, die van 23 tot 27 Juli werd gemaakt en waaraan door Nederland, Engeland, Frankrijk en Spanje werd deelgenomen. Op de foto ziet men Manbay, den leider der Engelsche (links) en Sabas Mavarro van de Spaansche ploeg in gesprek op de binnenplaats der kazerne van de Koloniale Reserve te Nijmegen. de Vierdaagsche Afstandsmarsch | HET GRAF VAN COMENIUS, die in 1670 teNaarden overleed, werd deze week in tegenwoordigheid van geleerden en autoriteiten te Naarden geopend; hoewel het nog officieel moet worden vastgesteld, acht men het zeker, dat het gevonden skelet dat van Comenius is. Komensky ofComenius, in 1592 in Moravië geboren, kwam na vele reizen door Europa tenslotte naar Amsterdam en Naarden; hij wordt beschouwd als een der grondleggers van de moderne paedagogiek. Op de foto ziet men prof. v. d. Broek en prof. Maziegka in den grafkuil, nadat het skelet was vrij gegraven. DE ONTVANGST van sir J. E. Kynaston Studd, Lord Mayor van Londen (links) door burgemeester W. de Vlagt van Amsterdam, bij het officieel bezoek van den Engelschen magistaat aan de hoofdstad. 5
PDF
Nummer
1929, nr. 30, 27 juli 1929
Blad
08
Tekst
PAN O R A M A No. 3 0 2 7 J U L 1 IN OE ROOKWOLK DOOR B. STANDISH F luitend stapte Danny, den bak met chocolade en sigaretten aan den arm, het perron op. Zijn das was op een bijzondere manier gestrikt, zijn pet stond een tikje scheef en één knoop van zijn jas was los. Hij groette Grant, chef en telegrafist van het kleine station, verheugd; Danny was altijd blij wanneer hij Grant zag. Hij vereerde Grant en een der uitingen van zijn sterke jongensvereering was, dat hij het toilet van Grant tot in kleinigheden van scheeve petten en het strikken van dassen navolgde. Zoodra Grant zijn jongen vriend zag, zei hij ernstig: „Let goed op den postzak, Danny, heel goed. Trein 8013 komt dadelijk voorbij/' „In orde,” antwoordde Danny (voor treinen, die niet stoppen, hangt men in Amerika een zak met de post aan een ijzeren paal naast de rails; met een daartoe gemaakte ijzeren staaf haakt de beambte in den postwagen den zak van den paal). Grant zelf posteerde zich dicht bij den paal en keek scherp toe, toen de trein zichtbaar werd in de bocht bij het station. Daverend snelde hij even later voorbij het perron; uit de locomotief spoot een wolk van dichten rook, waardoor de wagens vanaf het perron bijna onzichtbaar waren. „Wat een rook,” mopperde Danny, toen de trein voorbij was, „onzin om zoo hard te stoken.” „Is de mailzak in den postwagen?” vroeg Grant. „Beslist, ik hoorde het klikken van den veer. En de zak is nu weg.” „Ja, de zak is weg,” gromde Grant. „Er was een waarde van tienduizend dollar vandaag in den zak, Danny. — En volgende week zal er hier iemand van de geheime politie komen, denk ik. Maar vóór dien tijd zal ik weg zijn.” Danny keek zijn ouden vriend verwilderd en teleurgesteld aan. „Vier mailzakken zijn verdwenen, telkens als er veel aangeteekende brieven waren,” vervolgde Grant. „De mail wordt gestolen, en ze verdenken mij ervan.” „Maar ik heb vaak met eigen oogen gezien, dat je den zak ophing,” zei Dancy. „En als je vlucht, zal iedereen denken dat je de dief bent.” „Doet er niet toe,” antwoorde Grant. „In den postwagen van trein 8013 is altijd Charley Coleman. Hij is de dief of ik; ik ben het niet, dus.... Maar Coleman heeft mij het leven gered, in 1918, en hij heeft een zuster, Grace, die voor mij meer beteekent dan wie of wat ook. Zij zou sterven van verdriet, wanneer haar broer in de gevangenis kwam. Als ik dat kan voorkomen, doe ik dat. En daarom ga ik weg.” „Maar dat mag je niet doen, ze zullen denken, dat jij de dief bent.” Danny huilde bijna; het leven leek hem zonder beteekeHUISWAARTS. Een prachtige foto van de roeiersploeg der Colombia Universiteit (klein, in het midden) op de Hudson, na de dagelijksche training huiswaarts keerend. nis, wanneer de vereerde Grant niet in zijn omgeving was. ,/t Moet,” zei Grant. „Volgende week ben ik verdwenen. Grace zou het