|
PANORAMA No. 3 0
door
WiLHELM LÜTTICH
H
et is nu reeds dertien jaar geleden, dat de veelbewogen
loopbaan van Keizer Frans Joseph werd afgesloten,
nadat hij vanaf 1848 ’t bewind had gevoerd over de
Donau-monarchie, die zoo kort na zijn dood in zijn
samenstellende deelen uiteenviel. Ieder weet dat het leven van
dezen monarch, die keizer van Oostenrijk, koning van Hongarije
was, en nog vele andere waardigheden in zijn persoon heeft
vereenigd, buitengewoon tragisch is geweest. Mogen we veel
Oostenrijkers, vooral Weeners gelooven, dan heeft dit, en ook
het feit dat hij zich de laatste jaren weinig meer in ’t openbaar vertoonde, er toe geleid dat de oude keizer voor zijn
eigen onderdanen haast onwerkelijk was geworden. Hij werd
tijdens zijn leven reeds beschouwd als een figuur uit de geschiedenis, er hing een waas van romantiek over zijn persoonlijkheid; hij was de incarnatie van een idee geworden
en het scheen zijn eigen volk toe of hij tot een vroegere
periode der historie behoorde.
Langzamerhand krijgt men thans, jaren na zijn dood,
meer kennis van het leven van den ouden heerscher. Natuurlijk door mémoires. Mémoires zijn na den grooten oorlog
een apart literatuur-genre gaan vormen; legio zijn de gedenkschriften van hen, die meer of minder intiem verbonden zijn
geweest aan voormalige vorstenhuizen of betrokken waren
bij belangrijke staatkundige gebeurtenissen uit dien tijd. Nu
hun rol is uitgespeeld, schijnen velen behoefte te gevoelen nabeschouwingen te houden over wat eens het belangrijkste deel van
hun leven uitmaakte, nieuw licht, of een vermeend nieuw licht, te
werpen op de historie van persoonlijkheden en toestanden, die de
geheele wereld kunnen interesseeren, of om sensatie te verwekken
met het kennelijk doel, daaruit financieele baten te kloppen.
Zoo zijn er ook verschillende gedenkschriften uitgekomen,
waarvan keizer Frans Joseph den hoofdpersoon uitmaakt, geschreven
door personen die in zijn onmiddellijke omgeving geleefd hebben.
Opmerkelijk is het, dat uit ongeveer alle de keizer ons als een wel
eigenaardige, maar sympathieke figuur tegenkomt.
De meeste dier mémoires betreffen uiteraard zijn regeeringsleven, maar kort geleden is een gedenkschrift uitgekomen dat wel
het merkwaardigste is, en wel omdat het uitsluitend de meer huiselijke zijde van Frans Joseph’s leven belicht. Het is geschreven door
Eugene Ketterl, die meer dan 25 jaar lang de kamerdienaar is geweest van den keizer. Hij had een groote vereering voor zijn
meester, hetgeen dan ook uit zijn interessant boek wel blijkt.
Ketterl was de eenige persoon, die op elk uur van den dag
of den nacht toegang had tot de appartementen van den monarch.
„Niemand is een held voor zijn kamerdienaar," zegt het spreekwoord ; in den loop der jaren ontstond een zekere intimiteit tusschen
het hoofd der Donau-monarchie en zijn lijfdienaar. Ketterl kon
den keizer menigmaal beter inlichten over de publieke opinie dan
de ministers, en ook de keizer deed hem op zijn beurt meermalen
vertrouwelijke mededeelingen. En we danken Ketterl’s boek dan
ook veel wetenswaardigs, tot dusver onbekend.
Ketterl vertelt dan dat hij eerst kamerdienaar was geweest van
graaf von Bellengarde, een lid der Oostenrijksche hooge aristocratie.
De graaf was bijzonder tevreden over hem, en toen, bij gelegenheid van een hoffeest, de keizer zich terloops liet ontvallen dat hij
een betrouwbaren kamerdienaar zocht, beval de graaf hem den
zijnen aan. Op deze wijze kwam Ketterl aan het hof.