niet overleven, wanneer haar broer werd gearresteerd.” „Volgende week?” herhaalde Danny. „Voor dien tijd zal ik zorgen, dat alles opgehelderd is. Jij neemt de schuld op je omwille van Grace Coleman, maar ik zal den waren dief vinden, of ik wil geen Danny meer heeten.” Het was hem ernst met zijn detectiveplannen en den volgenden morgen, op zijn eerste reis, begon hij aan de uitvoering. Hij ging zelfs niet met zijn bak in de coupé s, ofschoon de reizigers van dezen trein meestal goede koopers waren, maar liep dadelijk door de loopgang naar den postwagen. Hij mocht er niet komen en hij kon er geen zaken doen, maar regels en reglementen waren niet voor hem gemaakt, en bovendien had hij nu een gewichtige zending, waarbij alle regels nonsens waren. „Morgen,” groette hij, terwijl hij gemakkelijk ging zitten op een kist, waarop Voorzichtig, breekbaar was geschilderd. Charly Coleman groette verstrooid terug, zijn werk geen oogenblik onderbrekend; vlug sorteerde hij de brieven en poststukken en wierp ze handig in de ontelbare vakjes voor de verschillende steden en dorpen. Toen de machinist de fluit schel en doordringend liet gillen, liep hij echter naar den anderen kant van den wagen en schoof de zware deur open. „Dat is Keensburg,” zei Danny. „Daar moet ik een postzak binnenhalen,” antwoordde Coleman, terwijl hij den ijzeren staaf met den krommen haak, waarmee de mailzakken van den paal werden gelicht, uit den hoek nam. Danny zag plotseling in, dat hij een flater had gemaakt. Wanneer zijn vermoeden omtrent Coleman juist was, had hij de minste kans om iets te ontdekken, wanneer hij hem hier kwam bezoeken; hij had ongezien in den wagen moeten sluipen en Coleman in den waan laten, dat hij alleen was, „Morgen beter,” nam hij zich voor; hij trachtte nu den schijn van zijn speurdersrol te vermijden. „We zijn toch niet te laat?” vroeg hij; „ze stoken zoo idioot hard.” Coleman antwoordde niet: hij leunde, den staaf gereed in zijn hand, tegen den wand bij de geopende deur en tuurde scherp naar buiten. Door de dikke rookwolken uit de locomotief kon men echter slechts flauw de lichten van het stadje zien en daarna van het perron. Op het juiste oogenblik stak hij den staaf uit en haalde hem dadelijk weer binnen. Er was echter geen postzak. „Geen mail,” zei hij peinzend. „Zie je dat, Danny? Er is geen postzak.” „Wist ik,” antw’oordde Danny hoestend en proestend, terwijl hij roet en asch uit zijn oogen wreef. „Ik heb het klikken van den veerenden haak, waarmee de zak aan den paal is bevestigd, niet gehoord.” Charley nam grommend zijn werk weer op; zijn bezoeker voelde ook geen lust in conversatie. Hij was teleurgesteld. Maar dat hij niets ontdekt had en dat de zaak nog even duister bleef, was het ergste niet. Danny vocht tegen zijn achterdocht, achterdocht tegen zijn vriend Grant, dien hij vereerde tot aan de nagels van zijn vingers. Als Coleman de post niet stal, moest Grant het wel doen. Een andere mogelijkheid was uitgesloten. Maar een jongen van vijftien jaar wil den man, dien hij tot held en vereerden vriend heeft gewonnen, niet van iets laags verdenken. De schijn was tegen Grant, maar hij kón geen dief zijn, redeneerde Danny; dus moest iemand anders de dader zijn. Dien zou hij vinden. Den volgenden morgen, heel vroeg, toen de trein van half zes moest voorbijkomen, was hij op ’t rangeerterrein. Er was niemand, behalve Lem Boldin. een bekende leeglooper uit het stadje, die dikwijls langs de spoorlijn zwierf. Wanneer hij in den trein zat, zag Danny hem bijna altijd langs den spoordijk wandelen of zitten. 6
PDF
Nummer
1929, nr. 30, 27 juli 1929
Blad
09
Tekst