„Toen ik den eersten keer bij den keizer zou toegelaten
worden,” vertelde Ketterl, „had men mij nauwkeurig op de hoogte
gebracht van het ceremonieel dat ik in acht moest nemen. Maar
toen ik mij in zijn tegenwoordigheid bevond, werd ik zoo zenuwachtig, dat ik alles vergat. Inplaats daarvan stak ik den keizer mijn
hand toe. Het volgende oogenblik begreep ik het dwaze van mijn
houding reeds, en dat bovendien bij de strenge hofetiquette, de
strengste van alle vorstenhoven van Europa! Maar de keizer bleek
enorm geamuseerd. Hij lachte, schudde mij de hand en zei: „Je
bevalt mij, Ketterl; van nu af ben je dus aan mijn onmiddellijken
dienst verbonden. Je zult alleen wat geduld met me moeten hebben,
want ik word reeds een oud man. — Waar kom je vandaan? —
2 7 JULI
Weenen? — Dat doet me genoegen. Soldaat geweest?”
Al spoedig raakte Ketterl goed op de hoogte van verschillende
eigenaardigheden van den keizer, dien hij vóór alles als een goed
en dikwijls nobel mensch beschrijft.
Een der voornaamste karaktertrekken van Frans Joseph was
zuinigheid. Een paar dagen nadat Ketterl in zijn dienst was getreden,
ging de keizer op reis naar Cap Martin, waar keizerin Elisabeth,
die herstellend was van een ziekte, verbleef. Frans Joseph, die de
rijkste vorst van zijn tijd was en zelfs tot de rijkste menschen der
wereld behoorde, reisde niet met den hoftrein; want dat vond hij
te duur, vertelde hij Ketterl. Er werd een compartiment voor hem
gereserveerd, en wanneer hij daar eenigen tijd had gewerkt, ging
hij naar dat van zijn adjudant, graaf Paar, om een praatje te maken.
Ketterl heeft in zijn boek de bescheidenheid betracht niet al te
veel over het intieme leven van het keizerspaar te vertellen. Wel
blijkt uit zijn boek dat keizerin Elisabeth soms aan zonderlinge
begoochelingen leed. Zij kon niet lang naast den keizer leven;
maar, eenmaal van hem verwijderd, voelde zij zich ongelukkig en
verlangde weer naar hem terug. Het huwelijk schijnt overigens wel
gelukkig te zijn geweest.
Van Frans Joseph’s zuinigheid vertelt Ketterl verschillende
aardige staaltjes. „Indien men veronderstelt," zegt hij, „dat zijne
Majesteit een rijken voorraad boven- en onderkleeding en schoeisel
bezat, vergist men zich zeer. De onderkleeding van den keizer
was van het goedkoopste linnen. Het mijne was van veel beter
kwaliteit. Zijn burger-uitrusting was aller-ongelukkigst. De heele
voorraad bestond uit een paar oude jachtuniformen, een ouderwetsche overjas en dito avondcostuum en dan nog twee gewone
costuums. Ik heb me dikwijls afgevraagd hoe het mogelijk was
dat de garderobe van den keizer zoo klein en het getal kleermakers
dat den titel „hofleverancier" voerde, zoo groot was.
Bovendien had de monarch niet den minsten smaak voor kleeding.
Bij een groen costuum wilde hij steeds een blauwe das dragen. Bij
een avondcostuum, meende hij hooge militaire laarzen te moeten
dragen. „Wanneer ik hem op een en ander wees," vertelt de kamerdienaar, „werd hij nooit kwaad; slechts verviel hij den volgenden keer
in dezelfde fout. — Toen ik voor de eerste maal sedert jaren een
vouw in de pantalon van Zijne Majesteit liet persen, werd ik door
de omgeving van den keizer als een soort revolutionnair beschouwd. Men had hem nooit anders gezien, dan in een slobberende
pantalon, die vooral onderaan ontoonbaar was. Bij deze gelegenheid
maakte de keizer tot eenige dames de opmerking: „Wat mijn kleeding
betreft, ben ik absoluut afhankelijk van dezen tyran Ketterl.’
2
|