DE STRIJD TEGEN DE HITTEGOLF. Op het rangeerterrein klom de jonge speurder in den gereedstaanden trein, die om zeven uur zou vertrekken. Hij wilde methodisch te werk gaan. Eerst klom hij tot op het dak van den postwagen, maar hij kwam spoedig tot de conclusie, dat niemand zich staande kon houden op het halfronde dak, om dan nog bij een vaart van 70 K.M. met een ijzeren staaf een zwaren postzak van den paal te lichten. Wanneer men hetzelfde beproefde op de buffers van de postwagen, pleegde men eenvoudig zelfmoord, en, tusschen de locomotief en den postwagen was geen andere wagen. Danny vond het detectivewerk verre van eenvoudig. In zijn kamer van het station vond hij Grant. Hij zat voor de tafel, nadenkend een klein pakje bekijkend, dat voor hem lag. Hij zag zijn jongen vriend pas, toen dezen naast hem stond. „Hallo,” zei Danny. „Ik heb gisteren gereisd in den postwagen — Charley Coleman is de dief niet,” „Natuurlijk heeft hij het gisteren niet gedaan,” antwoordde Grant. „Hij steelt niet als jij naast hem staat. Maar dit — hij liet het pakje zien — vorige week stuurde ik dit oude halssnoer aangeteekend naar ’n juwelier, om ’t te laten repareeren. Het is van moeder geweest. En gisteren liet Grace het mij zien; ze had het gekregen, van Charley. De idioot 1 Steelt eerst een opvallend kostbaar snoer en laat het dan hier terugkomen. Had het zoogenaamd gekocht in een klein pandjeshuis! Heb je ooit zooiets onhandigs meegemaakt?” „Maar,” stamelde Danny. „Gisteren was er geen mail, en Charley heeft niet gestolen. Heb het met eigen oogen toch gezien! De zak is wel gestolen, maar niet door hem!” Zij waren het er over eens, dat de zaak wanhopig werd; er werd gestolen. Grant deed het niet, Coleman evenmin en een ander kon het niet doen. Danny keek vertwijfeld uit het raam, hopend tegen alle hoop in; zoolang er een zweem van vermoeden tegen Grant bestond, wilde hij niet rusten. Peinzend keek hij langs de spoorlijn; maar daar was de oplossing niet te vinden; er was niets te zien dan Lem Boldin en de vroege sneltrein, die juist in den bocht was. Er kwam bijna geen rook uit den korten schoorsteen van de locomotief. Met een sprong bijna was Danny weer naast Grant. „Is er mail vanavond ?” „Ja. „Veel waarde?” „Alleen brieven, meen ik. — Wat wil je?” „Vanavond is de mail zeer kostbaar,” zei Danny. „Begrijp je? Laat het goed bekend worden: kostbare mail. Zorg er voor. Dan zal ik vandaag in den mailtrein reizen en den dief ontdekken.” „Praat geen nonsens,” zei Grant nijdig. „Wat ben je van plan?” Maar Danny antwoordde alleen: „vanavond weet je alles,” en vertrok. Hij offerde ’n belangrijk deel van zijn spaarpot in een winkel van auto-onderdeelen en reisde ’s middags met zijn bak naar het dichtstbijzijnde groote station, waar hij den mailtrein nam. Hij ging onmiddellijk naar den postwagen; Charley Coleman was druk bezig en gaf geen aandacht aan Danny. die rommelde achter eenige kisten met eieren bij de deur. P A N O R A M A No. 3 0 2 7 .1 U L l „Kostbare mail vandaag,” praatte hij ondertusschen. „Er zijn juweelen bij van de burgemeestersvrouw, die gerepareerd moeten worden in Chicago. Groote ringen met diamanten, geloof ik. ’n Waarde van duizenden.” „Heb ik ook gehoord,” antwoordde Coleman somber. „En ik wilde, dat de zak veilig en wel in den wagen lag.” „Vandaag ben ik niet niet bang voor diefstal,” verzekerde Danny — „Zeg Charley, als postbeambte heb je toch het recht om op maildieven te schieten, niet?” „Wat bedoel je?” „Heb je twee revolvers? Mooi. — Een voor jou en een voor mij. Meer zeg ik niet.” Coleman haalde ongeduldig zijn schouders op en vroeg niet verder. Hij opende de deur, want zij naderden het station. Onmiddellijk sloeg hem weer een vieze, dikke rookwolk in het gezicht, die bijna alle uitzicht belemmerde. Danny zat weer achter zijn kisten. „’n Beetje naar links,” verzocht hij den beambte, die met den staaf gereed stond. „Nee, vraag nu asjeblieft niets.” Daverend schoten zij langs het perron, waar zij door den zwarten rook slechts flauw de sterke booglampen konden zien. Op hetzelfde oogenblik dat Coleman zijn staaf uitstak, schoten twee felle lichtstralen vanuit den .wagon in de duisternis. „Weer niets,” gromde Coleman, toen hij de staaf zonder postzak weer binnen haalde — „Danny, wat doe je!?” Danny was naar de handgreep van de noodrem gesprongen en trok er heftig aan. „Ik heb het gezien, ik heb het gezien!” gilde hij verrukt. „De revolvers! Ik ook één. Gauw naar de machine!” De trein verminderde snel vaart; nog voor de wagens met een doordringend knersen van de wielen stilstonden, sprong Danny uit den postwagen, gevolgd door Charly Coleman. Samen renden zij naar de locomotief. Nog voor de stoker van de machine kon springen, om te vragen waarom er geremd was, stond Danny in de kleine ruimte met een revolver voor hem: Coleman hield den machinist in bedwang. Toen de conducteurs verschenen en de bewaking overnamen, haalde Danny triomphantelijk vanonder een stapel steenkool den postzak te voorschijn. „Het was heel eenvoudig,” vertelde hij den volgenden avond. Het was in het huis van Charly Coleman. Grace en Grant zaten samen op den divan, want de gelukkige oplossing van de duistere zaak had Grant den moed gegeven, om de gewichtige vraag tot het meisje te richten, die er graag bevestigend op had geantwoord. „Waar kon het anders gebeuren dan op de locomotief? Waarom zwierf Sam Boldin altijd langs de lijn, als de mailtrein naderde ? Hij waarschuwde den machinist en den stoker, wanneer er kostbare mail was, er werd gezorgd voor veel en dikke rook en niemand zag dat de machinist met een langen ketelstoof den postzak afhaakte, voordat de postwagon nog voorbij den paal kwam. De zakken werden in den ketel verbrand. Het halssnoer hadden zij naar een pandjeshuis gebracht, waar Charley het den volgenden dag werkelijk voor Grace kocht. Gisteren lieten we het praatje rondgaan dat er kostbare stukken bij de mail waren, ik zorgde voor autolampen en een sterke electrische batterij, en ik kon alles zien ondanks de dikste rookwolken.” „Nu heb je de 5000 dollar verdiend, die voor het arresteeren van de maildieven is uitgeloofd,” zei Grant. „Je moet je baantje er aan geven, Danny en naar school gaan. Iemand met hersens als jij, zal het ver brengen.” „Ik wil niet naar school,” antwoordde Danny stug. „Ik wil blijven reizen en chocolade verkoopen en bij jou in de buurt blijven. En oppassen dat er niet weer post wordt gestolen.” „Je moet naar de school in Stilton gaan,” hield Grant vol. „Daar ben ik ook geweest. En onder de vacanties logeer jij bij ons; Grace en ik zullen gauw trouwen.” Danny keek zijn ouderen vriend aan. „Ben jij ook in Stilton geweest? Goed, dan zal ik er heen gaan.” Waar Grant, zijn held en ideaal, was geweest, wilde hij ook zijn. 7
PDF
Nummer
1929, nr. 30, 27 juli 1929
Blad
10
Tekst
PANORAMA No. 3 0 27 JULI REIZEN D \ / IXIJN VAART BONN met de brug over den Rijn en een Rijnboot. KEULEN bij avond vanaf de boot. V oor velen is een reisje langs den Rijn de eerste vacantie-uittocht naar het buitenland geweest. Die er geweest is, spreekt er geestdriftig over en beveelt anderen dezelfde reis aan. Zoo is de Rijn-vaart met een bezoek aan de mooie steden Keulen, Coblenz, Bonn e.a. min of meer traditioneel geworden, doch allen die den Rijn tot doel van hun vacantie nemen, zullen verzekeren, dat traditioneel hier niet gelijk staat met afgezaagd; van de vaart op den Rijn met de zeer bezienswaardige steden en de bekoring van rotsen, ruïnes en berglandschap, waar men op ieder punt herinnerd wordt aan eeuwen-oude historie en sagen, bewaart ieder een mooie herinnering. LANGS DEN RIJN WELLMICH met de Mausburg, een typisch voorbeeld van een Rijn-gezicht. BI] DE LORELEY. 8
PDF
Nummer
1929, nr. 30, 27 juli 1929
Blad
11
Tekst
PANORAMA No. 30 27 JULI UITGEVALLEN, Een der deelnemers van de Vierdaagsche Afstandsmarsch bij Nijmegen, voor wien de loop-prestatie te zwaar bleek. VIOLIST-TENNISSPELER. De bekende Hongaarsche violist Zoltan Székely (tweede van links), die deelnam aan de open Lawntenniswedstrijden te Nijmegen. Fotoo\ïeuws BLOEMEN. Een rijke foto van de jaarlijksche bloemententoonstelling in XVestminster Bank te Londen. 9
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11436 tot 11440 van 11897